U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-01-2007.

Regeling · BWBR0002868

Besluit fondsen en spaarregelingen

Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 23 januari 1973, ter uitvoering van artikel 1637s, tweede lid, onder c en d, Burgerlijk WetboekBesluit fondsen en spaarregelingenWij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Op de gemeenschappelijke voordracht van Onze Ministers van Justitie en van Sociale Zaken van 31 augustus 1972, Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, nr. 422/672.

Gelet op artikel 1637s, tweede lid, onder c en d, van het Burgerlijk Wetboek;

Gezien het advies van de Sociaal-Economische Raad van 21 april 1972, nr. 4;

De Raad van State gehoord (advies van 1 november 1972, nr. 21);

Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Ministers van 2 januari 1973, Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, nr. 652/672 en van 9 januari 1973, Directoraat-Generaal voor Algemene Beleidsaangelegenheden, Directie Bedrijfsorganisatie, Ondernemingsraden en Bezitsvorming, Afdeling Bezitsvorming, No. 60093;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen, dat dit besluit in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

Soestdijk23 januari 1973JULIANA.De Minister van Justitie,VAN AGT.De Minister van Sociale Zaken,BOERSMA.de vijftiende februari 1973.De Minister van Justitie,VAN AGT.

Een fonds als bedoeld in artikel 1637s, tweede lid, onder c, van het Burgerlijk Wetboek moet een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid zijn. Indien het een fonds betreft ter behartiging van algemene belangen van bedrijfsgenoten in een bedrijfstak gezamenlijk, dienen statuten en reglementen te voldoen aan de voorschriften gesteld in titel 2. Betreft het een ander fonds, dan moeten de statuten en reglementen voldoen aan de voorschriften gesteld in titel 3.

De statuten of reglementen van het fonds moeten de doelstelling inhouden, met een nauwkeurige aanduiding van de belangen die het fonds behartigt en de bedrijfstak waarin het werkt.

Het bestuur van het fonds moet ingevolge de statuten voor tenminste éénderde bestaan uit vertegenwoordigers van werknemers, met dien verstande dat het aantal vertegenwoordigers van werknemers tenminste gelijk dient te zijn aan het aantal vertegenwoordigers van werkgevers.

De statuten of reglementen van het fonds moeten voorts bepalingen inhouden betreffende:

De statuten moeten bepalen dat de reglementen, alsmede de in de statuten en reglementen aangebrachte wijzigingen niet in werking zullen treden alvorens een volledig exemplaar van die stukken onderscheidenlijk van de wijzigingen daarin, door het bestuur ondertekend, voor een ieder ter inzage is neergelegd ter griffie van de rechtbank in het arrondissement waarin het fonds is gevestigd.

Het bestuur van het fonds moet ingevolge de statuten voor ten minste de helft bestaan uit vertegenwoordigers van de deelnemers.

De statuten moeten voorts bepalingen inhouden betreffende:

De statuten moeten bepalen dat de reglementen, alsmede de in de statuten en reglementen aangebrachte wijzigingen niet in werking zullen treden alvorens een volledig exemplaar van die stukken, onderscheidenlijk van de wijzigingen daarin, door het bestuur ondertekend, voor een ieder ter inzage is neergelegd ter griffie van de rechtbank in het arrondissement waarin het fonds is gevestigd.

Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan op verzoek van een fonds ontheffing verlenen van het in artikel 3, derde lid bepaalde. De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden; zij kan voorts worden gewijzigd en ingetrokken. De ontheffing wordt verleend voor bepaalde of onbepaalde tijd.

Een regeling tot sparen als bedoeld in artikel 1637s, tweede lid, onder d, van het Burgerlijk Wetboek moet schriftelijk worden vastgesteld en mede voldoen aan de voorschriften, gesteld in de artikelen 12-14.

Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan op verzoek van de betrokken werkgever of werkgevers ontheffing verlenen van het in artikel 12 bepaalde. De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden; zij kan voorts worden gewijzigd en ingetrokken. De ontheffing wordt verleend voor bepaalde of onbepaalde tijd.

Een bij de inwerkingtreding van dit besluit bestaand fonds als bedoeld in artikel 1637s, tweede lid, onder c, van het Burgerlijk Wetboek, dat voldoet aan de voorwaarden gesteld bij het Koninklijk besluit van 31 maart 1908, Stb. 94, doch niet aan hoofdstuk I van dit besluit, wordt niettemin tot 1 januari 1974 geacht aan dit hoofdstuk te voldoen.

Het Koninklijk besluit van 31 maart 1908, Stb. 94, wordt ingetrokken.