Regeling · BWBR0002869

Eindexamenbesluit m.h.n.o.

Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 24 januari 1973, houdende regeling van de eindexamens aan dagscholen voor huishoud- en nijverheidsonderwijs, voor zover daaraan middelbaar huishoud- en nijverheidsonderwijs wordt gegeven Eindexamenbesluit m.h.n.o. Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Op de voordracht van Onze minister van onderwijs en wetenschappen van 9 oktober 1972, nr. BVO/J 212.452;

Gelet op artikel 29, tweede en vijfde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs (Stb. 1967, 387);

De Onderwijsraad gehoord (adviezen van 31 januari 1972, OR/78 WVO en van 19 mei 1972, OR/78 WVO-I);

De Raad van State gehoord (advies van 1 november 1972, nr. 8);

Gezien het nader rapport van Onze voornoemde minister van 18 januari 1973, nr. 214.722;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Onze minister van onderwijs en wetenschappen is belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

Soestdijk 24 januari 1973 JULIANA. De minister van onderwijs en wetenschappen, C. VAN VEEN. de tweeëntwintigste februari 1973. De Minister van Justitie, VAN AGT.

Dit besluit verstaat onder:

"Onze minister": Onze minister van onderwijs en wetenschappen;

"de inspecteur": de inspecteur van het voortgezet onderwijs, belast met het toezicht op de school;

"school": een dagschool voor huishoud- en nijverheidsonderwijs voor zover daaraan middelbaar huishoud- en nijverheidsonderwijs wordt gegeven;

"het bevoegd gezag": voor wat betreft

"de gecommitteerde": de gecommitteerde of de gecommitteerden in de zin van artikel 29, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, belast met het toezicht op het eindexamen;

"kandidaat": een ieder die door het bevoegd gezag tot het eindexamen wordt toegelaten;

"het diploma": het diploma, bedoeld in artikel 29, vierde lid onder e, van de Wet op het voortgezet onderwijs.

Aan de leerlingen wordt gelegenheid gegeven aan de school een eindexamen af te leggen. Aan de leerlingen van de afdeling vooropleiding voor hoger beroepsonderwijs wordt volgens door Onze minister te stellen regelen de gelegenheid gegeven elk schooljaar tweemaal eindexamen in een of meer vakken af te leggen.

De beoordeling van kennis, inzicht en vaardigheid van de kandidaat bij het schoolonderzoek wordt uitgedrukt in één van de cijfers 1 tot en met 10, waaraan de volgende betekenis toekomt:

= zeer slecht

= slecht

= zeer onvoldoende

= onvoldoende

= bijna voldoende

= voldoende

= ruim voldoende

= goed

= zeer goed

= uitmuntend

Het toezicht bij het centraal geregelde gedeelte van het eindexamen is opgedragen aan de directeur en aan de door deze daartoe aangewezen leraren van de school, met dien verstande, dat in elk lokaal, waar eindexamen wordt afgenomen, steeds ten minste twee leraren of de directeur en één leraar aanwezig zijn.

De directeur of het door hem aangewezen lid van de examencommissie stelt de kandidaten vóór de aanvang van het centraal geregelde gedeelte van het eindexamen in kennis van alle aangelegenheden waarvan zij op de hoogte dienen te zijn.

In de in de drie voorgaande artikelen bedoelde gevallen verzoekt de inspecteur aan de voorzitter van de centrale commissie om toezending van andere opgaven of richtlijnen en beoordelingsnormen.

Indien door onvoorziene omstandigheden het schriftelijk examen in één of meer vakken aan één of meer scholen niet op de voorgeschreven wijze kan worden afgenomen, beslist Onze minister hoe alsdan moet worden gehandeld.

De artikelen 16 tot en met 19 zijn van overeenkomstige toepassing.

De artikelen 24, 25 en 25a zijn van overeenkomstige toepassing.

De praktische oefening van de kandidaten voor de afdeling kinderverzorging/jeugdverzorging wordt beoordeeld door de leraar van de school, die belast is met de praktijkbegeleiding na overleg met degene, onder wiens leiding de praktische oefening heeft plaatsgevonden.

Met inachtneming van door Onze Minister, de Onderwijsraad gehoord, te stellen regelen stelt de examencommissie in een vergadering de uitslag van het eindexamen vast.

Voor zover de kandidaat in het centraal geregelde gedeelte van het eindexamen schriftelijk werk heeft gemaakt in een of meer vakken en praktisch werk in handvaardigheid (handenarbeid) en niet voldoet aan de normen van slagen, of voor zover aan de kandidaat een verlenging van de praktische oefening is toegestaan, heeft deze uitslag een voorlopig karakter.

Artikel 28 is van overeenkomstige toepassing.

Met inachtneming van door Onze minister, de Onderwijsraad gehoord, te stellen regelen, legt de examencommissie in een vergadering vast, welke eindcijfers zijn behaald en welke kandidaten zijn geslaagd.

Artikel 30, eerste en zesde tot en met elfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

In afwijking van het bepaalde in artikel 37, eerste en tweede lid, is met betrekking tot de eindexamens van de afdeling vooropleiding voor hoger beroepsonderwijs het volgende van toepassing:

Ten behoeve van experimenten met een andere inrichting van het eindexamen kan Onze minister, de Onderwijsraad gehoord, voor zover het een rijksschool betreft, afwijken van de bepalingen gegeven bij of krachtens dit besluit en, voor zover het een gemeentelijke of bijzondere school betreft, toestaan dat daarvan wordt afgeweken.

In gevallen, waarin dit besluit niet voorziet, en waaromtrent een onmiddellijke beslissing noodzakelijk is, beslist de directeur in overleg met de voorzitter van de centrale commissie. De beslissing deelt hij zo spoedig mogelijk mede aan de leden van de examencommissie, aan de gecommitteerde en aan de inspecteur.

Onze minister kan nadere voorschriften geven met betrekking tot de regeling van het eindexamen.