Wijzigingen Officiële bron
Beschikking bijdragen werknemers Oost-Groningen en de Gronings-Drentse VeenkoloniënBeschikking bijdragen werknemers Oost-Groningen en de Gronings-Drentse VeenkoloniënDe Minister van Landbouw en Visserij,

Gelet op artikel 26 van de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën (Stb. 1977, 694),

Besluit:

's-Gravenhage22 december 1978 De Minister van Landbouw en Visserij, A. P. J. M. M. van derStee

Deze beschikking verstaat onder:

Aan werknemers, wier arbeidsovereenkomst wordt beëindigd als rechtstreeks gevolg van de toepassing van hoofdstuk 11 of artikel 58 van de wet worden op aanvrage door de herinrichtingscommissie bijdragen uit 's Rijks kas verleend op de voet van de volgende bepalingen.

De bijdragen kunnen bestaan uit:

Geen loondervingsbijdrage wordt toegekend indien de werknemer een bijdrage is toegekend op grond van:

Het in artikel 1, onder b, bedoelde loon van de werknemer bestaat uit het bedrag dat de uitkomst is van de vermenigvuldiging van het getal 22 met het dagloon, dat op grond van artikel 12a van de Werkloosheidswet wordt vastgesteld dan wel overeenkomstig genoemd artikel wordt vastgesteld.

De in artikel 7, eerste lid, onder a, bedoelde maandelijkse uitkering bestaat:

Voor zover gedurende de garantietermijn het in de c.a.o. voor de akker- en weidebouw en de veehouderij neergelegde tijdloon voor vakarbeiders A wordt gewijzigd, wordt het garantieloon door de directeur naar evenredigheid herzien.

Een verhuiskostenbijdrage wordt toegekend indien de werknemer:

Geen verhuiskostenbijdrage wordt toegekend indien:

De verhuiskostenbijdrage bedraagt f 7 500.

De aanvraag voor een loondervingsbijdrage kan slechts worden ingediend in het tijdvak dat is gelegen tussen, hetzij de dag waarop het bedrijfshoofd van het in de aanhef van artikel 4, eerste onderscheidenlijk tweede lid, bedoelde bedrijf ter voorkoming van onteigening met de Stichting Beheer Landbouwgronden een schriftelijke overeenkomst tot verkoop van het bedrijf heeft gesloten, hetzij de dag waarop het in artikel 16, eerste lid, van de wet bedoelde herinrichtingsplan overeenkomstig het bepaalde in artikel 20 van de wet is vastgesteld, hetzij de dag waarop het genoemde bedrijfshoofd de in artikel 58, derde lid, van de wet bedoelde afstand heeft gedaan, en de dag die is gelegen aan het einde van de twee maanden volgend op de dag van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

Indien de werknemer tijdens het genot van de in artikel 7, eerste lid, onder a, bedoelde maandelijkse uitkering overlijdt, wordt deze tot en met de laatste dag van de tweede maand, volgende op die, waarin het overlijden plaatsvondt, uitbetaald: