Ministeriële regeling · BWBR0003318

EEG-IJkregeling taxameters

Wijzigingen Officiële bron
EEG-IJkregeling taxameters EEG-IJkregeling taxametersDe Staatssecretaris van Economische Zaken Th. M. Hazekamp,

Gelet op artikel 23 van de IJkwet 1937 (Stb. 627) en de artikelen 7, 19a en 28 van het Algemeen EEG-IJkbesluit (Stb. 1978, 168);

Besluit:

's-Gravenhage27 mei 1980 De Staatssecretaris voornoemd, Th. M.Hazekamp

Deze regeling geldt ten aanzien van taxameters als nader omschreven in punt 1.1 van de bij deze regeling behorende bijlage, met uitzondering van elektronische taxameters.

De bepalingen van de bij deze regeling behorende bijlage moeten in acht worden genomen bij het verrichten van het onderzoek tot EEG-modelgoedkeuring en bij de gedeeltelijke eerste EEG-ijk.

Wijzigt de Algemene EEG-IJkregeling.

Deze regeling wordt aangehaald als: EEG-IJkregeling taxameters.

Mij bekend.De Staatssecretaris van Economische Zaken.Th. M.Hazekamp.

Onder taxameters worden verstaan toestellen met behulp waarvan, rekening houdend met de kenmerken van de taxi waarvoor zij zijn bestemd en met de tarieven waarop zij zijn afgesteld, automatisch wordt berekend en op elk ogenblik van gebruik wordt aangewezen welk bedrag de gebruikers van taxi's waarop de taxameters zijn geïnstalleerd, afhankelijk van de afgelegde afstand en – beneden een bepaalde snelheid – van de tijd gedurende welke van de taxi gebruik wordt gemaakt, verschuldigd zijn.

Onder taxi's worden verstaan auto's voor personenvervoer als bedoeld in artikel 1, onder j, van de Wet personenvervoer 2000.

Geldende voorschriften Onder geldende voorschriften worden verstaan voorschriften die voor een taxameter gelden in de EER-Staat waar de desbetreffende taxameter op de markt zal worden gebracht.

De aanwijzing van de taxameter is – het basistarief buiten beschouwing gelaten – afhankelijk van de constante k van de taxameter en van een coëfficient die kenmerkend is voor de taxi waarvoor de taxameter bestemd is.

De constante k van een taxameter is een kenmerkende grootheid die de aard en het aantal van de signalen aangeeft die de taxameter moet ontvangen om een juiste aanwijzing te geven overeenkomende met een bepaalde afgelegde afstand.

Deze constante k wordt uitgedrukt:

De aanpassingsinrichting is een inrichting die bedoeld is om de in punt 1.4 bedoelde coëfficient van de taxi aan te passen aan de constante k van de taxameter.

De in punt 5 vermelde maximaal toelaatbare foutenzones hebben berekking op de los van de taxi staande taxameter. De maximaal toelaatbare foutenzone is het maximale toegelaten verschil tussen de grootste en de kleinste van de aanwijzingen.

De omschakelingssnelheid is de snelheid waarbij de basis van de aandrijving van de aanwijsinrichting van de taxameter omschakelt van tijd op afgelegde afstand of omgekeerd.

Deze snelheid dient te zijn de snelheid die verkregen wordt door het tijdtarief te delen door het afstandtarief.

De aanwijzingen van de taxameters en de op de taxameters voorkomende gegevens dienen te worden uitgedrukt in dfe volgende meeteenheden:

De taxameter moet zodanig zijn vervaardigd dat de prijs van de rit uitsluitend op basis van de volgende gegevens wordt berekend en aangewezen:

De aandrijving op basis van de afgelegde afstand dient te kunnen geschieden door middel van de wielen van de taxi waarvoor de taxameter bestemd is. De taxameter moet zodanig uitgevoerd zijn dat het achteruitrijden van de betrokken taxi geen vermindering van de aangewezen prijs of afstand ten gevolge kan hebben.

De aandrijving op basis van de tijd dient te geschieden door middel van een uurwerk dat alleen kan worden ingeschakeld door middel van het bedieningsorgaan van de taxameter, bedoeld in punt 3.2.

Indien het uurwerk mechanisch is en met de hand moet worden opgewonden, moet het gedurende een tijdsduur van ten minste acht uur zonder opnieuw te worden opgewonden blijven lopen; deze tijdsduur bedraagt ten minste twee uur indien door elke handeling waarbij de taxameter met de hand in werking wordt gesteld, tevens het uurwerk wordt opgewonden.

Indien een mechanisch uurwerk elektrisch wordt opgewonden moet het opwinden automatisch plaatsvinden. Een elektrisch uurwerk moet op elk ogenblik gereed zijn om in werking te komen.

Bij de aandrijving op basis van de afgelegde afstand moet voor elk van de tariefstanden de eerste wijziging van de prijsaanwijzing plaatsvinden nadat een bepaalde beginafstand is afgelegd. Deze beginafstand dient in overeenstemming te zijn met de geldende voorschriften. De aanwijsstappen van de prijsaanwijzing met uitzondering van de eerste aanwijsstap moeten overeenkomen met onderling gelijke afstanden.

Bij de aandrijving op basis van de tijd moet voor elk van de tariefstanden de eerste wijziging van de prijsaanwijzing plaatsvinden nadat een bepaalde beginperiode is verstreken. Deze beginperiode dient in overeenstemming met de geldende voorschriften te zijn. De aanwijsstappen van de prijsaanwijzing met uitzondering van de eerste aanwijsstap moeten overeenkomen met onderling gelijke perioden.

Indien geen wijziging van de omschakelingssnelheid plaatsvindt moet de verhouding tussen de beginafstand en de met de volgende aanwijsstappen overeenkomende afstanden, ongeacht de toegepaste tariefstand, dezelfde zijn als de verhouding tussen de beginperiode en de met de volgende aanwijsstappen overeenkomende perioden.

De aanpassingsinrichting moet zodanig zijn uitgevoerd dat door het openen van het huis van die inrichting geen toegang wordt verkregen tot de overige onderdelen van de taxameter.

De taxameter moet zodanig ontworpen zijn dat door veranderingen aan de rekeninrichting tariefwijzigingen gemakkelijk kunnen worden uitgevoerd. Indien het aantal tariefstanden waarop de taxameter kan worden ingesteld groter is dan het aantal tarieven, van toepassing ingevolge de geldende voorschriften, moet in alle overtollige standen een prijs worden berekend en aangewezen die gebaseerd is op een geldend tarief.

De onderdelen van de taxameter mogen uitsluitend in beweging kunnen worden gebracht nadat zij door middel van het bedieningsorgaan in een van de volgen de standen zijn ingeschakeld:

In de stand ‘VRIJ’:

Het bedieningsorgaan moet zodanig zijn uitgevoerd dat vanuit de stand ‘VRIJ’ de taxameter in de volgende standen kan worden gebracht:

De gebruiksmogelijkheden van het bedieningsorgaan dienen zodanig te zijn dat:

Onverminderd het bepaalde in de punten 3.2.1 tot en met 3.2.4, mag de inschakeling van de verschillende tariefstanden bovendien automatisch plaatsvinden op basis van een bepaalde afgelegde afstand of van een bepaalde gebruiksduur van de taxi. Deze automatische inschakeling dient te geschieden in overeenstemming met de geldende voorschriften.

Het afleesvlak van de taxameter moet zodanig zijn uitgevoerd dat de aanwijzingen die voor de reiziger van belang zijn zowel bij dag als bij nacht gemakkelijk kunnen worden afgelezen.

Het verschuldigde bedrag moet gemakkelijk door middel van een reeks van op één lijn geplaatste cijfers met een hoogte van ten minste 10 mm kunnen worden afgelezen.

Bij inwerkingstelling van de taxameter vanuit de stand ‘VRIJ’ door middel van het bedieningsorgaan, moet een vast bedrag, overeenkomend met de eerste aanslag, zichtbaar worden.

De prijsaanwijzing moet vervolgens discontinu met stappen ter grootte van een vast bedrag oplopen.

De taxameter moet van een inrichting zijn voorzien met behulp waarvan op elk ogenblik op het afleesvlak de ingeschakelde bedrijfsstand wordt aangegeven. De wijze van aangeven dient in overeenstemming te zijn met de geldende voorschriften.

De taxameter moet zodanig zijn uitgevoerd dat een verklikker van het bedieningsorgaan kan worden aangesloten die aan de buitenzijde van de taxi waarvoor de taxameter bestemd is de bedrijfsstand of het toegepaste tarief aangeeft.

Deze verklikker mag in geen geval de goede werking van de taxameter verstoren, noch de toegang tot het binnenwerk of tot de overbrengingsorganen van de taxameter mogelijk maken.

Indien de aanwijzingen van het bedrag en van de standen van het bedieningsorgaan niet in lichtgevende cijfers of letters worden weergegeven moet de taxameter van een verlichting van de aanwijzingen zijn voorzien; deze verlichting mag niet verblindend zijn, maar moet sterk genoeg zijn om een gemakkelijke aflezing mogelijk te maken.

De bron van deze verlichting moet kunnen worden vervangen zonder dat de verzegeling van de taxameter wordt verbroken.

De taxameter moet van totaaltellers kunnen worden voorzien, die overeenkomstig de geldende voorschriften zijn vereist of toegestaan Dit kunnen totaaltellers zijn voor:

De taxameter moet kunnen worden voorzien van een telwerk voor toeslagen dat onafhankelijk is van de prijsaanwijzing en dat in de stand ‘VRIJ’ automatisch op nul springt.

Indien de taxameter van een telwerk voor toeslagen is voorzien dient het in overeenstemming te zijn met de geldende voorschriften en moeten de toeslagen worden aangewezen in een reeks van op één lijn geplaatste cijfers met een schijnbare hoogte van ten minste 8 mm; deze hoogte mag evenwel de hoogte van de cijfers die de ritprijs aangeven niet overschrijden.

Een taxameter mag van toegevoegde inrichtingen zijn voorzien zoals:

De taxameters moeten stevig en deugdelijk zijn geconstrueerd. De essentiële onderdelen moeten van voldoende stevige en duurzame materialen zijn vervaardigd.

Het huis van de taxameter en dat van de aanpassingsinrichting, indien deze laatste zich buiten het huis van de taxameter bevindt, alsmede het omhulsel van de overbrengingsorganen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat de essentiële onderdelen van het mechanisme niet van buitenaf bereikbaar zijn en tegen stof en vocht zijn beschermd. De onderdelen waarmee de taxameter kan worden gejusteerd dienen zodanig te zijn aangebracht dat zij zonder verbreking van de verzegeling onbereikbaar zijn, indien het huis van de taxameter is verzegeld.

Elke taxameter moet op het afleesvlak of op een afzonderlijke plaat voorzien zijn van de volgende gemakkelijk zichtbare en onder normale opstellingsomstandigheden leesbare gegevens:

Elke taxameter moet op het afleesvlak van de aanduidingen ‘VRIJ’ en ‘TE BETALEN’ zijn voorzien.

Op elke taxameter moet ruimte aanwezig zijn voor:

In de nabijheid van de vensters van de aanwijsinrichtingen moet duidelijk zichtbaar en leesbaar en op ondubbelzinnige wijze de betekenis van de aangewezen waarden zijn vermeld.

Naast de aanwijzing van de ritprijs en de aanwijzing van de verschuldigde toeslagen moet de naam of het symbool van de munteenheid zijn aangegeven.

Bij het onderzoek op een proefbank van een taxameter die bedrijfsgereed is en van de bijbehorende inrichtingen is voorzien, geldt als werkelijke waarde van de gemeten grootheden de waarde die voortvloeit uit de waarde van k die op de taxameter is aangegeven en het tarief of de tarieven waarop de taxameter is afgesteld.

De werkelijke waarde van deze grootheden moet liggen tussen de grootste en de kleinste van de toegestane aanwijzingen.

5.1

In geval van aandrijving op basis van de afgelegde afstand is de maximaal toelaatbare foutenzone voor een gegeven afstand:

5.2

In geval van aandrijving op basis van de tijd is de maximaal toelaatbare foutenzone voor een gegeven periode:

De volgende onderdelen van de taxameter moeten zodanig zijn uitgevoerd, dat zij door middel van een zegelmerk kunnen worden verzegeld:

De EEG-zegelmerken worden door de ijkinstelling of een ijkbevoegde aangebracht bij de gedeeltelijke eerste EEG-ijk op de onderdelen bedoeld in punt 6.1, onder a. en e. van goedgekeurde taxameters en wel zodanig dat toegang tot de beschermde onderdelen en organen onmogelijk is zonder beschadiging van een zegelmerk.

Voor zover de taxameter bestemd blijkt te zijn voor de uitvoer naar een andere EER-Staat, moeten de EEG-zegelmerken worden aangebracht in overeenstemming met de wettelijke bepalingen van die EER-Staat.

6.3

In het certificaat van EEG-modelgoedkeuring worden de plaatsen voor de verzegelingen vastgelegd en voor zover noodzakelijk de aard en de vorm der inrichtingen waarop de verzegelingen kunnen worden aangebracht.