Wet · BWBR0003875
Wet lidmaatschap koninklijk huis
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat ter voldoening aan het bepaalde in artikel 39 van de Grondwet de wet dient te regelen, wie lid is van het koninklijk huis;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage 30 oktober 1985BeatrixDe Minister-President, Minister van Algemene Zaken,R. F. M. LubbersDe Minister van Binnenlandse Zaken,Rietkerkde negentiende november 1985De Minister van Justitie,F. Korthals AltesMet de Koning als hoofd van het koninklijk huis zijn daarvan lid:
- a.
zij die krachtens de Grondwet de Koning kunnen opvolgen;
- b.
een Koning die afstand van het koningschap heeft gedaan.
Lid van het koninklijk huis zijn eveneens de echtgenoten van hen die ingevolge het voorgaande artikel het lidmaatschap van het koninklijk huis bezitten.
Voor hen die het lidmaatschap van het koninklijk huis bezaten als echtgenote of echtgenoot, blijft dit lidmaatschap gedurende hun staat van weduwe of weduwnaar behouden, zolang de overleden echtgenote of echtgenoot bij leven ingevolge artikel 1 lid van het koninklijk huis zou zijn geweest.
Het lidmaatschap van het koninklijk huis wordt niet verkregen bij gemis en eindigt bij verlies van het Nederlanderschap.
Het lidmaatschap van het koninklijk huis eindigt voorts door ontslag, verleend bij een in het Staatsblad te plaatsen koninklijk besluit, waarover de Raad van State is gehoord.
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet lidmaatschap koninklijk huis.