U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-01-2012.
Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 10 april 1987, houdende emissie-eisen stookinstallaties Wet inzake de luchtverontreinigingBesluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer AWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 22 januari 1986, MJZ 22 16 025, Centrale Directie Juridische Zaken, afdeling Wetgeving en het Directoraat-Generaal voor de Milieuhygiëne, directie Lucht, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken;

Overwegende dat het, gelet op de problematiek van de verzuring van het milieu en met het oog op de kwaliteit van de buitenlucht, wenselijk is ter beperking van de luchtverontreiniging door zwaveloxiden, stikstofoxiden en stof, eisen te stellen aan de emissie van die stoffen door stookinstallaties, behorende tot vergunningplichtige inrichtingen;

Gelet op de artikelen 13, 20a, 88, eerste, derde en vierde lid, van de Wet inzake de luchtverontreiniging (Stb. 1981, 411);

Gehoord de Centrale raad voor de milieuhygiëne (advies van 11 september 1985);

De Raad van State gehoord (advies van 23 december 1986, No. W.O.86.0059.);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 8 april 1987, nr. MJZ 0847004, Centrale Directie Juridische Zaken, afdeling Wetgeving en het Directoraat-Generaal voor de Milieuhygiëne, directie Lucht, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

's-Gravenhage10 april 1987BeatrixDe Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,E. H. T. M. Nijpelsde achtentwintigste april 1987De Minister van Justitie,F. Korthals Altes

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Dit besluit is van toepassing op:

Degene die een inrichting drijft waarin zich een stookinstallatie bevindt waarop dit besluit van toepassing is, draagt er zorg voor dat de voorschriften, bij of krachtens dit besluit gesteld, worden nageleefd.

Bij afwisselend gebruik van verschillende soorten brandstof in een stookinstallatie zijn de bij of krachtens dit besluit gestelde emissie-eisen voor elke gebruikte brandstof afzonderlijk van toepassing.

In plaats van de datum van de vergunningverlening geldt:

Een stookinstallatie waarvoor voor 27 november 2002 een vergunning is aangevraagd en die voor 27 november 2003 in gebruik is genomen, wordt voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld aan een stookinstallatie waarvoor voor 27 november 2002 vergunning is verleend.

Bij een stookinstallatie met een thermisch vermogen van 50 MW of meer waarvoor op of na 27 november 2002 vergunning is verleend en bij een stookinstallatie met een thermisch vermogen van 50 MW of meer waarop artikel 10a, tweede lid, van toepassing is, wordt de technische en economische haalbaarheid van warmtekrachtkoppeling onderzocht. Indien die haalbaarheid wordt bevestigd, wordt warmtekrachtkoppeling toegepast.

Het bepaalde in § 1 is niet van toepassing op bestaande stookinstallaties.

Artikel 9 en de bepalingen van § 1 en § 2 van dit hoofdstuk voor zover de toepassing daarvan betrekking heeft op de uitworp van stikstofoxiden, zijn niet van toepassing op gasturbines, gasturbine-installaties en zuigermotoren.

Het laatstelijk verstrekte verslag van een keuring en het laatstelijk verstrekte bewijs van verricht onderhoud, bedoeld in artikel 25a, vierde en achtste lid, worden door degene die de inrichting drijft in de inrichting ter beschikking gehouden ten behoeve van het bevoegd gezag.

In afwijking van de artikelen 27 en 28 stelt het bevoegd gezag, indien tot de inrichting een gpbv-installatie behoort, voor een tot die gpbv-installatie behorende stookinstallatie strengere emissie-eisen dan de in dit besluit voor die installatie gestelde emissie-eisen, indien met laatstbedoelde eisen niet wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.14 en 2.22 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Het bevoegd gezag kan - onverminderd artikel 24 - nadere eisen stellen met betrekking tot:

Continue meting voor de bepaling van de concentratie van zwaveldioxide, stikstofoxiden of stof is:

Met ingang van 1 januari 2005 wordt jaarlijks een raming opgesteld van de warmte-inhoud van de totale hoeveelheid brandstof die in het daaraan voorafgaande kalenderjaar in een stookinstallatie met een thermisch vermogen van 50 MW of meer is verbrand. Deze warmte-inhoud wordt gespecificeerd voor de volgende categorieën brandstoffen: biomassa, overige vaste brandstoffen, vloeibare brandstoffen, aardgas en overige gasvormige brandstoffen.

De resultaten van de bij of krachtens het bepaalde in dit hoofdstuk uitgevoerde metingen, alsmede andere gegevens die nodig zijn om te kunnen beoordelen of in overeenstemming met dit besluit is gehandeld, worden door degene die de inrichting drijft, in de inrichting ter beschikking gehouden voor controle, indien het:

Onze Minister stelt nadere regels met betrekking tot de wijze waarop de concentraties aan zwaveldioxide, stikstofoxiden en stof in het rookgas en het voldoen aan de andere vereisten van dit besluit moeten worden vastgesteld.

De aan een vergunning verbonden voorschriften blijven, met betrekking tot onderwerpen waarin dit besluit voorziet, van kracht voor zover deze niet in strijd zijn met het bij of krachtens dit besluit bepaalde.

Vervallen

Voor een stookinstallatie anders dan een procesfornuis waarop dit besluit van toepassing is als gevolg van de wijziging van het thermisch vermogen van 75 MWth in 50 MWth, genoemd in categorie 1.3, onderdeel b, van bijlage I, onder C, bij het Besluit omgevingsrecht, geldt:

Voor een stookinstallatie voor gasvormige of vloeibare brandstoffen met een vermogen, berekend op de bovenste verbrandingswaarde van de brandstof van minder dan 2,5 MW, waarvoor vóór 1 mei 1998 vergunning is verleend, geldt:

Vervallen