Wijzigingen Officiële bron
Erkenningsregeling vrijwillige plaatsingen jeugdhulpverleningErkenningsregeling vrijwillige plaatsingen jeugdhulpverleningDe minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,

Besluit:

Rijswijk20 juli 1987 De minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, L. C.Brinkman

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

a.de minister:

de minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur;

b.jeugdhulpverlening:

activiteiten gericht op het bij jeugdigen voorkomen, verminderen, of opheffen van problemen of stoornissen van lichamelijke, geestelijke, sociale of pedagogische aard die hun ontwikkeling naar volwassenheid ongunstig kunnen beïnvloeden;

c.jeugdige:

degene aan wie pleegzorg of jeugdhulpverlening in een residentiële voorziening wordt geboden dan wel ten aanzien van wie het bieden van deze hulpverlening wordt overwogen;

d.ambulante instelling:

een in Nederland gevestigde rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, niet zijnde een residentiële of semi-residentiële voorziening, die in ieder geval ten doel heeft het bieden van jeugdhulpverlening;

e.pleegouder:

een persoon die op grond van de Subsidieregeling vrijwillige pleegzorg (Stcrt. 1984, 138) voor subsidie in aanmerking is of wenst te worden gebracht;

f.residentiële voorziening:

een tehuis waarin aan aldaar opgenomen jeugdigen gedurende dag en nachthulp wordt geboden en dat op grond van de Tijdelijke subsidieregeling jeugdhulpverlening voor subsidie in aanmerking is gebracht met uitzondering van de voorzieningen opgenomen in de bij de Tijdelijke subsidieregeling jeugdhulpverlening behorende lijst A en de medische kindertehuizen, dan wel op grond van artikel 5 van de Beginselenwet voor de kinderbescherming (Stb. 1961, 403) is goedgekeurd;

g.plaatsing:

vrijwillige hulpverlening aan een jeugdige bij een pleegouder of in een residentiële voorziening;

h.herplaatsing:

voortzetting van de plaatsing bij dezelfde pleegouder of in dezelfde residentiële voorziening na het verstrijken van de in artikel 7, tweede lid, bedoelde termijn;

i.indicatie:

het resultaat van de in artikel 3, onder a en c bedoelde activiteiten;

j.regio:

de regio bedoeld in artikel 1, onder b, van de Tijdelijke stimuleringsregeling samenwerkingsverbanden jeugdhulpverlening.

Een ambulante instelling voert, in onderling verband, de volgende activiteiten op het terrein van de jeugdhulpverlening uit:

Bij de activiteiten bedoeld in artikel 3, onder a, b en c, geldt in ieder geval als uitgangspunt dat de jeugdhulpverlening plaatsvindt in de minst ingrijpende vorm, zo dicht mogelijk bij de plaats waar de jeugdige duurzaam verblijft en gedurende een zo kort mogelijke periode en ook overigens voldoet aan de eis dat zij voor de jeugdige de meest aangewezene is te achten.

Een ambulante instelling doet onverwijld aan de minister schriftelijk mededeling van de datum waarop plaatsing in een pleeggezin of in een residentiële voorziening is beëindigd.

In geval van plaatsing van een jeugdige bij een pleegouder buiten de bij de erkenning van de ambulante instelling aangegeven regio en buiten de aan deze regio grenzende regio's, worden de activiteiten van de instelling overgedragen aan een andere op grond van dit besluit erkende ambulante instelling in de regio waar de desbetreffende pleegouder woonachtig is, tenzij de termijn, bedoeld in artikel 7, tweede lid, niet meer dan drie maanden bedraagt.

De ambulante instelling bevordert dat voorafgaande aan een plaatsing degene die op grond van het Bijdragebesluit jeugdhulpverlening bijdrageplichtig is, zich verbindt tot het betalen van een met toepassing van dat besluit berekende bijdrage. In voorkomende gevallen vraagt de ambulante instelling aan de minister of het aangaan van een zodanige verbintenis achterwege kan blijven.

Een ambulante instelling draagt ten aanzien van iedere jeugdige zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een actueel dossier, waarin alle stukken zijn opgenomen met betrekking tot de in artikel 3 genoemde activiteiten. Het dossier bevat bovendien het verslag van een eventuele klachtenbehandeling en gegevens betreffende haar activiteiten met betrekking tot de ouderbijdrage.

Een ambulante instelling heeft een regeling op grond waarvan jeugdigen, (stief)ouders, voogden, pleegouders en andere direct belanghebbenden bezwaar kunnen maken tegen een beslissing van de instelling of het uitblijven van een beslissing, alsmede tegen de wijze waarop de hulpverlening plaatsvindt.

De ambulante instelling neemt deel aan het samenwerkingsverband bedoeld in artikel 1, onder c, van de Tijdelijke stimuleringsregeling samenwerkingsverbanden jeugdhulpverlening.

Alle stukken en correspondentie betreffende de uitvoering van dit besluit worden aan de minister gezonden door tussenkomst van de vestiging van het FEA-bureau van de Directie Jeugdbeleid van het ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur in wiens werkgebied de erkende ambulante instelling werkzaam is.

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1988, met dien verstande dat de artikelen 18 en 23 in werking treden met ingang van de dag na die van plaatsing van dit besluit in de Nederlandse Staatscourant.

Dit besluit kan worden aangehaald als Erkenningsregeling vrijwillige plaatsingen jeugdhulpverlening.

Aan (betaalde en vrijwillige) medewerkers van een ambulante instelling, welke de activiteiten genoemd in artikel 3 van de Erkenningsregeling vrijwillige plaatsingen jeugdhulpverlening uitvoeren worden de volgende eisen gesteld:

Zij die studeren voor een van de onder a t/m c genoemde diploma's kunnen werkzaamheden als genoemd onder artikel 3 van de voornoemde Erkenningsregeling verrichten onder verantwoordelijkheid van een aangewezen medewerker van de ambulante instelling, welke voldoet aan de onder a t/m d genoemde opleidingseisen, of zij/hij voldoet aan de aanstellingseisen voor een psychiater, psycholoog, pedagoog, psychotherapeut of sociaal-psychiatrisch verpleegkundige als bedoeld in artikel 6.2, Bijzonder deel, van het Besluit normen en algemene voorwaarden voor erkenning van regionale instellingen voor ambulante geestelijke gezondheidszorg.

Zij die studeren voor één van de diploma's als bedoeld in bovengenoemde aanstellingseisen kunnen de werkzaamheden als bedoeld in artikel 3 van de Erkenningsregeling vrijwillige plaatsingen jeugdhulpverlening verrichten onder de verantwoordelijkheid van een aangewezen functionaris van de ambulante instelling, welke voldoet aan de genoemde aanstellingseisen.