U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 15-11-2000.
Wijzigingen Officiële bron
Nadere regels verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffenNadere regels verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparatenDe staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Gelet op artikel 36, derde en vierde lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen (Stb. 1985, 639) en 6, eerste lid, onder b, en tweede lid, van het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen (Stb. 1987, 516);

Besluiten:

Rijswijk27 januari 1988 De staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, D. J. D.Dees De minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, E. H. T. M.NijpelsDe staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L. deGraaf

In deze regeling wordt verstaan onder:

a.De wet:

de Wet milieugevaarlijke stoffen;

b.het besluit:

het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen;

c.de stoffenrichtlijn:

richtlijn nr. 67/548/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG L 196), zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij richtlijn nr. 92/32/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 30 april 1992 (PbEG L 154), en zoals deze laatstelijk is aangepast aan de vooruitgang der techniek bij richtlijn nr. 93/72/EEG van 1 september 1993 (PbEG L 258), met inbegrip van toekomstige aanpassingen van de bijlagen I, II, III, IV en VI bij richtlijn nr. 67/548/EEG;

d.de preparatenrichtlijn:

richtlijn nr. 88/379/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 7 juni 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lid-Staten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (PbEG L 187), zoals laatstelijk aangepast aan de vooruitgang der techniek bij richtlijn nr. 90/492/EEG van 5 september 1990 (PbEG L 275), met inbegrip van toekomstige aanpassingen van de bijlagen I en II bij richtlijn nr. 88/379/EEG.

Ten aanzien van een stof die behoort tot een categorie als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de wet, dienen de benaming van het gevaar of de gevaren met het bijbehorende symbool onderscheidenlijk de symbolen, de verwijzing naar de bijzondere, aan het gebruik van die stof verbonden gevaren (waarschuwings- of R-zinnen) en de veiligheidsaanbevelingen ter vermijding van de belangrijkste, aan het gebruik van die stof verbonden gevaren (S-zinnen) als bedoeld in artikel 36, eerste lid, onderscheidenlijk onder c, d en e, van de wet te worden vastgesteld overeenkomstig het terzake bepaalde in deel IID van bijlage VI bij de stoffenrichtlijn.

Voor de in artikel 36, eerste lid, onder c, van de wet bedoelde benamingen van het gevaar of de gevaren van een stof met het bijbehorende symbool onderscheidenlijk de bijbehorende symbolen moet worden gebruikgemaakt van bijlage II bij de stoffenrichtlijn, met dien verstande dat:

Indien een stof bestemd is om te worden gebruikt in een laboratorium en tevens de nominale inhoud van de verpakking niet meer bedraagt dan één liter, mogen de in artikel 36, eerste lid, van de wet voorgeschreven aanduidingen in plaats van in de Nederlandse taal worden gesteld in de Franse, Duitse of Engelse taal.

Op de verpakking van een stof die behoort tot een categorie als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de wet, moet, onverminderd artikel 36, eerste lid, van de wet, duidelijk en onuitwisbaar zijn aangebracht:

In afwijking van artikel 7, vijfde en zesde lid, mag een etiket, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, los worden gevoegd bij de verpakking van een stof, mits de nominale inhoud van de verpakking niet meer bedraagt dan 250 ml, de verpakking geen zeer vergiftige, vergiftige, bijtende of ontplofbare stof bevat en de stof uitsluitend bestemd is voor bedrijfsmatig gebruik.

De methode met bijbehorende criteria, bedoeld in artikel 6b, eerste lid, van het besluit, voor de indeling van een preparaat in een categorie als bedoeld in artikel 34, tweede lid, onder f tot en met j en I tot en met n, van de wet, is neergelegd in de bijlage bij deze regeling.

Indien de indeling van een preparaat in een categorie als bedoeld in artikel 34, tweede lid, onder f tot en met j, van de wet, is geschied aan de hand van toxicologische gegevens van dat preparaat, dient die indeling opnieuw te worden uitgevoerd indien:

De artikelen 1 tot en met 7 van het Besluit Aflevering Ontploffings-gevaarlijke Stoffen (Stcrt. 1979, 228) vervallen.

Het Afleveringsbesluit Gevaarlijke Stoffen (Stcrt. 1980, 64) wordt ingetrokken.

Het Afleveringsbesluit Gevaarlijke Preparaten (Stcrt. 1980, 64) wordt ingetrokken.

De conventionele methode wordt toegepast bij de indeling van preparaten in de gevaarscategorieën zeer vergiftig, vergiftig, schadelijk, bijtend, irriterend, kankerverwekkend, mutageen en voor de voortplanting vergiftige.

Bij deze methode wordt een preparaat ingedeeld op basis van de desbetreffende gevaarlijke eigenschappen van de stoffen waaruit het preparaat is samengesteld.

Bij toepassing van de conventionele methode worden stoffen die, al dan niet als additief of verontreiniging in een prepraat aanwezig zijn, buiten beschouwing gelaten indien het gewichtspercentage ervan lager is dan:

Indien kan worden aangetoond dat het toxicologische gevaar bij een conventionele beoordeling ten gevolge van verschijnselen als potentiëring of antagonisme wordt onderschat, respectievelijk overschat, wordt met deze verschijnselen bij de indeling van het preparaat rekening gehouden.

De conventionele methode leidt tot de volgende indeling van preparaten:

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen