U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-01-2007.
Wijzigingen Officiële bron
Nadere regels verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffenNadere regels verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparatenDe staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Gelet op artikel 36, derde en vierde lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen (Stb. 1985, 639) en 6, eerste lid, onder b, en tweede lid, van het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen (Stb. 1987, 516);

Besluiten:

Rijswijk27 januari 1988 De staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, D. J. D.Dees De minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, E. H. T. M.NijpelsDe staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L. deGraaf

In deze regeling wordt verstaan onder:

a.De wet:

de Wet milieugevaarlijke stoffen;

b.het besluit:

het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen;

c.stoffenrichtlijn:

richtlijn nr. 67/548/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG L 196);

d.preparatenrichtlijn:

richtlijn nr. 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (PbEG L 200);

e.gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn:

richtlijn nr. 91/414/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PbEG L 230).

Ten aanzien van een stof die behoort tot een categorie als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de wet, dienen de benaming van het gevaar of de gevaren met het bijbehorende symbool onderscheidenlijk de symbolen, de verwijzing naar de bijzondere, aan het gebruik van die stof verbonden gevaren (waarschuwings- of R-zinnen) en de veiligheidsaanbevelingen ter vermijding van de belangrijkste, aan het gebruik van die stof verbonden gevaren (S-zinnen) als bedoeld in artikel 36, eerste lid, onderscheidenlijk onder c, d en e, van de wet te worden vastgesteld overeenkomstig het terzake bepaalde in deel IID van bijlage VI bij de stoffenrichtlijn.

Voor de in artikel 36, eerste lid, onder c, van de wet bedoelde benamingen van het gevaar of de gevaren van een stof met het bijbehorende symbool onderscheidenlijk de bijbehorende symbolen moet worden gebruikgemaakt van bijlage II bij de stoffenrichtlijn, met dien verstande dat:

Indien een stof bestemd is om te worden gebruikt in een laboratorium en tevens de nominale inhoud van de verpakking niet meer bedraagt dan één liter, mogen de in artikel 36, eerste lid, van de wet voorgeschreven aanduidingen in plaats van in de Nederlandse taal worden gesteld in de Franse, Duitse of Engelse taal.

Op de verpakking van een stof die behoort tot een categorie als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de wet, moet, onverminderd artikel 36, eerste lid, van de wet, duidelijk en onuitwisbaar zijn aangebracht:

In afwijking van artikel 7, vijfde en zesde lid, mag een etiket, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, los worden gevoegd bij de verpakking van een stof, mits de nominale inhoud van de verpakking niet meer bedraagt dan 250 ml, de verpakking geen zeer vergiftige, vergiftige, bijtende of ontplofbare stof bevat en de stof uitsluitend bestemd is voor bedrijfsmatig gebruik.

Op de in bijlage VII bij de preparatenrichtlijn genoemde gevaarlijke preparaten die zijn ingedeeld in een categorie als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de wet, die in de vorm waarin zij in de handel worden gebracht geen gevaren opleveren uit fysisch-chemische eigenschappen, noch gevaren voor de gezondheid of het milieu, zijn de artikelen 35, 36 en 38 van de wet, de artikelen 3, 4 en 5 van het Warenwetbesluit veilige verpakking huishoudchemicaliën en de artikelen 14, 15a, 15c en 15e, niet van toepassing.

Degene die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen van een stof of preparaat houdt de gegevens, bedoeld in artikel 6d, eerste lid, van het besluit ter beschikking van de Voedsel en Waren Autoriteit, de Arbeidsinspectie, de Algemene Inspectiedienst van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Inspectie Milieuhygiëne.

De artikelen 1 tot en met 7 van het Besluit Aflevering Ontploffings-gevaarlijke Stoffen (Stcrt. 1979, 228) vervallen.

Het Afleveringsbesluit Gevaarlijke Stoffen (Stcrt. 1980, 64) wordt ingetrokken.

Het Afleveringsbesluit Gevaarlijke Preparaten (Stcrt. 1980, 64) wordt ingetrokken.