Wijzigingen Officiële bron
Regeling vrijstelling machtiging zendinrichtingen niet-ingezetenenRegeling vrijstelling machtiging zendinrichtingen niet-ingezetenenDe Minister van Verkeer en Waterstaat,

Gelet op artikel D.4.1 van het Besluit radio-elektrische inrichtingen (Stb. 1988, 552);

Besluit:

's-Gravenhage19 december 1988 De minister voornoemd, N.Smit-Kroes

Een niet-ingezetene, die tijdelijk in Nederland verblijft en in een van de landen van de Conference Européenne des Administrations des Postes et des Télécommunications (CEPT) is gemachtigd om een zendinrichting bestemd voor landmobiele radiocommunicatie, niet zijnde een zendinrichting voor satellietcommunicatie dan wel een zendinrichting voor algemene radiocommunicatie in de 27 MHz-band, te gebruiken, is vrijgesteld van het vereiste van een machtiging voor de aanleg en aanwezigheid van deze inrichting voor zover wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 2.

Een niet-ingezetene die tijdelijk in Nederland verblijft en in één van de landen van de CEPT overeenkomstig de Recommandatie T/R 21-07 is gemachtigd voor het aanwezig hebben en gebruiken van een zendinrichting, bestemd voor landmobiele communicatie door middel van satellietverbindingen, is vrijgesteld van het vereiste van een machtiging voor de aanleg, de aanwezigheid en het gebruik van deze inrichting voor zover wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 2b.

Het in het land van machtigingsuitgifte afgegeven machtigingsbewijs conform het in CEPT-verband overeengekomen model dient op eerste aanzegging van een toezichthouder te worden getoond.

In afwijking van het bepaalde in artikel 2a is een niet-ingezetene, die tijdelijk in Nederland verblijft en in een van de landen van de CEPT overeenkomstig de Recommandatie T/R 21–09 is gemachtigd voor het aanwezig hebben en gebruiken van een zendinrichting, bestemd voor landmobiele satelliet-communicatie, vrijgesteld van het vereiste van een machtiging voor de aanleg, de aanwezigheid en het gebruik van de zendinrichting, voor zover wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 2d.

De toezichthouder dient op eerste aanzegging door een niet-ingezetene in de gelegenheid te worden gesteld na te gaan of op de zendinrichting overeenkomstig de in artikel 2c genoemde recommandatie het in die recommandatie beschreven keurmerk is aangebracht.

Een niet-ingezetene die tijdelijk in Nederland verblijft en in overeenstemming met de Recommandatie T/R 61–01 van CEPT gemachtigd is tot het aanwezig hebben en gebruiken van een zendinrichting bestemd voor het doen van onderzoekingen is vrijgesteld van het vereiste van een machtiging voor de aanleg, de aanwezigheid en het gebruik van deze inrichting voor zover wordt voldaan aan het bepaalde in de artikelen 4 en 5.

Een niet-ingezetene die tijdelijk in Nederland verblijft en in België is gemachtigd voor het aanwezig hebben en gebruiken van een zendinrichting bestemd voor het doen van onderzoekingen in de sectie A als bedoeld in het Belgisch ministerieel besluit betreffende het aanleggen en het doen werken van radio-elektrische stations door radio-amateurs (Belgisch Staatsblad 19 december 1986), is vrijgesteld van het vereiste van een machtiging voor de aanwezigheid en het gebruik van deze inrichting voor zover wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 7.

Een niet-ingezetene die tijdelijk in Nederland verblijft en in een van de landen van de CEPT is gemachtigd voor het aanwezig hebben en gebruiken van een zendinrichting bestemd voor algemene radiocommunicatie in de 27 MHz-band (Citizen Band), is vrijgesteld van het vereiste van een machtiging voor de aanleg, de aanwezigheid en het gebruik van deze inrichting voor zover wordt voldaan aan het bepaalde in de artikelen 9.

De zendinrichting dient te zijn voorzien van een vanwege de bevoegde autoriteiten aangebracht keurmerk met een van de navolgende aanduidingen:

Aan leden van hulpverleningsdiensten uit het buitenland, die in het kader van daartoe door Nederland afgesloten internationale overeenkomsten op Nederlands grondgebied bijstand verlenen bij het bestrijden van rampen en ongevallen, wordt vrijstelling verleend van het vereiste van een machtiging voor de aanleg, de aanwezigheid en het gebruik van de door hen meegevoerde zendinrichtingen, voorzover wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 11.