U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-02-2002.

Regeling · BWBR0004607

Vissersvaartuigenbesluit

Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 5 augustus 1989, houdende nadere regelen voor de veiligheid van VissersvaartuigenVissersvaartuigenbesluitWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 15 november 1988, nr. S/J 32.011/88, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken;

Overwegende dat het wenselijk is de veiligheidsvoorschriften voor vissersvaartuigen in overeenstemming te brengen met de bepalingen van het op 2 april 1977 te Torremolinos tot stand gekomen Internationaal Verdrag voor de beveiliging van vissersvaartuigen, met Bijlage (Trb. 1980, 139);

Gelet op de artikelen 3, 4 bis, 5, 9, 17, 66 en 73 van de Schepenwet (Stb. 1932, 86);

De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 8 maart 1989, nr. W09.88.0652/K);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 25 juli 1989, nr. S/J 31.209/89, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken;

De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad, in het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen en in het Afkondigingsblad van Aruba zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State van het Koninkrijk.

Nairobi5 augustus 1989BeatrixDe Minister van Verkeer en Waterstaat,N. Smit-Kroesde twaalfde september 1989De Minister van Justitie,F. Korthals Altes

Vervallen

Vervallen

De eigenaar, de kapitein en de schepelingen zijn verplicht aan degene die een onderzoek verricht alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs bij de uitoefening van zijn taak kan vorderen.

Vervallen

Het onderzoek van stoom- en damptoestellen geschiedt in overeenstemming met de regels die zijn vastgesteld door het klassebureau, voorzover bij of krachtens dit besluit daaromtrent geen nadere regels zijn gegeven.

Telkens wanneer van een vaartuig de romp aan de buitenzijde zal worden onderzocht, of wanneer aan het vaartuig of aan de werktuigen herstellingen zullen plaatshebben, moet hiervan tijdig aan de Scheepvaartinspectie worden kennis gegeven, opdat deze in de gelegenheid zal zijn hierbij toezicht te houden of te doen houden.

Nadat een onderzoek als bedoeld in artikel 12, is beëindigd:

Vervallen

Vervallen

Alle op grond van dit besluit afgegeven certificaten of gewaarmerkte afschriften daarvan moeten ter inzage liggen op een voor alle schepelingen toegankelijke plaats, onder aanduiding van de plaats op een zichtbare wijze, zodat zij van de inhoud daarvan behoorlijk kunnen kennisnemen.

Indien het Hoofd van de Scheepvaartinspectie ontheffing verleent, voegt hij aan het desbetreffende certificaat een certificaat van ontheffing toe. De geldigheidsduur van een certificaat van ontheffing kan niet langer zijn dan de geldigheidsduur van het certificaat waarop de ontheffing betrekking heeft.

Vervallen

De toepassing van houten luiken op aan weer en wind blootgestelde dekken is niet toegestaan.

Alleen indien materialen bestemd voor de bouw van of herstellingen aan vaartuigen of scheepswerktuigen dan wel voor ankers en kettingen, niet zijn gekeurd door of vanwege een klassebureau, geschiedt de keuring daarvan door de ambtenaren van de Scheepvaartinspectie, die daarbij de in deze paragraaf vermelde voorschriften in acht nemen. Bovendien kunnen door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie nadere regels worden gegeven.

Een toestel waarin materialen naar hoedanigheid worden beproefd, dient, blijkens een certificaat afgegeven door een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie erkende instelling, te zijn geijkt.

Elke beproeving of keuring mag door de betrokken scheepsbouwmeester of machinefabrikant of zijn gemachtigde worden bijgewoond.

Zowel de proefstukken als de stukken waaraan deze zijn ontleend, worden door de met de keuring belaste ambtenaar voorzien van het hierna afgebeelde slagmerkteken.

Afgekeurde voorwerpen worden door de met de keuring belaste ambtenaar voorzien van het in artikel 50 afgebeelde slagmerkteken, waardoor een kruis wordt geslagen op een wijze zoals hierna is afgebeeld.

De betrokken ambtenaar van de Scheepvaartinspectie kan voor bepaalde gevallen, met het oog op de aard van het werk waarvoor het materiaal moet worden gebruikt, gedeeltelijk van het nemen van proeven afzien. Indien het in dergelijke gevallen zeer kleine partijen betreft, kan door hem de keuring geheel achterwege worden gelaten.

Elk onderdeel kan te allen tijde, zowel tijdens als na de bewerking, nog worden afgekeurd wanneer dit gebreken vertoont, ook wanneer deze gebreken materiaalfouten zijn die bij de materiaalkeuring niet zijn opgemerkt.

Vaartuigen moeten zo zijn ontworpen en geconstrueerd dat aan de bepalingen van dit hoofdstuk wordt voldaan in de bedrijfstoestanden als bedoeld in artikel 66. Berekeningen van de krommen van de armen van statische stabiliteit moeten voldoen aan de door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie nader te stellen regels.

Vaartuigen die worden gebruikt voor bijzondere vismethoden waarbij extra krachten van buitenaf op het vaartuig werken tijdens de visserij-werkzaamheden, moeten ten minste voldoen aan de stabiliteitscriteria bedoeld in artikel 61, tweede lid, die zonodig ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kunnen worden uitgebreid.

Vaartuigen moeten ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie weerstand kunnen bieden aan de invloed van de wind en het slingeren in de daarmede verband houdende zeegang, waarbij rekening moet worden gehouden met de weersomstandigheden en de toestand van de zee in de jaargetijden waarin het vaartuig dienst zal doen, het type vaartuig en het doel waarvoor het vaartuig wordt gebruikt.

Vaartuigen moeten ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie weerstand kunnen bieden aan de invloed van water aan dek, waarbij rekening moet worden gehouden met de weersomstandigheden en de toestand van de zee in de jaargetijden waarin het vaartuig dienst zal doen, het type vaartuig en het doel waarvoor het vaartuig wordt gebruikt.

Het aantal en soort bedrijfstoestanden waarmede rekening moet worden gehouden wordt vastgesteld door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

De vislading moet deugdelijk worden gestuwd teneinde het overgaan van de lading, waardoor een gevaarlijke vertrimming of slagzij van het vaartuig zou kunnen ontstaan, tegen te gaan. Indien hiertoe keeschotten worden toegepast, moeten deze voldoen aan door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te stellen eisen.

Ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie moet een maximum toelaatbare diepgang worden vastgesteld waarbij nog wordt voldaan aan de stabiliteitscriteria gesteld in dit hoofdstuk zomede aan het bepaalde, voorzover van toepassing, in de hoofdstukken 2 en 6. De vastgestelde waarde van de maximum toelaatbare diepgang moet in de in artikel 69, eerste lid, bedoelde stabiliteitsgegevens worden opgenomen. Indien een vaartuig is ingericht voor meer dan één vismethode, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie voor elk van die methoden een maximum toelaatbare diepgang in overweging nemen.

Van een vaartuig waarvan de lengte 100 m of meer bedraagt en met 100 of meer opvarenden aan boord moet ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie de stabiliteit toereikend zijn om het lek geraken van enig compartiment te kunnen doorstaan, waarbij rekening moet worden gehouden met het type vaartuig, de aard van de dienst waarvoor het vaartuig bestemd is en het vaargebied.

Afsluiters aan een stoomketel, door middel waarvan stoom kan worden toegelaten in een hoofd- of hulpstoomleiding, moeten vanaf een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurde plaats kunnen worden gesloten. Daar waar de afsluiters worden bediend, moet een duidelijke aanwijzing zijn aangebracht in welke richting moet worden gedraaid om de stoomtoevoer af te sluiten.

Indien een tank of ruimte die niet op de lensleiding is aangesloten, is voorzien van een wateraftapinrichting moet deze hetzij boven het werkdek kunnen worden bediend, hetzij zich op een steeds toegankelijke plaats bevinden en in dat geval zelfsluitend zijn.

Aan boord van een vaartuig waarvan de lengte 75 m of meer bedraagt, moet een alarminstallatie zijn aangebracht die hetzij vanuit de machine-controlekamer, hetzij vanaf de manoeuvreerstand in werking moet kunnen worden gesteld en die duidelijk hoorbaar moet zijn in de verblijven welke zijn bestemd voor de werktuigkundigen.

In aanvulling op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan onder:

Een elektrische veiligheidslamp die bestemd is te worden gebruikt voor tijdelijke verlichting van gevaarlijke ruimten als bedoeld in artikel 104, eerste lid, moet van een goedgekeurd type zijn en moet:

Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nadere regels geven betreffende de uitvoering van vislieren.

Aanloopinrichtingen voor motoren met een vermogen van 500 W of meer moeten zodanig zijn ingericht, dat bij het wegvallen van de spanning dan wel na het optreden van een spanningsdaling tot ongeveer 20 percent van de nominale waarde en bij normale frequentie, de stroomtoevoer naar de motor wordt verbroken en het vanzelf in bedrijf komen bij terugkeren van de spanning of bij spanningsstijging niet mogelijk is, tenzij de aard van het bedrijf dit eist. Zij moeten verder zijn voorzien van een beveiliging tegen overbelasting. Dit laatste geldt niet voor motoren van elektrische en elektro-hydraulische stuurinrichtingen.

Elektrische verwarmings- en kooktoestellen moeten vast zijn opgesteld. De toestellen moeten zodanig zijn ingericht dat de verwarmingselementen zijn omgeven door een doelmatig beschuttend omhulsel.

De vast aangebrachte verlichting bedoeld in artikel 74, zesde lid, moet waterdicht zijn uitgevoerd. Het lichtpunt of de lichtpunten hiervoor moeten op een speciaal voor dit doel bestemde stroomkring zijn aangesloten, dan wel door middel van een afzonderlijke schakelaar geheel van de overige verlichting kunnen worden gescheiden.

Aan boord van een vaartuig waarvan de lengte 75 m of meer bedraagt, moet in aanvulling op het bepaalde in artikel 81, bovendien een doeltreffende spreekverbinding tussen de brug en de verblijven van de werktuigkundigen zijn aangebracht, die moet voldoen aan het bepaalde in artikel 111.

Een veiligheidssysteem moet zijn aangebracht teneinde te verzekeren dat een ernstige storing aan de te werk staande werktuigen of ketels, welke een direct gevaar oplevert, automatisch het desbetreffende gedeelte van de installatie zal uitschakelen, waarbij tevens een alarm wordt gegeven. Het stopzetten van de voortstuwingsinstallatie mag niet automatisch plaatsvinden, behalve in die gevallen welke tot ernstige schade, algeheel onklaar raken of explosie zouden kunnen leiden. Indien voorzieningen zijn aangebracht welke het stopzetten van het hoofdvoortstuwingswerktuig ongedaan kunnen maken, moeten deze voorzieningen zodanig zijn uitgevoerd dat ongewild gebruik ervan niet mogelijk is. Wanneer zulk een voorziening is gebruikt, dient dit zichtbaar te worden aangegeven.

Laadruimten die bestemd zijn voor ladingen die in hoge mate brandgevaarlijk zijn, moeten zijn beschermd door een vast aangebrachte brandblusinstallatie met gas als blusstof of door een brandblusinstallatie die naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie een gelijkwaardige bescherming biedt.

Een voldoende aantal draagbare brandblustoestellen moet zijn geplaatst in controlestations, ruimten voor accommodatie en dienstruimten opdat ten minste een brandblustoestel met een voor de in deze ruimte te verwachten branden geschikte blusstof, direct beschikbaar is voor gebruik op elke plaats in deze ruimte. Het totale aantal brandblustoestellen voor bovengenoemde ruimten moet ten minste vijf bedragen.

Voor een ruimte voor machines van categorie A die op een laag niveau toegankelijk is vanuit een aangrenzende schroefastunnel, moet - behalve een waterdichte deur -, aan de van deze ruimte voor machines afgekeerde zijde een lichte stalen brandwerende deur zijn aangebracht die aan beide zijden geopend moet kunnen worden.

Ter instructie van de scheepsofficieren moet een brandbeveiligingsplan permanent zijn opgehangen, op daarvoor in aanmerking komende plaatsen. De uitvoering van dit plan dient te voldoen aan het bepaalde in artikel 165, eerste lid.

Brandbestrijdingsmiddelen moeten goed worden onderhouden en te allen tijde voor onmiddellijk gebruik gereed zijn.

Waar in deze paragraaf een speciaal toestel, apparaat, speciale blusstof of inrichting van een bepaalde aard is voorgeschreven, kan, met inachtneming van het bepaalde in artikel 4, elk ander toestel, apparaat, andere blusstof of inrichting daarvoor in de plaats worden gesteld.

Een vast aangebrachte brandblusinstallatie die niet in deze paragraaf wordt voorgeschreven, moet ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn.

De voorschriften in deze paragraaf zijn van toepassing op vaartuigen waarvan de lengte minder dan 55 m bedraagt.

Een voldoende aantal draagbare brandblustoestellen moet zijn geplaatst in controlestations, ruimten voor accommodatie en dienstruimten opdat ten minste een brandblustoestel met een voor de in deze ruimte te verwachten branden geschikte blusstof, direct beschikbaar is voor gebruik op elke plaats in deze ruimte. Het totale aantal brandblustoestellen voor bovengenoemde ruimten moet ten minste drie bedragen.

Op vaartuigen waarvan de lengte 35 m of meer bedraagt, moet een ter instructie van de scheepsofficieren een brandbeveiligingsplan op een daarvoor in aanmerking komende plaats permanent zijn opgehangen. De uitvoering van dit plan dient te voldoen aan het bepaalde in artikel 165.

Brandbestrijdingsmiddelen moeten goed worden onderhouden en te allen tijde voor onmiddellijk gebruik gereed zijn.

Waar in deze paragraaf een speciaal toestel, apparaat, speciale blusstof of inrichting van een bepaalde aard is voorgeschreven, kan met inachtneming van het bepaalde in artikel 4, elk ander toestel, apparaat, andere blusstof of inrichting daarvoor in de plaats worden gesteld.

Een vast aangebrachte brandblusinstallatie die niet in deze paragraaf wordt voorgeschreven, moet ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn.

Met het oog op de veiligheid van de bemanning moeten, ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, trappen en ladders van voldoende afmetingen en sterkte zijn aangebracht, die moeten zijn voorzien van leuningen en antisliptreden.

Onverminderd het bepaalde in dit hoofdstuk moeten de verblijven van de bemanning voldoen aan de eisen gesteld bij of krachtens het Schepelingenbesluit.

Het bepaalde in dit hoofdstuk is niet van toepassing op een vaartuig dat gesleept naar zijn bestemming wordt gebracht, met dien verstande dat, indien het vaartuig is bemand, het moet zijn uitgerust met reddingmiddelen en -voorzieningen en veiligheidsmiddelen zoals deze door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden voorgeschreven.

Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nadere regels stellen omtrent de produktiecontrole van reddingmiddelen, teneinde zeker te stellen dat deze middelen worden vervaardigd volgens dezelfde normen als het goedgekeurde prototype.

Op of nabij de groepsreddingmiddelen en de bedieningsplaatsen van de tewaterlatingsmiddelen dienen instructieplaten of aanduidingen te zijn aangebracht, die:

Tewaterlatingsplaatsen moeten zodanig zijn gelegen dat de groepsreddingmiddelen veilig te water kunnen worden gelaten. Daarbij moet bijzondere aandacht worden geschonken aan de afstand tot de schroef en aan sterk terugwijkende gedeelten van de romp, zodat de groepsreddingmiddelen, zoveel mogelijk langs het verticale gedeelte van de zijden van het vaartuig afgevierd kunnen worden. Bij plaatsing op het voorschip moeten de groepsreddingmiddelen op een beschermde plaats achter het aanvaringsschot zijn gelegen en in dit geval moet bijzondere aandacht worden geschonken aan de sterkte van het tewaterlatingsmiddel.

Hulpverleningsboten moeten zijn geplaatst:

Aan boord van elk vaartuig moet een lijnwerptoestel aanwezig zijn, dat voldoet aan het bepaalde in artikel 225.

Instructies voor het onderhoud van reddingmiddelen aan boord moeten gemakkelijk te begrijpen zijn, waar mogelijk geïllustreerd zijn en al naar gelang de volgende gegevens voor elk reddingmiddel omvatten:

Aan boord van een vaartuig moet ten minste één elektrische veiligheidslamp van een goedgekeurd type aanwezig zijn om te gebruiken in ruimten waar dampen die tot een ontploffing aanleiding kunnen geven, kunnen worden verwacht. Een elektrische veiligheidslamp moet voldoen aan het bepaalde in artikel 105.

Hefwerktuigen met een maximale veilige werkbelasting van 10 kN of meer moeten zijn voorzien van een geldig certificaat, afgegeven door een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie erkende deskundige.

De medische uitrusting wordt in daarvoor geschikte kisten of in daarvoor ingerichte kasten of ruimten bewaard.

De geneesmiddelen en de antidota worden geleverd door een apotheker, hetgeen blijkt uit een merk op de verpakking.

Ten behoeve van het gebruik van de medische uitrusting is aan boord een bijgehouden exemplaar van een bij ministeriële regeling aan te wijzen geneeskundig handboek.

Vervallen

De data waarop appèls worden gehouden, de bijzonderheden van oefeningen «schip verlaten» en oefeningen in het blussen van brand, oefeningen met andere reddingmiddelen en opleiding aan boord moeten in het scheepsdagboek worden aangetekend. Wanneer een volledig appèl, oefening of opleiding niet op de vastgestelde tijd plaatsvindt, moet dat worden aangetekend in het scheepsdagboek, waarbij vermeld moet worden onder welke omstandigheden en in welke mate het appèl, de oefening of de opleiding wèl is gehouden.

Ten aanzien van alarm-, nood- en spoedseinen moeten de volgende bepalingen in acht worden genomen:

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, verstaan onder:

Een vaartuig waarvan de lengte 75 m of meer bedraagt, moet zijn uitgerust met een radiotelegraafstation dat voldoet aan het bepaalde in de artikelen 257 en 258.

Een vaartuig waarvan de lengte minder dan 75 m bedraagt, moet zijn uitgerust met een radiotelefoonstation dat voldoet aan het bepaalde in de artikelen 266 en 267, tenzij het is uitgerust met een radiotelegraafstation dat voldoet aan het bepaalde in de artikelen 257 en 258.

Elk vaartuig moet zijn uitgerust met een VHF radiotelefonie-installatie die voldoet aan het bepaalde in artikel 268.

Aan boord van een vaartuig dat ingevolge het bepaalde in artikel 252 is uitgerust met een VHF radiotelefonie-installatie, moet buitengaats op de brug een ononderbroken luisterwacht worden gehouden op, indien uitvoerbaar, 156,8 MHz (kanaal 16) of gedurende zodanige perioden op zodanige kanalen als nader kan worden voorgeschreven.

De ingevolge het bepaalde in artikel 197, vierde lid, voorgeschreven noodradiobakens moeten met tussenpozen van niet meer dan 12 maanden worden gekeurd, waarbij, indien noodzakelijk, de batterij moet worden vervangen. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan echter deze periode verlengen tot ten hoogste 17 maanden in gevallen waarin hij dat juist en redelijk acht.

Het dagboek bestemd voor radiotelegrafie, als bedoeld in artikel 270, eerste lid, moet zijn uitgevoerd overeenkomstig het model als vastgesteld door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

Het dagboek bestemd voor radiotelefonie, als bedoeld in artikel 272, eerste lid, moet zijn uitgevoerd overeenkomstig het model als vastgesteld door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

Aan boord van een vaartuig dat is uitgerust met een VHF-radiotelefoonstation is ten aanzien van het radiodagboek het bepaalde in de artikelen 272 en 273 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat een samenvatting van alle berichtenwisseling betreffende nood-, spoed-en veiligheidsverkeer moet worden opgenomen in het scheepsdagboek.

Het bepaalde in de artikelen 277, 278, tweede lid, 279 tot en met 281, 282, tweede en derde lid, 283 en 284 is niet van toepassing op een vaartuig dat gesleept naar zijn bestemming wordt gebracht.

De eigenaar van een vaartuig moet de Scheepvaartinspectie ervan in kennis stellen indien het vaartuig wordt ingericht of uitgerust met voorzieningen die niet in dit besluit zijn voorgeschreven. Voorzover het voorzieningen betreft die in dit besluit met name zijn genoemd, moeten zij voldoen aan alle daarvoor bij of krachtens dit besluit gestelde eisen en in deugdelijke toestand verkeren. Voor zover zij niet met name zijn genoemd en het voorzieningen betreft die door hun aard, constructie of werking van invloed kunnen zijn op de veiligheid van het vaartuig of de opvarenden, moeten zij naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie voor het doel geschikt zijn en in deugdelijke toestand verkeren.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Het vervoer tegen vergoeding van personen die op grond van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onder 13, moeten worden aangemerkt als passagiers, is verboden.

De kapitein van een vaartuig is verplicht zorg te dragen dat voor het ondernemen van een reis en gedurende de reis:

De kapitein van een vaartuig is verplicht zorg te dragen dat voor het ondernemen van een reis en gedurende de reis wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 240.

De kapitein van een vaartuig is verplicht zorg te dragen dat wordt voldaan aan het bepaalde in de artikelen 241 en 242.

De kapitein van een vaartuig is verplicht zorg te dragen dat:

De kapitein van een vaartuig is verplicht zorg te dragen dat:

De kapitein van een vaartuig is verplicht zorg te dragen dat de schepelingen bekend zijn met het gebruik van de beschermende uitrusting, bedoeld in artikel 190, zesde lid. Hij dient erop toe te zien dat deze uitrusting in daartoe in aanmerking komende omstandigheden wordt gebruikt.

De kapitein van een vaartuig is verplicht zorg te dragen dat:

De kapitein van een vaartuig is verplicht zorg te dragen dat op de brug de nodige gegevens beschikbaar zijn betreffende de manoeuvreereigenschappen en de stopweg bij voor het vaartuig karakteristieke vaarsnelheden en diepgangen.

De kapitein van een vaartuig is verplicht luisterdienst te doen houden in overeenstemming met het bepaalde in de artikelen 254 tot en met 256.

De kapitein van een vaartuig is verplicht zorg te dragen dat door hen die als chef van de wacht kunnen optreden, regelmatig wordt geoefend in het gebruik van de elektronische navigatiemiddelen waarmede het vaartuig is uitgerust.

De kapitein van een vaartuig is verplicht zorg te dragen dat aan de in het Schepelingenbesluit met betrekking tot de voeding en het drinkwater gestelde voorschriften wordt voldaan.

De kapitein van een vaartuig is verplicht zorg te dragen dat ten aanzien van alarm-, nood- en spoedseinen het bepaalde in artikel 245 in acht wordt genomen.

De kapitein van een vaartuig is verplicht zorg te dragen dat ten aanzien van veiligheidsseinen en berichten omtrent gevaren het bepaalde in artikel 247 in acht wordt genomen.

De kapitein van een vaartuig is verplicht zorg te dragen dat ten aanzien van de routering van het vaartuig het bepaalde in artikel 248 in acht wordt genomen.

De kapitein van een vaartuig is verplicht zorg te dragen dat:

De kapitein van een vaartuig is verplicht zorg te dragen dat aan boord aanwezig zijn:

De eigenaar van een vaartuig is verplicht zorg te dragen dat de romp van het vaartuig overeenkomstig het bepaalde in artikel 14 aan de buitenzijde wordt onderzocht.

De eigenaar van een vaartuig is verplicht aan de kapitein de middelen te verschaffen die deze behoeft, teneinde te kunnen voldoen aan het bepaalde in dit besluit.

De eigenaar van een vaartuig is verplicht ten aanzien van het voornemen tot een onderzoek van de romp aan de buitenzijde en van herstellingen aan het vaartuig of aan de werktuigen, het bepaalde in artikel 15 in acht te nemen.

De kapitein van een vaartuig is verplicht zorg te dragen dat wordt voldaan aan de bijzondere voorschriften als bedoeld in artikel 350.

Overtreding van de artikelen 322, 325, 326, 327, 336, derde lid, 338, 343, vierde, vijfde en zesde lid, 347, 348, 348a en 349 is een strafbaar feit.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

[Gereserveerd.]

Ministeriële regelingen vastgesteld krachtens dit besluit worden bekendgemaakt in de Staatscourant, in de Curaçaosche Courant en in het Afkondigingsblad van Aruba.

Dit besluit wordt aangehaald als: Vissersvaartuigenbesluit.