U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-01-2002.

Wet · BWBR0004608

Wet op de jeugdhulpverlening

Wijzigingen Officiële bron
Wet van 8 augustus 1989, houdende regelen ten aanzien van de jeugdhulpverleningWet op de jeugdhulpverleningWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is de totstandkoming te bevorderen van een samenhangend aanbod van jeugdhulpverlening van goede kwaliteit en afgestemd op de behoefte en daartoe een uniforme regeling te treffen inzake de planning en begrotingsfinanciering van voorzieningen van jeugdhulpverlening en de daarop betrekking hebbende steunfuncties, de bevoegdheden van de onderscheiden overheden terzake te regelen, alsmede de Beginselenwet voor de kinderbescherming in te trekken en enige andere wetten te wijzigen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage8 augustus 1989BeatrixDe Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,L. C. BrinkmanDe Minister van Justitie,F. Korthals Altesde twaalfde september 1989De Minister van Justitie,F. Korthals Altes

Bij de beleidsvorming wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de pluriformiteit van de samenleving en worden met inachtneming van waarborgen voor deugdelijkheid, doelmatigheid en democratisch functioneren eigen initiatief en verantwoordelijkheid van de burgers bevorderd.

Gedeputeerde staten zenden jaarlijks vóór 1 juli aan Onze ministers een overzicht van de kosten van de regionale voorzieningen en de samenwerkingsverbanden in de onderscheiden regio’s over het afgelopen kalenderjaar.

Het samenwerkingsverband heeft de volgende taken:

Het jeugdhulpadviesteam heeft in zijn regio, onverminderd het overigens bij deze wet bepaalde, in ieder geval de volgende taken:

De deelnemers aan het samenwerkingsverband stellen aan het jeugdhulpadviesteam op diens verzoek de deskundigen ter beschikking die nodig zijn voor de uitvoering van de in artikel 19, onder a, b en c, bedoelde taken.

Hulpverlening vindt plaats in de minst ingrijpende vorm, zo dicht mogelijk bij de plaats waar de jeugdige duurzaam verblijft en gedurende een zo kort mogelijke periode en voldoet ook overigens aan de eis dat zij voor de jeugdige de meest aangewezene is te achten.

Provinciale staten stellen regels omtrent de indiening en de wijze van behandeling van verzoeken om erkenning.

De plaatsende instantie draagt er zorg voor dat de hulpverlening die voor de jeugdige overeenkomstig artikel 29, eerste lid, aangewezen wordt geacht, wordt gerealiseerd. De hulpverlening vindt plaats in de regio waarin de jeugdige duurzaam verblijft, tenzij hulpverlening buiten de regio het meest aangewezen is te achten of in de regio geen plaats voor de jeugdige beschikbaar is.

De plaatsende instantie doet aan het jeugdhulpadviesteam van de regio van zijn werkgebied en aan Onze ministers schriftelijk mededeling van de aanvang en beëindiging van secundaire hulpverlening van een type, genoemd in artikel 1, tweede lid, onder a, b of c. Deze mededeling aan Onze ministers bevat gegevens, welke benodigd zijn voor de uitvoering van hoofdstuk VII en geschiedt onmiddellijk en door middel van een door hen vastgesteld formulier.

Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld, wordt verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Een uitvoerder van een voorziening voor pleegzorg verstrekt overeenkomstig artikel 40, aan een pleeggezin subsidie voor de verzorging en opvoeding van een jeugdige, indien:

Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:

Wonen bijdrageplichtige ouders of stiefouders gescheiden en is geen bedrag bepaald op de voet van de artikelen 406 of 407 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of van artikel 822, eerste lid, onder c, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dan is de ouder of stiefouder die ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet onmiddellijk voorafgaande aan het verblijf bedoeld in artikel 41a, eerste lid, recht op kinderbijslag heeft de ouderbijdrage verschuldigd.

Dit artikel is niet gepubliceerd.

Degene die belast is met de vaststelling van de bijdrage deelt de bijdrageplichtige schriftelijk mede welke bijdrage is verschuldigd en binnen welke termijn het verschuldigde bedrag telkens moet worden voldaan.

Een uitvoerder en een plaatsende instantie verstrekken aan de jeugdige desgevraagd zo spoedig mogelijk inzage in en afschrift van de bescheiden die deze met betrekking tot de jeugdige onder zich hebben.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op jeugdigen die verblijven in een inrichting.

De bepalingen van dit hoofdstuk gelden niet voor de inrichtingen voor justitiële kinderbescherming, bedoeld in hoofdstuk XIV van deze wet.

De uitvoerder en de voogdij- en gezinsvoogdij-instelling stellen jaarlijks een schriftelijk verslag op over de wijze waarop door hen dit hoofdstuk is toegepast.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

De bepalingen van dit hoofdstuk gelden niet voor de behandeling van klachten betrekking hebbende op een inrichting.

Door of namens een klager die op grond van artikel 48, vierde lid, een klacht heeft ingediend kan bij de bevoegde provinciale klachtencommissie een klacht worden ingediend over:

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Een voogdij-instelling zorgt voor de minderjarige ten aanzien van wie zij met de voorlopige voogdij is belast.

Onze Minister van Justitie kan regels of nadere regels stellen ten aanzien van:

Vervallen

Indien een instelling niet meer voldoet aan het bij of krachtens de wet bepaalde, dan wel indien aan haar activiteiten naar het oordeel van Onze Minister van Justitie geen behoefte meer bestaat, kan Onze Minister van Justitie de aanvaarding intrekken.

Bij algemene maatregel van bestuur worden met het oog op een goede kwaliteit van de voorzieningen, bedoeld in artikel 65, regelen gesteld, welke voor de onderscheiden categorieën van voorzieningen verschillend kunnen zijn. De regelen kunnen betrekking hebben op de onderwerpen, bedoeld in artikel 35, eerste lid.

Bij of krachtens de wet worden regels gesteld ten aanzien van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen als bedoeld in artikel 77h van het Wetboek van Strafrecht alsmede de artikelen 261 en 305, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in inrichtingen en de rechtspositie van degene die daarin zijn opgenomen.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Een erkenning als Riagg op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten wordt bij een met redenen omkleed besluit ingetrokken indien wordt gehandeld in strijd met deze wet.

Vervallen

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Vervallen

Deze wet kan worden aangehaald als Wet op de jeugdhulpverlening.

1. Jongerenadviescentra, waaronder worden verstaan voorzieningen die aan jeugdigen met maatschappelijke of emotionele problemen open opvang bieden, behandeling en begeleiding en adviezen verstrekken;

2. kindertelefoons, waaronder worden verstaan voorzieningen die op aan hen voorgelegde vragen en problemen van jeugdigen ingaan en de jeugdigen zo nodig verwijzen naar andere hulpverleningsinstanties, een en ander uitsluitend per telefoon;

3. instellingen voor spel- en opvoedingsvoorlichting, waaronder worden verstaan voorzieningen die voorlichting en advies geven aan instellingen en instanties ter ondersteuning van hun betrokkenheid bij de opvoeding en vorming van jeugdigen in het primaire leefmilieu;

4. bureaus vertrouwensartsen, waaronder worden verstaan voorzieningen waaraan kindermishandeling vertrouwelijk gemeld kan worden en die na onderzoek door middel van verwijzing naar of inschakeling van andere hulpverleners trachten een oplossing te realiseren voor het probleem van de mishandeling en de daaraan ten grondslag liggende oorzaken.

1. Voorzieningen voor crisisopvang, waaronder worden verstaan tehuizen voor voorlopige opneming van en hulpverlening gedurende dag en nacht aan jeugdigen die onverwijld moeten worden opgenomen in afwachting van een beslissing omtrent de meest aangewezen vorm van hulpverlening dan wel in afwachting van hun definitieve bestemming;

2. observatietehuizen, waaronder worden verstaan tehuizen voor onderzoek naar de persoonlijkheid van jeugdigen ten einde te bezien welke hulpverlening de meest aangewezene moet worden geacht, alsmede verzorging gedurende dag en nacht wordt geboden;

3. tehuizen voor opvoeding en verzorging, waaronder worden verstaan tehuizen waarin aan jeugdigen gedurende dag en nacht opvoeding en verzorging wordt geboden in verband met problemen of stoornissen van lichamelijke, geestelijke, sociale of pedagogische aard die hun ontwikkeling naar volwassenheid ongunstig beïnvloeden;

4. tehuizen voor buitengewone behandeling, waaronder worden verstaan tehuizen waarin jeugdigen gedurende dag en nacht worden behandeld in verband met hun problemen of stoornissen van lichamelijke, geestelijke, sociale of pedagogische aard die hebben geleid tot sociaal onaanvaardbaar gedrag;

5. gezinshuizen, waaronder worden verstaan tehuizen als bedoeld onder 3, waarbij zoveel mogelijk een normale leef- en gezinssituatie wordt benaderd en waarbij de hulpverlening in belangrijke mate is gericht op het primaire leefmilieu van de jeugdigen;

6. instellingen voor therapeutische gezinsverpleging, waaronder worden verstaan voorzieningen die aan zeer moeilijk opvoedbare jeugdigen in pleeggezinnen intensieve steun en begeleiding door een gespecialiseerd maatschappelijk werker bieden;

7. instellingen voor begeleid wonen, waaronder worden verstaan voorzieningen die aan zelfstandig gehuisveste jeugdigen begeleiding bieden, gericht op zelfstandig functioneren;

8. voorzieningen voor pleegzorg, waaronder worden verstaan voorzieningen die aan jeugdigen opneming in een pleeggezin bieden en aan pleegkinderen, pleegouders en (stief)ouders begeleiding bieden met betrekking tot opvoeding en verzorging van de pleegkinderen;

9. adviesbureaus voor de jeugd en gezin, waaronder worden verstaan voorzieningen die aan jeugdigen en ouders psycho-sociale adviezen en begeleiding bieden;

10. centrales voor pleeggezinnen, waaronder worden verstaan voorzieningen die de plaatsing van jeugdigen in pleeggezinnen voorbereiden;

11. dagcentra voor schoolgaande jeugd, waaronder worden verstaan voorzieningen die buiten schooltijd begeleiding bieden aan schoolgaande kinderen wier functioneren door psycho-sociale problemen wordt belemmerd, alsmede aan hun (stief)ouders;

12. medische kindertehuizen, waaronder worden verstaan tehuizen waarin aan jeugdigen wier lichamelijke of geestelijke gezondheid is aangetast of in ernstige mate wordt bedreigd geneeskundige behandeling, daaronder begrepen geneeskundig onderzoek en observatie door artsen in samenwerking met andere deskundigen, alsmede verpleging en verzorging gedurende dag en nacht, wordt geboden;

13. medische kleuterdagverblijven, waaronder worden verstaan voorzieningen waarin aan jeugdigen bij wie een stoornis in de ontwikkeling is opgetreden of dreigt op te treden ten gevolge van een samenloop van lichamelijke of geestelijke en maatschappelijke factoren, hulp wordt geboden, bestaande uit:

1. Internaten voor zeer intensieve behandeling, waaronder worden verstaan tehuizen waarin aan jeugdigen met zeer zware gedragsproblemen, al dan niet gepaard gaande met psychotische of neurotische stoornissen, behandeling wordt geboden, alsmede verpleging en verzorging gedurende dag en nacht;

2. tuchtscholen, waaronder worden verstaan tehuizen uitsluitend bestemd voor jeugdigen aan wie de straf van jeugddetentie, bedoeld in artikel 77h, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd of die ingevolge een beslissing van de rechter op grond van artikel 261 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek daar worden geplaatst.