U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 03-04-2003.
Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 25 januari 1990, tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffenBesluit genetisch gemodificeerde organismen Wet milieugevaarlijke stoffenWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 6 februari 1989, no. MJZ 0629072, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en de Staatssecretarissen van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur;

Overwegende dat het in het milieu brengen van genetisch gemodificeerde organismen ongewenste effecten op mens of milieu kan hebben;

dat deze effecten vanwege het reproductievermogen onomkeerbaar kunnen zijn;

dat een volledig inzicht in de mechanismen die leiden tot deze effecten nog ontbreekt;

dat de mogelijke onomkeerbaarheid van de effecten enerzijds en het ontbreken van een volledig inzicht anderzijds een beoordeling vooraf van het in het milieu brengen van genetisch gemodificeerde organismen wenselijk maken;

Gelet op de artikelen 24 en 26 van de Wet milieugevaarlijke stoffen (Stb. 1985, 639), en artikel 2 van de Hinderwet (Stb. 1981, 410);

Gezien het advies van de Centrale raad voor de milieuhygiëne (advies van 25 november 1988, nr. GGO-88/1247);

De Raad van State gehoord (advies van 12 juli 1989, nr.W08.89.0122);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 22 januari 1990, no. MJZ 2219077, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en de Staatssecretarissen van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

's-Gravenhage25 januari 1990BeatrixDe Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer a.i.,J. R. H. Maij-Weggende eenendertigste januari 1990De Minister van Justitie,E. M. H. Hirsch Ballin

In dit besluit wordt verstaan onder:

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Paragraaf 2 is niet van toepassing op:

Degene die een kennisgeving heeft gedaan, als bedoeld in de artikelen 7, 9, 10 of 11, stelt Onze Minister onverwijld op de hoogte van nieuwe gegevens waarover hij de beschikking krijgt of redelijkerwijs de beschikking kan krijgen, indien die gegevens belangrijke gevolgen kunnen hebben voor de risico’s die aan het ingeperkt gebruik zijn verbonden. Hij dient een gewijzigde kennisgeving in, waarbij hij aangeeft welke maatregelen in verband met deze nieuwe gegevens zijn getroffen.

Vervallen

Bij de beoordeling van een kennisgeving als bedoeld in de artikelen 7, 9, 10 of 11, houdt Onze Minister rekening met alle hem ter beschikking staande gegevens die verband houden met de risico’s voor mens en milieu die aan de betrokken handelingen zijn verbonden. Daartoe behoren onder meer de gevolgen voor het afvalbeheer, de veiligheid en de bestrijding van rampen en zware ongevallen.

Onze Minister kan een vergunning verlenen voor een bepaalde termijn.

Voorts kan Onze Minister op een daartoe strekkende, schriftelijk bij hem ingediende aanvraag van de vergunninghouder of van andere belanghebbenden de voorschriften, verbonden aan een vergunning, wijzigen, aanvullen of intrekken, alsnog voorschriften aan de vergunning verbinden, dan wel de vergunning intrekken. Indien de beschikking daartoe niet op aanvraag van de vergunninghouder wordt gegeven, gaat Onze Minister daartoe slechts over indien het belang van de bescherming van mens of milieu zich daartegen niet verzet.

Indien de aanvrager of houder van een vergunning als bedoeld in artikel 23, eerste lid, dan wel degene die om toepassing heeft gevraagd van artikel 23, tweede lid, onder d, kennis neemt van nieuwe gegevens ten aanzien van risico’s die de betrokken genetisch gemodificeerde organismen of de handelingen daarmee kunnen opleveren voor mens of milieu, dient hij daarvan terstond mededeling te doen aan Onze Minister. Hij treft tevens terstond de maatregelen die in verband met die risico’s nodig zijn ter bescherming van mens en milieu.

De houder van een vergunning als bedoeld in artikel 23 eerste lid, die genetisch gemodificeerde organismen toepast, doet na voltooiing van die toepassing mededeling aan Onze Minister van de mogelijke risico’s daarvan voor mens of milieu. Indien hij ten aanzien van de produkten waar die toepassing betrekking op heeft, voornemens is toepassing van artikel 23 tweede lid, onderdeel d, te vragen, gaat hij bij die mededeling in op de risico’s die die produkten kunnen opleveren.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Van het verbod van artikel 23, eerste lid, zijn vrijgesteld:

Voorwaarden als bedoeld in artikel 23, tweede lid, onder c, waaronder het vervoer van genetisch gemodificeerde organismen dient te geschieden.

De vervoerseenheid moet zodanig zijn dat genetisch gemodificeerde organismen of delen van die organismen tijdens het vervoer niet buiten de vervoerseenheid kunnen geraken anders dan door ingrijpen van de mens of door een calamiteit.

Een risico-analyse als bedoeld in artikel 24 houdt in ieder geval de volgende gegevens in voor zover deze van toepassing zijn:

Gegevens voor kennisgevingen