U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-01-2004.

Wet · BWBR0004815

Wet op het consumentenkrediet

Wijzigingen Officiële bron
Wet van 4 juli 1990, houdende regels met betrekkking tot het consumentenkrediet Wet op het consumentenkredietWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe regels te geven met betrekking tot het consumentenkrediet, mede ter vervanging van de bepalingen van de Wet op het consumptief geldkrediet (Stb. 1972, 399) en de Wet op het afbetalingsstelsel 1961 (Stb. 1976, 515) en, in verband daarmee, de Colportagewet (Stb. 1973, 438) te wijzigen en voorts, dat de richtlijn (EEG) nr. 87/102 van de Raad van de Europese Gemeenschappen, van 22 december 1986, betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten inzake het consumentenkrediet (PbEG L 42), noodzaakt tot het vaststellen van een aantal wettelijke bepalingen met betrekking tot het consumentenkrediet;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage 4 juli 1990 Beatrix De Staatssecretaris van Economische Zaken, P. Bukman De Minister van Justitie, E. M. H. Hirsch Ballin De Minister van Financiën, W. Kok de zesentwintigste juli 1990 De Minister van Justitie a.i., J. E. Andriessen

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Deze wet geldt slechts voor krediettransacties, waaraan de kredietgever en, in voorkomend geval, de leverancier, deelnemen in de uitoefening van een bedrijf of beroep en waarbij de kredietnemer een natuurlijke persoon is.

Een gemeentelijke kredietbank wordt opgericht en opgeheven bij of ingevolge een daartoe strekkend besluit van de gemeenteraad. Het besluit wordt onderworpen aan de goedkeuring van gedeputeerde staten.

Vervallen

Het is verboden zonder daartoe verleende vergunning krediet te verlenen, dan wel zich als kredietgever voor te doen.

Onze Minister verleent de vergunning tenzij er gegronde reden is om aan te nemen dat:

Zodra een instelling ingevolge artikel 52, tweede lid, onder c, d, f onderscheidenlijk g, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 in het in dat artikel bedoelde register is ingeschreven, beschikt die instelling, voor zover het aan die instelling ingevolge artikel 31, tweede lid, 32, tweede lid, 50, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 51 van genoemde wet is toegestaan krediet te verlenen, over een van rechtswege, zonder beperkingen, verleende vergunning als bedoeld in artikel 9 van deze wet.

Op schriftelijk verzoek van de vergunninghouder kan Onze Minister de beperkingen en voorschriften wijzigen, aanvullen of intrekken, alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan de vergunning verbinden dan wel de vergunning intrekken.

Van het tijdstip af waarop de vergunning is vervallen of ingetrokken, onderscheidenlijk de werking daarvan is vervallen, geldt het in artikel 9 bedoelde verbod niet voor de voormalige vergunninghouder, onderscheidenlijk de betrokken instelling, voor zover het de afwikkeling van de lopende zaken betreft.

Nietig is een overeenkomst als bedoeld in artikel 30, eerste lid, voor zover daarbij:

Het is de kredietgever en de leverancier verboden enige andere vorm van kredietvergoeding te bedingen, in rekening te brengen of te aanvaarden dan:

Het is de kredietgever en de leverancier verboden een hogere kredietvergoeding in rekening te brengen, te bedingen of te aanvaarden, dan wel kredietvergoeding op een ander tijdstip in rekening te brengen, dan is toegelaten ingevolge artikel 35.

Het is de kredietgever en de leverancier verboden:

De bepalingen van dit hoofdstuk omtrent nietigheid en vernietigbaarheid zijn mede van toepassing op overeenkomsten als bedoeld in artikel 30, eerste lid, die buiten Nederland worden gesloten door een buiten Nederland gevestigde kredietgever of leverancier met een kredietnemer die zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft en die het krediet in Nederland heeft aangevraagd.

Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

De regels welke krachtens deze wet worden vastgesteld, kunnen verschillen al naar gelang zij betrekking hebben op:

Onze Minister doet, zodra een beschikking als bedoeld in artikel 4, derde lid, 11, eerste lid, 17, indien het een intrekking van de vergunning betreft, 51 of 65 is vastgesteld, daarvan mededeling in de Nederlandse Staatscourant. Evenzo doet Onze Minister mededeling van een aanwijzing als bedoeld in artikel 57 of 62, eerste lid, alsmede de intrekking van een zodanige aanwijzing, en kan Onze Minister mededeling doen van andere beschikkingen die worden genomen op grond van deze wet.

Vervallen

Overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens de artikelen 26, 34, 36 en 38 is slechts strafbaar voor zover deze van toepassing zijn op een leverancier of een kredietbemiddelaar, alsmede, indien het het bij of krachtens artikel 26 bepaalde betreft, op een kredietgever die niet beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 9.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

De vijfde titel A van Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek geldt niet voor overeenkomsten als bedoeld in artikel 30, eerste lid, die ingevolge artikel 1576 van Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek als koop en verkoop op afbetaling moeten worden aangemerkt, met uitzondering evenwel van de artikelen 1576a, 1576h, 1576k tot en met 1576n, 1576r, 1576u, 1576w en 1576x.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

De Wet op het consumptief geldkrediet (Stb. 1972, 399) en de Wet op het afbetalingsstelsel 1961 (Stb. 1976, 515) worden ingetrokken.

Artikel 75, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de inwerkingtreding van een verhoging van het in artikel 3, eerste lid, genoemde bedrag, op grond van artikel 3, derde lid, alsmede een verlaging van het in artikel 45, vierde lid, genoemde bedrag, op grond van dat lid.

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Bij koninklijk besluit kan een ander tijdstip worden vastgesteld, waarop hoofdstuk VII in werking treedt.

Deze wet kan worden aangehaald als: Wet op het consumentenkrediet.