U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-01-2006.
Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 19 november 1990, houdende nadere regeling van de rechtspositie van de Nationale ombudsmanBesluit nadere regeling rechtspositie Nationale ombudsmanWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 19 september 1990, nr. CW90/192/U2, Stafafdeling Constitutionele Zaken en Wetgeving;

Overwegende, dat het wenselijk is een nadere regeling te treffen omtrent de rechtspositie van de Nationale ombudsman en de substituut-ombudsman;

Gelet op artikel 7 en artikel 9, vijfde lid, van de Wet Nationale ombudsman (Stb. 1989, 235);

De Raad van State gehoord (advies van 16 oktober 1990, nr. W04.90.0472);

Gezien het nader rapport van onze Minister van Binnenlandse Zaken van 2 november 1990, nr. CW90/192/U7, Stafafdeling Constitutionele Zaken en Wetgeving;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en aan de Algemene Rekenkamer.

's-Gravenhage19 november 1990BeatrixDe Minister van Binnenlandse Zaken,C. I. Dalesde achttiende december 1990De Minister van Justitie,E. M. H. Hirsch Ballin

De Nationale ombudsman en de substituut-ombudsman ontvangen een ziektekostenvergoeding, een vergoeding van verplaatsingskosten, een vergoeding voor kosten van telecommunicatievoorzieningen alsmede een uitkering ter zake van veeljarige dienst op de voet van de bepalingen welke te dien aanzien voor de burgerlijke rijksambtenaren zijn of zullen worden vastgesteld.

De in artikel 2, eerste lid, genoemde bedragen worden per 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling gewijzigd voor zover de consumentenprijsindex, geldend voor de maand september van het voorafgaande jaar, daartoe aanleiding geeft.

De Nationale ombudsman en de substituut-ombudsman ontvangen een vergoeding voor de door hen gemaakte kosten van voorzieningen die niet voor hun eigen rekening komen en die aantoonbaar door hen zijn aangewend voor de vervulling van hun ambt.