Regeling · BWBR0005003
Besluit éénmalige uitkering militairen 1990
Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 19 oktober 1990, Afdeling arbeidsvoorwaarden militair personeel, nr. D 90/091/24855;
Gelet op artikel 12 van de Militaire ambtenarenwet 1931 (Stb. 519) en artikel 2 van de Wet rechtstoestand dienstplichtigen (Stb. 1971, 231);
De Raad van State gehoord (advies van 27 december 1990, nr. W07.90.0513);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Defensie a.i. van 15 februari 1991, nr. D 90/091/33;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en aan de Algemene Rekenkamer.
's-Gravenhage27 februari 1991BeatrixDe Minister van Defensie,A. L. ter Beekde veertiende mei 1991De Minister van Justitie,E. M. H. Hirsch BallinVoor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
- a.
"militair" de militair die op 1 april 1990 in werkelijke dienst is, met uitzondering van
- 1°.
de militair behorend tot het Korps Nationale Reserve
- 2°.
de militair in werkelijke dienst voor herhalingsoefening.
- 1°.
- b.
"bezoldiging" hetgeen daaronder wordt verstaan in de Bezoldigingsregeling militairen zeemacht 1947 (K.b. van 24 november 1947, nr. 45) dan wel in de Regeling inkomsten militairen land- en luchtmacht 1969 (Stb. 1968, 523).
De militair heeft aanspraak op een uitkering van f 250,-.
De militair die een deel van de bezoldiging geniet als gevolg van buitengewoon verlof, ziekte, schorsing of detentie, heeft aanspraak op een uitkering naar evenredigheid van het behoud van zijn bezoldiging.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 april 1990.
Dit besluit kan worden aangehaald als "Besluit éénmalige uitkering militairen 1990".