Regeling · BWBR0005496

Besluit goederenvervoer over de weg

Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 27 april 1992, houdende regels ter uitvoering van de Wet goederenvervoer over de weg Besluit goederenvervoer over de wegWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 15 oktober 1991, nr. WJZ/V125788, Directoraat-Generaal voor het Vervoer;

Gelet op de artikelen 1, derde lid, 5, tweede en vierde lid, 8, tweede lid, 9, tweede lid, 12, derde lid, 13, derde lid, 14, vierde lid, 15, derde lid, 19, tweede lid, 23, tweede lid, 25, tweede lid, 26, tweede lid, 27, vijfde lid, 28, 29, tweede lid, 32 en 51, tweede lid, van de Wet goederenvervoer over de weg (Stb. 1992, 145);

Gelet op de Eerste Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen inzake de vaststelling van gemeenschappelijke regels voor bepaalde soorten goederenvervoer over de weg tussen de Lid-Staten;

Gelet op Richtlijn 74/561(EEG) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 november 1974 inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal goederenvervoer over de weg (PbEG L 308) zoals gewijzigd bij Richtlijn 89/438(EEG) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 juni 1989 tot wijziging van Richtlijn 74/561(EEG) (PbEG L 212);

Gelet op Richtlijn 75/130(EEG) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 februari 1975 houdende vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor bepaalde vormen van gecombineerd vervoer van goederen tussen de Lid-Staten (PbEG L 48) zoals gewijzigd bij Richtlijn 86/544(EEG) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 november 1986 (PbEG L 320);

Gelet op Verordening (EEG) nr. 3164/76 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 december 1976, inzake de toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg, (PbEG L 356) zoals gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 1841/88 van 21 juni 1988 (PbEG L 163) en bij verordening (EEG) nr. 3915/90 van 21 december 1990 (PbEG L 375);

Gelet op Richtlijn 77/796(EEG) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 december 1977 inzake de onderlinge erkenning van diploma's, certificaten en andere titels van ondernemer van goederenvervoer over de weg en ondernemer van personenvervoer over de weg en houdende maatregelen ter bevordering van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vrije vestiging van die vervoerondernemers (PbEG L 334) zoals gewijzigd bij Richtlijn 89/438(EEG) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 juni 1989 (PbEG L 212);

Gelet op Richtlijn 78/546(EEG) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 juni 1978 betreffende de statistische registratie van het goederenvervoer over de weg in het kader van een regionale statistiek (PbEG L 168) zoals gewijzigd bij Richtlijn 89/462(EEG) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 juli 1989 (PbEG L 226);

Gelet op Richtlijn 84/647(EEG) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 december 1984 betreffende het gebruik van gehuurde voertuigen zonder bestuurder voor het vervoer van goederen over de weg (PbEG L 335) zoals gewijzigd bij Richtlijn 90/398(EEG) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 juli 1990 (PbEG L 202);

Gelet op Verordening (EEG) nr. 4059/89 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1989 (PbEG L 390) zoals gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 296/91 (PbEG L 36) tot vaststelling van de voorwaarden waaronder niet in een Lid-Staat woonachtige vervoerondernemers aldaar tot het binnenlands goederenvervoer over de weg worden toegelaten;

Gelet op Verordening (EEG) nr. 3916/90 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1990 betreffende in crisissituaties te nemen maatregelen op de markt voor het goederenvervoer over de weg (PbEG L 375);

Gezien het advies van de Advies-Commissie Goederenvervoer bedoeld in artikel 6 van de Wet Autovervoer Goederen;

De Raad van State gehoord (advies van 10 maart 1992, no. W09 910574;

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 2 april 1992, nr. WJZ/V 221943, Directoraat-Generaal voor het Vervoer;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en nadat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

's-Gravenhage 27 april 1992 Beatrix De Minister van Verkeer en Waterstaat, J. R. H. Maij-Weggen de negenentwintigste april 1992 De Minister van Justitie, E. M. H. Hirsch Ballin

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Artikel 15, eerste lid, van de wet is niet van toepassing op vervoer met vrachtauto’s in dienstgebruik bij:

Artikel 5, eerste en derde lid, en artikel 15, eerste lid, van de wet zijn niet van toepassing op vervoer van goederen met een door een bus in de zin van de Wet personenvervoer 2000 voortbewogen aanhangwagen of een door een auto in de zin van die wet voortbewogen middenasaanhangwagen als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel al, van het Voertuigreglement, mits de goederen behoren bij de krachtens een vergunning als bedoeld in artikel 5 van evengenoemde wet gelijktijdig in die bus of auto vervoerde personen.

Artikel 5, derde lid, van de wet is niet van toepassing op beroepsvervoer verricht met een vrachtauto waarvan het maximaal toegestaan gewicht niet meer bedraagt dan 3500 kg.

De aanvraag om afgifte van een vergunningbewijs voor binnenlands vervoer als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet wordt ingediend bij de NIWO.

De modellen van vergunningbewijzen worden vastgesteld door de NIWO. De bewijzen worden gesteld op linnen of duurzaam papier.

De afgifte van vergunningbewijzen geschiedt na ontvangst door de NIWO van de in artikel 27 van de wet bedoelde vergoeding.

In geval van toepassing van artikel 11, eerste lid, van de wet dan wel wanneer toepassing is gegeven aan artikel 12, eerste lid, van de wet, dienen de vergunningbewijzen die in het bezit zijn van de vergunninghouder binnen één week na het tijdstip waarop de daaraan ten grondslag liggende vergunning haar geldigheid heeft verloren dan wel ingetrokken is, door de vergunninghouder ingeleverd te worden bij de NIWO.

De indiening van een aanvraag om een communautaire vergunning geschiedt bij de NIWO.

Het bepaalde in de artikelen 9, 10, 12 en 13 is van overeenkomstige toepassing.

Een verklaring als bedoeld in artikel 18, eerste lid, dient elke vijf jaar opnieuw overgelegd te worden.

Onverminderd het bepaalde in artikel 21, eerste lid, dient ter voldoening aan de eis van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de wet, een bij ministeriële regeling erkend vakdiploma voor grensoverschrijdend beroepsvervoer overgelegd te worden. Het bepaalde in artikel 21, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Exemplaren van de verklaring van dienstbetrekking, bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de wet, worden op aanvraag van de vergunninghouder namens Onze Minister door een door hem aan te wijzen ambtenaar ter beschikking gesteld.

Bij indiensttreding van een bestuurder van een vrachtauto moet de vergunninghouder:

Bij beëindigen van de dienstbetrekking van een bestuurder van een vrachtauto moet de vergunninghouder:

Artikel 14, eerste lid, van de wet is niet van toepassing wanneer gebruik wordt gemaakt van:

Indien de natuurlijke persoon die de werkzaamheden van vervoerder verricht of de natuurlijke persoon die voldoet aan het bepaalde in artikel 8, eerste lid, onderdelen a en c, van de wet, is overleden dan wel lichamelijk of wettelijk onbekwaam is geworden om als ondernemer op te treden, verleent de NIWO op aanvraag van belanghebbenden een vergunning als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet, teneinde belanghebbenden de gelegenheid te bieden alsnog in de ontbrekende vakbekwaamheid of betrouwbaarheid te voorzien.

In afwijking van het bepaalde in artikel 28 verleent de NIWO op aanvraag van belanghebbenden een vergunning als bedoeld in artikel 5, eerste, onderscheidenlijk derde lid, van de wet aan een persoon die niet voldoet aan de in artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van de wet, bedoelde eis van vakbekwaamheid, indien deze persoon:

De indiening van een aanvraag als bedoeld in artikel 28, dan wel 29 geschiedt bij de NIWO.

Op vergunningbewijzen en gewaarmerkte kopieën, afgegeven op een aanvraag als bedoeld in artikel 28, wordt de geldigheidsduur vermeld.

Het bepaalde in de artikelen 9 tot en met 14 en 17 is van overeenkomstige toepassing.

Indien de vergunninghouder zich schuldig maakt aan overtreding van artikel 14 van de wet stelt de NIWO hem ten minste één maal op de hoogte van de mogelijkheid van intrekking van de vergunning op grond van het bepaalde in artikel 35, eerste lid.

Indien ingevolge het bepaalde in de artikelen 34 en 35 de betrouwbaarheid dreigt te ontvallen, stelt de NIWO de vergunninghouder daarvan ten minste één maal op de hoogte.

De verwevenheid bedoeld in artikel 39, tweede lid, kan in ieder geval aangetoond worden door:

De aanvraag om inschrijving voor het verrichten van eigen vervoer en de aanvraag om verlenging, wijziging of doorhaling van een inschrijving wordt ingediend bij de SIEV.

De aanvraag om afgifte van een inschrijvingsbewijs als bedoeld in artikel 20, derde lid, van de wet wordt ingediend bij de SIEV.

De modellen van de inschrijvingsbewijzen worden vastgesteld door de SIEV. De bewijzen worden gesteld op linnen of duurzaam papier.

Ingeval zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 22 van de wet, dan wel wanneer toepassing is gegeven aan artikel 23, eerste lid, van de wet, dienen de inschrijvingsbewijzen die in het bezit zijn van de ingeschrevene binnen één week na het tijdstip waarop de daaraan ten grondslag liggende inschrijving haar geldigheid heeft verloren, dan wel is doorgehaald, ingeleverd te worden bij de SIEV.

Diegene die grensoverschrijdend eigen vervoer verricht dient in het bezit te zijn van een machtiging op grond van een overeenkomst met een andere Staat, tijdens het verrichten van vervoer op het grondgebied van die Staat, indien door die Staat een machtiging wordt geëist voor grensoverschrijdend eigen vervoer naar, door of van het grondgebied van die Staat.

Geen machtiging is vereist voor grensoverschrijdend eigen vervoer indien het eigen vervoer geschiedt in overeenstemming met het bepaalde in overeenkomsten met andere Staten, betreffende het grensoverschrijdend eigen vervoer van goederen met vrachtauto’s en regelende de erkenning van inschrijving, of ter uitvoering van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, voor zover zulks bij ministeriële regeling is bepaald.

Aanvragen om machtigingen worden ingediend bij de SIEV.

Bij inwilliging van de aanvraag worden door de SIEV aan de aanvrager een of meer machtigingen verstrekt.

Degene die eigen vervoer verricht met een vrachtauto krachtens een machtiging alsmede de bestuurder van die vrachtauto is verplicht ervoor zorg te dragen, onverminderd het bepaalde in artikel 47, dat bij de vrachtauto een geldige machtiging aanwezig is.

Met betrekking tot de aanvraag, de uitreiking en de intrekking van machtigingen ten behoeve van eigen vervoer bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet zijn de artikelen 51 tot en met 54 van overeenkomstige toepassing.

De SIEV kan ter uitvoering van een overeenkomst tussen de Staat der Nederlanden en een andere Staat of een volkenrechtelijke organisatie of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie, dan wel om redenen van internationaal vervoerbeleid bepalen, dat door de SIEV te verstrekken machtigingen worden uitgereikt door een buitenlandse instantie.

Van het bepaalde in artikel 25, eerste lid, van de wet kan bij ministeriële regeling vrijstelling worden verleend indien het eigen vervoer geschiedt in overeenstemming met het bepaalde in overeenkomsten met andere Staten, betreffende het grensoverschrijdend eigen vervoer van goederen met vrachtauto’s en regelende de erkenning van inschrijving, of ter uitvoering van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Degene die grensoverschrijdend eigen vervoer verricht krachtens een machtiging met een vrachtauto alsmede de bestuurder van die vrachtauto is verplicht ervoor zorg te dragen dat bij de vrachtauto een geldige machtiging aanwezig is.

Indien de houder van een inschrijving zich schuldig maakt aan overtreding van het bepaalde in artikel 5, eerste of derde lid, of artikel 21 van de wet, stelt de SIEV hem ten minste één maal op de hoogte van de daarop staande sanctie van doorhaling van de inschrijving.

De houder van een inschrijving eigen vervoer is verplicht deze, alsmede de op basis daarvan afgegeven inschrijvingsbewijzen, binnen één week na dagtekening van een beschikking van de SIEV, waarbij zij wordt doorgehaald, bij de SIEV in te leveren.

Onder aanvullende documenten als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de wet worden verstaan:

Degene, die krachtens een C.E.M.T.-vergunning grensoverschrijdend beroepsvervoer met een vrachtauto verricht, alsmede de bestuurder van die vrachtauto is, onverminderd het bepaalde in de artikelen 17 en 27, verplicht ervoor zorg te dragen, dat de geldige C.E.M.T.-vergunning en het bijbehorende rittenboekje bij de vrachtauto aanwezig zijn.

De houder van een C.E.M.T.-vergunning is verplicht deze binnen één week na de dagtekening van een beschikking van de NIWO, waarbij zij wordt ingetrokken, bij de NIWO in te leveren.

Machtigingen als bedoeld in artikel 63, onderdeel c, worden door de NIWO uitsluitend uitgereikt aan houders van een communautaire vergunning.

Een machtiging wordt verleend voor een vrachtauto al dan niet met een aanhangwagen, of voor een samenstel van een trekker en een oplegger, waarbij het trekkend voertuig in de Staat van vestiging van de vergunninghouder geregistreerd dient te zijn.

Degene die grensoverschrijdend beroepsvervoer met een vrachtauto verricht krachtens een machtiging alsmede de bestuurder van die vrachtauto is, onverminderd het bepaalde in de artikelen 17 en 27 verplicht er voor zorg te dragen, dat bij de vrachtauto een geldige machtiging aanwezig is tijdens het verrichten van vervoer op het grondgebied van een bepaalde Staat, indien voor grensoverschrijdend beroepsvervoer naar, door of van die Staat een machtiging wordt geëist.

Met betrekking tot de aanvraag en de uitreiking van een cabotagevergunning is het bepaalde in de artikelen 75 en 76 van overeenkomstige toepassing.

Indien in de loop van een kalenderjaar cabotagevergunningen beschikbaar komen, worden deze vergunningen in volgorde van binnenkomst toegedeeld aan diegenen die reeds een aanvraag om een cabotagevergunning, conform artikel 89, hebben ingediend.

De NIWO verstrekt aan de houder van een cabotagevergunning op zijn verzoek de nodige boekjes verslagen cabotagevervoer tegen betaling van een vergoeding per boekje. De NIWO draagt zorg voor de invulling van de omslag van een boekje.

De houder van een cabotagevergunning is verplicht zorg te dragen voor de invulling van een boekje verslagen cabotagevervoer volgens de algemene bepalingen die zijn vermeld op de achterzijde van het eerste blad van de omslag van een boekje verslagen en van de toelichting die is vermeld op de voorzijde van het blad dat aan de uitscheurbare bladen voorafgaat.

De houder van een cabotagevergunning is verplicht deze binnen één week na de dagtekening van een beschikking van de NIWO, waarbij zij wordt ingetrokken, bij de NIWO in te leveren.

Met betrekking tot de aanvraag, de uitreiking en de intrekking van een machtiging als bedoeld in artikel 25 van de wet zijn de artikelen 83 tot en met 86 van overeenkomstige toepassing.

De NIWO kan ter uitvoering van een overeenkomst tussen de Staat der Nederlanden en een andere Staat of een volkenrechtelijke organisatie of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie, dan wel om redenen van internationaal vervoerbeleid bepalen, dat door de NIWO te verstrekken machtigingen worden uitgereikt door een buitenlandse instantie.

Van de machtiging, bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet, is vrijgesteld:

Degene die grensoverschrijdend beroepsvervoer met een vrachtauto verricht krachtens een machtiging als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet, dan wel krachtens een document als bedoeld in artikel 101, alsmede de bestuurder van die vrachtauto, draagt er zorg voor dat die machtiging of dat document in de vrachtauto aanwezig is.

Een vrachtauto, die blijkens het kenteken niet geregistreerd is in een Lid-Staat, kan de toegang tot Nederland worden ontzegd, indien niet voldaan wordt aan het bepaalde in artikel 25 van de wet.

De NIWO verschaft periodiek aan Onze Minister een overzicht van de houders van C.E.M.T.-, en cabotagevergunningen.

Gemeenten, welke vóór 1 januari 1986 vervoer hebben verricht bij de verwijdering van afvalstoffen die naar hun aard overeenkomen met de in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, genoemde stoffen en die afkomstig zijn uit niet-particuliere huishoudens, zijn gerechtigd dit vervoer tot 1 september 1992 te verrichten zonder een daartoe strekkende vergunning of inschrijving.

Degenen, die vóór 1 mei 1988 tegen vergoeding vervoer hebben verricht van zuiveringsslib, dat slechts voor ten hoogste 20% bestaat uit vaste stoffen, zijn gerechtigd dit vervoer tot 19 maart 1994 te verrichten zonder een daartoe strekkende vergunning.

Zaken die ter kennis zijn gebracht van het tuchtcollege bedoeld in artikel 52 van het Uitvoeringsbesluit autovervoer goederen 1988 vóór het tijdstip van in werking treden van deze wet worden, voor zover daarop bij het in werking treden van deze wet nog niet is beslist, behandeld overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Wet Autovervoer Goederen.

De verklaringen van dienstbetrekking als bedoeld in artikel 132 van het Uitvoeringsbesluit Autovervoer Goederen 1988 (Stb. 209) die gelden op het tijdstip van het in werking treden van dit Besluit, worden vanaf dat tijdstip aangemerkt als verklaringen van dienstbetrekking als bedoeld in artikel 24, onderdeel a.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit goederenvervoer over de weg.