U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-01-2013.

Wet · BWBR0005674

Huisvestingswet

Wijzigingen Officiële bron
Wet van 1 oktober 1992, houdende regelen met betrekking tot woonruimteHuisvestingswetWij Beatrix bij de Gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter bevordering van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van schaarse woonruimte en met het oog op de doorzichtigheid van de wetgeving wenselijk is nieuwe regelen te stellen met betrekking tot de verdeling van woonruimte en de samenstelling van de woonruimtevoorraad;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage1 oktober 1992BeatrixDe Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,E. Heermade twintigste oktober 1992De Minister van Justitie,E. M. H. Hirsch Ballin

De gemeenteraad kan, voor zover dat in het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte noodzakelijk is, in de huisvestingsverordening woonruimte aanwijzen die niet voor bewoning in gebruik mag worden genomen of gegeven, indien voor het in gebruik nemen daarvan geen huisvestingsvergunning is verleend. In afwijking van de eerste volzin is tot 1 januari 2003 in de in de bijlage genoemde betrokken gemeenten, alsmede in de krachtens artikel 2, vierde lid, aangewezen gemeenten, voor het in gebruik nemen of geven van een woonwagen op een standplaats een huisvestingsvergunning voor een standplaats vereist.

De gemeenteraad kan, voor zover dat in het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte noodzakelijk is, in de huisvestingsverordening bepalen dat de leegstand van woonruimten in daarbij aangegeven gevallen door de eigenaar aan burgemeester en wethouders dient te worden gemeld, zodra die leegstand langer duurt dan een daarbij aangegeven termijn van ten minste twee maanden.

De gemeenteraad kan in de huisvestingsverordening voorts bepalen dat een of meer daarbij aan te wijzen categorieën van woonruimte, aangewezen overeenkomstig artikel 5, met het oog op een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte, in verband met de aard, grootte of prijs van die woonruimte, slechts passend is voor een daarbij aangewezen gedeelte van de ingevolge artikel 9 aangewezen categorieën van woningzoekenden.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met het oog op de bescherming van daarbij aan te geven categorieën van woningzoekenden regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van artikel 9, eerste lid, en de artikelen 10 tot en met 12.

De gemeenteraad kan voor zover dit noodzakelijk is met het oog op een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte in de huisvestingsverordening criteria vaststellen voor de verlening van huisvestingsvergunningen, waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen woningzoekenden die al of niet een economische of maatschappelijke binding hebben aan een in die verordening aangeduide regio.

De gemeenteraad kan voor zover dit noodzakelijk is met het oog op een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte in verband met uit bovengemeentelijk ruimtelijk beleid voortvloeiende geringe mogelijkheden tot uitbreiding van de woonruimtevoorraad in de betrokken gemeente of kern, in de huisvestingsverordening criteria vaststellen voor de verlening van huisvestingsvergunningen, waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen woningzoekenden die al of niet een economische of maatschappelijke binding hebben aan de gemeente of aan een tot de gemeente behorende kern.

Ingeval de gemeenteraad toepassing geeft aan artikel 11 of 12, geeft hij tevens toepassing aan artikel 14. In dat geval worden als woningzoekenden die voor inschrijving in het register in aanmerking komen, in elk geval aangewezen:

Vervallen

In afwijking van artikel 19, eerste lid, doen burgemeester en wethouders geen voordracht, indien aan de door de eigenaar voorgedragen woningzoekende op grond van de ingevolge de artikelen 9, 10 en 11 geldende eisen een huisvestingsvergunning kan worden verleend en er voor het doen van een voordracht geen in aanmerking komende woningzoekenden zijn ingeschreven wier behoefte aan woonruimte urgenter is dan die van de door de eigenaar voorgedragen woningzoekende.

De gemeenteraad stelt in de huisvestingsverordening nadere regels met betrekking tot de toepassing van deze paragraaf. Daarbij regelt hij in ieder geval de wijze waarop een woningzoekende, behorende tot een krachtens artikel 12, tweede lid, aangewezen categorie, desverzocht op de hoogte wordt gesteld van de toepassing die te zijnen aanzien is gegeven aan de bij of krachtens deze paragraaf gestelde voorschriften.

Indien de vergunning wordt verleend, vermelden burgemeester en wethouders in hun beschikking ten minste de termijn waarbinnen van de vergunning gebruik kan worden gemaakt.

In bijzondere gevallen kunnen burgemeester en wethouders een huisvestingsvergunning verlenen aan andere woningzoekenden dan bedoeld in artikel 9, eerste lid, voor zover wordt voldaan aan artikel 9, tweede lid, zonder dat de betrokken woonruimte overeenkomstig het bij en krachtens artikel 26, eerste en derde lid, bepaalde vruchteloos is aangeboden.

Burgemeester en wethouders kunnen een huisvestingsvergunning intrekken, indien:

Van de bevoegdheden krachtens deze paragraaf kunnen burgemeester en wethouders mandaat verlenen aan eigenaren van woonruimte, voor zover het die woonruimte betreft.

Een vergunning als bedoeld in artikel 30, eerste lid, wordt verleend, tenzij het belang van het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad groter is dan het met het onttrekken aan de bestemming tot bewoning gediende belang en het belang van het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad niet door het stellen van voorwaarden en voorschriften voldoende kan worden gediend.

De gemeenteraad bepaalt in de huisvestingsverordening ten minste de voorwaarden en voorschriften die burgemeester en wethouders in het belang van de voorziening in de behoefte aan woonruimte aan de vergunning, bedoeld in artikel 30, eerste lid, kunnen verbinden.

Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning intrekken, indien:

Inschrijving in de openbare registers van een akte als bedoeld in artikel 109 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek vindt alleen plaats, indien onder de akte een notariële verklaring is opgenomen, dat ten tijde van het verlijden van de akte een vergunning als bedoeld in artikel 33 niet is vereist, dan wel onherroepelijk is geworden.

Een vordering als bedoeld in artikel 40, eerste lid, vindt plaats voor een door burgemeester en wethouders bij hun besluit tot vordering bepaalde tijdsduur van ten hoogste tien jaar.

Tegelijkertijd met de bekendmaking van een last tot vordering wordt daarvan mededeling gedaan door aanplakking van een afschrift op of nabij de woonruimte, het gebouw of het gedeelte van een gebouw waarop de vordering betrekking heeft.

De last bevat ten minste:

Burgemeester en wethouders kunnen ambtshalve, dan wel op een daartoe strekkend verzoek van de eigenaar het bedrag van de vorderingsvergoeding wijzigen, teneinde de vergoeding in overeenstemming te brengen met een voor het in gebruik geven van het gevorderde redelijke prijs. Artikel 47, tweede en derde lid, is met betrekking tot het in de eerste volzin bedoelde besluit van overeenkomstige toepassing.

Vervallen

De gebruiker is verplicht het gevorderde onverwijld te ontruimen:

Voor de toepassing van het in deze paragraaf bepaalde wordt verstaan onder:

Gedeputeerde staten zijn bevoegd taakstellingen die volgen uit de toepassing van de formule, bedoeld in artikel 60b, tweede lid, te wijzigen, voor zover de verwezenlijking van het bovengemeentelijke ruimtelijke beleid of volkshuisvestingsbeleid of de samenhang tussen het door gemeenten gevoerde volkshuisvestingsbeleid dat vordert, met dien verstande dat de som van de aantallen verblijfsgerechtigden in wier huisvesting na die wijziging in de betrokken gemeenten te zamen dient te worden voorzien, niet afwijkt van de som van de aantallen die worden verkregen met toepassing van de formule, bedoeld in artikel 60b, tweede lid.

Vervallen

Vervallen

Provinciale staten kunnen, voor zover de verwezenlijking van het bovengemeentelijke ruimtelijke beleid of het gebrek aan samenhang tussen het door de gemeenten gevoerde huisvestingsbeleid dat vordert, beleidsregels vaststellen met betrekking tot de in de hoofdstukken I, II en III geregelde onderwerpen.

Bij de voorbereiding van een beleidsregel als bedoeld in artikel 61 plegen gedeputeerde staten overleg met de besturen van de gemeenten waarop de beleidsregel betrekking heeft.

Tegelijkertijd met de bekendmaking van een beleidsregel doen gedeputeerde staten daarvan mededeling aan Onze Minister.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Alvorens toepassing te geven aan artikel 68, tweede lid, pleegt Onze Minister overleg met het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente. Indien een aanwijzing als bedoeld in artikel 67 afwijkt van een beleidsregel als bedoeld in artikel 61, pleegt hij tevens vooraf overleg met gedeputeerde staten van de betrokken provincie.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

De toezichthouder is bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, een woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoner.

Vervallen

Burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat de toegelaten instellingen als bedoeld in artikel 70, eerste lid, van de Woningwet, die eigenaar zijn van in de gemeente gelegen woonruimten, alsmede andere eigenaren van in de gemeente gelegen woonruimten, aan hen verslag uitbrengen over de huisvesting in die woonruimten van personen, behorende tot daarbij aangegeven categorieën van woningzoekenden die door andere omstandigheden dan hun inkomen moeilijkheden ondervinden bij het vinden van hun passende huisvesting.

Een algemene maatregel van bestuur, vastgesteld krachtens deze wet, treedt niet eerder in werking dan twee maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad, waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan beide kamers der Staten-Generaal.

Vervallen

Met de opsporing van de bij deze wet strafbaar gestelde feiten zijn, onverminderd artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast de bij of krachtens artikel 75 aangewezen ambtenaren, voor zover zij tevens buitengewoon opsporingsambtenaar zijn. Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot en met 182 en 184 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

De gemeenteraad stelt geen regels die leiden tot een algeheel verbod van het in gebruik nemen of geven van een woonschip op een ligplaats.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.