U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 30-08-2002.
Wijzigingen Officiële bron
Wet van 8 oktober 1992, houdende bepalingen met betrekking tot het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoekWet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoekWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het met het oog op de versterking van de kwaliteit, het vernieuwend vermogen alsmede de maatschappelijke gerichtheid van het bestel van het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek wenselijk is de zelfstandigheid van de instellingen te vergroten en daartoe de toedeling van bevoegdheden aan de rijksoverheid en de desbetreffende instellingen te herzien;

dat het voorts gewenst is dat de bestuurlijke betrekkingen die de rijksoverheid onderhoudt met die instellingen zo goed mogelijk op elkaar zijn afgestemd;

dat het daarvoor wenselijk is de afzonderlijke regelingen op het gebied van het bestel van het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek samen te voegen tot een Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministers, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage 8 oktober 1992 Beatrix De Minister van Onderwijs en Wetenschappen, J. M. M. Ritzen De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, P. Bukman de zesentwintigste november 1992. De Minister van Justitie, E. M. H. Hirsch Ballin

In deze wet wordt verstaan onder:

Deze wet heeft betrekking op:

Aan de instellingen wordt de academische vrijheid in acht genomen.

Het instellingsbestuur stelt richtlijnen vast met betrekking tot de ethische aspecten verbonden aan de werkzaamheden van de instelling. Het stelt die richtlijnen niet vast dan na het advies te hebben ingewonnen van een door hem daartoe ingestelde commissie. Indien ten behoeve van de werkzaamheden van de instelling gebruik wordt gemaakt van dieren dan wel mensen voor proeven, onderscheidenlijk voor demonstraties of proeven, hebben de richtlijnen daar mede betrekking op.

Andere instellingen voor hoger onderwijs dan die genoemd in de bijlage van deze wet, kunnen worden aangewezen.

De Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en de Koninklijke Bibliotheek bezitten rechtspersoonlijkheid.

Dit hoofdstuk heeft betrekking op de bekostigde universiteiten, hogescholen en de Open Universiteit alsmede op de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en de Koninklijke Bibliotheek, met dien verstande dat artikel 2.13 en titel 5 niet van toepassing zijn en dat artikel 2.15 uitsluitend van toepassing is op de hogescholen. Op de academische ziekenhuizen zijn uitsluitend de artikelen 2.10, 2.12 en 2.13 en titel 5 van toepassing.

Het instellingsbestuur stelt om het jaar een plan met betrekking tot de instelling vast. Het plan geeft een omschrijving van de inhoud en de specificatie van het voorgenomen beleid van de instelling voor die periode. In het plan wordt aandacht besteed aan de voornemens in verband met de bevordering van de kwaliteit van het onderwijs en het verbeteren van de inrichting van de opleidingen aan de instelling. Het instellingsbestuur maakt het plan openbaar.

Vervallen

De accountant die door Onze minister is belast met het onderzoek van de ministeriële jaarrekening, heeft met het oog op het verrichten van dat onderzoek toegang tot elke instelling. De accountant kan door Onze minister tevens worden belast met een onderzoek naar de doelmatigheid van het beheer van de instelling. Aan de accountant worden alle inlichtingen verstrekt die hij voor de uitvoering van zijn taak nodig oordeelt.

Het bestuur van een in artikel 1.13, eerste lid, bedoelde universiteit betaalt, zodra de in artikel 2.5 bedoelde betaling van de rijksbijdrage dan wel betaling van een voorschot daarop is ontvangen, aan het met dieuniversiteit verbonden academisch ziekenhuis onverwijld het gedeelte van de rijksbijdrage waarop het academisch ziekenhuis op grond van artikel 1.14, eerste lid, aanspraak heeft.

Onze minister kan een richtlijn vaststellen voor de inrichting van de begroting en het verslag.

Het instellingsbestuur beheert de middelen van de instelling op zodanige wijze dat een behoorlijke exploitatie en het voortbestaan van de instelling zijn verzekerd.

Met betrekking tot de educatieve voorziening, bedoeld in artikel 1.4, tweede lid, stelt het bestuur van een academisch ziekenhuis dan wel het bestuur van de rechtspersoon die de educatieve voorziening in stand houdt, jaarlijks voor 1 juli een begroting voor het volgende jaar en een jaarverslag over het afgelopen jaar vast en zendt die aan Onze minister. Onze minister kan een richtlijn vaststellen voor de inrichting van de begroting en het jaarverslag.

Onze minister neemt besluiten als bedoeld in de artikelen 1.9, zesde lid, 2.9, vierde lid, 2.13, tweede en vierde lid, 4.2, tweede lid, 7.56, eerste lid, onder b, en 7.56a, eerste lid, onder b, niet dan na het betrokken instellingsbestuur in de gelegenheid te hebben gesteld met hem te overleggen over zijn desbetreffend voornemen.

Dit hoofdstuk heeft betrekking op de bekostigde universiteiten en hogescholen en de Open Universiteit alsmede op de academische ziekenhuizen, de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en de Koninklijke Bibliotheek, met uitzondering van artikel 4.2, derde tot en met vijfde lid, dat uitsluitend betrekking heeft op de bekostigde universiteiten en hogescholen en de Open Universiteit.

Over aangelegenheden van algemeen belang voor de algemene rechtstoestand van het personeel van de instellingen wordt door Onze minister overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels overleg gevoerd met de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheids- en onderwijspersoneel. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden tevens de gevallen bepaald waarin in dat overleg overeenstemming met de vakorganisaties dient te worden bereikt.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Bij de uitoefening van het toezicht op opleidingen, gericht op een beroep waarvoor bij of krachtens de wet vereisten zijn gesteld ten aanzien van de kennis, het inzicht en de vaardigheden die betrokkenen zich op grond van de opleiding tot dat beroep moeten hebben verworven, pleegt de inspectie overleg met door Onze minister welke het aangaat, aangewezen ambtenaren.

Dit hoofdstuk heeft betrekking op de bekostigde universiteiten en hogescholen en de Open Universiteit en op de universiteiten en hogescholen die ingevolge artikel 6.9 zijn aangewezen.

Het accreditatieorgaan stelt een bestuursreglement vast. Het bestuursreglement en elke wijziging daarvan behoeven de goedkeuring van Onze minister. De goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Het accreditatieorgaan maakt jaarlijks aan de instellingen bekend welke instanties met behulp van onafhankelijke deskundigen als bedoeld in artikel 1.18, derde lid, eerste volzin, opleidingen beoordelen op de wijze, bedoeld in artikel 1.18, derde lid, vierde volzin.

Dit artikel is nog niet in werking getreden.

Dit artikel is nog niet in werking getreden.

De tarieven die het accreditatieorgaan op grond van de artikelen 5a.9, achtste lid, en 5a.10, vierde lid, vaststelt, behoeven de goedkeuring van Onze minister. De goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Dit hoofdstuk heeft betrekking op de bekostigde universiteiten en hogescholen en de Open Universiteit, met uitzondering van titel 4, en wat betreft de titels 2 en 3, op universiteiten en hogescholen die ingevolge artikel 6.9 zijn aangewezen.

Het instellingsbestuur neemt bij de instelling van nieuwe opleidingen en de beëindiging van bestaande opleidingen in acht een doelmatige taakverdeling tussen de instellingen, gelet op het geheel van de voorzieningen op het gebied van het hoger onderwijs.

Vervallen

Onze minister kan besluiten dat ten aanzien van een nieuwe opleiding de rechten, genoemd in artikel 1.9, eerste en tweede lid, onthouden worden indien uit de gegevens betreffende de aanmelding voor registratie, bedoeld in artikel 6.14, blijkt dat de instelling voornemens is een opleiding te verzorgen die geheel of in hoofdzaak overeenstemt met een opleiding, verzorgd door diezelfde instelling, die op de grond, genoemd in artikel 6.5, eerste lid, onder a, is beëindigd. Artikel 6.4, tweede lid, is van toepassing.

Onze minister kan besluiten dat ten aanzien van een nieuwe opleiding de rechten, genoemd in artikel 1.12, eerste lid, worden onthouden:

Dit hoofdstuk heeft betrekking op de bekostigde universiteiten en hogescholen en de Open Universiteit, met uitzondering van artikel 7.17, en wat betreft de titels 1, 2 en 2a, met uitzondering van artikel 7.17, op universiteiten en hogescholen die ingevolge artikel 6.9 zijn aangewezen.

Het onderwijs wordt gegeven en de examens worden afgenomen in het Nederlands. In afwijking van de eerste volzin kan een andere taal worden gebezigd:

Vervallen

Vervallen

Indien het instellingsbestuur niet kan vaststellen welke studenten onder de artikelen 5.12 of 10.6 van de Wet studiefinanciering 2000 vallen, verstrekt het tevens de gegevens, bedoeld in de artikelen 7.9a, eerste lid, of 7.9b, eerste lid, over alle studenten. In dat geval vermeldt het dit feit in de mededeling, bedoeld in de artikelen 7.9a, tweede lid, of 7.9b, tweede lid.

Het instellingsbestuur doet voor het einde van de tweede maand volgend op de maand waarin een student, bedoeld in de artikelen 5.5 of 5.7 van de Wet studiefinanciering 2000, het afsluitend examen met goed gevolg heeft afgelegd, daarvan mededeling aan de Informatie Beheer Groep. Het stuurt gelijktijdig met die mededeling bericht van het verzenden daarvan aan de betrokkene.

Het instellingsbestuur van een op grond van artikel 6.9 aangewezen instelling doet voor het einde van de tweede maand, volgend op de maand waarin een student op grond van artikel 7.31a vrijstelling heeft gekregen van het afleggen van tentamens, daarvan mededeling aan de Informatie Beheer Groep. Het stuurt gelijktijdig met die mededeling bericht van het verzenden daarvan aan de betrokkene.

Vervallen

Het instellingsbestuur draagt zorg voor een regelmatige beoordeling van de onderwijs- en examenregeling en weegt daarbij, ten behoeve van de bewaking en zo nodig bijstelling van de studielast, het tijdsbeslag dat daaruit voor de studenten voortvloeit.

Het instellingsbestuur draagt er zorg voor dat tijdig voor de aanvang van het studiejaar en zodanig dat de aanstaande student zich een goed oordeel kan vormen omtrent de inhoud en de inrichting van het onderwijs en de examens, openbaar worden gemaakt:

Het instellingsbestuur kan met het oog op de inschrijving voor een deeltijdse opleiding aan een universiteit of aan een hogeschool eisen omtrent het verrichten van werkzaamheden tijdens het volgen van de opleiding stellen indien de desbetreffende werkzaamheden in de onderwijs- en examenregeling als onderwijseenheden zijn aangemerkt.

Met inachtneming van het terzake bepaalde in de onderwijs- en examenregeling heeft de student die met toepassing van artikel 7.31a is vrijgesteld van het afleggen van tot het propedeutisch examen behorende tentamens, in afwijking van artikel 7.30, eerste lid, toegang tot het afleggen van een of meer onderdelen van het afsluitend examen, voordat hij het propedeutisch examen van de desbetreffende opleiding met goed gevolg heeft afgelegd.

Vervallen

De inschrijving als extraneus geeft uitsluitend de rechten, vermeld in artikel 7.34, eerste lid onder b en c.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Het instellingsbestuur kan, indien het van oordeel is dat de onderwijscapaciteit, die voor de postpropedeutische fase van een opleiding, waarvoor een beperking van de eerste inschrijving is vastgesteld, niet toereikend is voor een onbeperkte inschrijving, besluiten inschrijving voor de postpropedeutische fase van die opleiding te weigeren aan hen, die niet reeds ingeschreven zijn geweest aan die aan de instelling verbonden opleiding.

Door vernummering vervallen.

Het instellingsbestuur van de Open Universiteit kan de inschrijvingsmogelijkheid voor een bepaalde opleiding of onderwijseenheid opschorten voorzover en voor zolang de organisatorische en technische capaciteit voor het verzorgen van deze opleiding of onderwijseenheid daartoe naar zijn oordeel noodzaakt. Met inachtneming van de in de eerste volzin bedoelde beperkingen geschiedt de inschrijving in de volgorde van aanmelding voor de desbetreffende opleiding of onderwijseenheid, volgens door het instellingsbestuur vast te stellen regels van procedurele aard.

In afwijking van de artikelen 6:7 en 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de termijn twee weken voor het indienen van een bezwaarschrift tegen een besluit van de Informatie Beheer Groep inzake afgifte van een bewijs van toelating, onderscheidenlijk vier weken na ontvangst van het bezwaarschrift voor de beslissing van de Informatie Beheer Groep.

Het instellingsbestuur kan voorschriften geven en maatregelen nemen met betrekking tot de goede gang van zaken in de gebouwen en terreinen van de instelling. Die maatregelen kunnen inhouden dat aan degene die de bedoelde voorschriften heeft overtreden, de toegang tot die gebouwen en terreinen geheel of gedeeltelijk voor de tijd van ten hoogste een jaar wordt ontzegd.

De organen en personeelsleden alsmede de examinatoren van de instelling verstrekken aan het college van beroep de gegevens die dit college voor de uitvoering van zijn taak nodig oordeelt.

Het griffierecht bedraagt € 29. Artikel 8:41, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.

Deze titel heeft betrekking op de openbare universiteiten.

Het college van bestuur stelt een bestuurs- en beheersreglement ter regeling van het bestuur, het beheer en de inrichting van de universiteit vast.

Het college van bestuur kan richtlijnen vaststellen met het oog op de organisatie en coördinatie van de uitoefening van de in de artikelen 9.14, derde lid, en 9.15, eerste lid, bedoelde bevoegdheden.

In het bestuurs- en beheersreglement wordt bepaald welke faculteiten of faculteit een universiteit omvat. Tevens wordt in dat reglement vermeld welke opleidingen in die faculteiten of faculteit zijn ingesteld.

De decaan is verantwoording verschuldigd aan het college van bestuur. Hij verstrekt het college de gevraagde inlichtingen omtrent de faculteit.

Vervallen

Vervallen

Deze titel heeft betrekking op de openbare universiteiten.

Het college van bestuur behoeft de voorafgaande instemming van de universiteitsraad voor elk door het college van bestuur te nemen besluit met betrekking tot ten minste de vaststelling of wijziging van:

Indien een te nemen besluit op grond van het bepaalde in het reglement van de universiteitsraad, krachtens artikel 9.34, derde lid onderdeel b, vooraf voor advies dient te worden voorgelegd aan de raad, draagt het college van bestuur er zorg voor dat:

De decaan behoeft de voorafgaande instemming van de faculteitsraad voor elk door hem te nemen besluit met betrekking tot ten minste de vaststelling of wijziging van:

In het faculteitsreglement worden ten minste geregeld de onderwerpen, genoemd in artikel 9.34, derde lid onderdelen c, d en e.

Op een verzoek als bedoeld in artikel 9.40, eerste lid onderdeel d, doet de commissie voor geschillen de bindende uitspraak welke interpretatie aan het bepaalde bij of krachtens deze titel dan wel het bepaalde in het reglement, bedoeld in artikel 9.34, dient te worden gegeven.

Indien in het reglement, bedoeld in artikel 9.34, ingevolge de toepassing van het derde lid onderdeel l van dat artikel, geschillen worden aangegeven en indien het reglement van de commissie voor geschillen daarvoor de mogelijkheid biedt, kunnen deze geschillen aan de commissie worden voorgelegd overeenkomstig het daaromtrent bepaalde in het reglement, bedoeld in artikel 9.34.

De paragrafen 1 tot en met 4 van deze titel zijn van overeenkomstige toepassing op de onderzoekinstituten en onderzoekscholen waarvan ingevolge artikel 9.23 het bestuur is belast met de beheerstaken.

Het college van bestuur van een openbare universiteit kan, na raadpleging van het college voor promoties, bedoeld in artikel 9.10, een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid bevoegd verklaren bij die universiteit een bijzondere leerstoel te vestigen. Het besluit vermeldt de faculteit waarbij en het wetenschapsgebied waarin door de bijzondere hoogleraar onderwijs zal worden gegeven.

Het onderwijs, gegeven door een bijzonder hoogleraar, is te allen tijde voor hen, die gerechtigd zijn het onderwijs aan de universiteiten bij te wonen, toegankelijk.

De in artikel 9.53 bedoelde bevoegdverklaring wordt door het college van bestuur, na raadpleging van het college voor promoties, bedoeld in artikel 9.10, ingetrokken:

Op een bijzondere leerstoel bij de faculteit die het onderwijs in opleidingen in de godgeleerdheid verzorgt zijn de artikelen 9.54, tweede lid, en 9.55 niet van toepassing.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Dit hoofdstuk heeft betrekking op de in de bijlage van deze wet genoemde hogescholen.

Het instellingsbestuur kan bij bestuursreglement een of meer faculteiten of andere organisatorische eenheden instellen.

Vervallen

Het instellingsbestuur van een hogeschool zonder rechtspersoonlijkheid treft voorzieningen betreffende de beslechting van geschillen over beslissingen van organen van de hogeschool die niet reeds krachtens deze wet vatbaar zijn voor beroep.

Het instellingsbestuur van een openbare hogeschool zonder rechtspersoonlijkheid verstrekt Onze minister de gevraagde inlichtingen omtrent de hogeschool.

In afwijking van het bepaalde krachtens artikel 4.5, vierde lid, zijn gedeputeerde staten van de desbetreffende provincie bevoegd de disciplinaire maatregel of de schorsing op te leggen dan wel het ontslag te verlenen, indien het betreft een personeelslid van een gemeentelijke hogeschool dat tevens lid is van de raad van de gemeente die de hogeschool in stand houdt.

Indien de statuten van een bijzondere hogeschool de onderwerpen, bedoeld in artikel 10.3b, eerste lid, tweede volzin, onder a en b, regelen, kan het instellingsbestuur beslissen deze regeling niet op te nemen in het bestuursreglement.

De artikelen 10.3a, 10.3b, 10.3c en 10.5 zijn van overeenkomstige toepassing op de hogeschool met rechtspersoonlijkheid.

Vervallen

In geval van verwaarlozing of in strijd met de wet functioneren van het bestuur van de hogeschool kan bij algemene maatregel van bestuur, zo nodig met afwijking van de artikelen 10.9 en 10.11, in dat bestuur worden voorzien.

De medezeggenschapsraad kiest uit zijn midden een voorzitter en een of meer plaatsvervangende voorzitters. De voorzitter, of bij diens verhindering een plaatsvervangende voorzitter, vertegenwoordigt de raad in rechte.

Het instellingsbestuur behoeft de voorafgaande instemming van de medezeggenschapsraad voor elke door het instellingsbestuur te nemen beslissing met betrekking tot ten minste de vaststelling of wijziging van:

In het medezeggenschapsreglement worden ten minste geregeld:

Indien een te nemen beslissing op grond van het bepaalde in het medezeggenschapsreglement krachtens artikel 10.22, onder b, vooraf voor advies dient te worden voorgelegd aan de medezeggenschapsraad, draagt het instellingsbestuur er zorg voor dat:

Op een verzoek als bedoeld in artikel 10.27, eerste lid, onder d, doet de commissie de bindende uitspraak welke interpretatie aan het bepaalde bij of krachtens deze titel dan wel het bepaalde in het medezeggenschapsreglement dient te worden gegeven.

Indien in het medezeggenschapsreglement ingevolge de toepassing van artikel 10.22, onder l, geschillen worden aangegeven en indien het reglement van de commissie voor geschillen daarvoor de mogelijkheid biedt, kunnen deze geschillen aan de commissie worden voorgelegd overeenkomstig het daaromtrent bepaalde in het medezeggenschapsreglement.

Indien een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid meerdere hogescholen in stand houdt, geeft het instellingsbestuur gelegenheid tot het instellen van een gemeenschappelijke commissie als bedoeld in artikel 10.34. Een dergelijke commissie is bevoegd desgevraagd of uit eigen beweging advies uit te brengen aan de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad dan wel de afzonderlijke medezeggenschapsraden van de desbetreffende hogescholen over aangelegenheden die van gemeenschappelijk belang zijn en de desbetreffende commissie in het bijzonder aangaan.

Indien bijzondere omstandigheden een goede toepassing van een of meer onderdelen van deze titel in een hogeschool of in een aantal hogescholen die door dezelfde rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid in stand worden gehouden, in de weg staan, kan Onze minister op verzoek van het instellingsbestuur toestaan, dat wat betreft een of meer onderdelen op de door hem aangewezen wijze wordt afgeweken van deze titel.

In het bestuurs- en beheersreglement wordt geregeld welke opleidingen door de Open Universiteit worden verzorgd.

De besluiten van de examencommissie kunnen door het college van bestuur worden vernietigd. In geval van schorsing kan, in afwijking van artikel 10:44, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, deze schorsing niet langer dan vier maanden duren.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Dit hoofdstuk is, met uitzondering van artikel 12.18, van toepassing op de academische ziekenhuizen bij openbare universiteiten en wat betreft de artikelen 12.2 en 12.18 op de academische ziekenhuizen bij bijzondere universiteiten.

De leden van de raad van bestuur genieten een bezoldiging dan wel een toelage. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regelen vastgesteld omtrent de rechtspositie van de leden van de raad van bestuur.

Het bestuursreglement bevat een nadere regeling van het bestuur en de inrichting van het academisch ziekenhuis.

De raad van bestuur is verantwoording verschuldigd aan de raad van toezicht. De raad van bestuur verstrekt de raad van toezicht de gevraagde inlichtingen betreffende het academisch ziekenhuis.

De raad van toezicht nodigt de raad van bestuur uit om de vergadering van de raad van toezicht geheel of gedeeltelijk bij te wonen, tenzij de raad van toezicht in een bepaald geval bij met redenen omkleed besluit anders beslist.

De raad van toezicht is verantwoording verschuldigd aan Onze minister. Hij verstrekt Onze minister de gevraagde inlichtingen betreffende zijn handelingen.

Vervallen

Met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet ziekenhuisvoorzieningen (Stb. 1971, 268) beslist de raad van bestuur, na overleg met het college van bestuur van de universiteit waaraan het ziekenhuis is verbonden, welke afdelingen en andere onderdelen het academisch ziekenhuis omvat.

Een universiteit en het daaraan verbonden academisch ziekenhuis voeren overleg over de onderlinge afstemming van hun werkzaamheden op het gebied van het wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek. Het gemeenschappelijk beleidsorgaan stelt het document vast, waarin de resultaten van dit overleg zijn vastgelegd. Voorzover de universiteit en het academisch ziekenhuis niet binnen redelijke tijd tot overeenstemming hebben kunnen komen, stelt het gemeenschappelijk beleidsorgaan zelf de onderlinge afstemming van werkzaamheden, bedoeld in de eerste volzin, vast.

Het college van bestuur en de raad van bestuur kunnen bij overeenkomst een gemeenschappelijk uitvoeringsorgaan instellen voor de uitvoering van het document, bedoeld in artikel 12.21. Daartoe voorziet de overeenkomst in de overdracht van bevoegdheden van het college van bestuur en van de raad van bestuur aan het gemeenschappelijk uitvoeringsorgaan. De besluiten van het gemeenschappelijk uitvoeringsorgaan, genomen krachtens enige door het college van bestuur overgedragen bevoegdheid kunnen bij koninklijk besluit worden vernietigd.

Het bestuur van de faculteit der geneeskunde en de raad van bestuur stellen bij gezamenlijk besluit vast op welke wijze zij periodiek overleg voeren over aangelegenheden betreffende het wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek. Het in de eerste volzin bedoelde besluit regelt de samenstelling en de inrichting van het overleg.

Het algemeen bestuur is verantwoording verschuldigd aan Onze minister. Het verstrekt hem de gevraagde inlichtingen.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Degene die niet is ingeschreven en gebruikmaakt van onderwijs- of examenvoorzieningen ten behoeve van initieel onderwijs van een in de bijlage van deze wet genoemde instelling, is deswege aan die instelling een schadevergoeding verschuldigd, die door het instellingsbestuur wordt vastgesteld:

Degene die niet is ingeschreven en gebruikt maakt van onderwijs- of examenvoorzieningen ten behoeve van initieel onderwijs van een in de bijlage van deze wet genoemde instelling, wordt gestraft met geldboete van de tweede categorie.

Degene die aan een in de bijlage van deze wet genoemde instelling medewerkt aan het afgeven van een getuigschrift zonder dat ten aanzien van degene die het desbetreffende examen met goed gevolg heeft afgelegd, door het instellingsbestuur is verklaard dat het getuigschrift kan worden afgegeven, wordt gestraft met geldboete van de derde categorie.

De in de artikelen 15.3, 15.4, 15.5 en 15.6 strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.

In afwijking van artikel 7.24, tweede lid, gelden de op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van kracht zijnde, afwijkende vooropleidingseisen ten aanzien van de tot opleidingen omgezette studierichtingen, bedoeld in bijlage 1, onderdeel F, nummers 17 en 18, en onderdeel H.3, nummer 15, van de Tijdelijke regeling h.b.o.-opleidingen.

Personeelsleden die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet niet in dienst zijn van een instelling voor hoger onderwijs en die voor deze datum ten laste van het Rijk waren verbonden aan een in de bijlage van deze wet genoemde instelling, en die op dat tijdstip aan bij of krachtens de in artikel 16.1, eerste lid, genoemde, op die instellingen betrekking hebbende wetten aanspraken, rechten en verplichtingen ontlenen of kunnen ontlenen, worden geacht deze vanaf dat tijdstip te ontlenen of te kunnen ontlenen aan de voorschriften, bedoeld in artikel 4.5.

Vervallen

Personeel van niet bekostigde ingevolge deze wet aangewezen bijzondere instellingen voor hoger beroepsonderwijs dat op grond van artikel B2, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals deze bepaling luidde bij inwerkingtreding van deze wet, de ambtenarenstatus verworven heeft, is onder dezelfde voorwaarden met ingang van 1 januari 1996 overheidswerknemer in de zin van artikel 2 van de Wet privatisering ABP en behoudt voor zolang dat dienstverband voortduurt die status.

Tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum blijven voor het personeel, bedoeld in artikel 2.18, derde lid, in de nieuwe functie de regelingen met betrekking tot de rechtspositie zoals die op 31 juli 1999 voor dat personeel golden van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de bepalingen die zien op de inhoud van de functie die zij op die datum bekleedden, met dien verstande dat die overeenkomstige toepassing in elk geval eindigt op de datum waarop door de educatieve voorziening en de daarvoor in aanmerking komende personeelsorganisaties anders is overeengekomen. In de nieuwe functie geldt een carrièrepatroon en een maximumsalaris dat ten minste gelijk is aan het carrièrepatroon en het maximumsalaris dat behoorde bij de functie die het personeelslid op 31 juli 1999 bekleedde aan de in artikel 2.18, derde lid, bedoelde school.

Universiteiten die in het studiejaar voorafgaand aan inwerkingtreding van deze wet onderwijs buiten de gemeente van vestiging hebben gegeven kunnen tot uiterlijk een jaar na inwerkingtreding van deze wet dat onderwijs blijven geven in de gemeente waar in dat studiejaar dat onderwijs werd gegeven. Indien het instellingsbestuur voor afloop van deze termijn een verzoek om toestemming als bedoeld in artikel 7.17, tweede lid, bij Onze minister heeft ingediend en Onze minister daarop nog niet heeft beslist, kan het onderwijs buiten de gemeente van vestiging worden gegeven tot het tijdstip dat Onze minister de beslissing op het verzoek aan het instellingsbestuur heeft bekendgemaakt.

Erkenningen verleend op grond van de Wet op de erkende onderwijsinstellingen voor hoger beroepsonderwijs in de zin van de Wet op het hoger beroepsonderwijs dan wel voor wetenschappelijk onderwijs in de zin van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs vervallen een jaar na inwerkingtreding van deze wet. Indien voor afloop van deze termijn een verzoek om aanwijzing als bedoeld in artikel 6.9 is gedaan, blijft de erkenning van kracht totdat definitief op het verzoek is beslist. Zolang de erkenning van kracht is, blijft het bepaalde bij of krachtens de Wet op de erkende onderwijsinstellingen van toepassing.

Een aanwijzing krachtens artikel 218 van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs dan wel artikel 171 van de Wet op het hoger beroepsonderwijs geldt als een aanwijzing ingevolge artikel 6.9.

In afwijking van artikel 7.20, eerste lid, onder c, is degene die in het studiejaar 1992-1993 was ingeschreven voor de in het Academisch Statuut bedoelde internationaal-juridische, juridisch bestuurswetenschappelijke of juridisch politiek-wetenschappelijke studierichting, en die in het studiejaar 1993-1994 of 1994-1995 die opleiding afrondt door met goed gevolg het afsluitend examen af te leggen, gerechtigd tot het voeren van de titel doctorandus, afgekort drs., mits de examencommissie op zijn verzoek op het desbetreffende getuigschrift daarvan een aantekening plaatst.

Het instellingsbestuur stelt uiterlijk drie maanden voorafgaand aan het studiejaar ten aanzien waarvan deze wet voor de eerste maal toepassing vindt, de in artikel 7.13 bedoelde onderwijs- en examenregeling vast en geeft tijdig voorafgaand aan dat studiejaar eveneens toepassing aan artikel 7.15.

Van degene die in enig studiejaar als student of extraneus wordt ingeschreven voor een opleiding waarvoor hij voor de inwerkingtreding van deze wet ook als student of extraneus was ingeschreven, worden de voor dat tijdstip met goed gevolg afgelegde examenonderdelen alsmede de examenonderdelen waarvoor geheel of gedeeltelijk vrijstelling is verleend, door de desbetreffende examencommissie uitgedrukt in studiepunten.

Met betrekking tot het studiejaar 1993-1994 blijft het bepaalde bij of krachtens de Machtigingswet inschrijving studenten, voorzover het betreft beperking van de inschrijving op grond van de behoefte op de arbeidsmarkt, onderscheidenlijk het bepaalde bij of krachtens de Machtigingswet beperking inschrijving h.b.o. van toepassing.

Ten aanzien van het in artikel 1.9, vierde lid, genoemde onderwijs in opleidingen in de godgeleerdheid en opleidingen gericht op een godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt aan een bijzondere instelling en het daarmee verband houdende onderzoek wordt uiterlijk een jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet uitvoering gegeven aan het bij of krachtens artikel 1.9, vierde tot en met zesde lid, bepaalde.

Aan artikel 2.4 wordt voor de eerste maal toepassing gegeven twee jaren na de gezamenlijke vaststelling van het laatste overheidsplan voor het wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in artikel 176 van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs, en het laatste HBO-plan, bedoeld in artikel 115 van de Wet op het hoger beroepsonderwijs.

Het in artikel 7.64, eerste lid, genoemde college van beroep voor het hoger onderwijs wordt in afwijking van het bepaalde bij artikel 7.65, eerste en tweede lid, voor de eerste maal gevormd door degenen die op het moment van inwerkingtreding van deze wet zitting hebben in het college van beroep voor het wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in artikel 136 van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs, tezamen met degenen die op dat tijdstip zitting hebben in het college van beroep voor het hoger beroepsonderwijs, bedoeld in artikel 177 van de Wet op het hoger beroepsonderwijs.

De artikelen 42 tot en met 56, onderscheidenlijk de artikelen 59 tot en met 73, van het Uitvoeringsbesluit W.W.O. (Stb. 1986, 472) zijn tot bij koninklijk besluit te bepalen datum van toepassing op het in artikel 7.60 genoemde college van beroep voor de examens, onderscheidenlijk het in artikel 7.64 genoemde college van beroep voor het hoger onderwijs.

In afwijking van artikel 7.32, tweede lid, is inschrijving voor de in artikel 7.4, vierde lid, eerste en derde volzin, bedoelde opleidingen tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip tevens mogelijk als extraneus.

Het Reglement CRIHO, vastgesteld bij Besluit van de Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen van 21 juli 1993 en gepubliceerd in Uitleg O en W-regelingen van 28 juli 1993, nr. 18a, blijft van kracht tot het tijdstip waarop het met inachtneming van artikel 7.52 door een of meer andere regelingen is vervangen.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

De rechtspersoonlijkheid bezittende Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, genoemd in artikel 1.16, is de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, geregeld in de Koninklijke besluiten van 26 oktober 1851, no. 3 en 5 januari 1938, Stb. 390.

Het reglement van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 5 januari 1938, Stb. 390, is van overeenkomstige toepassing totdat het door het reglement, bedoeld in artikel 13.2, is vervangen.

Indien binnen een door Onze minister te bepalen termijn het reglement voor de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, bedoeld in artikel 13.2, niet of niet volledig tot stand is gekomen, kan Onze minister het reglement of het ontbrekende gedeelte daarvan vaststellen.

De besluiten die op grond van het in artikel 16.39 genoemde reglement voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet zijn genomen door onderscheidenlijk de verenigde vergadering, het algemeen bestuur en de president van het algemeen bestuur, en die betrekking hebben op een periode na bedoeld tijdstip, worden na dat tijdstip geacht te zijn genomen door onderscheidenlijk de algemene vergadering, het algemeen bestuur en de voorzitter van het algemeen bestuur, bedoeld in artikel 13.1.

Terzake van de verkrijging door de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen van de bezittingen van de Staat, betrekking hebbend op registergoederen welke nodig zijn voor de uitoefening van zijn taak, blijft heffing van overdrachtsbelasting achterwege.

De dienstcommissies die zijn ingesteld op grond van het Algemeen Rijksambtenarenreglement ten behoeve van het personeel van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen onderscheidenlijk het personeel van de Koninklijke Bibliotheek worden met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aangemerkt als de dienstcommissies, bedoeld in artikel 13.7, onverminderd artikel 16.23, eerste lid.

Het bepaalde bij of krachtens het koninklijk besluit van 7 september 1982, Stb. 518, is van overeenkomstige toepassing op de Koninklijke Bibliotheek totdat het reglement, bedoeld in artikel 13.6, tot stand is gekomen.

Indien binnen een door Onze minister te bepalen termijn het reglement, bedoeld in artikel 13.6, niet of niet volledig tot stand is gekomen, kan Onze minister het reglement of het ontbrekende gedeelte daarvan vaststellen.

In afwijking van artikel 13.3, derde lid, wordt het algemeen bestuur van de Koninklijke Bibliotheek voor de eerste keer gevormd door degenen die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet behoren tot het algemeen bestuurscollege, benoemd op grond van het in artikel 16.1, eerste lid, onder i, genoemde besluit.

De besluiten die op grond van het koninklijk besluit van 7 september 1982, Stb. 518, voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet zijn genomen door onderscheidenlijk het algemeen bestuurscollege en de bibliothecaris van de Koninklijke Bibliotheek en die betrekking hebben op een periode na bedoeld tijdstip, worden na dat tijdstip geacht te zijn genomen door onderscheidenlijk het algemeen bestuur, bedoeld in artikel 13.3 en de bibliothecaris, bedoeld in artikel 13.5.

Het personeel dat voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet ten behoeve van de Koninklijke Bibliotheek als rijksambtenaar is aangesteld dan wel op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht bij de rijksoverheid in dienst is genomen, wordt geacht met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet in gelijk dienstverband met dezelfde rang en salarisanciënniteit te zijn aangesteld onderscheidenlijk op dezelfde voet op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht in dienst te zijn genomen bij de Koninklijke Bibliotheek.

Terzake van de verkrijging door de Koninklijke Bibliotheek van de bezittingen van de Staat, betrekking hebbend op de bibliotheek, blijft heffing van overdrachtsbelasting achterwege.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Onze minister brengt vijf jaren na de inwerkingtreding van deze wet verslag uit over de werking ervan aan de beide kamers der Staten-Generaal.

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.

Deze wet kan worden aangehaald als "Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek".

In afwijking van artikel 5a.6, eerste lid, bepaalt Onze minister in het eerste jaar na inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 302) het tijdstip waarvoor het accreditatieorgaan de ontwerpbegroting voor het daaropvolgende jaar zendt.

Onderzoek dat wordt verricht naar de kwaliteit van de werkzaamheden van een instelling op grond van artikel 1.18, tweede lid, zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 302) wordt afgerond met in achtneming van de wet zoals die luidde voor de dag van inwerkingtreding van de eerdergenoemde wet van 6 juni 2002.

Verzoeken die voor de datum van de eerste plaatsing van de toetsingskaders in de Staatscourant zijn ingediend bij de adviescommissie onderwijsaanbod op grond van artikel 6.3, eerste of tweede lid, van de wet zoals die luidde op de dag voor de datum van inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 302) worden afgehandeld volgens de bepalingen van deze wet zoals die luidden voor de dag van die plaatsing.

Onverminderd artikel 17a.7, tweede lid, kunnen met ingang van 1 september 2002 aan een bekostigde of aangewezen universiteit of aan de Open Universiteit geen nieuwe opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7.3, zoals dat artikel op 31 augustus 2002 luidde, meer worden ingesteld.

Indien het koninklijk besluit, bedoeld in artikel 17a.7 of artikel 17a.7a, tot stand is gekomen, bepaalt Onze minister voor elke opleiding als bedoeld in genoemd artikellid of voor een groep van die opleidingen, met ingang van welk tijdstip de rechten, bedoeld in de artikelen 1.9 en 1.12, vervallen. Dat tijdstip wordt zodanig bepaald dat de voor de opleiding ingeschreven studenten en extraneï de opleiding aan dezelfde instelling of aan een andere instelling binnen een redelijke tijd kunnen voltooien.

Op de in artikel 17a.7 of artikel 17a.7a bedoelde opleidingen en de daarvoor ingeschreven studenten en extraneï blijven de voorschriften van deze wet en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelingen, zoals die op 31 augustus 2002 luidden, van toepassing.

De artikelen 17a.8 en 17a.9 zijn van overeenkomstige toepassing op de opleidingen, bedoeld in artikel 17a.10a, en de daarvoor ingeschreven studenten en extraneï.

Het instellingsbestuur wijzigt voor 1 september 2004 van de onderwijs- en examenregeling het onderdeel, bedoeld in artikel 7.13, tweede lid, onder e.

Het instellingsbestuur deelt een student of extraneus desgevraagd mee het aantal studiepunten, bedoeld in de artikelen 7.4a en 7.4b, dat hij tot en met 31 augustus 2002 heeft behaald. Het instellingsbestuur waarborgt daarbij dat de rechten die een student of extraneus kan ontlenen aan de voor 1 september 2002 behaalde studiepunten, door deze omrekening niet minder kunnen worden.

Voor de toepassing van artikel 7.8b, vijfde lid, tweede volzin, wordt onder bacheloropleiding mede begrepen de daarmee overeenkomende opleiding in het wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in artikel 17a.6 of artikel 17a.7.

Degene die op of voor 31 augustus 2002 voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 7.18, tweede lid, onder a, zoals die bepaling luidde op 31 augustus 2002, wordt gelijkgesteld aan degene die voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 7.18, tweede lid, onder a.

De bezitter van een getuigschrift van een met goed gevolg afgelegd kandidaatsexamen van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs is vrijgesteld van de vooropleidingseisen, bedoeld in artikel 7.24, eerste of tweede lid, onverminderd het derde en vierde lid van dat artikel.

Voor de toepassing van de paragrafen 4 en 4a van titel 3 van hoofdstuk 7 wordt onder bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs mede begrepen een opleiding als bedoeld in artikel 17a.7.

De opleidingscommissies, bedoeld in de artikelen 9.18 en 10.3c, zoals die artikelen op 31 augustus 2002 luidden, en in artikel 11.11, zijn mede ingesteld voor de overeenkomstige opleidingen, bedoeld in de artikelen 17a.6 en 17a.7.

Ten aanzien van de beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift dat gericht is tegen een besluit dat voor 1 september 2002 is bekendgemaakt, blijft het recht zoals het gold voor die dag van toepassing.

Onze minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002, houdende wijziging van onder meer de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet studiefinanciering 2000 in verband met de invoering van de bachelor-masterstructuur in het hoger onderwijs, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van die wet.

In deze bijlage zijn in de onderdelen a tot en met h opgenomen de bekostigde instellingen voor hoger onderwijs, bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, en zijn in onderdeel i opgenomen de academische ziekenhuizen, bedoeld in artikel 1.13, eerste lid.

De namen van rechtspersonen in deze bijlage worden weergegeven zoals zij luiden op 31 juli 1993 wat betreft het hoger beroepsonderwijs en 31 augustus 1993 wat betreft de overige.1