U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-07-2005.

Regeling · BWBR0005686

Besluit beheer sociale-huursector

Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 9 oktober 1992, houdende regels betreffende instellingen, werkzaam in het belang van de volkshuisvestingBesluit beheer sociale-huursectorWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 28 april 1992, nr. MJZ28492056, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Gelet op de artikelen 70, 71, 81 en 82 van de Woningwet (Stb. 1991, 439) en artikel 9 van de Huurprijzenwet woonruimte (Stb. 1986, 331);

Gehoord de Raad voor de Volkshuisvesting (advies van 6 maart 1992, nr. 197);

De Raad van State gehoord (advies van 28 augustus 1992, nr. W08.92.0192);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 7 oktober 1992, nr. MJZ08092001, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

's-Gravenhage 9 oktober 1992 Beatrix De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, E. Heerma de zevenentwintigste oktober 1992 De Minister van Justitie, E. M. H. Hirsch Ballin

Vervallen

Voor de toepassing van dit besluit verbindt een toegelaten instelling zich met een andere rechtspersoon of vennootschap, indien:

Vervallen

Indien bij een fusie als bedoeld in artikel 309 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek hetzij een rechtspersoon die geen toegelaten instelling is het vermogen van een toegelaten instelling onder algemene titel verkrijgt, hetzij door twee toegelaten instellingen of mede door een toegelaten instelling een nieuwe rechtspersoon wordt opgericht, stemt Onze Minister slechts in met die fusie, indien die rechtspersoon toepassing heeft gegeven aan artikel 4, eerste lid, en toetsing van de in dat artikellid bedoelde aanvraag aan de artikelen 4, tweede lid, en 5 tot en met 8 heeft geleid tot een toelating van die rechtspersoon, als bedoeld in artikel 70, eerste lid, van de Woningwet.

Indien bij een fusie als bedoeld in artikel 309 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek een toegelaten instelling het vermogen van een andere rechtspersoon onder algemene titel verkrijgt, zijn de artikelen 9, eerste, tweede en derde lid, en 10 van overeenkomstige toepassing op die fusie.

Vervallen

De toegelaten instelling neemt bij haar werkzaamheden het in de betrokken gemeenten geldende volkshuisvestingsbeleid in acht.

De toegelaten instelling zet de middelen voor het verrichten van de werkzaamheden, genoemd in artikel 11, tweede lid, onderdelen a, b en c, zodanig in, dat zo veel mogelijk wordt voldaan aan de eisen die ter plaatse in het belang van de huisvesting van de bevolking redelijkerwijs kunnen worden gesteld aan de kwaliteit van woongelegenheden.

Onverminderd artikel 70c, eerste lid, van de Woningwet en artikel 13, eerste lid, streeft de toegelaten instelling er bij het verhuren van haar woningen naar, dat door huurders in een zo gering mogelijke mate een beroep wordt gedaan op bijdragen op voet van de Huursubsidiewet.

De toegelaten instelling stelt criteria op aan de hand waarvan zij, onverminderd artikel 13, beoordeelt of en in welke mate zij haar woongelegenheden vervreemdt. Zij schenkt daarbij afzonderlijk aandacht aan vervreemding aan huurders van die woongelegenheden.

De toegelaten instelling voert ten minste een maal per jaar overleg met de huurders van haar woongelegenheden of met hun vertegenwoordigers. Zij geeft bij reglement regels omtrent dat overleg.

Vervallen

De toegelaten instelling bestemt batige saldi uitsluitend voor werkzaamheden op het gebied van de volkshuisvesting.

Vervallen

De toegelaten instelling draagt zorg voor een sobere en doelmatige bedrijfsvoering.

De toegelaten instelling draagt zorg voor een administratie die een juist en volledig inzicht geeft in haar werkzaamheden en haar financiële situatie.

De toegelaten instellingen dragen er zorg voor dat de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten waar zij feitelijk werkzaam zijn en, voor zover van toepassing, bovendien die van de gemeenten waar zij hun woonplaats hebben, op 1 december van elk jaar beschikken over de in de artikelen 25a en 25b bedoelde bescheiden die op het op die datum eerstvolgende jaar van toepassing zijn.

Vervallen

De toegelaten instelling laat de ingevolge artikel 27 aangewezen accountant of organisatie onderzoeken, of:

De toegelaten instelling doet jaarlijks voor 1 juli aan Onze Minister, aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar zij haar woonplaats heeft en van elke gemeente waar zij feitelijk werkzaam is, en aan het bestuur van het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting toekomen:

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Indien een college van burgemeester en wethouders of het bestuur van het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting Onze Minister verzoekt maatregelen te nemen of te bevorderen waartoe hij ingevolge dit hoofdstuk bevoegd is, is hij gehouden naar aanleiding van dat verzoek een besluit te nemen.

Op verzoek van Onze Minister verleent de toegelaten instelling onverwijld inzage van de door hem verlangde bescheiden en verstrekt zij hem de door hem verlangde inlichtingen, voor zover dit naar zijn oordeel voor uitoefening van het toezicht nodig is.

Een verzoek aan een toegelaten instelling om een bepaalde gedragslijn te volgen waarin niet is aangegeven welke gevolgen Onze Minister verbindt aan het niet voldoen aan dat verzoek, is geen aanwijzing in de zin van artikel 41, eerste lid.

Onze Minister doet in december van elk jaar aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal toekomen:

Buiten de gevallen, bedoeld in de artikelen 70, tweede lid, derde volzin, en 70a, tweede lid, van de Woningwet kan de toelating worden ingetrokken, indien naar het oordeel van Onze Minister de toegelaten instelling zodanige schade aan het belang van de volkshuisvesting berokkent of bij handhaving van de toelating op korte termijn zal berokkenen, dat haar toelating niet langer in dat belang is te achten.

Een koninklijk besluit tot intrekking van de toelating wordt in de Staatscourant geplaatst. De werking ervan wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.

Vervallen

Voor zover gemeenten bevoegdheden die hen ingevolge dit besluit toekomen hebben overgedragen aan een samenwerkingsverband als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen, zijn de bepalingen van dit besluit die op die bevoegdheden betrekking hebben van overeenkomstige toepassing op dat samenwerkingsverband.

Onze Minister stelt zo spoedig mogelijk na 1 juli 2001 een verslag op over de wijze waarop dit besluit in de jaren 1997 tot en met 2000 is toegepast, in welk verslag hij tevens een oordeel geeft over de werking van dit besluit. Het verslag wordt in de Staatscourant geplaatst.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit beheer sociale-huursector.

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer te 's-Gravenhage.

Het overzicht, bedoeld in artikel 26, vijfde lid, omvat:

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, te Den Haag.

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, te Den Haag.

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, te Den Haag.

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, te Den Haag.

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, te Den Haag.

Het Accountantsonderzoek

Protocol voor het accountantsonderzoek met betrekking tot de jaarrekening en het jaarverslag

Specifiek van toepassing zijnde regelgeving:

Doelstelling:

1. Het accountantsonderzoek, bedoeld in artikel 28, aanhef en onderdeel a, heeft ten doel:

2. De accountant geeft de uitslag van zijn onderzoek als bedoeld onder punt 1a weer in een accountantsverklaring omtrent de getrouwheid van de jaarrekening.

3. Voor de uitkomst van het onderzoek als bedoeld onder de punten 1b en 1c mag de accountant volstaan met de vermelding van hem gebleken tekortkomingen.

Aandachtspunt:

Voor een goedkeurende accountantsverklaring dient de accountant de tekst te hanteren als opgenomen in het in deze bijlage onder rubriek E opgenomen model I. In geval van een andere dan een goedkeurende accountantsverklaring dient de accountant de aard en het gewicht van de tekortkoming(en) expliciet in de accountantsverklaring tot uitdrukking te brengen.

Protocol voor het accountantsonderzoek met betrekking tot het volkshuisvestingsverslag

Specifiek van toepassing zijnde regelgeving

Doelstelling:

Het accountantsonderzoek, bedoeld in artikel 28, aanhef en onderdeel b, dat leidt tot een rapport van bevindingen, heeft ten doel:

Aandachtspunten:

1. De accountant gaat na of over alle in artikel 26, tweede lid, genoemde onderwerpen een uiteenzetting is gegeven, dan wel is vermeld waarom geen uiteenzetting is gegeven.

2. De accountant gaat na of de in artikel 26, tweede lid, genoemde uiteenzettingen verenigbaar zijn met de jaarrekening. De werkzaamheden worden verricht op overeenkomstige wijze als ten aanzien van de beoordeling van het jaarverslag in artikel 393, derde lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is voorgeschreven.

3. De accountant gaat na of de over het verslagjaar verstrekte informatie in de uiteenzettingen, bedoeld in artikel 26, tweede lid, over de onderstaande onderwerpen uit het Besluit beheer sociale-huursector juist is. De accountant stelt daartoe vast of:

4. De accountant gaat na of alle hem uit zijn onderzoek bekend zijnde belangrijke activiteiten van de toegelaten instelling (of van rechtspersonen of vennootschappen waarmee zij zich heeft verbonden) in het volkshuisvestingsverslag zijn vermeld.

Protocol voor het accountantsonderzoek met betrekking tot het overzicht van cijfermatige kerngegevens en prognoses (Bijlage II bij het Besluit sociale-huursector)

Specifiek van toepassing zijnde regelgeving:

Doelstelling:

Het accountantsonderzoek, bedoeld in artikel 28, aanhef en onderdeel c, dat leidt tot een rapport van bevindingen, heeft ten doel:

Aandachtspunten:

1. De accountant stelt vast dat de in het overzicht, bedoeld in artikel 26, derde lid, opgenomen gegevens over het verslagjaar op juiste wijze zijn ontleend aan de jaarrekening, bedoeld in artikel 26, eerste lid, waarbij door de accountant een accountantsverklaring is afgegeven, alsmede het volkshuisvestingsverslag, bedoeld in artikel 26, tweede lid, waarbij door de accountant een rapport van bevindingen is opgesteld.

2. De accountant gaat na of de door de toegelaten instelling opgegeven bezitsgegevens ten behoeve van de heffing van het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting juist en in overeenstemming zijn met het Besluit Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting.

3. De accountant beoordeelt de wijze van totstandkoming en de presentatie van de in het overzicht opgenomen prognosecijfers waarbij hij nagaat of:

Protocol voor het accountantsonderzoek met betrekking tot de bedrijfswaardegegevens en overige gegevens als bedoeld in bijlage IV bij het Besluit beheer sociale-huursector

Specifiek van toepassing zijnde regelgeving:

Doelstelling:

Het accountantsonderzoek, bedoeld in artikel 39a, tweede lid, dat leidt tot een rapport van bevindingen, heeft ten doel:

Aandachtspunten:

1. De accountant gaat na of de in het verslagjaar in rubriek 1 van bijlage IV verstrekte informatie omtrent de bedrijfswaarde en de hierbij in rubriek 2 van bijlage IV vermelde veronderstellingen en parameters gebaseerd zijn op:

2. De accountant stelt vast of de toegelaten instelling beschikt over voldoende informatie omtrent de marktpositie van het bezit en blijk heeft gegeven deze informatie op adequate wijze toe te passen bij de formulering van het volkshuisvestelijke en financiële beleid;

3. De accountant stelt vast of de berekening op een juiste wijze op basis van de voor de toegelaten instelling geldende veronderstellingen en parameters in rubriek 2 van bijlage IV is opgesteld.

4. Indien in de berekening van de bedrijfswaarde in rubriek 1 van bijlage IV rekening is gehouden met toekomstige desinvesteringen (verkoop, sloop en herverkaveling/ruil) stelt de accountant vast of de financiële effecten hiervan, waaronder die van een mogelijke restwaarde, ten opzichte van een berekening van de bedrijfswaarde bij voortdurende exploitatie in voldoende mate uit de toelichting zijn af te leiden.

5. Indien in de berekening van de bedrijfswaarde toekomstige (onrendabele) investeringen (nieuwbouw, woningverbetering en groot onderhoud) zijn verwerkt, stelt de accountant vast of de wijze waarop deze investeringen in rubriek 1 van bijlage IV zijn verwerkt, in voldoende mate uit de toelichting is af te leiden.

6. De accountant gaat na of de in rubriek 3 van bijlage IV vermelde overige gegevens op een juiste wijze zijn weergegeven en toegelicht, zodat uit de gegevens is af te leiden voor welk deel van de huidige leningenportefeuille in de vijf jaren volgend op het verslagjaar renterisico wordt gelopen vanwege vervolgfinanciering en/of renteherziening, rekening houdend met de reeds uitgevoerde transacties en wat in die zelfde prognoseperiode het verloop van de rentabiliteitswaardecorrectie is van de bestaande leningen ten opzichte van de gehanteerde disconteringsvoet.

Model I

Model accountantsverklaring als bedoeld in artikel 29, eerste lid onderdeel a, van het Besluit beheer sociale-huursector met betrekking tot de jaarrekening en het jaarverslag

Aan: ............(opdrachtgever)

(Opdracht)

Wij hebben de in artikel 26, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit beheer sociale-huursector bedoelde jaarrekening 20xx van …. (naam toegelaten instelling) te …. (statutaire vestigingsplaats) gecontroleerd. De jaarrekening is opgesteld onder verantwoordelijkheid van de leiding van de toegelaten instelling. Het is onze verantwoordelijkheid een accountantsverklaring inzake de jaarrekening te verstrekken.

(Werkzaamheden)

Onze controle is verricht overeenkomstig in Nederland algemeen aanvaarde richtlijnen met betrekking tot controleopdrachten. Volgens deze richtlijnen dient deze controle zodanig te worden gepland en uitgevoerd, dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen dat de jaarrekening geen onjuistheden van materieel belang bevat. Een controle omvat onder meer een onderzoek door middel van deelwaarnemingen van informatie ter onderbouwing van de bedragen en de toelichtingen in de jaarrekening. Tevens omvat een controle een beoordeling van de grondslagen voor financiële verslaggeving die bij het opmaken van de jaarrekening zijn toegepast en van belangrijke schattingen die de leiding van de organisatie daarbij heeft gemaakt, alsmede een evaluatie van het algehele beeld van de jaarrekening. Wij zijn van mening dat onze controle een deugdelijke grondslag vormt voor ons oordeel.

(Oordeel)

Wij zijn van oordeel dat de jaarrekening een getrouw beeld geeft van de grootte en de samenstelling van het vermogen op 31 december 20xx en van het resultaat over 20xx in overeenstemming met in Nederland algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving en voldoet aan de bepalingen inzake de jaarrekening als opgenomen in artikel 26, eerste lid, van het Besluit beheer sociale-huursector.

Plaats, datum (naam accountant en ondertekening)

Model II

Model van de mededeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit beheer sociale-huursector

Aan …………….. (opdrachtgever)

RAPPORT VAN BEVINDINGEN INZAKE HET VOLKSHUISVESTINGSVERSLAG, BEDOELD IN ARTIKEL 26, TWEEDE LID, VAN HET BESLUIT BEHEER SOCIALE-HUURSECTOR

Ingevolge uw opdracht hebben wij een aantal specifieke werkzaamheden verricht met betrekking tot het volkshuisvestingsverslag, bedoeld in artikel 26, tweede lid, van het Besluit beheer sociale-huursector over het boekjaar 20xx van …. (naam toegelaten instelling) te …. (statutaire vestigingsplaats), zulks uitsluitend ten behoeve van de door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aangewezen bevoegde instanties. Deze rapportage bevat de uitkomsten van onze werkzaamheden.

(Aard en reikwijdte van de verrichte werkzaamheden)

Onze werkzaamheden zijn verricht overeenkomstig in Nederland algemeen aanvaarde richtlijnen inzake opdrachten tot het verrichten van overeengekomen specifieke werkzaamheden. De opdracht houdt in dat op de in het volkshuisvestingsverslag opgenomen gegevens en toelichtingen daarop geen accountantscontrole is toegepast en dat tevens geen beoordelingsopdracht is uitgevoerd. Een en ander impliceert dat aan onze rapportage geen zekerheid kan worden ontleend omtrent de getrouwheid van de in het volkshuisvestingsverslag opgenomen gegevens en toelichtingen daarop, anders dan ter zake van de aspecten zoals door ons onderzocht en waarover dienovereenkomstig door ons in deze rapportage wordt gerapporteerd.

Wij hebben de werkzaamheden verricht volgens het protocol in rubriek B in Bijlage III bij het Besluit beheer sociale-huursector.

(Uitkomsten verrichte werkzaamheden)

Onze bevindingen ter zake zijn als volgt:

1. Wij hebben vastgesteld dat het volkshuisvestingsverslag een uiteenzetting geeft over alle onderwerpen, genoemd in artikel 26, tweede lid, van het Besluit beheer sociale-huursector, dan wel vermeldt waarom geen uiteenzetting is gegeven.

2. Daarnaast hebben wij vastgesteld dat alle in het volkshuisvestingsverslag opgenomen informatie verenigbaar is met de jaarrekening.

3. Voorts hebben wij vastgesteld dat:

4. Uit ons onderzoek is niet gebleken dat belangrijke activiteiten van de toegelaten instelling of van rechtspersonen of vennootschappen waarmee zij zich heeft verbonden niet in het volkshuisvestingsverslag zijn opgenomen.

Plaats, datum (naam accountant en ondertekening)

Model III

Model van de mededeling, bedoeld in artikel 29, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit beheer sociale-huursector, met betrekking tot het overzicht van cijfermatige kerngegevens en prognoses (bijlage II bij het Besluit beheer sociale-huursector)

Aan …………….. (opdrachtgever)

RAPPORT VAN BEVINDINGEN INZAKE HET OVERZICHT VAN CIJFERMATIGE KERNGEGEVENS EN PROGNOSES, BEDOELD IN BIJLAGE II BIJ HET BESLUIT BEHEER SOCIALE-HUURSECTOR

Ingevolge uw opdracht hebben wij een aantal specifieke werkzaamheden verricht met betrekking tot het overzicht van cijfermatige kerngegevens en prognoses, bedoeld in bijlage II bij het Besluit beheer sociale-huursector over het boekjaar 20xx, van …. (naam toegelaten instelling) te …. (statutaire vestigingsplaats), zulks uitsluitend ten behoeve van de door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aangewezen bevoegde instanties. Deze rapportage bevat de uitkomsten van onze werkzaamheden.

(Aard en reikwijdte van de verrichte werkzaamheden)

Onze werkzaamheden zijn verricht overeenkomstig in Nederland algemeen aanvaarde richtlijnen inzake opdrachten tot het verrichten van overeengekomen specifieke werkzaamheden. De opdracht houdt in dat op de in bijlage II bij het Besluit beheer sociale-huursector opgenomen gegevens en toelichtingen daarop geen accountantscontrole is toegepast en dat tevens geen beoordelingsopdracht is uitgevoerd. Een en ander impliceert dat aan onze rapportage geen zekerheid kan worden ontleend omtrent de getrouwheid van de in bijlage II bij dat besluit opgenomen gegevens en toelichtingen daarop, anders dan ter zake van de aspecten zoals door ons onderzocht en waarover dienovereenkomstig door ons in deze rapportage wordt gerapporteerd.

(Verrichte werkzaamheden)

De werkzaamheden zijn verricht volgens het protocol onder rubriek C in bijlage III bij het Besluit beheer sociale-huursector en bestonden in hoofdzaak uit het inwinnen van inlichtingen bij functionarissen van uw toegelaten instelling onder meer omtrent het te voeren volkshuisvestelijke en financiële beleid, alsmede de daaraan mede ten grondslag liggende marktpositie van het bezit. Daarnaast bestonden de onderzoekswerkzaamheden uit het uitvoeren van cijferanalyses met betrekking tot de financiële gegevens en het vaststellen dat de veronderstellingen op de juiste wijze zijn verwerkt.

(Uitkomsten verrichte werkzaamheden)

Wij hebben vastgesteld dat:

Plaats, datum (naam accountant en ondertekening)

Model IV

Model van de mededeling als bedoeld in artikel 39a, tweede lid, van het Besluit beheer sociale-huursector met betrekking tot de gegevens als bedoeld in bijlage IV bij dat besluit.

Aan …………….. (opdrachtgever)

RAPPORT VAN BEVINDINGEN INZAKE HET OVERZICHT VAN GEGEVENS, BEDOELD IN BIJLAGE IV BIJ HET BESLUIT BEHEER SOCIALE-HUURSECTOR

Ingevolge uw opdracht hebben wij een aantal specifieke werkzaamheden verricht met betrekking tot het overzicht van gegevens, bedoeld in bijlage IV bij het Besluit beheer sociale-huursector over het boekjaar 20xx, van …. (naam toegelaten instelling) te …. (statutaire vestigingsplaats), zulks uitsluitend ten behoeve van de door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aangewezen bevoegde instanties. Deze rapportage bevat de uitkomsten van onze werkzaamheden.

(Aard en reikwijdte van de verrichte werkzaamheden)

Onze werkzaamheden zijn verricht in overeenstemming met in Nederland algemeen aanvaarde richtlijnen inzake opdrachten tot het verrichten van overeengekomen specifieke werkzaamheden. De opdracht houdt in dat op de in bijlage IV bij het Besluit beheer sociale-huursector opgenomen gegevens en toelichtingen daarop geen accountantscontrole is toegepast en dat tevens geen beoordelingsopdracht is uitgevoerd. Een en ander impliceert dat aan onze rapportage geen zekerheid kan worden ontleend omtrent de getrouwheid van de in bijlage IV bij het Besluit beheer sociale-huursector opgenomen gegevens en toelichtingen daarop, anders dan ter zake van de aspecten zoals door ons onderzocht en waarover dienovereenkomstig door ons in deze rapportage wordt gerapporteerd.

(Verrichte werkzaamheden)

De werkzaamheden zijn verricht volgens het protocol in rubriek D in bijlage III bij het Besluit beheer sociale-huursector en bestonden in hoofdzaak uit:

(Uitkomsten verrichte werkzaamheden)

Wij hebben vastgesteld dat:

Plaats, datum (naam accountant en ondertekening)

Toelichting op het protocol

a. Beoordeling marktpositie woningbezit

In de rapporten van feitelijke bevindingen bij BBSH-bijlage II en IV komt naar voren dat de accountant de gekozen parameters en uitgangspunten mede toetst in relatie tot de marktpositie van het corporatiebezit.

Bij toetsing van de uitgangspunten aan de marktpositie wordt er niet van uit gegaan, dat de accountant zich zelfstandig een eigen mening moet vormen over de marktpositie van het bezit. Bij zijn oordeel zal de accountant zich vooral afvragen of – het bestuur van – de corporatie zich ten aanzien van het te voeren volkshuisvestings- en financieel beleid voldoende heeft gebaseerd (kunnen baseren) op adequaat te achten informatie omtrent de marktpositie van het bezit. Dit kan bijvoorbeeld door derden verricht marktonderzoek zijn. Daarnaast kan er gebruik gemaakt worden van informatie met betrekking tot de ontwikkeling van woningtoewijzings- en verhuuractiviteiten. Als voorbeelden van dit laatste kunnen worden genoemd: de mutatiesnelheid van het bezit, analyses naar de verhuisbewegingen, ontwikkeling van huurderving en huurachterstanden, het aantal woningzoekenden, het aantal reacties op vrijkomende woningen, alsmede de prijs/kwaliteitsverhouding van het bezit (bijvoorbeeld de gemiddelde puntprijs volgens het woningwaarderingssysteem). Tot slot zal de accountant zich een oordeel kunnen vormen over de administratieve organisatie, interne controle en kwaliteitsbewaking rond de voor dit onderwerp relevante bedrijfsprocessen.

Op basis van een dergelijk onderzoek van deelwaarnemingen met een marginale toetsing van de uitkomsten moet het mogelijk zijn antwoord te geven op de vraag of de corporatie over voldoende informatie beschikt omtrent de marktpositie van het bezit en blijk heeft gegeven deze informatie op adequate wijze toe te passen bij de formulering van het volkshuisvestelijke en financiële beleid.

b. Beoordelingscriteria toelichting bedrijfswaardegegevens

Een van de onderzoeksaspecten betreft een oordeel over de kwaliteit van de bedrijfswaardegegevens en de hierbij behorende toelichting. Doelstelling hierbij is het vaststellen of uit de toelichting de financiële gevolgen van eventueel in de bedrijfswaarde opgenomen (onrendabele) investeringen en desinvesteringen in voldoende mate is af te leiden (zie het accountantsprotocol, rubriek D, aandachtspunten 4 en 5).

Onder de bedrijfswaarde wordt verstaan de waarde die de woningen op de woningmarkt hebben, op basis van voortdurende exploitatie conform de doelstelling van de corporatie en het Besluit beheer sociale-huursector. Dit neemt niet weg dat door corporaties ook andere elementen als onderdeel van de bedrijfswaardeberekening kunnen worden beschouwd. Deze zullen echter op een andere wijze worden beoordeeld, onder meer op basis van de financiële vijfjaars prognose (zie het overzicht van cijfermatige kerngegevens volgens bijlage II bij het Besluit beheer sociale-huursector).

Bij de beoordeling wordt uitgegaan van een bedrijfswaardeberekening door de corporatie die is gebaseerd op de volgende uitgangspunten:

De bedrijfswaarde dient gebaseerd te zijn op (vastgesteld) beleid en niet op een financiële berekening van mogelijke scenario’s ten aanzien van bijvoorbeeld renovaties en nieuwbouw. Deze scenariogerichte berekeningen representeren niet zozeer de waarde van het bezit op het moment van verslaggeving, als wel de financiële doorrekening van mogelijk toekomstig beleid.

De corporatie wordt verzocht om – in het licht van het bovenvermelde – door middel van een vragenlijst, die eveneens is opgenomen in de diskette een nadere specificatie te verstrekken van de bedrijfswaarde die verantwoord wordt in bijlage IV bij het Besluit beheer sociale-huursector. Met het volledig invullen van de vragen inzake de bedrijfswaardegegevens licht de corporatie een en ander in principe in voldoende mate toe.

c. Volledigheid informatie inzake verbindingen

Onderdeel van het accountantsonderzoek met betrekking tot het volkshuisvestingsverslag vormt de vaststelling of de corporatie een volledig inzicht heeft gegeven in haar verbindingen, zodanig dat hiermee inzicht wordt verkregen in de aard van de activiteiten (kerntaken en/of nevenactiviteiten), de geldstromen, alsmede de mate waarin financiële risico’s van nevenactiviteiten voor de toegelaten instelling zijn afgeschermd (zie accountantsprotocol, rubriek B, aandachtspunt 3a).

In twee circulaires (MG 99-23 van 3 november 1999 en de MG 2001-26 van 5 november 2001) is aangegeven onder welke voorwaarden corporaties nevenactiviteiten mogen uitvoeren. Hierbij komt ook de thematiek van verbindingen met andere rechtspersonen en/of vennootschappen aan de orde. Naast de hiervoor bedoelde rechtmatigheid staat bij de beoordeling van de nevenactiviteiten ook de materiële betekenis en de hieruit voortvloeiende risico’s van de activiteiten centraal. De deelneming zelf is hierbij geen doel in zich.

Een van de randvoorwaarden, zoals gesteld onder de punten I.D. en I.H. van MG 2001-26 is de bepaling dat de uitoefening van het toezicht als gevolg van het onderbrengen van activiteiten in verbindingen niet belemmerd mag worden. Dit vereist een transparante en zo volledig mogelijke informatieverstrekking over verbindingen en activiteiten in het volkshuisvestingsverslag, zodanig dat hieruit het risico van de verbinding voor de corporatie blijkt. Met verwijzing naar eerdergenoemde circulaires komt dit neer op een beschrijving per verbinding waaruit – voor zover dit van toepassing is – tenminste de volgende aspecten moeten blijken:

d. Informatie inzake beleggingen en financiële instrumenten

In het kader van het vaststellen door de accountant of in het volkshuisvestingsverslag voldoende informatie wordt gegeven over het gevoerde beleid en beheer op financieel gebied, op basis waarvan dit beleid en beheer kan worden beoordeeld, zal deze informatie inzicht moeten verschaffen in onder meer de aard en samenstelling en het verloop in het boekjaar van de financiële activa waaronder de beleggingsportefeuille en de mogelijk toegepaste financiële instrumenten.

e. Verkoop woningen aan bewoners en meldingsplicht (artikelen 11c en 11d van het BBSH)

Voor verkoop van woongelegenheden geldt de algemene regel, dat de minimale verkoopprijs ligt op 90% van de marktwaarde (vrij van huur en andere op de woning drukkende lasten) indien er sprake is van verkoop aan anderen dan aan een toegelaten instelling, tenzij het ministerie expliciet toestemming heeft verleend van het genoemde percentage af te wijken. Bij verkoop aan een andere toegelaten instelling is de verkopende toegelaten instelling dus niet gebonden aan enig percentage. Voor de voorgenomen verkoop aan bewoners die een bijdrage ontvangen in het kader van de Wet bevordering eigenwoningbezit hoeft geen ontheffing van dat percentage te worden gevraagd bij het ministerie. Hiervoor gelden de volgende afwijkende minimum verkoopprijzen, te weten:

Bovendien behoeft het voornemen tot verkoop aan (toekomstige) eigenaar-bewoners en aan andere toegelaten instellingen niet aan het ministerie gemeld te worden.

De circulaires MG 2001- 26 van 5 november 2001, MG 2002-06 van 22 februari 2002 en MG 2002-27 van 23 december 2002 geven regels en richtlijnen over meldingsplicht en ontheffing van het 90% criterium.

f. Huurprijs van woongelegenheden en huurstijging (artikel 15a Besluit beheer sociale-huursector)

De gemiddelde huurprijs van woningen van toegelaten instellingen mag per 1 juli 2003 (MG 2003-02) niet hoger zijn dan de gemiddelde huurprijs van die woningen per 30 juni 2003, verhoogd met 3,4%. Dit percentage is het gemiddelde inflatiepercentage over de afgelopen vijf kalenderjaren vermeerderd met 0,4 procent. Woningen die voor het eerst of aan een opvolgende huurder worden verhuurd en woningen waarvan de huurprijs reeds is verhoogd als gevolg van woningverbetering en onzelfstandige woonruimten worden voor de berekening van de gemiddelde huurprijs buiten beschouwing gelaten.

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, te Den Haag.