Wet · BWBR0005699

Wet op het bevolkingsonderzoek

Wijzigingen Officiële bron
Wet van 29 oktober 1992, houdende regels betreffende bevolkingsonderzoek Wet op het bevolkingsonderzoek Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is met het oog op de bescherming van de bevolking de uitvoering van bevolkingsonderzoek dat een gevaar kan vormen voor de gezondheid van de te onderzoeken personen aan een vergunningstelsel te onderwerpen, en dat geen behoefte meer bestaat aan een afzonderlijke regeling betreffende het röntgenologisch borstonderzoek op tuberculose, zoals neergelegd in de Wet bevolkingsonderzoek op tuberculose (Stb. 1951, 288);

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage 29 oktober 1992 Beatrix De Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, H. J. Simons de eerste december 1992 De Minister van Justitie, E. M. H. Hirsch Ballin

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Vervallen

Alvorens op een aanvraag te beslissen, hoort Onze Minister de Gezondheidsraad.

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast de ambtenaren van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd.

De toezichthouders beschikken niet over de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.

Vervallen

Onze Minister zendt binnen vijf jaren na de inwerkingtreding van deze wet aan de beide Kamers der Staten-Generaal een verslag over de wijze waarop deze is toegepast.

De Wet bevolkingsonderzoek op tuberculose (Stb. 1951, 288) wordt ingetrokken.

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Deze wet kan worden aangehaald als Wet op het bevolkingsonderzoek.