U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 15-09-2004.

Wet · BWBR0005792

Wet toezicht kredietwezen 1992

Wijzigingen Officiële bron
Wet van 23 december 1992, houdende bepalingen inzake het toezicht op het kredietwezen en de uitvoering van de Tweede Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 december 1989 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen, alsmede tot wijziging van Richtlijn 77/780/EEG (89/646/EEG), en de uitvoering van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 6 april 1992 inzake het toezicht op kredietinstellingen op geconsolideerde basis (992/30/EEG) Wet toezicht kredietwezen 1992Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is uitvoering te geven aan de Tweede Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 december 1989 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen, alsmede tot wijziging van Richtlijn 77/780/EEG (89/646/EEG) alsmede aan de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 6 april 1992 inzake het toezicht op kredietinstellingen op geconsolideerde basis (92/30/EEG), en dat het naar aanleiding daarvan alsmede in verband met het aanbrengen van enige andere aanpassingen van de Wet toezicht kredietwezen (Stb. 1978, 255) wenselijk is de bepalingen inzake het toezicht op het kredietwezen opnieuw vast te stellen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges, en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage 23 december 1992 Beatrix De Minister van Financiën, W. Kok de dertigste december 1992 De Minister van Justitie, E. M. H. Hirsch Ballin

Op een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 6 is verleend, is het bepaalde in de artikelen 45 tot en met 51 niet van toepassing.

Het is een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, die een vergunning als bedoeld in artikel 6 heeft verkregen, in verband met het ingevolge deze wet uitgeoefende toezicht toegestaan ten minste de werkzaamheden genoemd in bijlage I van de Richtlijn te verrichten, tenzij in de vergunning uitdrukkelijk anders is bepaald en onverminderd de toepasselijkheid van andere op deze werkzaamheden betrekking hebbende wettelijke voorschriften.

Het door een kredietinstelling uitgegeven elektronisch geld vertegenwoordigt een waarde die ten hoogste gelijk is aan de waarde van de voor de uitgifte ontvangen gelden.

Indien een accountant naar het oordeel van de Bank niet of niet meer de nodige waarborgen biedt dat deze de toevertrouwde taak met betrekking tot de kredietinstelling naar behoren zal vervullen, kan de Bank bepalen dat hij niet bevoegd is de in deze wet bedoelde verklaringen omtrent de getrouwheid met betrekking tot die kredietinstelling af te leggen.

De artikelen 20 tot en met 30, met uitzondering van 25 en 25a, hebben betrekking op iedere kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° die een vergunning als bedoeld in artikel 6 heeft verkregen.

Vervallen

Met het oog op een integere bedrijfsvoering worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan de kredietinstellingen regels gesteld ter zake van:

Tot deze regels behoren niet de effectentypische gedragsregels, bedoeld in artikel 18a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995.

De artikelen 30b tot en met 30f hebben betrekking op iedere kredietinstelling, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, die een vergunning als bedoeld in artikel 6 heeft verkregen.

Met het oog op een integere bedrijfsvoering worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan de kredietinstellingen regels gesteld ter zake van:

Tot deze regels behoren niet de effectentypische gedragsregels, bedoeld in artikel 18a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995.

De artikelen 29 en 30 zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot kredietinstellingen, bedoeld in deze afdeling.

Het is een in een andere Lid-Staat gevestigde onderneming of instelling die het bedrijf van kredietinstelling, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, onder 2°, uitoefent, verboden door middel van het verrichten van diensten in Nederland gelden ter beschikking te krijgen in ruil waarvoor elektronisch geld wordt uitgegeven, tenzij;

Artikel 21 is van overeenkomstige toepassing op een bijkantoor in Nederland van een in een andere Lid-Staat gevestigde kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, dat overeenkomstig artikel 31 het bedrijf van kredietinstelling uitoefent.

Een bijkantoor in Nederland van een in een andere Lid-Staat gevestigde kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, dat overeenkomstig artikel 31 het bedrijf van kredietinstelling uitoefent, dient voor zijn bedrijf hier te lande ten minste een zodanige boekhouding te voeren, dat de Bank de haar bij deze wet opgelegde taak kan uitoefenen.

Een bijkantoor in Nederland van een in een andere Lid-Staat gevestigde kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, dat overeenkomstig artikel 31 het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° uitoefent, is verplicht jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar van de kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° waarvan het onderdeel uitmaakt, de boekhoudbescheiden, aangewezen krachtens de Handelsregisterwet 1996 bij de Bank in te dienen.

De artikelen 8, eerste lid, tweede lid, onder a, b, e, f, g, h, i en k, derde lid, 9, eerste lid, onder a, b, c, f, g en h, tweede lid, vijfde lid, 10, eerste lid, 11, 13, 14 en 15 zijn van overeenkomstige toepassing op het bijkantoor in Nederland van een in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde kredietinstelling als bedoeld in artikel 38, eerste lid.

Niettegenstaande het bepaalde in artikel 9 en onverminderd het bepaalde in artikel 15 weigert de Bank een door een onderneming of instelling gevraagde vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lid of trekt zij een verleende vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lid in, indien de onderneming of instelling in de Staat waar zij is gevestigd niet een voor de uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling benodigde vergunning bezit, dan wel uit de overgelegde informatie blijkt dat deze onderneming of instelling, gelet op haar solvabiliteit, liquiditeit of haar organisatie en structuur, redelijkerwijs niet in staat is het bedrijf van kredietinstelling uit te oefenen of te controleren.

Een bijkantoor in Nederland van een in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde kredietinstelling die een vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lid, heeft verkregen, voert voor zijn bedrijf hier te lande een afzonderlijke boekhouding, die zodanig is dat de Bank de haar bij deze wet opgelegde taak kan uitoefenen.

Een bijkantoor in Nederland van een in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde kredietinstelling die een vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lid heeft verkregen, is verplicht jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar van de kredietinstelling waarvan het onderdeel uitmaakt, de boekhoudbescheiden, aangewezen krachtens de Handelsregisterwet 1996, bij de Bank in te dienen.

De Bank verleent de verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 45, eerste lid, slechts indien:

De Bank kan een verklaring van ondertoezichtstelling intrekken, indien:

Een financiële instelling die in een andere Lid-Staat, niet-zijnde een Lid-Staat ten aanzien waarvan Onze minister een maatregel als bedoeld in artikel 33, eerste lid, heeft genomen, is gevestigd en die in die Lid-Staat een met de verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 45, eerste lid, vergelijkbare verklaring heeft verkregen, is het, onverminderd de toepasselijkheid van andere op haar werkzaamheden betrekking hebbende wettelijke voorschriften, slechts toegestaan om, voor zover het werkzaamheden genoemd in bijlage I van de Richtlijn betreft, uitsluitend de in de kennisgeving vermelde werkzaamheden door middel van het verrichten van diensten in Nederland te verrichten, indien de financiële instelling een kennisgeving heeft gezonden aan de toezichthoudende autoriteit van die andere Lid-Staat, welke bevat een opgave van de voorgenomen werkzaamheden.

De Bank kan bij iedere onderneming of instelling ten aanzien waarvan kan worden vermoed dat deze handelt in strijd met de bij of krachtens deze wet gestelde regels, alle inlichtingen inwinnen of doen inwinnen die redelijkerwijs nodig zijn om dit te beoordelen.

De Bank is bevoegd de personen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b, c, d en e, op te roepen. Deze personen zijn verplicht op die oproeping te verschijnen. De oproeping geschiedt op een door de Bank te bepalen wijze. De personen zijn verplicht alle gevraagde inlichtingen te verschaffen.

Bij of krachtens de in de artikelen 22a en 30ca bedoelde algemene maatregel van bestuur kan worden voorgeschreven dat kredietinstellingen bepaalde gegevens ter zake van de integere bedrijfsvoering aan de Bank melden. Onder integere bedrijfsvoering wordt in dit artikel verstaan de bedrijfsvoering met uitzondering van het deel dat wordt geregeld door de effectentypische gedragsregels, bedoeld in artikel 18a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995.

De artikelen 54, 55 en 57 zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een financiële instelling die een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 45, eerste lid, heeft verkregen.

De bij of krachtens deze wet te verschaffen inlichtingen en opgaven moeten tijdig, naar waarheid en op niet misleidende wijze worden verstrekt.

Nadat de rechtbank een verklaring als bedoeld in artikel 71, eerste of tweede lid, heeft gegeven dan wel verlengd, kan zij in afwijking van het bepaalde in artikel 1 van de Faillissementswet een kredietinstelling dan wel een bijkantoor slechts in staat van faillissement verklaren, indien een naar goed koopmansgebruik opgemaakte balans van de kredietinstelling dan wel het bijkantoor een tekort aanwijst, ongeacht of de kredietinstelling dan wel het bijkantoor verkeert in een toestand van te hebben opgehouden te betalen. De faillietverklaring vindt plaats, de Bank gehoord, op verzoek van de bewindvoerders, op de vordering van het Openbaar Ministerie of ambtshalve onder intrekking van bedoelde verklaring. Alsdan zomede indien de faillietverklaring wordt uitgesproken binnen een maand na het intrekken van de verklaring, gelden de volgende bepalingen:

Indien een faillietverklaring wordt uitgesproken met toepassing van artikel 77 dan wel binnen vier weken na het einde van de bijzondere voorziening, geldt dat het tijdstip waarop de termijnen vermeld in de artikelen 138, zesde lid, en 248, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek aanvangen, wordt berekend vanaf de aanvang van de bijzondere voorziening.

De rechtbank kan op verzoek van de bewindvoerders of ambtshalve de verklaring, bedoeld in artikel 71, eerste of tweede lid, intrekken. Artikel 71, zesde en achtste lid, is alsdan van overeenkomstige toepassing.

Door de bekendmaking, bedoeld in artikel 75, vierde lid, indien deze bekendmaking betrekking had op alle verbintenissen van de kredietinstelling, artikel 75, zevende lid, artikel 77, onder c, of artikel 78, vervallen van rechtswege de bevoegdheden, welke de bewindvoerders ingevolge de verklaring, bedoeld in artikel 71, eerste of tweede lid, hadden verkregen.

Tegen beschikkingen van de rechtbank ingevolge de artikelen 71, eerste of tweede lid, en 75, eerste en tweede lid, staat geen hoger beroep open. Beroep in cassatie tegen deze beschikkingen moet worden ingesteld binnen veertien dagen na de dag van uitspraak. De behandeling heeft in raadkamer plaats en geschiedt met de grootste spoed. Het arrest wordt op een openbare terechtzitting uitgesproken en de zakelijke inhoud ervan wordt door de bewindvoerders in de Staatscourant en in een of meer daarbij aan te wijzen nieuwsbladen bekendgemaakt.

Bij koninklijk besluit kunnen, nadat de Bank daarover advies heeft uitgebracht, aan kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° die ingevolge artikel 52, tweede lid, onder a of b, zijn geregistreerd voorschriften worden gegeven omtrent de rente en de overige voorwaarden die zij met betrekking tot de direct opvraagbare tegoeden van natuurlijke personen, verenigingen en stichtingen in acht moeten nemen.

Kosten, die zijn verbonden aan de uitvoering van deze wet en de krachtens deze wet genomen besluiten, kunnen overeenkomstig door Onze minister goed te keuren regelen op de betrokken ondernemingen en instellingen worden verhaald.

De Bank brengt jaarlijks aan Onze minister verslag uit over de uitvoering van deze wet en van de krachtens deze wet genomen besluiten. Dit verslag wordt door de zorg van de Bank gepubliceerd, behoudens het gedeelte van het verslag, handelende over de uitvoering van de artikelen 10, vijfde lid, 11, vijfde lid, 14, 28, 29, 30, derde lid, 30e, 35 en 42, met dien verstande dat zonder schriftelijke toestemming van de bij het te publiceren gedeelte van het verslag betrokkenen gegevens met betrekking tot afzonderlijke ondernemingen en instellingen niet gepubliceerd worden.

Vervallen

Degene jegens wie door Onze Minister, dan wel door de Bank voor zover zij bevoegd is een boete op te leggen, een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat hem wegens een overtreding een boete zal worden opgelegd, is niet verplicht ter zake daarvan enige verklaring af te leggen. Hij wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd.

De werkzaamheden in verband met het opleggen van een dwangsom of van een boete worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van de overtreding en het daaraan voorafgaande onderzoek.

Degene jegens wie door de Bank een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat de Bank zijn handelen of nalaten op grond van artikel 90n ter openbare kennis zal brengen, is niet verplicht ter zake daarvan enige verklaring af te leggen. Hij wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd.

De beschikking om op grond van artikel 90n een feit ter openbare kennis te brengen vermeldt in ieder geval:

Tenzij de bevordering van de naleving van deze wet geen uitstel toelaat, wordt de werking van de beschikking om op grond van artikel 90n een feit ter openbare kennis te brengen opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.

In afwijking van artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht treedt de beschikking in werking op de dag waarop het feit ter openbare kennis is gebracht zonder dat de werking voor de duur van de beroepstermijn of, indien beroep is ingesteld, van het beroep wordt opgeschort, indien van de betrokkene geen adres bekend is en het adres ook niet met een redelijke inspanning kan worden verkregen.

De werkzaamheden in verband met het op grond van artikel 90n ter openbare kennis brengen van een feit worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van het feit en het daaraan voorafgaande onderzoek.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 8 van de Wet toezicht kredietwezen wordt, voor zover deze ontheffing strekt, beschouwd als een ontheffing als bedoeld in artikel 12 tot een jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.

Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 43 van de Wet toezicht kredietwezen aan een onderneming of instelling die niet ingevolge artikel 52, tweede lid, is geregistreerd, wordt geacht te zijn verleend op grond van artikel 83.

Het koninklijk besluit van 10 april 1986 (Stb. 189) tot verbindend verklaring van de herziene collectieve garantieregeling op grond van artikel 44 van de Wet toezicht kredietwezen geldt als het koninklijk besluit als bedoeld in artikel 84, tweede lid. De verwijzingen in deze herziene collectieve garantieregeling naar bepalingen in de Wet toezicht kredietwezen worden gelezen als verwijzingen naar de overeenkomstige bepalingen in deze wet.

Vervallen

Wijzigt deze wet.

Indien het bij koninklijke boodschap van 27 juni 1991 ingediende wetsvoorstel houdende bepalingen voor de jaarrekening van banken, nadat het tot wet is verheven, in werking treedt, wordt, indien artikel VI, eerste lid, van die wet wordt toegepast, het totale bedrag van de onderwaardering alsmede dat van de terugnemingen gemeld aan de Bank.

Wijzigt deze wet.

De wet van 13 april 1978, Stb. 255, wordt ingetrokken.

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.

Deze wet kan worden aangehaald als: Wet toezicht kredietwezen 1992.

Voor de overtredingen genoemd in tabel 1 en tabel 2, begaan na het tijdstip van inwerkingtreding van Hoofdstuk XIII B van deze wet, zijn de boetebedragen vastgesteld als volgt:

1. Indien een boete wordt opgelegd voor het overtreden van een bepaling als genoemd in tabel 1 1, is bij de vaststelling van de hoogte van deze boete de volgende categorie-indeling naar balanstotaal van toepassing met de daarbij behorende factor:

Categorie-indeling normgeadresseerden

Categorie I: kredietinstellingen en financiële instellingen opgenomen in het register, bedoeld in artikel 52 van deze wet met een balanstotaal van minder dan € 45 378 000; Factor: 1;

Categorie II: kredietinstellingen en financiële instellingen opgenomen in het register, bedoeld in artikel 52 van deze wet met een balanstotaal van ten minste € 45 378 000 maar minder dan € 453 780 000; Factor: 2;

Categorie III: kredietinstellingen en financiële instellingen opgenomen in het register, bedoeld in artikel 52 van deze wet met een balanstotaal van ten minste € 453 780 000 maar minder dan € 4 537 800.000; Factor: 3;

Categorie IV: kredietinstellingen en financiële instellingen opgenomen in het register, bedoeld in artikel 52 van deze wet met een balanstotaal van ten minste € 4 537 800.000 maar minder dan € 45 378 020.000; Factor: 4;

Categorie V: kredietinstellingen en financiële instellingen opgenomen in het register, bedoeld in artikel 52 van deze wet met een balanstotaal van ten minste € 45 378 020.000; Factor: 5.

2. De boete wordt vastgesteld door het bedrag, bedoeld in artikel 1, te vermenigvuldigen met de factor behorende bij de categorie naar balanstotaal, bedoeld in het eerste lid.

3. Indien de gegevens omtrent het balanstotaal niet aan Onze Minister of de Bank beschikbaar zijn gesteld, kan Onze Minister of de Bank aan degene aan wie de boete wordt opgelegd verzoeken deze gegevens binnen een door hem, respectievelijk door haar, te stellen termijn te verstrekken. Indien de betrokkene niet binnen de gestelde termijn voldoet aan dit verzoek, is bij de vaststelling van de hoogte van de boete categorie V van toepassing.

Op grond van artikel 90f, tweede lid, behoeft de betrokkene niet in de gelegenheid te worden gesteld om naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de boete wordt opgelegd, indien het een overtreding betreft waarvoor tariefnummer 1 of 2 is vastgesteld.

Tabel 1

Tabel 2