Ministeriële regeling · BWBR0006172

Regeling luchtvaartuiglichten

Wijzigingen Officiële bron
Regeling luchtvaartuiglichten Regeling luchtvaartuiglichtenDe Minister van Verkeer en Waterstaat,

Handelende in overeenstemming met de Minister van Defensie;

Gelet op artikel 28 van het Luchtverkeersreglement;

Gezien de paragraaf 3.2.3. van Bijlage 2 (Rules of the Air) van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart;

Besluit:

's-Gravenhage11 oktober 1993De Minister van Verkeer en Waterstaat, J. R. H. Maij-Weggen

In deze regeling wordt verstaan onder:

a.anti-botsingslicht:

een knipperlicht, bedoeld om de aandacht naar het luchtvaartuig te trekken;

b.knipperlicht:

een lamp die met regelmatige tussenpozen licht uitstraalt;

c.navigatielichten:

drie lichten, bestaande uit:

Buiten de daglichtperiode toont een ballon, die zich in de lucht bevindt en niet is vastgemaakt aan de grond of aan een vast voorwerp op de grond of in het water, een ononderbroken wit licht, dat op ten minste vijf en ten hoogste tien meter onder de mand of, bij gebreke daarvan, onder de ballon is aangebracht.

Buiten de daglichtperiode toont de ankerkabel, waaraan de ballon is bevestigd, het in artikel 6, tweede lid, onder b, genoemde licht. De ballon hoeft dan geen lichten te tonen.

Het besluit van de Directeur-generaal van de Rijksluchtvaartdienst, de Chef van de Marinestaf en de Chef van de Luchtmachtstaf van 5 november 1985/nr. LVB/L 25692 wordt ingetrokken.

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling luchtvaartuiglichten.