Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 7 december 1993, houdende regels betreffende de produktie van en de handel in vleesproduktenBesluit produktie en handel vleesproduktenWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 24 mei 1993, DGVgz/VVP/V-93844, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;

Gelet op richtlijn nr. 92/5/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 februari 1992 tot wijziging en bijwerking van richtlijn nr. 77/99/EEG inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in vleesprodukten alsmede tot wijziging van richtlijn nr. 64/433/EEG (PbEG L 57), op richtlijn nr. 92/118/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 december 1992 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke en de gezondheidsvoorschriften voor het handelsverkeer en de invoer in de Gemeenschap van produkten waarvoor ten aanzien van deze voorschriften geen specifieke communautaire regelgeving geldt als bedoeld in bijlage A, hoofdstuk I, van richtlijn 89/662/EEG, en, wat ziekteverwekkers betreft, van richtlijn 90/425/EEG (PbEG L 62) en op richtlijn nr. 92/120/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 december 1992, houdende vaststelling van de voorschriften voor het toestaan van tijdelijke en beperkte afwijkingen op de specifieke communautaire gezondheidsvoorschriften voor de produktie en het in de handel brengen van bepaalde produkten van dierlijke oorsprong (PbEG L 62), alsmede op de artikelen 2, eerste lid, onder b, 19, 19a, 25 en 30a van de Vleeskeuringswet;

Gezien het advies van de Adviescommissie Vleeskeuringswet (advies van 12 maart 1993, nr. ACVW/U-93002);

De Raad van State gehoord (advies van 26 augustus 1993, No. W.13.93.0318);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 23 november 1993, DGVgz/VVP/V-931987, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende bijlagen en nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage7 december 1993BeatrixDe Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,H. J. Simonsde dertiende januari 1994De Minister van Justitie,E. M. H. Hirsch Ballin

Tenzij Onze Minister anders heeft bepaald, voldoen andere kant- en klaargerechten dan die bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, die zijn verkregen van grondstoffen van dierlijke oorsprong die niet onder dit besluit vallen, aan de hygiënische voorschriften van bijlage A, hoofdstuk II, voor zover zij zijn vervaardigd in een inrichting als omschreven in artikel 1, onder t, van dit besluit; hiernaast dienen deze gerechten eveneens te voldoen aan de specifieke eisen van bijlage B, hoofdstuk IX, en te worden gekeurd overeenkomstig artikel 6.

Andere produkten van dierlijke oorsprong

Gelatine

Onze Minister kan ter uitvoering van krachtens artikel 20 van de richtlijn vastgestelde maatregelen:

Als vleesprodukten bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet worden aangewezen:

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit produktie en handel vleesprodukten.

De inrichtingen moeten ten minste voorzien zijn van:

1. werkplaatsen die groot genoeg zijn om de beroepsactiviteiten in behoorlijke hygiënische omstandigheden te laten verlopen. Deze plaatsen moeten zo zijn ontworpen en ingericht dat besmetting van de grondstoffen en de in dit besluit bedoelde produkten wordt voorkomen;

2. op plaatsen waar de grondstoffen worden gehanteerd, bereid en verwerkt en de in dit besluit bedoelde produkten worden vervaardigd:

3. voor lokalen waar grondstoffen en in dit besluit bedoelde produkten worden opgeslagen, gelden dezelfde voorwaarden als in punt 2, tenzij:

Het gebruik van houten wanden in de in het tweede streepje bedoelde lokalen die vóór 1 januari 1983 zijn gebouwd, is geen reden voor intrekking van de erkenning.

De capaciteit van de opslagruimten moet toereikend zijn voor de opslag van de gebruikte grondstoffen en van de in dit besluit bedoelde produkten;

4. voorzieningen voor hygiënisch intern transport en ter bescherming van de grondstoffen en de eindprodukten zonder onmiddellijke of eindverpakking tijdens het laden en lossen;

5. passende voorzieningen ter bescherming tegen ongewenste dieren, zoals insekten, knaagdieren, vogels, enz.;

6. voorzieningen en werktuigen, zoals voor direct contact met de grondstoffen en de produkten bestemde tafels voor het uitsnijden, recipiënten, transportbanden, zagen en messen van corrosiebestendig materiaal, die gemakkelijk te reinigen en te ontsmetten zijn;

7. speciale waterdichte recipiënten van bestendig materiaal, met een deksel en een sluiting om te verhinderen dat onbevoegden er iets uit kunnen nemen, voor niet voor menselijke consumptie bestemde grondstoffen of produkten, of een afsluitbaar lokaal hiervoor, indien daarvan zulke grote hoeveelheden bestaan dat een dergelijk lokaal noodzakelijk is of indien zij niet aan het einde van iedere arbeidsfase worden opgehaald of vernietigd. Wanneer deze grondstoffen of produkten door leidingen worden afgevoerd, moeten deze zodanig zijn gebouwd en geplaatst dat geen gevaar ontstaat voor besmetting van de andere grondstoffen of produkten;

8. passende installaties voor het reinigen en het ontsmetten van het materieel en de gereedschappen. Het materieel en de gereedschappen moeten worden ontsmet met water dat een temperatuur heeft van ten minste 82°C, of met een andere door de bevoegde autoriteit goedgekeurde ontsmettingsmethode;

9. een hygiënische voorziening voor de afvoer van afvalwater;

10. apparatuur die uitsluitend drinkwater levert in de zin van richtlijn 80/778/EEG van de Raad van 15 juli 1980. Bij wijze van uitzondering is gebruik van niet-drinkbaar water evenwel toegelaten voor de produktie van stoom, voor brandbestrijding of voor het koelen, op voorwaarde dat de daartoe aangebrachte leidingen het gebruik van dit water voor andere doeleinden onmogelijk maken en geen direct of indirect gevaar voor besmetting van het produkt opleveren. De leidingen voor nietdrinkbaar water moeten goed kunnen worden onderscheiden van de drinkwaterleidingen;

11. een voldoende aantal kleedlokalen, met gladde, ondoordringbare en afwasbare wanden en vloeren, wasgelegenheden, alsmede toiletten met waterspoeling. De toiletten mogen geen rechtstreekse toegang tot de werklokalen geven. De wasgelegenheid moet voorzien zijn van middelen voor het wassen van de handen en hygiënische voorzieningen voor het drogen van de handen. De kranen van de wasgelegenheden mogen niet met de hand kunnen worden bediend;

12. indien de hoeveelheid behandelde produkten de regelmatige of permanente aanwezigheid van de inspectiedienst vergt, een adequaat ingericht afsluitbaar lokaal dat uitsluitend ter beschikking van die dienst staat, indien de permanente aanwezigheid van de bevoegde autoriteit niet vereist is, is een afsluitbaar meubel dat groot genoeg is voor het opslaan van de benodigdheden en gereedschap, voldoende;

13. een lokaal of een voorziening voor het opslaan van reinigings- en ontsmettingsmiddelen of andere dergelijke stoffen;

14. een lokaal of een kast voor het opbergen van reinigings- en onderhoudsmateriaal;

15. passende apparatuur voor het reinigen en ontsmetten van de vervoermiddelen, tenzij er met instemming van de bevoegde autoriteit gebruik gemaakt mag worden van installaties die zich niet in de richting bevinden;

16. wanneer bij de toegepaste behandeling geen water mag worden gebruikt voor de bereiding van de producten, kunnen bepaalde, en met name de in punt 2, onder a en g, van dit hoofdstuk vastgestelde voorwaarden worden aangepast. Indien van deze afwijking gebruik wordt gemaakt, kunnen met instemming van de bevoegde autoriteit, in de betrokken delen van de inrichting reinigings- en ontsmettingsprocédés worden toegepast waarbij geen water wordt gebruikt.

1. Materieel en werktuigen die bij de be- en verwerking van grondstoffen en produkten worden gebruikt, vloeren, wanden, plafonds en scheidswanden, moeten goed schoon worden gehouden en goed worden onderhouden, zodat zij geen oorzaak kunnen zijn van besmetting van deze grondstoffen of produkten. Reinigen en ontsmetten moeten plaatsvinden met een frequentie en volgens procédés die in overeenstemming zijn met de in artikel 7 van de richtlijn bedoelde beginselen.

2. Geen enkel dier mag de inrichtingen binnenkomen. In de lokalen en op het materieel moeten knaagdieren, insekten en ander ongedierte systematisch worden verdelgd. Rattenverdelgingsmiddelen, insecticiden, ontsmettingsmiddelen en andere enigszins giftige stoffen moeten worden opgeslagen in lokalen of kasten die kunnen worden afgesloten. Het gebruik ervan mag geen gevaar opleveren voor besmetting van de produkten.

3. Werkplaatsen, werktuigen en materieel mogen uitsluitend worden gebruikt voor de vervaardiging van produkten waarvoor de erkenning is verleend. Zij mogen evenwel, als Onze Minister daarvoor toestemming heeft verleend, gelijktijdig of op andere tijdstippen worden gebruikt voor de vervaardiging van andere voor menselijke consumptie geschikte levensmiddelen. Deze beperking is niet van toepassing op materieel voor het vervoer dat gebruikt wordt in lokalen waar geen grondstoffen of in dit besluit bedoelde produkten worden be- of verwerkt.

4. Voor alle gebruik moet drinkwater in de zin van richtlijn 80/778/EEG worden aangewend. Bij wijze van uitzondering kan evenwel worden toegestaan dat niet-drinkbaar water wordt gebruikt voor het koelen van machines, het produceren van stoom of voor brandbestrijding, mits de daartoe aangebrachte leidingen het gebruik van dit water voor andere doeleinden onmogelijk maken en geen gevaar voor besmetting van grondstoffen en produkten opleveren.

5. Reinigingsmiddelen, ontsmettingsmiddelen en soortgelijke stoffen moeten worden gebruikt overeenkomstig de instructies van de fabrikant en op zodanige wijze dat zij geen invloed hebben op apparatuur, materieel, grondstoffen en producten. Na gebruik van die middelen moeten apparatuur en werkinstrumenten grondig met drinkwater worden afgespoeld, tenzij zulks op grond van de gebruiksaanwijzing voor bovenbedoelde middelen en stoffen niet nodig is. Onderhouds- en reinigingsproducten moeten worden opgeslagen in het lokaal of op de plaats, bedoeld in hoofdstuk I, punt 14, van deze bijlage.

6. Het is verboden zaagsel of enig ander soortgelijk middel te strooien over de vloer van de werklokalen en de opslagruimten voor grondstoffen en in dit besluit bedoelde produkten.

1. De grootst mogelijke zindelijkheid wordt geëist van het personeel. In het bijzonder gelden de volgende regels:

2. De werkgever dient de nodige maatregelen te nemen om te voorkomen dat personen die een bron van besmetting zouden kunnen zijn, bij het hanteren van grondstoffen en produkten worden betrokken, totdat is aangetoond dat die personen dat werk kunnen verrichten zonder gevaar voor besmetting.

Bij aanwerving dienen personen die betrokken zijn bij de be- en verwerking en het hanteren van grondstoffen en produkten door middel van een medisch attest te bewijzen dat niets hun tewerkstelling in de weg staat. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de medische begeleiding van voornoemde produkten.

1. Onverminderd de algemene voorwaarden van bijlage A, hoofdstuk 1, moeten inrichtingen waar vleesprodukten worden vervaardigd, gehanteerd en van een onmiddellijke verpakking voorzien ten minste beschikken over:

2. Afhankelijk van het soort betrokken produkten moet de inrichting beschikken over:

1. De lokalen voor de opslag of be- en verwerking van andere levensmiddelen dan vlees of vleesprodukten, die kunnen worden verwerkt in vleesprodukten, moeten voldoen aan de algemene hygiënische voorschriften van dit besluit.

2. Grondstoffen en ingrediënten die worden verwerkt in vleesprodukten, alsmede deze produkten en de produkten van dierlijke oorsprong en de recipiënten waarin zij zich bevinden, mogen niet rechtstreeks met de vloer in aanraking komen en moeten worden gehanteerd op een wijze die geen gevaar voor besmetting inhoudt. Men dient erop toe te zien dat grondstoffen op geen enkele wijze in contact komen met eindprodukten.

3. Het gebruik van hout is toegestaan in de lokalen voor het roken, doorzouten, rijpen, pekelen en opslaan van vleesprodukten, alsook in het verzendingslokaal, wanneer dit om technologische redenen nodig is, voor zover er geen gevaar bestaat voor besmetting van deze produkten. Houten laadborden mogen slechts voor vervoer van vlees of vleesprodukten in eindverpakking en uitsluitend voor dat gebruik in deze lokalen worden toegelaten. Voorts kan het gebruik van gegalvaniseerd metaal voor het drogen van ham en worst worden toegestaan, op voorwaarde dat dit metaal niet gecorrodeerd is en het niet in contact komt met de vleesprodukten.

4. De temperatuur in de lokalen of in gedeelten van de lokalen waar vlees, als grondstof gebruikt gehakt, vleesprodukten en vleesbereidingen worden be- en verwerkt, moet een hygiënische produktie garanderen; zo nodig moeten deze lokalen of gedeelten van lokalen van een klimaatregelingsinstallatie zijn voorzien. Op het ogenblik van het uitsnijden en het doorzouten mag de temperatuur in de daarvoor bestemde lokalen niet meer dan 12°C bedragen, behoudens voor de in artikel 8 bedoelde inrichtingen. Voor de andere inrichtingen kan Onze Minister evenwel de mogelijkheid toestaan van deze eis inzake temperatuur af te wijken, wanneer hij zulks gerechtvaardigd acht om rekening te houden met de technologie voor de bereiding van het vleesprodukt.

1. Om gebruikt te mogen worden voor de vervaardiging van vleesprodukten, moet het vlees:

Tot en met 31 december 1995 mag vlees dat is verkregen in inrichtingen waarvoor de afwijkingen van richtlijn 91/498/EEG gelden, evenwel toch in erkende inrichtingen aanwezig zijn. Tot die datum mag vlees dat niet voldoet aan de eisen van de in artikel 1, lid 1, onder h bedoelde richtlijnen, zich alleen dan in erkende inrichtingen bevinden wanneer het op afzonderlijke plaatsen is opgeslagen; het moet op andere plaatsen of op andere tijdstippen worden gebruikt dan vlees dat wel aan deze eisen voldoet. Vleesprodukten die van dit vlees verkregen zijn moet voorzien worden van het nationale stempel.

2. Gehakt en vleesbereidingen, voor zover niet vervaardigd in het in hoofdstuk 1, punt 1, onder b, bedoelde fabricagelokaal, moeten:

3. Producten van dierlijke oorsprong, andere dan het in artikel 1, eerste lid, onder h, bedoelde vlees, die worden gebruikt bij de bereiding van vleesproducten mogen slechts aanwezig zijn indien zij voldoen aan de in de relevante communautaire wetgeving vastgestelde eisen.

1. De inrichtingen staan onder controle van de door Onze Minister aan te wijzen autoriteit, die erop moet toezien dat wordt voldaan aan de eisen van dit besluit en die in het bijzonder:

2. De in het eerste lid genoemde autoriteit moet te allen tijde vrije toegang hebben tot de koel- of vrieshuizen en tot alle werklokalen teneinde na te gaan of deze bepalingen stipt worden nageleefd.

1. Onmiddellijke verpakking en eindverpakking moeten plaatsvinden in de daarvoor bedoelde lokalen en onder bevredigende hygiënische omstandigheden. Onverminderd richtlijn 89/109/EEG moeten de onmiddellijke verpakking en de eindverpakking aan alle hygiënische voorschriften voldoen en voldoende stevig zijn om de vleesprodukten doeltreffende bescherming te bieden.

2. De onmiddellijke of de eindverpakking mag geen tweede maal voor vleesprodukten worden gebruikt, met uitzondering van bepaalde bijzondere verpakkingsmiddelen, zoals aardewerk, glas of plastic, die na reiniging en doeltreffende ontsmetting opnieuw mogen worden gebruikt.

3. Vervaardiging van vleesprodukten en aanbrengen van de eindverpakking mogen in een zelfde lokaal plaatsvinden indien de eindverpakking de in punt 2 bedoelde kenmerken vertoont of indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

4. Onverminderd het terzake bepaalde in het Vlees- en vleeswarenbesluit (Warenwet) 1987, het Warenwetbesluit Etikettering van levensmiddelen en het Hoeveelheidsaanduidingenbesluit (Warenwet), dient de verpakking van de vleesproducten, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder d, van het Warenwetbesluit Etikettering van levensmiddelen op duidelijk zichtbare en leesbare wijze te zijn voorzien van een vermelding, aangevende de datum van de bereiding van de desbetreffende partij. Tenzij Onze Minister anders bepaalt, is dit besluit voor wat betreft de vermelding van de verkoopbenaming op vleesprodukten niet van toepassing op produkten met een benaming van oorsprong of typische produkten;

1. Vleesproducten moeten worden voorzien van een keurmerk. Het keurmerk moet, bij of onmiddellijk na de bereiding van de vleesproducten in de inrichting of in het herverpakkingscentrum, goed leesbaar, onuitwisbaar en in duidelijke lettertekens worden aangebracht op een opvallende plaats. Het keurmerk mag worden aangebracht op het product zelf, of op de onmiddellijke verpakking, indien het vleesproduct individueel is verpakt, of op een op de onmiddellijke verpakking aangebracht etiket, overeenkomstig punt 4, onder b. Wanneer een vleesproduct evenwel een individuele onmiddellijke verpakking en eindverpakking heeft, is het voldoende dat het keurmerk wordt aangebracht op de eindverpakking.

2. Wanneer vleesproducten die overeenkomstig punt 1 zijn voorzien van een keurmerk vervolgens in een eindverpakking worden geplaatst, dient het keurmerk ook op die eindverpakking te worden aangebracht.

3. In afwijking van het bepaalde in de punten 1 en 2 is het aanbrengen van het keurmerk op elk vleesproduct niet noodzakelijk:

4.

5. Wanneer een vleesproduct ook andere grondstoffen van dierlijke oorsprong bevat, zoals visserijproducten, zuivelproducten of eiproducten, hoeft slechts één keurmerk te worden aangebracht.

1. Vleesproducten dienen te worden opgeslagen in de in bijlage B, hoofdstuk I, punt 1, onder a, bedoelde lokalen.

Vleesproducten kunnen evenwel onder de volgende voorwaarden ook buiten de in het voorgaande punt bedoelde lokalen worden opgeslagen:

2. Vleesprodukten waarvoor overeenkomstig artikel 6, lid 2, bepaalde opslagtemperaturen zijn aangegeven, moeten op die temperatuur bewaard blijven.

3. Vleesprodukten moeten zo worden verzonden dat zij gedurende het vervoer tegen eventuele besmetting of aantasting zijn beschermd. Hierbij dient te worden gelet op de duur van het vervoer, alsmede op de hiervoor gebruikte vervoermiddelen en op de weersomstandigheden.

4. De voor het vervoer van vleesprodukten gebruikte vervoermiddelen dienen, indien de produkten zulks vereisen, zodanig te zijn ingericht dat de produkten bij de vereiste temperatuur kunnen worden vervoerd en dat met name de overeenkomstig artikel 6, lid 2, aangegeven temperaturen niet worden overschreden.

5. Het in artikel 2, eerste lid, onderdeel I, bedoelde handelsdocument moet de vleesproducten begeleiden tijdens de eerst fase van de handel. Bij het vervoer en tijdens latere fasen van de handel moeten de producten vergezeld gaan van een handelsdocument waarop het erkenningsnummer van de verzendende inrichting staat vermeld, samen met het codenummer aan de hand waarvan kan worden nagegaan welke gevoegde autoriteit belast is met de controle ervan.

A. Onverminderd de voorwaarden van bijlage A moeten de inrichtingen voor de vervaardiging van gepasteuriseerde of gesteriliseerde produkten in hermetisch gesloten recipiënten

B. De exploitant of de beheerder van een inrichting waar vleesproducten in hermetisch gesloten recipiënten worden vervaardigd, moet zich er voorts door middel van een steekproefcontrole van vergewissen:

C. Onze Minister kan toestaan dat aan het autoclaafwater bepaalde stoffen worden toegevoegd om corrosie van conservenblikken tegen te gaan en om het water te verzachten en te ontsmetten. Een lijst van deze stoffen wordt volgens de procedure van artikel 10 opgesteld.

Onze Minister kan toestaan dat teruggewonnen water wordt gebruikt voor de koeling van recipiënten die een hittebehandeling hebben ondergaan. Dit water moet worden gezuiverd en een chloorbehandeling dan wel een andere volgens de procedure van artikel 10 goedgekeurde behandeling ondergaan. De bedoeling van die behandeling is te bewerkstelligen dat het teruggewonnen water voldoet aan de normen van bijlage 1, deel E, van richtlijn 80/778/EEG, zodat dit water de produkten niet kan besmetten en geen risico voor de gezondheid van de mens oplevert.

Het teruggewonnen water moet in een gesloten leidingnet circuleren zodat het niet voor andere doeleinden kan worden aangewend.

Indien er geen gevaar voor besmetting bestaat, mag de vloer evenwel aan het einde van de werkperiode worden gereinigd met water dat voor de koeling van de recipiënten is gebruikt of met autoclaafwater.

Onverminderd de algemene voorwaarden van bijlage A en de hoofdstukken I, II en III van onderhavige bijlage:

De werkplaatsen mogen slechts voor de vervaardiging van niet voor menselijke consumptie bestemde produkten worden gebruikt indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

Onverminderd de voorwaarden van bijlage A gelden de volgende voorschriften:

1. Centra voor het verzamelen van grondstoffen en het verdere transport ervan naar verwerkingsinrichtingen moeten beschikken over een koel- of vrieshuis om de grondstoffen bij een temperatuur van 7°C of minder op te slaan, tenzij de grondstoffen worden verzameld en gesmolten binnen de in punt B.3, onder b en c, vastgestelde termijnen.

2. Verwerkingsinrichtingen moeten ten minste beschikken over:

1. De grondstoffen moeten afkomstig zijn van dieren die bij de keuring voor en na het slachten geschikt zijn bevonden voor menselijke consumptie.

2. De grondstoffen moeten bestaan uit vetweefsels of beenderen die geschikt zijn bevonden voor menselijke consumptie en zo weinig mogelijk bloed en onzuiverheden bevatten. Zij mogen geen tekenen van bederf vertonen en moeten in goede hygiënische omstandigheden zijn verkregen.

3.

4. De voertuigen en containers voor het verzamelen en het vervoeren van de grondstoffen moeten gladde binnenwanden hebben, die gemakkelijk kunnen worden gewassen, gereinigd en ontsmet. De voertuigen moeten van een behoorlijke bedekking zijn voorzien. Voertuigen voor koeltransport moeten zo zijn ontworpen dat de vereiste temperatuur tijdens de volledige duur van het vervoer kan worden behouden.

5. Voor het smelten moeten de grondstoffen worden gekeurd om na te gaan of geen voor menselijke consumptie ongeschikte grondstoffen of geen vreemde bestanddelen aanwezig zijn. Als dat wel het geval is, moeten deze worden verwijderd.

6. De grondstoffen moeten worden gesmolten door middel van hitte, druk of een andere adequate methode, waarna het vet moet worden afgescheiden door decanteren, centrifugeren, filtreren of een andere adequate methode. Het gebruik van oplosmiddelen is verboden.

7. Gesmolten dierlijke vetten die overeenkomstig de punten 1, 2, 3, 5 en 6 zijn bereid, mogen in dezelfde of in een andere inrichting worden geraffineerd om de fysisch-chemische kwaliteit ervan te verbeteren, op voorwaarde dat de te raffineren vetten beantwoorden aan de in punt 8 bedoelde normen.

8. Gesmolten dierlijke vetten moeten, naar gelang van het type, voldoen aan de volgende normen:

9. Voor menselijke consumptie bestemde kanen moeten worden opgeslagen:

Onverminderd de voorwaarden van bijlage A en van bijlage B, hoofdstuk II, voldoen inrichtingen die magen, blazen en darmen behandelen aan de volgende voorwaarden:

1. de grondstoffen zijn afkomstig van dieren die op grond van de keuring voor en na het slachten geschikt voor menselijke consumptie zijn bevonden;

2. producten die niet bij kamertemperatuur kunnen worden bewaard, worden tot het ogenblik van verzending opgeslagen in daartoe bestemde lokalen. In het bijzonder worden niet-gezouten of niet-gedroogde producten bij een temperatuur van minder dan 3° C bewaard;

3. de grondstoffen worden onder bevredigende hygiënische omstandigheden en, eventueel, afhankelijk van de termijn tussen slachten en verzamelen van de grondstoffen, gekoeld van het slachthuis van oorsprong naar de inrichting vervoerd. De voertuigen en de containers voor het vervoer hebben gladde binnenwanden die gemakkelijk kunnen worden gewassen, gereinigd en ontsmet. Voertuigen voor koeltransport zijn zo ontworpen dat de vereiste temperatuur tijdens de volledige duur van het vervoer kan worden behouden;

4. voor opslag van materiaal voor onmiddellijke en eindverpakking is een lokaal beschikbaar;

5. de onmiddellijke en de eindverpakking worden op hygiënische wijze aangebracht in een daartoe bestemd lokaal of op een daartoe bestemde plaats;

6. het gebruik van hout is verboden; houten laadborden mogen evenwel worden gebruikt voor het vervoer van de recipiënten.