Regeling · BWBR0006294

Besluit produktie en handel vers vlees

Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 7 december 1993, houdende regels betreffende de produktie van en de handel in vers vleesBesluit produktie en handel vers vleesWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 24 mei 1993, DGVgz/VVP/V-93845, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;

Gelet op richtlijn nr. 91/497/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 juli 1991 tot wijziging en bijwerking van richtlijn nr. 64/433/EEG inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in vers vlees teneinde deze uit te breiden tot de produktie en het in de handel brengen van vers vlees en tot wijziging van richtlijn nr. 72/462/EEG (PbEG L 268), op richtlijn nr. 91/498/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 juli 1991, houdende vaststelling van de voorschriften voor het toestaan van tijdelijke en beperkte afwijkingen op de specifieke communautaire gezondheidsvoorschriften voor de produktie en het in de handel brengen van vers vlees (PbEG L 268), op richtlijn 91/495/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 november 1990 inzake gezondheidsvoorschriften en veterinairrechtelijke voorschriften voor de produktie en het in de handel brengen van konijnevlees en vlees van gekweekt wild (PbEG L 268) en op richtlijn nr. 92/120/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 december 1992, houdende vaststelling van de voorschriften voor het toestaan van tijdelijk en beperkte afwijkingen op de specifieke communautaire gezondheidsvoorschriften voor de produktie en het in de handel brengen van bepaalde produkten van dierlijke oorsprong (PbEG L 62), alsmede op de artikelen 5, 18, 19, 19a, 25 en 30a van de Vleeskeuringswet en op het eerste lid van artikel II van de wijzigingswet 1988 Warenwet (Stb. 358) juncto artikel 16 van de Warenwet (Stb. 1935, 793);

Gezien het advies van de Adviescommissie Vleeskeuringswet (advies van 12 maart 1993, ACVW/U-93002);

De Raad van State gehoord (advies van 26 augustus 1993, No. W13.93.0320);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 23 november 1993, DGVgz/VVP/V-931986, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende bijlagen en nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage7 december 1993BeatrixDe Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,H. J. Simonsde dertiende januari 1994De Minister van Justitie,E. M. H. Hirsch Ballin

Vlees is slechts geschikt voor menselijke consumptie indien het wordt goedgekeurd. Onze Minister bepaalt in welke gevallen vlees wordt afgekeurd en onbruikbaar moet worden gemaakt voor voedsel van mens en dier.

Voor de toepassing van dit besluit worden voor de berekening van GVE de volgende omrekeningscoëfficiënten gebruikt:

Vlees dat afkomstig is van de ingevolge artikel 10 of 10b erkende inrichtingen en dat voldoet aan de hygiëne- en de keuringsvoorschriften van dit besluit en geschikt wordt bevonden voor menselijke consumptie, wordt voorzien van een stempel, waarvan het model door Onze Minister zal worden vastgesteld.

Onze Minister kan aan inrichtingen, erkend overeenkomstig artikel 10 en die op basis van een goedgekeurd herstructureringsplan aanpassingen ondergaan om overeenkomstig artikel 9 te worden erkend, aanvullende voorwaarden stellen met betrekking tot de slachtcapaciteit en de te verhandelen hoeveelheden vlees.

Onze Minister kan aan inrichtingen, waaraan tot en met 31 december 1995 een afwijking is toegestaan als bedoeld in artikel 22, tweede lid, en die ten genoegen van onze Minister kunnen aantonen dat ze begonnen zijn te voldoen aan de voorschriften van dit besluit, maar de aanvankelijk bepaalde termijn, om redenen die hun niet zijn aan te rekenen, niet zullen kunnen eerbiedigen, een aanvullende termijn toekennen die uiterlijk op 31 december 1998 eindigt, om de aangegane verbintenissen na te kunnen komen.

Ingeval de keuringsdierenarts bij de keuring voor of na het slachten een voor de mens besmettelijke ziekte constateert, stelt hij hiervan de hoofdinspecteur in kennis.

Onze Minister kan ter uitvoering van krachtens artikel 16 van de richtlijn vastgestelde maatregelen:

Onze Minister kan met betrekking tot artikel 9, vijfde lid, onder b, regels stellen omtrent de aard en de frequentie van de daar bedoelde controles, alsmede omtrent de methoden van monsterneming en het bacteriologische onderzoek, indien het betreft het opvangen en behandelen van bloed bestemd voor menselijke consumptie.

Voor de toepassing van dit besluit wordt een ter uitvoering van artikel 10 van de richtlijn door een andere lid-staat van de Europese Gemeenschappen of van de Europese Ruimte erkende inrichting gelijkgesteld met een inrichting, erkend overeenkomstig artikel 9 van dit besluit.

Terzake van de controle alsmede keuring verricht door de keuringsdierenarts, als bedoeld in punt 48 van bijlage I, hoofdstuk X, is de eigenaar, het hoofd of de bestuurder van een uitsnijderij, koel- of vrieshuis een vergoeding verschuldigd overeenkomstig een door Onze Minister vastgesteld tarief.

Het Besluit van 13 maart 1985 (Stb. 217), ex artikel 1, tweede lid van de Vleeskeuringswet wordt ingetrokken.

Het Besluit van 22 juni 1920 (Stb. 314) tot uitvoering van artikel 25, tweede lid van de Vleeskeuringswet wordt ingetrokken.

Het Besluit bijzondere slachtplaatsen wordt ingetrokken.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Het Besluit van 26 november 1957 (Stb. 513), tot uitvoering van artikel 2, eerste lid, onder a en b, van de Vleeskeuringswet wordt ingetrokken.

Het Besluit van 14 februari 1958 (Stb. 92), tot uitvoering van artikel 2, tweede lid, van de Vleeskeuringswet wordt ingetrokken.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit produktie en handel vers vlees.

Inrichtingen moeten ten minste voorzien zijn van:

1. voor lokalen waar vlees wordt verkregen, bewerkt of opgeslagen, alsmede in zones en in gangen waarin vers vlees wordt vervoerd:

2.

3. passende voorzieningen ter bescherming tegen schadelijke dieren zoals insekten of knaagdieren;

4.

5. een koelinstallatie om het vlees constant op de bij dit besluit voorgeschreven inwendige temperatuur te houden. Deze installatie moet een afvoersysteem bevatten waardoor condensatiewater zonder enig gevaar voor besmetting van het vlees kan worden afgevoerd;

6. een installatie die onder druk een voldoende hoeveelheid van uitsluitend drinkwater in de zin van richtlijn 80/778/EEG kan leveren. Bij wijze van uitzondering kan evenwel een installatie met niet-drinkbaar water worden toegelaten voor de produktie van stoom, voor brandbestrijding of voor het koelen van koelinstallaties, op voorwaarde dat de daartoe aangebrachte leidingen het gebruik van dit water voor andere doeleinden onmogelijk maken en geen gevaar voor besmetting van vers vlees opleveren. De leidingen voor niet-drinkbaar water moeten goed kunnen worden onderscheiden van de drinkwaterleidingen;

7. een installatie die warm drinkwater in de zin van richtlijn 80/778/EEG in voldoende hoeveelheden levert;

8. een voorziening voor de afvoer van vloeibare en vaste afvalstoffen, die aan de eisen van de hygiëne voldoet;

9. een adequaat ingericht afsluitbaar lokaal dat uitsluitend ter beschikking van de keurinsdierenarts staat of aangepaste voorzieningen in de in hoofdstuk IV, punt 17, bedoelde koel- en vrieshuizen;

10. voorzieningen die het mogelijk maken de in dit besluit voorgeschreven keuring te allen tijde op doelmatige wijze uit te voeren;

11. een voldoende aantal kleedlokalen, met gladde, ondoordringbare en afwasbare wanden en vloeren, was- en douchegelegenheden, alsmede toiletten met waterspoeling, die zo zijn ingericht dat de reine gedeelten van het gebouw tegen eventuele verontreiniging zijn beschermd. De toiletten mogen geen rechtstreekse toegang tot de werklokalen geven. Douchegelegenheden zijn niet nodig voor koel- en vrieshuizen waarin slechts op hygiënische wijze van een eindverpakking voorzien vers vlees wordt aangevoerd en opgeslagen. De wasgelegenheid moet voorzien zijn van koud en warm stromend water of van vooraf op een passende temperatuur gemengd water, was- en ontsmettingsmiddelen voor de handen, en hygiënische voorzieningen voor het drogen van de handen. De kranen van de wasgelegenheden mogen niet met de hand of met de arm kunnen worden bediend. Er moeten voldoende wasgelegenheden zijn in de nabijheid van de toiletten;

12. een plaats en voldoende voorzieningen voor het reinigen van de middelen waarmee vlees wordt vervoerd, behalve bij koel- en vrieshuizen die uitsluitend bestemd zijn voor ontvangst en opslag van te verzenden en op een hygiënische wijze van een eindverpakking voorzien vers vlees. Slachthuizen moeten beschikken over een afzonderlijke plaats en voorzieningen voor vervoermiddelen voor slachtdieren. Deze plaatsen en deze voorzieningen zijn niet verplicht indien er voorschriften bestaan die verplichtingen tot het reinigen en ontsmetten van vervoermiddelen in officieel erkende lokalen.

13. een lokaal of een voorziening voor het opslaan van reinigings- en ontsmettingsmiddelen en andere dergelijke stoffen.

14. Afgezien van de algemene voorwaarden, moeten slachthuizen ten minste beschikken over:

15. Afgezien van de algemene voorwaarden, moeten uitsnijderijen ten minste beschikken over:

16. Afgezien van de algemene voorwaarden moeten koel- en vrieshuizen waar vers vlees wordt opgeslagen zoals omschreven in hoofdstuk XIII, punt 65, eerste alinea, ten minste beschikken over:

18. Een zo volmaakt mogelijke reinheid wordt verplicht gesteld voor personeel, lokalen en materieel:

19. Lokalen, werktuigen en gereedschap mogen niet worden aangewend voor andere doeleinden dan voor de bewerking van vers vlees of vlees van gekweekt wild. Deze beperking is niet van toepassing op

20. Het vlees en de bakken waarin het zich bevindt, mogen niet rechtstreeks met de vloer in aanraking komen.

21. Er mag geen ander water dan drinkwater worden gebruikt; bij wijze van uitzondering kan evenwel worden toegestaan dat niet drinkbaar water wordt gebruikt voor het produceren van stoom, mits de daartoe aangebrachte leidingen het gebruik van dit water voor andere doeleinden onmogelijk maken en geen gevaar voor besmetting van vers vlees opleveren. Bij wijze van uitzondering kan voorts het gebruik van niet drinkbaar water voor het koelen van koelapparatuur worden toegestaan. De leidingen voor niet drinkbaar water moeten goed kunnen worden onderscheiden van de drinkwaterleidingen.

22. Het is verboden zaagsel of enig ander soortgelijk middel te strooien over de vloer van de werklokalen en de opslagruimten voor vers vlees.

23. Reinigingsmiddelen, ontsmettingsmiddelen en soortgelijke middelen moeten zodanig worden gebruik dat deze generlei invloed hebben op apparatuur, werkinstrumenten en vers vlees. Na gebruik van die middelen moeten deze apparatuur en werkstrumenten grondig met drinkwater worden afgespoeld.

24. Het vlees mag niet worden bewerkt en gehanteerd door personen die het kunnen besmetten. Bij aanwerving dienen personen die betrokken zijn bij de be- en verwerking en het hanteren van vers vlees door middel van een medisch attest te bewijzen dat niets hun tewerkstelling in de weg staat. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de medische begeleiding van voornoemde personen.

25. De dieren dienen aan de keuring voor het slachten te worden onderworpen uiterlijk 24 uur na aankomst in het slachthuis en 24 uur voor het slachten. Voorts kan de officiële dierenarts te allen tijde een keuring eisen. De exploitant van het slachthuis, de eigenaar of diens vertegenwoordiger moet de keuringshandelingen vóór het slachten en met name de nuttig geachte ingrepen vergemakkelijken. Elk te slachten dier moet zijn voorzien van een identificatiemerk dat de hoofdinspecteur in staat stelt de herkomst van het dier te bepalen.

26.

27. De keuring moet het mogelijk maken vast te stellen:

28.

29. Slachtdieren die in de slachtlokalen worden binnengeleid, moeten onmiddellijk worden gedood en er moet onmiddellijk worden overgegaan tot het laten leegbloeden, het verwijderen van huid of haar, het uitslachten en het verwijderen van de ingewanden, op zodanige wijze dat elke besmetting van het vlees wordt voorkomen.

30.

31. Behalve bij varkens en onverminderd de afwijking bedoeld in hoofdstuk VIII, punt 41 D, a., tweede zin, moet de huid onmiddellijk en volledig worden verwijderd. Varkens waarvan de huid niet wordt verwijderd, moeten terstond worden onthaard. Bij deze behandeling mogen hulpstoffen worden gebruikt, mits de varkens daarna grondig met drinkwater worden afgespoten. De koppen van kalveren en schapen hoeven niet van de huid te worden ontdaan, als deze koppen op zodanige wijze worden gehanteerd dat besmetting van vers vlees wordt voorkomen.

32. Het verwijderen van de ingewanden moet onverwijld geschieden en moet uiterlijk 45 minuten na de verdoving of, in geval van een door een godsdienstige ritus voorgeschreven slacht, een half uur na het verbloeden beëindigd zijn. De longen, het hart, de lever, de nieren, de milt en het mediastinum kunnen worden uitgenomen of met de natuurlijke hechtmiddelen aan het karkas verbonden blijven. Indien deze organen worden uitgenomen, dienen zij met een nummer of op andere wijze zodanig te worden gemerkt, dat blijkt dat zij bij het karkas behoren; hetzelfde geldt voor de kop, de tong, het spijsverteringskanaal, alsmede voor elk ander deel van het dier dat nodig is voor de keuring of, eventueel, voor het verrichten van de controles voorzien bij richtlijn 86/469/EEG. De genoemde delen dienen totdat de keuring is beëindigd in de onmiddellijke nabijheid van het karkas te blijven. De penis kan voor zover hij geen pathologische verschijnselen of laesies vertoont evenwel onmiddellijk worden afgevoerd. De nieren dienen bij alle diersoorten te worden losgemaakt van het aanhangende vet en bij runderen, varkens en eenhoevigen dient ook het nierkapsel te worden verwijderd.

33. Het steken van messen in vlees, het reinigen van het vlees met behulp van doeken of andere materialen, alsmede het opblazen zijn verboden. Wanneer zulks door een godsdienstige ritus wordt voorgeschreven, kan evenwel het opblazen van een orgaan worden toegestaan; in dat geval moet het opgeblazen orgaan worden afgekeurd. Mechanisch opblazen voor het villen van lammeren en jonge geiten kan door de keuringsdierenarts worden toegestaan mits de hygiënenormen worden nageleefd.

34. De karkassen van eenhoevigen, van varkens van meer dan vier weken en van runderen van meer dan zes maanden dienen ter keuring door klieven van de wervelkolom in de lengte in tweeën te worden verdeeld. Zo nodig kan de keuringsdierenarts voor elk dier klieving in de lengte van het karkas en van de kop verlangen. Om rekening te houden met technologische eisen of met plaatselijke consumptiegewoonten kan onze minister evenwel toestaan dat varkenskarkassen niet in tweeën verdeeld ter keuring worden aangeboden.

35. Tot het einde van de keuring mogen niet-gekeurde karkassen en slachtafvallen en wel gekeurde karkassen en slachtafvallen niet met elkaar in contact komen en is het verboden het karkas te verwijderen, uit te snijden of verder te behandelen.

36. Voor een nader besluit aangehouden of afgekeurd vlees, alsmede magen, darmen en niet-eetbare bijprodukten mogen niet in contact kunnen komen met voor menselijke consumptie geschikt verklaard vlees en moeten zo spoedig mogelijk in speciale lokalen of bakken worden ondergebracht, die zo gesitueerd en ontworpen zijn dat besmetting van ander vers vlees wordt voorkomen.

37. Indien bloed of slachtafvallen van meer dan één dier vóór het einde van de keuring na het slachten zijn samengebracht in één bak, moet de gehele inhoud van die bak worden afgekeurd, indien het karkas van één van deze dieren is afgekeurd.

38. Uitslachten, hanteren, verder behandelen en vervoeren van vlees, met inbegrip van slachtafvallen, geschiedt onder naleving van alle hygiënische voorschriften. Wanneer dit vlees van een eindverpakking wordt voorzien, moet dit geschieden onder naleving van hoofdstuk II, punt 14, d., en de voorwaarden van hoofdstuk XI. Vlees in eindverpakking moet worden opgeslagen in een ander lokaal dan onverpakt vers vlees.

39. Alle delen van het dier, ook het bloed, moeten onmiddellijk na het slachten worden gekeurd om te kunnen nagaan of het vlees geschikt is voor menselijke consumptie.

40. De keuring na het slachten omvat:

41. De keuringsdierenarts dient met name te verrichten:

42.

43. Het uitsnijden in kleinere delen dan bedoeld in artikel 2, eerste lid, punt A, het uitbenen en het snijden van slachtafvallen is slechts toegestaan in erkende uitsnijderijen.

44. De exploitant van de inrichting, de eigenaar of diens vertegenwoordiger is verplicht de werkzaamheden in verband met de controle op de onderneming te vergemakkelijken, met name alle nuttig geachte handelingen te verrichten en de nodige voorzieningen ter beschikking van de controledienst te stellen. Hij moet, telkens wanneer dit gevraagd wordt, de met de controle belaste keuringsdierenarts gegevens kunnen verschaffen over de herkomst van het in zijn inrichting binnengekomen vlees en de herkomst van de geslachte dieren.

45. Onverminderd hoofdstuk V, punt 19, tweede alinea, mag vlees dat niet aan de eisen van artikel 2, eerste lid, punt B, onder b), van dit besluit, voldoet, zich alleen dan in erkende uitsnijderijen bevinden, wanneer het in speciale ruimten is opgeslagen; het moet op andere plaatsen of op andere tijdstippen worden uitgesneden dan vlees dat wel aan bovengenoemde eisen voldoet. De keuringsdierenarts moet te allen tijde vrije toegang hebben tot alle opslagruimten en werklokalen, ten einde na te gaan of bovenstaande bepalingen stipt worden nageleefd.

46.

47. De erkende uitsnijderijen en de erkende koel- en vrieshuizen zijn onderworpen aan een controle door een keuringsdierenarts.

48. De controle van de keuringsdierenarts omvat de volgende taken:

49. Het keurmerk wordt aangebracht onder toezicht van de keuringsdierenarts. In dit verband oefent hij toezicht uit op:

50. Het aanbrengen van het keurmerk dient te geschieden met:

59.

60. Als uitgesneden vers vlees of slachtafval van een onmiddellijke verpakking wordt voorzien, moet de verpakking onmiddellijk na het uitsnijden en volgens de regels van de hygiëne geschieden. Met uitzondering van stukken spek en buik van varkens moeten uitgesneden vlees en slachtafval in alle gevallen voorzien zijn van een beschermende onmiddellijke verpakking, behalve indien zij hangend worden vervoerd. Deze onmiddellijke verpakkingen moeten doorzichtig en kleurloos zijn en voorts voldoen aan de in punt 59, a), eerste en tweede streepje, gestelde eisen en mogen geen tweede maal als onmiddellijke verpakking van vlees worden gebruikt. Iedere onmiddellijke verpakking mag slechts één volledig orgaan bevatten.

61. Vlees in onmiddellijke verpakking moet van een eindverpakking worden voorzien.

62. Wanneer de onmiddellijke verpakking evenwel voldoet aan alle aan de eindverpakking gestelde eisen inzake bescherming van het vlees, behoeft zij niet doorzichtig en kleurloos te zijn, en mag als tweede bergingsmiddel ook de Eurobak gebruikt worden, op voorwaarde dat aan de andere voorwaarden van punt 59 voldaan is.

63. Uitsnijden, uitbenen, onmiddellijke en eindverpakking mogen in een zelfde lokaal plaatsvinden voor zover aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

In afwijking van de eerste alinea mag vers vlees in een uitsnijderij van een onmiddellijke verpakking worden voorzien, wanneer er Eurobakken worden gebruikt die voldoen aan punt 59, onder b, en die gereinigd en ontsmet zijn voordat zij worden binnengebracht in de uitsnijderij.

64. De in dit hoofdstuk bedoelde eindverpakkingen mogen slechts uitgesneden vlees bevatten dat tot dezelfde diersoort behoort behalve in het geval van handelsporties die zijn bestemd voor rechtstreekse verkoop aan de consument.

65. Vers vlees dient na de keuring na het slachten onmiddellijk te worden gekoeld en voortdurend op een inwendige temperatuur te worden gehouden van niet meer dan +7°C voor karkassen en delen daarvan en van niet meer dan +3°C voor slachtafval. Afwijkingen van deze eis kunnen per geval door de hoofdinspecteur worden toegestaan voor het vervoer van vlees naar uitsnijderijen of slagerijen in de onmiddellijke nabijheid van het slachthuis, voor zover dit vervoer niet meer dan twee uur in beslag neemt, alsmede om technische redenen in verband met de rijping van het vlees. Vers vlees dat bestemd is om te worden ingevroren moet rechtstreeks afkomstig zijn uit een erkend slachthuis of een erkende uitsnijderij. Invriezing van vers vlees mag alleen geschieden door middel van daarvoor geschikte apparatuur in lokalen van de inrichting waar het vlees is verkregen of uitgesneden, of in erkende koel- of vrieshuizen. Delen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, punt A, van dit besluit en in hoofdstuk XI, punt 53, van deze bijlage, alsmede slachtafvallen, bestemd om te worden ingevroren, moeten onverwijld worden ingevroren, tenzij uit gezondheidsoogpunt rijping is vereist. In dat geval moeten zij onmiddellijk na rijping worden ingevroren. Hele karkassen, halve karkassen, halve karkassen die in ten hoogste drie stukken zijn verdeeld of voeten die bestemd zijn om te worden ingevroren, moeten zonder onnodige vertraging na een stabilisatieperiode worden ingevroren. Uitgesneden vlees dat bestemd is om te worden ingevroren moet zonder onnodige vertraging na het uitsnijden worden ingevroren. Ingevroren vlees moet een inwendige temperatuur van niet meer dan -12°C hebben en tijdens de opslag mag de temperatuur niet hoger worden. Op vers vlees dat is ingevroren moeten de maand en het jaar van het invriezen worden vermeld.

66. In ruimten als bedoeld in hoofdstuk IV, punten 16 en 17, mogen, tenzij het vlees zich in de eindverpakking bevindt en apart is opgeslagen, geen andere produkten worden opgeslagen die de hygiënische kwaliteit van het vlees nadelig kunnen benvloeden of het vlees kunnen besmetten.

67. De temperatuur van de in hoofdstuk IV, punten 16 en 17, bedoelde opslagruimten moet worden geregistreerd.

68. Vers vlees moet worden vervoerd in vervoermiddelen met hermetische sluiting dan wel, bij invoer overeenkomstig richtlijn 90/675/EEG of doorvoer via het grondgebied van een derde land, in met een loodje verzegelde vervoermiddelen, die zo zijn gebouwd en ingericht dat de in hoofdstuk XIII voorgeschreven temperatuur tijdens de volledige duur van het vervoer niet wordt overschreden. In afwijking van de eerste alinea mogen hele karkassen, halve karkassen, halve karkassen die in ten hoogste drie stukken zijn verdeeld of voeten, onder door onze minister vast te stellen voorwaarden, worden vervoerd bij hogere temperaturen dan die bedoeld in hoofdstuk XIII.

69. Deze vervoermiddelen moeten voldoen aan de volgende eisen:

70. De vervoermiddelen voor het vervoer van vlees mogen in geen geval worden gebruikt voor het vervoer van levende dieren of produkten die het vlees zouden kunnen aantasten of besmetten.

71. Andere produkten die de hygiënische kwaliteit van het vlees nadelig kunnen beïnvloeden of het vlees kunnen besmetten mogen niet te zamen met vlees in hetzelfde vervoermiddel worden vervoerd, tenzij passende voorzorgsmaatregelen worden getroffen. Vlees in een eindverpakking mag niet samen met vlees zonder eindverpakking worden vervoerd in hetzelfde vervoermiddel, tenzij hierin een passende fysieke scheiding is aangebracht tussen het vlees met en het vlees zonder eindverpakking. Bovendien mogen magen daarin slechts worden vervoerd als zij gebroeid of gereinigd zijn, en koppen en poten slechts wanneer zij van de huid ontdaan of gebroeid en onthaard zijn.

72. Vers vlees mag slechts in gereinigde en ontsmette vervoermiddelen worden vervoerd.

73. Hele karkassen, halve karkassen, halve karkassen die in ten hoogste drie stukken zijn verdeeld of voeten, met uitzondering van ingevroren vlees in hygiënisch verantwoorde eindverpakking, moeten steeds hangend worden vervoerd, behalve bij vervoer door de lucht als bedoeld in punt 69c). Andere delen en slachtafvallen moeten worden opgehangen of geplaatst op dragers, voor zover zij zich niet bevinden in een eindverpakking of in bakken uit corrosiebestendig materiaal. Deze dragers, eindverpakkingen of bakken moeten voldoen aan de voorschriften inzake hygiëne en, met name wat de eindverpakking betreft, aan de bepalingen van dit besluit. Ingewanden moeten steeds worden vervoerd in een eindverpakking die stevig is en vloeistoffen noch vet doorlaat. Alvorens deze eindverpakking opnieuw mag worden gebruikt, dient zij te worden gereinigd en ontsmet.

74. De keuringsdierenarts dient zich er vóór de verzending van te vergewissen dat de vervoermiddelen en het inladen voldoen aan de in dit hoofstuk neergelegde voorschriften ten aanzien van de hygiëne.

Inrichtingen met een geringe capaciteit moeten ten minste voorzien zijn van:

1. voor lokalen waar vlees wordt verkregen en bewerkt:

2.

3. passende voorzieningen ter bescherming tegen schadelijke dieren zoals insekten of knaagdieren;

4.

5. een koelinstallatie om het vlees constant op de bij deze richtlijn voorgeschreven inwendige temperatuur te houden. Deze installatie moet een afvoersysteem bevatten dat aangesloten is op de afvalwaterleiding en geen gevaar inhoudt voor besmetting van het vlees;

6. een installatie die onder druk een voldoende hoeveelheid van uitsluitend drinkwater in de zin van richtlijn 80/778/EEG kan leveren; bij wijze van uitzondering kan evenwel een installatie met niet-drinkbaar water worden toegelaten voor de produktie van stoom, voor brandbestrijding of voor het koelen van koelinstallaties, op voorwaarde dat de daartoe aangebrachte leidingen het gebruik van dit water voor andere doeleinden onmogelijk maken en geen gevaar voor besmetting van vers vlees opleveren. De leidingen voor niet-drinkbaar water moeten goed kunnen worden onderscheiden van de drinkwaterleidingen;

7. een installatie die warm drinkwater in de zin van richtlijn 80/778/EEG in voldoende hoeveelheden levert;

8. een voorziening voor de hygiënische afvoer van afvalwater;

9. ten minste een wasgelegenheid alsmede toiletten met waterspoeling. Deze laatste mogen geen rechtstreekse toegang tot de werklokalen geven. De wasgelegenheid moet voorzien zijn van koud en warm stromend water of van vooraf op een passende temperatuur gemengd water, van was- en ontsmettingsmiddelen voor de handen alsmede van hygiënische voorzieningen voor het drogen van de handen. De wasgelegenheid moet zich in de nabijheid van de toiletten bevinden.

10. Afgezien van de algemene voorwaarden, moeten slachthuizen met een geringe capaciteit ten minste beschikken over:

11. Het is verboden in het slachtlokaal magen en darmen te ledigen en huiden, horens, klauwen en hoeven en varkenshaar op te slaan. Magen en darmen mogen in de slachtruimte worden schoongemaakt wanneer daar niet wordt geslacht.

12. Indien de mest niet iedere dag buiten het terrein van het slachthuis kan worden gebracht, moet deze opgeslagen worden op een duidelijk gescheiden plaats.

13. De in het slachtlokaal gebrachte dieren moeten onmiddellijk bedwelmd en geslacht worden.

14. Zieke of van ziekte verdachte dieren mogen niet in de inrichting worden geslacht, tenzij de hoofdinspecteur een afwijking op deze regel toestaat. In dat geval moet het slachten geschieden onder het toezicht van de hoofdinspecteur en moeten er maatregelen worden genomen om besmetting te voorkomen; de lokalen moeten speciaal worden gereinigd en ontsmet onder officieel toezicht alvorens opnieuw te worden gebruikt.

15. Een lokaal met een afsluitbare kast ten behoeve van de controledienst tijdens diens werkzaamheden.

1. Alleen kandidaten die kunnen aantonen dat zij met betrekking tot de in punt 3, a), van deze bijlage vermelde onderwerpen een door Onze Minister erkende theoretische opleiding, inclusief laboratoriumdemonstraties, hebben gevolgd van ten minste 400 uur en een praktijkdiploma onder toezicht van een keuringsdierenarts hebben gehad van ten minste 200 uur, mogen deelnemen aan het in artikel 8, derde lid, van dit besluit bedoelde examen. De praktijkopleiding wordt gegeven in slachthuizen, in uitsnijderijen, in koel- en vrieshuizen en in keuringsposten voor vers vlees.

2. Assistenten die voldoen aan de eisen van bijlage II bij richtlijn 71/118/EEG (PbEG L 55), mogen evenwel een opleidingscursus volgen waarvan het theoretische deel slechts 200 uur beslaat.

3. Het in artikel 8, derde lid, van dit besluit bedoelde examen omvat een theoretisch gedeelte en een praktijkgedeelte en heeft betrekking op de volgende onderwerpen:

VERKLARING INZAKE DE GEZONDHEID

Gekweekt grof wild dat van het bedrijf naar het slachthuis wordt vervoerd

RVV kring:......

lokatie:......

I Identificatie van de dieren

Diersoort:......

Aantal dieren:......

Identificatiemerk:......

II Herkomst van de dieren

Adres van bedrijf van herkomst:......

III Bestemming van de dieren

Deze dieren worden vervoerd naar onderstaand slachthuis:

......

met onderstaande vervoermiddelen:

......

IV Verklaring

Ondergetekende, officiële dierenarts, verklaart dat de hierboven vermelde dieren in eerder genoemd bedrijf een keuring vóór het slachten hebben ondergaan op om uur en gezond zijn bevonden.

Gedaan te ......

(handtekening van de officiële dierenarts)