U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 20-07-2005.

Ministeriële regeling · BWBR0007081

Erkenningsregeling snelheidsbegrenzers

Wijzigingen Officiële bron
Regeling houdende vaststelling regels erkenning tot het inbouwen van snelheidsbegrenzers in motorrijtuigen (Erkenningsregeling snelheidsbegrenzers)Erkenningsregeling snelheidsbegrenzersDe Minister van Verkeer en Waterstaat,

Gelet op de artikelen 100, 101, en 102 van de Wegenverkeerswet 1994 alsmede artikel 6.14 van het Voertuigreglement;

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Verkeer en Waterstaat, A.Jorritsma-Lebbink

De aanvrager van een erkenning moet beschikken over:

De aanvrager van een erkenning moet beschikken over een register waarvan de registerkaarten overeenkomen met het model zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling.

Onverminderd het bepaalde in de artikelen 5 en 6 moet de aanvrager van een erkenning dan wel het door hem aangewezen personeel beschikken over actuele kennis omtrent de in het kader van de erkenning te voeren merken snelheidsbegrenzer.

De aanvrager van een erkenning moet beschikken over een voorziening voor het door middel van datacommunicatie melden van de installatie aan de RDW. Deze voorziening moet geschikt zijn voor de toegangsstructuur van een door de Directeur geaccepteerd netwerk.

De installatie mag alleen worden uitgevoerd door de in artikel 5 bedoelde personen, waarvan de namen ingevolge artikel 6 zijn aangemeld bij de RDW.

De erkenninghouder draagt er zorg voor dat de bij hem in gebruik zijnde verzegelinrichting alsmede de aan hem verstrekte toegangscodes niet toegankelijk zijn voor onbevoegden.

Bij installatie mag slechts gebruik worden gemaakt van snelheidsbegrenzers die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 92/24/EEG en die voorzien zijn van een goedkeuringsmerk, zoals opgenomen in bijlage 4 bij deze regeling.

Onverminderd artikel 16, eerste lid, onder b, mag voor de installatie een verzegeling van het controleapparaat verbroken worden, mits het verbreken van deze verzegeling noodzakelijk is voor de aansluiting van de snelheidsbegrenzer op het controleapparaat.

De snelheidsbegrenzer moet worden afgesteld op de in artikel 5.3.15, derde lid, van het Voertuigreglement, bepaalde snelheid.

In de bestuurdersruimte moet op een duidelijk zichtbare plaats een installatieplaatje worden aangebracht waarop de ingestelde snelheid op onuitwisbare wijze is vermeld.

De erkenninghouder mag geen handelingen verrichten dan wel laten verrichten die er toe leiden dat de snelheidsbegrenzer, nadat het voertuig ingevolge artikel 23 bij de RDW is gemeld, niet langer op de voorgeschreven wijze is afgesteld of verzegeld.

De in dit hoofdstuk opgenomen regels ten aanzien van het toezicht op werkplaatsen zijn, voor zover niet anders bepaald, tevens van toepassing op het toezicht op mobiele installatie-eenheden.

Het bepaalde in de paragrafen 2 en 3 laat de bevoegdheid tot intrekking, wijziging en schorsing van de erkenning, zoals omschreven in artikel 103 van de wet, in andere gevallen dan de in paragrafen 2 en 3 beschreven gevallen, onverlet.

Onverminderd het bepaalde in artikel 24, derde lid, moet in het kader van het toezicht alle medewerking aan de daartoe aangewezen functionarissen van de RDW worden verleend. Hieronder wordt onder andere verstaan:

De door de Directeur aangegeven aanwijzingen moeten in acht worden genomen.

Nadat een erkenning is verleend wordt ten minste één maal per jaar door middel van een herschouwing onderzocht of de erkenninghouder alsmede de werkplaats nog voldoen aan de in hoofdstuk 2 opgenomen erkenningseisen en of de in hoofdstuk 4 opgenomen erkenningsvoorschriften worden nageleefd. Deze controle kan tevens plaatsvinden in het kader van een steekproef van het voertuig.

In geval van niet-naleving door de erkenninghouder van:

Op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling bestaande erkenningen als installateur van snelheidsbegrenzers die zijn verleend op basis van artikel 66, onderdeel ij, van het Wegenverkeersreglement, worden aangemerkt als te zijn verleend op grond van artikel 101 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag waarop de artikelen 100, 101 en 102 van de Wegenverkeerswet 1994 alsmede artikel 6.14 van het Voertuigreglement in werking treden.

Deze regeling wordt aangehaald als: Erkenningsregeling snelheidsbegrenzers.

Vervallen

Goedkeuringsmerk van een snelheidsbegrenzer

Het goedkeuringsmerk voor een snelheidsbegrenzer als bedoeld in artikel 15 bestaat uit:

Voorbeeld:

De cijfers 4 en 001241 zijn slechts bij wijze van voorbeeld aangegeven.

Het hierboven afgebeelde goedkeuringsmerk geeft aan dat de snelheidsbegrenzer in Nederland (e4) is goedgekeurd met als goedkeuringsnummer 001241.