U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-09-2002.
Wijzigingen Officiële bron
Regeling legitimatievoorschriften kentekenbewijzen en kentekenplatenRegeling legitimatievoorschriften kentekenbewijzen en kentekenplatenDe Minister van Verkeer en Waterstaat,

Gelet op artikel 50, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en de artikelen 25, eerste en tweede lid, 26, tweede lid, 28, tweede lid, 29, eerste lid, 30, tweede lid, 31, tweede lid, 32, tweede lid, 33, eerste lid, 36, tweede lid, 50 eerste lid, en 51 van het Kentekenreglement;

Besluit:

De Minister van Verkeer en Waterstaat, A.Jorritsma-Lebbink

Voor zover in deze regeling niet anders is bepaald, dient, indien in het kader van deze regeling een legitimatiebewijs als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, d, of e, wordt overgelegd, tevens een origineel en actueel de aanvrager betreffend gewaarmerkt afschrift van de benodigde gegevens uit de basisadministratie persoonsgegevens dat niet ouder is dan drie maanden, te worden overgelegd.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

De aanvraag van een schorsing, bedoeld in artikel 50 van het Kentekenreglement, de aanvraag van een nieuw deel II bij de opheffing van een schorsing, bedoeld in artikel 51 van het Kentekenreglement, alsmede de aanvraag van een vervangend deel II voor een deel II dat versleten of geheel of ten dele onleesbaar is, geschiedt overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 8a, 8b en 8c.

Indien de aanvraag wordt ingediend namens een natuurlijke persoon door een door deze gemachtigde, dienen bij de aanvraag de volgende documenten te worden overgelegd:

Indien de aanvraag wordt ingediend namens een rechtspersoon als bedoeld in artikel 50, vierde lid, van de wet, door een gemachtigde, dient bij de aanvraag een van de in artikel 2, eerste lid, onderdelen a tot en met e, genoemde legitimatiebewijzen van de gemachtigde te worden overgelegd.

Bij het overleggen van de in de artikelen 31, 32 en 33 van het Kentekenreglement bedoelde verklaring alsmede bij de aanvraag van een kentekenbewijs, bevattende een kenteken als bedoeld in artikel 4, zesde lid, van het Kentekenreglement, dient degene die de verklaring overlegt, een van de in artikel 2, eerste lid, genoemde legitimatiebewijzen over te leggen, met dien verstande dat:

Bij de verkrijging van kentekenplaten door een natuurlijk persoon worden overgelegd:

Bij de verkrijging van kentekenplaten door een rechtspersoon worden overgelegd:

Indien een erkend bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onder b, van het Kentekenreglement, verzoekt om verkrijging van kentekenplaten tegen overlegging van een nog niet te naamgesteld kentekenbewijs deel I, worden bij de verkrijging overgelegd:

De regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 6 december 1991, nr. RV 110015, Hoofddirectie van de Waterstaat (Stcrt. 244), houdende voorschriften legitimatie bij aanvraag kentekenbewijs, wordt ingetrokken.

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1995.

Deze regeling wordt aangehaald als:

Regeling legitimatievoorschriften kentekenbewijzen en kentekenplaten.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.