U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-01-2002.

Wet · BWBR0007125

Wet inzake de wisselkantoren

Wijzigingen Officiële bron
Wet van 15 december 1994, houdende bepalingen inzake de wisselkantorenWet inzake de wisselkantorenWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, ter bescherming van het financiële stelsel in Nederland en met het oog op het tegengaan van het witwassen van gelden en de uitvoering van de Wet identificatie bij financiële dienstverlening 1993 en de Wet melding ongebruikelijke transacties, wenselijk is te voorzien in een registratie van en een toezicht op wisselkantoren;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te ’s-Gravenhage15 december 1994BeatrixDe Minister van Financiën,G. ZalmDe Minister van Justitie,W. Sorgdragerde achtentwintigste december 1994De Minister van Justitie,W. Sorgdrager

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

De Bank voert de registratie van wisselkantoren en oefent toezicht uit op de wisselkantoren overeenkomstig de bepalingen van deze wet.

De Bank is bevoegd van ieder wisselkantoor dat onder de vrijstelling ingevolge artikel 5 valt of waaraan op grond van artikel 5 een ontheffing is verleend, inlichtingen te verlangen, voor zover dat redelijkerwijs nodig is om te controleren of dat wisselkantoor zich houdt aan de aan de vrijstelling of ontheffing verbonden voorschriften en gestelde beperkingen. Een wisselkantoor waarvan inlichtingen worden verlangd is verplicht deze binnen de door de Bank te stellen termijn te verstrekken.

De Bank is bevoegd bij iedere natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap, van welke de Bank vermoedt, dat zij een wisselkantoor in de zin van artikel 1 van deze wet is, alle inlichtingen in te winnen of te doen inwinnen, die redelijkerwijze geacht kunnen worden nodig te zijn om zulks te beoordelen. De natuurlijke persoon van wie en de rechtspersoon of vennootschap waarvan de Bank deze inlichtingen verlangt is verplicht deze binnen de door de Bank te stellen termijn te verstrekken.

De Bank kan, voorzover dat noodzakelijk is voor de uitoefening van haar taak, aan geregistreerde wisselkantoren aanbevelingen en algemene richtlijnen geven met betrekking tot de bedrijfsvoering en de administratieve organisatie, daaronder begrepen de financiële administratie en de interne controle.

Het is aan iedere financiële instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet identificatie bij financiële dienstverlening 1993, verboden om aan wisselkantoren waarop naar genoemde instelling weet of redelijkerwijs kan vermoeden het verbod van artikel 4, eerste lid, van toepassing is, financiële diensten te verlenen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van die wet.

Het is aan een ieder die uit hoofde van deze wet of van krachtens deze wet genomen besluiten enige taak vervult, verboden van gegevens of inlichtingen, ingevolge deze wet verstrekt, of van een instantie als bedoeld in artikel 20 verkregen, of van gegevens of inlichtingen, bij het onderzoek van boeken, bescheiden of andere gegevensdragers verkregen, verder of anders bekendheid te geven dan voor de uitoefening van zijn taak of door deze wet wordt geëist.

De Bank licht het meldpunt bedoeld in artikel 2 van de Wet melding ongebruikelijke transacties in, indien zij bij de uitoefening van haar bij deze wet opgelegde taak feiten ontdekt die duiden op witwassen of heling van geld.

In afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht is voor beroepen tegen besluiten op grond van deze wet de rechtbank te Rotterdam bevoegd.

Degene jegens wie door de Bank een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat hem wegens een overtreding een boete zal worden opgelegd, is niet verplicht ter zake daarvan enige verklaring af te leggen. Hij wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd.

De werkzaamheden in verband met het opleggen van een dwangsom of van een boete worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van de overtreding en het daaraan voorafgaande onderzoek.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Deze wet kan worden aangehaald als: Wet inzake de wisselkantoren.

Voor de overtredingen genoemd in tabel 1 en tabel 2, begaan na het tijdstip van inwerkingtreding van Hoofdstuk 5 A van deze wet, zijn de boetebedragen vastgesteld als volgt:

1. Indien een boete wordt opgelegd voor het overtreden van een bepaling als genoemd in tabel 11, is bij de vaststelling van de hoogte van deze boete de volgende categorie-indeling naar opbrengst respectievelijk balanstotaal van toepassing met de daarbij behorende factor2:

Categorie-indeling normgeadresseerden

Categorie I: geregistreerde wisselkantoren met een opbrengst van minder dan € 45 400; Factor: 0,25;

Categorie II: geregistreerde wisselkantoren met een opbrengst van ten minste € 45 400 maar minder dan € 90 800; Factor: 0,5;

Categorie III: geregistreerde wisselkantoren met een opbrengst van ten minste € 90 800 maar minder dan € 226 900, alsmede kredietinstellingen en financiële instellingen opgenomen in het register, bedoeld in artikel 52 van de Wet toezicht kredietwezen 1992, met een balanstotaal van minder dan € 45 378 000; Factor: 1;

Categorie IV: geregistreerde wisselkantoren met een opbrengst van ten minste € 226 900 maar minder dan € 453 800, alsmede kredietinstellingen en financiële instellingen opgenomen in het register, bedoeld in artikel 52 van de Wet toezicht kredietwezen 1992, met een balanstotaal van ten minste € 45 378 000 maar minder dan € 453 780 000; Factor: 2;

Categorie V: geregistreerde wisselkantoren met een opbrengst van ten minste € 453 800, alsmede kredietinstellingen en financiële instellingen opgenomen in het register, bedoeld in artikel 52 van de Wet toezicht kredietwezen 1992, met een balanstotaal van ten minste € 453 780 000 maar minder dan € 4 537 800.000; Factor: 3;

Categorie VI: kredietinstellingen en financiële instellingen opgenomen in het register, bedoeld in artikel 52 van de Wet toezicht kredietwezen 1992, met een balanstotaal van ten minste € 4 537 800.000 maar minder dan € 45 378 020.000; Factor: 4;

Categorie VII: kredietinstellingen en financiële instellingen opgenomen in het register, bedoeld in artikel 52 van de Wet toezicht kredietwezen 1992, met een balanstotaal van ten minste € 45 378 020.000; Factor: 5.

2. De boete wordt vastgesteld door het bedrag, bedoeld in artikel 1, te vermenigvuldigen met de factor behorende bij de categorie naar opbrengst respectievelijk balanstotaal, bedoeld in het eerste lid.

3. Indien de gegevens omtrent de opbrengst respectievelijk balanstotaal niet aan de Bank beschikbaar zijn gesteld, kan de Bank aan degene aan wie de boete wordt opgelegd verzoeken deze gegevens binnen een door hem te stellen termijn te verstrekken. Indien de betrokkene niet binnen de gestelde termijn voldoet aan dit verzoek, is bij de vaststelling van de hoogte van de boete categorie VII van toepassing.

Op grond van artikel 23e, tweede lid, behoeft de betrokkene niet in de gelegenheid te worden gesteld om naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de boete wordt opgelegd, indien het een overtreding betreft waarvoor tariefnummer 1 of 2 is vastgesteld.