Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, T. Netelenbos, van 17 oktober 1994, nr. 94041259/2508, directie Wetgeving en Juridische Zaken;
Gelet op de artikelen 51, derde en vierde lid, en 96c, tweede lid, van de Wet op het basisonderwijs, de artikelen E 29 en E 32 van de Overgangswet WBO, de artikelen 59, derde en vierde lid, en 93d, tweede lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs en artikel E 23 van de Overgangswet ISOVSO;
Gezien het advies van de Onderwijsraad (advies van 13 juni 1994, nr. OR 94000185/1 P);
De Raad van State gehoord (advies van 12 december 1994, nr. W05.94.0631);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, T. Netelenbos, van 9 januari 1995, nr. 94052368/2508, directie Wetgeving en Juridische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage13 januari 1995BeatrixDe Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,T. Netelenbosde negende februari 1995De Minister van Justitie,W. SorgdragerBevat wijzigingen in andere regelgeving.
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
Voor de dislocaties bedoeld in artikel 47e, tweede lid, onderdeel a, van het Bekostigingsbesluit WBO/OWBO die buiten gebruik zijn gesteld in de periode van 1 mei 1991 tot het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, wordt artikel 47e, tweede lid, onderdeel a, van het Bekostigingsbesluit WBO/OWBO als volgt gelezen:
- a.
indien het betreft een dislocatie die niet op hetzelfde terrein ligt als het hoofdgebouw:
- 1°.
op het tijdstip dat is gelegen 4 jaar na aanvang van de in het eerste lid bedoelde vergoeding, of
- 2°.
indien de dislocatie opnieuw voor een school of voor ander onderwijs wordt gebruikt en de terzake geldende regeling voorziet in een vergoeding voor de stichtingskosten ten laste van ’s Rijks kas die een aanvang neemt vóór het onder 1° bedoelde tijdstip, op het tijdstip waarop die vergoeding een aanvang neemt;
- 1°.
Voor de dislocaties bedoeld in artikel 39d, tweede lid, onderdeel a, van het Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO die buiten gebruik zijn gesteld in de periode van 1 mei 1991 tot het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit wordt artikel 39d, tweede lid, onderdeel a, van het Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO als volgt gelezen:
- a.
indien het betreft een dislocatie die niet op hetzelfde terrein ligt als het hoofdgebouw:
- 1°.
op het tijdstip dat is gelegen 4 jaar na aanvang van de in het eerste lid bedoelde vergoeding, of
- 2°.
indien de dislocatie opnieuw voor een school of voor ander onderwijs wordt gebruikt en de terzake geldende regeling voorziet in een vergoeding voor de stichtingskosten ten laste van ’s Rijks kas die een aanvang neemt vóór het onder 1° bedoelde tijdstip, op het tijdstip waarop die vergoeding een aanvang neemt;
- 1°.
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip en werkt terug wat betreft de artikelen I, II, III, onderdeel B, en IV, onderdeel B, tot en met 1 mei 1993.
Laatstbedoeld besluit wordt niet genomen voordat vier weken zijn verstreken nadat het onderhavige besluit is overgelegd aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal en gedurende die termijn niet door of namens de Tweede Kamer de wens wordt te kennen gegeven dat het in het onderhavige besluit geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld.