U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-01-2002.

Wet · BWBR0007333

Algemene bijstandswet

Wijzigingen Officiële bron
Wet van 12 april 1995, houdende herinrichting van de Algemene BijstandswetAlgemene bijstandswetWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut ! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter vereenvoudiging en verduidelijking van de regelgeving en ter versterking van de verantwoordelijkheid der gemeenten voor de verlening van bijstand gewenst is te komen tot een herinrichting van de Algemene Bijstandswet (Stb. 1973, 395) en de daarop berustende nadere regels en daartoe een nieuwe Algemene bijstandswet vast te stellen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te ’s-Gravenhage12 april 1995 Beatrix De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, A. P. W. Melkert de dertiende april 1995 De Minister van Justitie a.i., H. F. Dijkstal

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Een persoon van 18, 19 of 20 jaar heeft slechts recht op bijzondere bijstand voor zover zijn noodzakelijke kosten van het bestaan uitgaan boven de toepasselijke bijstandsnorm en hij voor deze kosten geen beroep kan doen op zijn ouders, omdat:

Vervallen

In ieder geval worden niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan gerekend kosten met betrekking tot:

Burgemeester en wethouders dragen zorg voor voorlichting en bemiddeling ten behoeve van de belanghebbende die noodzakelijk zijn voor de inschakeling van een voorliggende voorziening.

Tenzij in deze wet anders is bepaald wordt de bijstand verleend om niet.

Bijstand kan eveneens worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht indien:

De bijstand die met toepassing van artikel 74 bij wijze van voorschot wordt verleend, heeft de vorm van een renteloze geldlening.

De bijstand die met toepassing van artikel 144a wordt verleend heeft voorlopig de vorm van een renteloze geldlening. Het bepaalde bij en krachtens artikel 23, tweede lid, is op deze geldlening van overeenkomstige toepassing.

Deze afdeling is niet van toepassing op bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal.

Indien een van de gehuwden geen recht op algemene bijstand heeft, is voor de rechthebbende echtgenoot de bijstandsnorm gelijk aan de bijstandsnorm die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.

Burgemeester en wethouders kunnen voor gehuwden, waarvan beide echtgenoten jonger zijn dan 65 jaar, de bijstandsnorm verlagen voor zover de belanghebbenden lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander.

Burgemeester en wethouders zijn bij de toepassing van artikel 39, eerste lid, bevoegd om voor de daar bedoelde kosten geheel of gedeeltelijk geen bijstand te verlenen voor zover deze kosten over een periode van twaalf maanden een bedrag van f 183 per 1 januari 2002: € 104,00 niet te boven gaan.

Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Tot de middelen, bedoeld in de eerste zin, behoort in elk geval de ten aanzien van de alleenstaande of het gezin toepasselijke heffingskorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

Bij de vaststelling van de middelen worden giften van instellingen en personen niet in aanmerking genomen voor zover dit, gezien de bestemming en de hoogte van de giften, uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is.

Onze Minister stelt regels voor het in aanmerking nemen van de aanspraak op vakantietoeslag over een inkomen.

Indien de alleenstaande, de alleenstaande ouder of een van de echtgenoten 65 jaar of ouder is, wordt voor de vaststelling van de hoogte van de bijstand een in de vorm van een periodieke uitkering ontvangen particuliere oudedagsvoorziening buiten beschouwing gelaten tot een bedrag van:

De in artikel 52, eerste lid, onderdeel b en c, bedoelde vermogensgrens is:

Onze Minister herziet de bedragen genoemd in artikel 30, tweede lid, met ingang van de dag waarop het netto ouderdomspensioen en de daarbij behorende vakantie-uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet wijzigen, met het percentage van die wijziging.

Onze Minister herziet met ingang van de dag waarop de som van de budgetten voor levensonderhoud, genoemd in artikel 3.2, eerste lid, onderdeel a, van de Wet studiefinanciering 2000 en het bedrag dat op grond van artikel 3.29, eerste lid, van die wet wordt verstrekt aan een studerende die ten onrechte over een kalendermaand geen reisvoorziening ontvangt, de in artikel 48, tweede lid, genoemde bedragen zodanig dat deze gelijk zijn aan deze som.

Onze Minister herziet, met ingang van 1 januari van elk kalenderjaar, met de procentuele stijging van het prijsindexcijfer voor de gezinsconsumptie, de in artikel 49 en artikel 54 genoemde bedragen.

Onze Minister stelt het in artikel 45, tweede lid, genoemde percentage zodanig vast dat dit gelijk is aan het bedrag dat voor personen jonger dan 65 jaar over de algemene bijstand verschuldigd is aan loonbelasting en premies volksverzekeringen, uitgedrukt als een percentage van de algemene bijstand verhoogd met deze loonbelasting en premies.

De algemene bijstand wordt uitbetaald aan ieder van de rechthebbende echtgenoten voor de helft dan wel op hun gezamenlijk verzoek aan een van hen voor het geheel.

Ingeval van overlijden van een van de echtgenoten, van de alleenstaande ouder of van het laatste ten laste komende kind van de alleenstaande ouder, wordt de algemene bijstand tot en met één maand na de dag van het overlijden, betaald naar de op het moment van overlijden van toepassing zijnde bijstandsnorm aan de andere echtgenoot, de ten laste komende kinderen, onderscheidenlijk de gewezen alleenstaande ouder.

In afwijking van artikel 78 kunnen burgemeester en wethouders, onder voorwaarden die Onze Minister kan stellen, besluiten van terugvordering af te zien indien het terug te vorderen bedrag een door Onze Minister vast te stellen bedrag niet te boven gaat.

Indien ten aanzien van een tot het gezin behorende persoon toepassing is gegeven aan artikel 13, vierde lid, wordt het verschil tussen de verleende bijstand en de bijstand welke, zonder die toepassing, als gezinsbijstand zou zijn verleend, teruggevorderd van de in artikel 13, tweede lid, bedoelde personen naar de mate waarin met hun middelen bij de verlening van gezinsbijstand rekening zou zijn gehouden.

Burgemeester en wethouders vorderen een ingevolge artikel 74 verleend voorschot terug van de belanghebbende voor zover zij na onderzoek vaststellen dat over de betrokken periode geen recht op bijstand bestaat.

Kosten van bijstand worden van de belanghebbende teruggevorderd voor zover:

Vervallen

Onder kosten van bijstand in de zin van deze paragraaf wordt verstaan de door de gemeente betaalde bijstand verhoogd met de loonbelasting en de premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de bijstand verstrekt krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, alsmede met de ziekenfondspremie, voor zover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de belastingdienst en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Vervallen

Kosten van bijstand worden tot de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek verhaald:

Een overeenkomst waarbij echtgenoten of gewezen echtgenoten hebben bepaald dat na echtscheiding, scheiding van tafel en bed of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed, de een tegenover de ander in het geheel niet dan wel slechts tot een bepaald bedrag tot een uitkering tot diens levensonderhoud zal zijn gehouden, al dan niet met het beding bedoeld in artikel 159 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, staat niet in de weg aan verhaal op een der partijen en laat de vaststelling van het te verhalen bedrag onverlet.

Bij de beoordeling van het bestaan van het verhaalsrecht als bedoeld in artikel 93 of 94 en de omvang van het te verhalen bedrag wordt rekening gehouden met de maatstaven die gelden en de omstandigheden die van belang zijn in het geval dat de rechter dient te beslissen over de vraag of en, zo ja, tot welk bedrag een uitkering tot levensonderhoud na echtscheiding, scheiding van tafel en bed of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed zou moeten worden toegekend.

Degene op wie verhaal wordt gezocht is verplicht desgevraagd aan burgemeester en wethouders de inlichtingen te verstrekken die voor verhaal ingevolge dit hoofdstuk van belang zijn.

Deartikelen 14f, achtste en negende lid, 89 en 90 zijn met betrekking tot het verhaal van kosten van bijstand van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat artikel 479e, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing is.

Naast de verplichtingen die ingevolge dit hoofdstuk in elk geval aan de bijstand verbonden zijn, dan wel daaraan door burgemeester en wethouders verbonden dienen te worden, kunnen burgemeester en wethouders vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 68a, tweede lid, verplichtingen opleggen die strekken tot inschakeling in de arbeid in dienstbetrekking of in eigen bedrijf of zelfstandig beroep, dan wel die verband houden met aard en doel van een bepaalde vorm van bijstand of die strekken tot zijn vermindering of beëindiging. Een verplichting kan, op advies van een arts, inhouden het zich onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische aard.

De verplichting tot het instellen van een vordering tot toekenning van een uitkering tot levensonderhoud kan, onverminderd artikel 108a, slechts aan de bijstand worden verbonden, indien het betreft een uitkering ten laste van de echtgenoot, de gewezen echtgenoot of de ouder, indien:

Indien ten aanzien van de belanghebbende een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud verschuldigd krachtens Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek die uitvoerbaar is, niet wordt nagekomen, kunnen burgemeester en wethouders aan de bijstand verplichtingen verbinden die er toe strekken dat de belanghebbende aan de tenuitvoerlegging van de uitspraak meewerkt.

Indien en zolang er, vanwege het bestaan of dreigen van schulden, gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de belanghebbende zonder hulp niet in staat is tot een verantwoorde besteding van zijn bestaansmiddelen, kunnen burgemeester en wethouders aan de bijstand de verplichting verbinden dat de belanghebbende er aan meewerkt dat zij in diens naam noodzakelijke betalingen uit de toegekende bijstand verrichten.

Burgemeester en wethouders verbinden aan de verlening van bijstand aan een belanghebbende zonder adres als bedoeld in artikel 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens de verplichting dat hij aangifte doet van een door hen ter beschikking gesteld briefadres als bedoeld in artikel 1 van die wet.

Burgemeester en wethouders kunnen de belanghebbende die deelneemt aan activiteiten die bijdragen tot sociale activering als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a, van de Wet inschakeling werkzoekenden, ontheffing verlenen van de verplichting, bedoeld in artikel 113, eerste lid, onder a, voor ten hoogste de duur van die activiteiten.

Vervallen

De uitvoering van deze wet berust bij burgemeester en wethouders.

Burgemeester en wethouders dragen zorg voor een doeltreffende voorlichting in de gemeente aangaande de verlening van bijstand.

Burgemeester en wethouders zijn verplicht, indien zij bij de uitvoering van deze wet het gegronde vermoeden krijgen van een misdrijf dat is gepleegd ten nadele van een uitvoeringsorgaan van de sociale verzekeringswetten of van een overheidsorgaan, voorzover dit is belast met het verrichten van uitkeringen, het doen van verstrekkingen dan wel het heffen van bijdragen, het betrokken orgaan hiervan in kennis te stellen.

Ten behoeve van het gebruik van het sociaal-fiscaalnummer in de in artikel 117 bedoelde administratie kent Onze Minister van Financiën, in overeenstemming met Onze Minister, aan de uitkeringsgerechtigden die niet reeds ten behoeve van de belastingheffing bij de rijksbelastingdienst zijn geregistreerd, een sociaal-fiscaalnummer toe.

Vervallen

Onze Minister kan aan burgemeester en wethouders, nadat zij gedurende acht weken in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze naar voren te brengen, aanwijzingen geven met betrekking tot een goede uitvoering van deze wet. Hij treedt daarbij niet in de besluitvorming inzake individuele gevallen.

Burgemeester en wethouders zijn verplicht ten behoeve van de statistiek gegevens inzake de uitvoering van deze wet te verzamelen en kosteloos te verstrekken volgens door Onze Minister te stellen regels.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Voor de toepassing van artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt met een besluit gelijkgesteld het nalaten van een handeling die strekt tot uitvoering van het besluit inzake de verlening of terugvordering van bijstand of het verrichten van een handeling die afwijkt van dat besluit.

Vervallen

In afwijking van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechter in beroep of hoger beroep het bedrag waarop de boete is vastgesteld ook ten nadele van de belanghebbende wijzigen.

Vervallen

Het recht tot strafvordering vervalt indien burgemeester en wethouders aan de belanghebbende ter zake van hetzelfde feit reeds een boete hebben opgelegd.

Vervallen

Vervallen

Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zendt binnen 4 jaar na de inwerkingtreding van deze wet, en vervolgens telkens na 4 jaar, aan de Staten Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet of onderdelen daarvan in de praktijk.

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.

Deze wet kan worden aangehaald als: Algemene bijstandswet.