Wet · BWBR0007791
Wet privatisering ABP
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de verantwoordelijkheid voor de pensioenen van het overheidspersoneel in handen te leggen van de betrokken sociale partners en met het oog daarop het Algemeen burgerlijk pensioenfonds om te vormen tot een privaatrechtelijk pensioenfonds waarop de Pensioen- en spaarfondsenwet van toepassing is, alsmede dat in verband daarmee een voorziening dient te worden getroffen inzake de arbeidsongeschiktheidsverzekering van dat personeel;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage21 december 1995BeatrixDe Minister van Binnenlandse Zaken,H. F. DijkstalDe Staatssecretaris van Defensie,J. C. Gmelich MeijlingDe Minister van Financiën,G. Zalmde zevenentwintigste december 1995De Minister van Justitie,W. SorgdragerIn deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- a.
vervallen;
- b.
ABP: het Algemeen burgerlijk pensioenfonds, bedoeld in artikel L 1 van de Abp-wet;
- c.
Abp-wet: de Algemene burgerlijke pensioenwet;
- d.
vervallen;
- e.
ambtenaar: de ambtenaar, bedoeld in de artikelen B 1, B 2 en B 3 van de Abp-wet, alsmede degene die ambtenaar is ingevolge de krachtens artikel B 7, onderdeel b, van de Abp-wet gestelde regels, zoals deze luidden op 31 december 1995;
- f.
Amp-wet: de Algemene militaire pensioenwet;
- g.
B 3-lichaam: een privaatrechtelijk lichaam dat op 31 december 1995, op grond van artikel B 3 van de Abp-wet, was aangewezen of op grond van artikel U 2 van de Abp-wet geacht werd te zijn aangewezen als lichaam waarvan het personeel geheel of ten dele ambtenaar in de zin van de Abp-wet is;
- h.
vervallen;
- i.
vervallen;
- j.
nettopensioen: het nettopensioen, bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet;
- k.
Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
- l.
overheidspersoneel: de overheidswerknemers en de militairen, bedoeld in artikel A 1, eerste lid, van de Amp-wet, alsmede degenen die ingevolge het tweede lid van dat artikel daaronder worden begrepen, met inachtneming van artikel A 4 van die wet;
- m.
overheidswerkgever: ieder gezag of bestuur dat bevoegd is tot aanstelling of indienstneming en ontslag van een overheidswerknemer en voor de toepassing van de paragrafen 4, 9 en 10 de Stichting tot verzorging van de pensioenen van het personeel van de Koninklijke Hofhouding van het Huis van Oranje-Nassau;
- n.
overheidswerknemer: de overheidswerknemer, bedoeld in artikel 2;
- o.
vervallen;
- p.
de ROP: de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid;
- q.
sectorwerkgever:
- 1°.
van het personeel dat werkzaam is in de sector Rijk: Onze Minister;
- 2°.
van het personeel dat werkzaam is in de sector Defensie: Onze Minister van Defensie;
- 3°.
van het personeel dat werkzaam is in de sector Politie: Onze Minister van Justitie en Veiligheid;
- 4°.
van het personeel dat werkzaam is in de sector Rechterlijke Macht: Onze Minister van Justitie en Veiligheid;
- 5°.
van het personeel dat werkzaam is in de sector Gemeenten: de Vereniging van Nederlandse Gemeenten;
- 6°.
van het personeel dat werkzaam is in de sector Provincies: het Interprovinciaal Overleg;
- 7°.
van het personeel dat werkzaam is in de sector Waterschappen: de Vereniging werken voor waterschappen;
- 8°.
van personeel dat niet werkzaam is in een van de onder 1° tot en met 7° genoemde sectoren: (a). de sectorwerkgever van de sector waartoe de instelling waarbij het desbetreffende personeel werkzaam is, wordt gerekend, gelet op de aard van de werkzaamheid van die instelling, de arbeidsvoorwaarden of de financiële verhouding met een of meer overheids- of onderwijsinstellingen, of (b). de sectorwerkgever van de door Onze Minister aangewezen sector, of (c). een door Onze Minister aangewezen, met de onder 1° tot en met 7° genoemde sectorwerkgevers gelijk te stellen, ander gezag of andere instantie.
- 1°.
Overheidswerknemer in de zin van deze wet is degene die:
- a.
bij een publiekrechtelijk lichaam is aangesteld of in dienst is genomen op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht en die deswege bezoldigd of beloond wordt rechtstreeks ten laste van een publiekrechtelijk lichaam;
- b.
in dienst is van een privaatrechtelijk lichaam dat zich het geven van onderwijs aan instellingen als bedoeld in dit onderdeel ten doel stelt, bezoldigd of beloond wordt rechtstreeks ten laste van dat lichaam en uit dien hoofde werkzaam is aan:
- 1°.
een Nederlandse bijzondere instelling van wetenschappelijk onderwijs, een bijzondere instelling voor hoger beroepsonderwijs, een school, cursus, opleiding of andere instelling voor bijzonder onderwijs, indien de personeelskosten hiervan voor ten minste 51 procent door de overheid worden vergoed ingevolge een regeling houdende voorwaarden voor bekostiging, toegepast of tot stand gekomen onder verantwoordelijkheid van Onze Minister onder wiens departement de instelling ressorteert;
- 2°.
een Nederlandse bijzondere instelling voor hoger beroepsonderwijs, een school, cursus, opleiding of andere instelling voor bijzonder onderwijs, die ingevolge wettelijke bepaling door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zijn aangewezen als bevoegd om aan de studenten of leerlingen op grond van met gunstig gevolg afgelegde examens dezelfde diploma’s of getuigschriften uit te reiken als die uitgereikt worden door overeenkomstige door de overheid bekostigde instellingen;
- 3°.
een Nederlandse bijzondere basisschool of bijzondere speciale school voor basisonderwijs, een Nederlandse school voor bijzonder speciaal onderwijs of bijzonder voortgezet speciaal onderwijs, of een Nederlandse school of instelling voor bijzonder speciaal en voortgezet speciaal onderwijs - anders dan bedoeld onder 1° - waarvan het schoolwerkplan blijkens een door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan het privaatrechtelijk lichaam op verzoek afgegeven beschikking voldoet aan het bij of krachtens de Wet op het primair onderwijs of de Wet op de expertisecentra bepaalde omtrent onderwijsactiviteiten of vakken, en aantal lesuren, voor zo lang dat lichaam voldoet aan de in deze beschikking op te nemen voorwaarden en bedingen;
- 1°.
- c.
in dienst is van een privaatrechtelijk lichaam dat zich het verlenen van ondersteuning van volwasseneneducatie ten doel stelt, bezoldigd of beloond wordt rechtstreeks ten laste van dat lichaam en uit dien hoofde werkzaam is aan een privaatrechtelijke ondersteuningsinstelling, waarvan de personeelskosten voor ten minste 51 procent door de overheid worden vergoed;
- d.
in dienst is van een privaatrechtelijk lichaam als bedoeld in artikel 68 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 69 van de Wet op de expertisecentra en artikel 3.34 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, waarvan de personeelskosten voor ten minste 51 procent ten laste van de overheidskassen door de scholen worden bekostigd;
- e.
in dienst van een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs en in dienst is van een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;
- f.
in dienst is van een B 3-lichaam;
- g.
die op 31 december 1995 ambtenaar in de zin van de Abp-wet is ingevolge artikel U 1 van die wet, dan wel op grond van artikel 65 van de Organisatiewet sociale verzekeringen, zoals dat artikel luidde op 31 december 1994, en wiens dienstverband op 1 januari 1996 niet is beëindigd.
In afwijking van het eerste lid zijn geen overheidswerknemer:
- a.
personen waarvan de dienstverhouding is ingegaan op of na het tijdstip waarop zij de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet hebben bereikt;
- b.
ministers, staatssecretarissen, gedeputeerden, wethouders en de Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
- c.
voorzitters en leden van besturen van waterschappen, tenzij de aan hun functie verbonden werkzaamheden een dagtaak vormen en zij deswege bezoldigd of beloond worden rechtstreeks ten laste van het waterschap;
- d.
voorzitters en leden van besturen van andere publiekrechtelijke lichamen dan in onderdeel c genoemd, wier functie overwegend een vertegenwoordigend karakter draagt, tenzij de aan hun functie verbonden werkzaamheden een dagtaak vormen en zij deswege bezoldigd of beloond worden rechtstreeks ten laste van een publiekrechtelijk lichaam, niet zijnde een openbaar lichaam voor beroep en bedrijf als bedoeld in artikel 134 van de Grondwet;
- e.
de gouverneurs van Aruba, Curaçao en Sint Maarten;
- f.
vervallen;
- g.
personen in dienst van de openbare lichamen voor beroep en bedrijf bedoeld in artikel 134 van de Grondwet;
- h.
personen in dienst van de Nederlandse Organisatie voor toegepast natuurwetenschappelijk onderzoek (T.N.O.);
- i.
de Nationale ombudsman en substituut-ombudsmannen;
- j.
de personen en groepen van personen die bij door Onze Minister te stellen regels, welke regels in overeenstemming met het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP worden vastgesteld, op grond van hun bijzondere arbeidsvoorwaarden of de bijzondere aard van hun werkzaamheden zijn aangewezen;
- k.
personen in dienst van een B 3-instelling ten aanzien van wie bij de aanwijzing, bedoeld in artikel B 3 van de Abp-wet, is bepaald dat zij geen ambtenaar in de zin van die wet zijn;
- l.
personen in dienst van een B 3-instelling waarvan de aanwijzing op of na 1 januari 1996 is of wordt ingetrokken, met ingang van de datum van die intrekking.
Tevens wordt als overheidswerknemer aangemerkt degene die in dienst is van:
- a.
de Stichting Pensioenfonds ABP;
- b.
een privaatrechtelijk lichaam dat tussen 31 december 1995 en het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van de Wet privatisering ABP in verband met de wijziging van de aanwijzingsvoorwaarden voor deelneming in het ABP (Stb. 2001, 537) door Onze Minister op grond van de doelstelling en financiële verhouding tot een of meer publiekrechtelijke lichamen is aangewezen als lichaam waarvan de werknemers deelnemen in de Stichting Pensioenfonds ABP of dat daartoe vóór het genoemde tijdstip van inwerkingtreding het verzoek had gedaan;
- c.
een privaatrechtelijk lichaam, waarvan de arbeidsvoorwaarden van de werknemers van dat lichaam overeenkomen met de arbeidsvoorwaarden van het personeel dat werkzaam is in een van de sectoren genoemd in artikel 1, onder q, onderdeel 1 tot en met 8, dat tussen 16 november 2001 en het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van de Wet privatisering ABP in verband met het schrappen van de aanwijzingsbevoegdheid om een privaatrechtelijk lichaam als lichaam waarvan de werknemers deelnemen in de Stichting Pensioenfonds ABP (Stb. 2014, 143), door Onze Minister is aangewezen als lichaam waarvan de werknemers deelnemen in de Stichting Pensioenfonds ABP.
Onze Minister kan in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bij ministeriële regeling bepalen dat onderdelen van de arbeidsvoorwaarden van de werknemers en onderdelen van de arbeidsvoorwaarden van een sector, voor de vergelijking die volgt uit de toepassing van het derde lid, onder c, buiten beschouwing blijven.
Voor de toepassing van de paragrafen 4, 9 en 10, alsmede van artikel 57 wordt tevens als overheidswerknemer aangemerkt degene die behoort tot het personeel van de Koninklijke Hofhouding, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet gevolgen privatisering ABP voor het personeel van de Koninklijke Hofhouding.
Een aanwijzing op grond van artikel B 3 van de Abp-wet wordt aangemerkt als een aanwijzing ingevolge artikel 2, derde lid, onderdeel b.
Onze Minister kan, gehoord het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP en de Nederlandsche Bank N.V., een aanwijzing uiterlijk voor het tijdstip, bedoeld in artikel 21, derde lid, intrekken indien het lichaam niet meer voldoet aan een of meer van de gestelde voorwaarden of aan de eisen als bedoeld in artikel 2, derde lid, onder b, onderscheidenlijk c.
Indien aan het vijfde lid toepassing wordt gegeven, is artikel 22, derde lid, van overeenkomstige toepassing.
De aanspraken van overheidswerknemers, gewezen overheidswerknemers en hun nagelaten betrekkingen ter zake van pensioenen, alsmede hun daarmee samenhangende verplichtingen, worden neergelegd in een overeenkomst naar burgerlijk recht.
De meerderheid van de sectorwerkgevers en de meerderheid van de centrales van overheidspersoneel, verenigd in de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid, zijn na 1 januari 1997 bevoegd tot het wijzigen of vervangen van de in het eerste lid bedoelde overeenkomst.
De overheidswerkgevers en overheidswerknemers zijn gebonden aan de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, en verplicht tot naleving van hetgeen te hunnen aanzien is bepaald in de statuten en reglementen van het pensioenfonds of in een uitvoeringsovereenkomst als bedoeld in de Pensioenwet, gesloten met een verzekeraar.
Van de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, alsmede van een wijziging of vervanging daarvan, bedoeld in het derde lid, wordt door Onze Minister in de Staatscourant mededeling gedaan. De overeenkomst, een wijziging en een vervanging daarvan treden niet eerder in werking dan met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin daarvan mededeling is gedaan.
Indien de sectorwerkgever en de meerderheid van de binnen de desbetreffende sector representatieve verenigingen van overheidspersoneel of centrales van overheidspersoneel gezamenlijk daartoe besluiten, kan, na intrekking van de verplichte deelneming overeenkomstig artikel 21, derde lid, de overeenkomst, bedoeld in artikel 4, eerste lid, voor zover deze de eigen sector betreft, worden gesloten door die sectorwerkgever en de meerderheid van die verenigingen van overheidspersoneel of centrales van overheidspersoneel.
In overeenstemming met de desbetreffende sectorwerkgever en na het advies van de ROP hieromtrent te hebben ontvangen, bepaalt Onze Minister of een vereniging van overheidspersoneel die niet is aangesloten bij een centrale van overheidspersoneel, representatief is in een of meerdere sectoren.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de bevoegdheid met ingang van het tijdstip, bedoeld in artikel 21, derde lid, tot het sluiten van de in artikel 4, eerste lid, bedoelde overeenkomst ten aanzien van B 3-lichamen en privaatrechtelijke lichamen als bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b, die met ingang van 1 januari 1996 of een latere datum tot de Stichting Pensioenfonds ABP zijn toegetreden.
De Stichting Pensioenfonds ABP heeft tot doel om als bedrijfstakpensioenfonds als bedoeld in de Pensioenwet werkzaam te zijn ten behoeve van overheid, onderwijs en daarmee gelieerde privaatrechtelijke lichamen.
In de statuten van de Stichting Pensioenfonds ABP kan worden bepaald dat de stichting een ruimere doelstelling heeft dan die, bedoeld in het eerste lid.
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
De overheidswerknemers zijn verplicht deel te nemen in de Stichting Pensioenfonds ABP tot het bedrag dat op grond van artikel 18ga, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 tot het pensioengevend loon behoort.
De Stichting Pensioenfonds ABP heeft tot taak op verzoek van:
- a.
de sectorwerkgever, of
- b.
de overheidswerkgever, die overheidswerknemers in dienst heeft als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder f, en derde lid, onder b, en c, vrijstelling voor het nettopensioen te verlenen van de nettopensioenregeling van de Stichting Pensioenfonds ABP of de verleende vrijstelling in te trekken. De Stichting Pensioenfonds ABP stelt de voorwaarden waaronder de vrijstelling wordt verleend of wordt ingetrokken vast, met dien verstande dat de aanspraken op een niet bij de Stichting Pensioenfonds ABP afgesloten regeling voor het nettopensioen ten minste gelijkwaardig zijn aan die van de Stichting Pensioenfonds ABP.
De onder a en b genoemde werkgevers zijn zonder vrijstelling verplicht de nettopensioenregeling van de Stichting Pensioenfonds ABP aan de overheidswerknemers aan te bieden.
Op een bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, nader te bepalen tijdstip is de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 van toepassing. De verplichte deelneming in de Stichting Pensioenfonds ABP ingevolge het eerste lid wordt met ingang van die datum aangemerkt als een verplichte deelneming ingevolge de in de eerste volzin genoemde wet, welke deelneming alsdan met inachtneming van de in artikel 22, derde lid, geregelde voorwaarden of van artikel 23, tweede lid, overeenkomstig laatstbedoelde wet en de op basis daarvan gestelde regels kan worden gewijzigd of ingetrokken.
In afwijking van het derde lid zijn de artikelen 5, 6, 7, 14 en de daarop berustende ministeriële regeling, 17, 18, 19, 20, 39, zesde lid en 39a van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 van overeenkomstige toepassing met ingang van de datum waarop die wet in werking treedt tot het tijdstip bedoeld in het derde lid.
Tot het tijdstip, bedoeld in artikel 21, derde lid, kan, op het gezamenlijk verzoek van het bestuur van een B 3-lichaam of een privaatrechtelijk lichaam dat ingevolge artikel 2, derde lid, onderdeel b, is aangewezen als lichaam waarvan de werknemers deelnemen in de Stichting Pensioenfonds ABP, en het personeel van dat lichaam, die aanwijzing door Onze Minister worden ingetrokken.
Het verzoek tot intrekking, bedoeld in het eerste lid, kan namens het personeel worden gedaan door de organisaties die het betrokken personeel vertegenwoordigen in het arbeidsvoorwaardenoverleg.
Intrekking van de aanwijzing, bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b, vindt slechts plaats indien de pensioenaanspraken van:
- a.
de werknemers van het betrokken lichaam;
- b.
de gewezen werknemers van het betrokken lichaam, voor zover zij na hun ontslag niet in dienst zijn getreden van een ander lichaam als bedoeld in artikel 2 of van een lichaam dat op basis van vrijwilligheid is aangesloten bij de Stichting Pensioenfonds ABP, dan wel hun pensioenaanspraken tegenover het ABP of de Stichting Pensioenfonds ABP geheel teniet zijn gegaan ten gevolge van waarde-overdracht;
- c.
de gepensioneerde, gewezen werknemers van het betrokken lichaam;
- d.
de nabestaanden van de in de onderdelen a, b en c bedoelde werknemers;
door middel van collectieve waardeoverdracht worden ondergebracht bij een andere pensioenuitvoerder als bedoeld in de Pensioenwet, op zodanige wijze dat wordt voldaan aan de in die wet aan de collectieve waardeoverdracht gestelde eisen.
Op het gezamenlijke verzoek van de sectorwerkgever en de meerderheid van de binnen de desbetreffende sector representatieve verenigingen van overheidspersoneel of centrales van overheidspersoneel kan de verplichte deelneming van de desbetreffende sector in de Stichting Pensioenfonds ABP door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid worden ingetrokken met ingang van een datum die niet voor het tijdstip, bedoeld in artikel 21, derde lid, is gelegen.
Het derde lid van artikel 22 is van overeenkomstige toepassing.
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Voor de toepassing van de Pensioenwet wordt de Stichting Verbond Sectorwerkgevers Overheid aangemerkt als werkgeversvereniging.
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
Vervallen
Vervallen
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
Wijzigt deze wet.
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
Het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP verstrekt aan Onze Minister de statistische informatie die deze nodig heeft in verband met zijn bestuurlijke verantwoordelijkheid voor het overheidspersoneelsbeleid.
Over deze informatieverstrekking worden door Onze Minister en het bestuur nadere afspraken gemaakt.
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Deze wet treedt wat betreft de artikelen 4, tweede en zesde lid, 6, 10 tot en met 16, 17, derde lid, 24, derde lid, 25 tot en met 31, 46, 48 en 53 in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en werkt wat deze artikelen betreft terug tot en met 1 augustus 1995.
De overige artikelen van deze wet treden in werking met ingang van 1 januari 1996.
Deze wet wordt aangehaald als: Wet privatisering ABP.