Regeling · BWBR0007831

Verordening op de praktijkrechtspersoon

Wijzigingen Officiële bron
Verordening op de praktijkrechtspersoonVerordening op de praktijkrechtspersoon Het College van Afgevaardigden van de Nederlandse Orde van Advocaten;

Overwegende;

dat het gewenst is gebleken nieuwe regels te stellen met betrekking tot de praktijkuitoefening in het verband van een rechtspersoon;

Gelet op artikel 28 van de Advocatenwet;

Gelet op het ontwerp van de Algemene Raad met bijbehorende toelichting;

Stelt de navolgende verordening vast:

In deze verordening wordt verstaan onder:

Het is de advocaat niet toegestaan de praktijk uit te oefenen in het verband van een praktijkrechtspersoon indien daardoor de vrijheid en onafhankelijkheid in de uitoefening van zijn beroep, met inbegrip van de behartiging van het partijbelang en de daarmee samenhangende vertrouwensrelatie tussen de advocaat en zijn cliënt, in gevaar kunnen worden gebracht.

Het is de advocaat geoorloofd als zodanig werkzaam te zijn in het verband van een praktijkstichting, zolang deze voldoet aan elk van de volgende voorwaarden:

Het is de advocaat geoorloofd als zodanig werkzaam te zijn in het verband van een praktijkcoöperatie, zolang deze voldoet aan elk van de volgende voorwaarden:

De statuten van een praktijkrechtspersoon mogen voorzien in de instelling van een raad van commissarissen of een toezicht houdend orgaan.

Deze Verordening kan worden aangehaald als de Verordening op de praktijkrechtspersoon. Zij treedt in werking op een door de Algemene Raad nader te bepalen tijdstip.

Deze Verordening treedt in de plaats van de Verordening op de praktijkvennootschap van 24 november 1972.