U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 31-12-2010.

Regeling · BWBR0007914

Scheepvaartreglement territoriale zee

Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 27 februari 1996, houdende vaststelling van aanvullende bepalingen voor de scheepvaart in de territoriale zee (Scheepvaartreglement territoriale zee)Scheepvaartreglement territoriale zeeWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 12 juli 1995, nr. S/J 13.399/95, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken;

Gelet op de artikelen 4, eerste, en derde lid, 12, 18, 31, tiende lid, en 36 van de Scheepvaartverkeerswet;

De Raad van State gehoord (advies van 11 september 1995, nr. W09.95.0353);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 19 februari 1996, nr. S/J-96000464, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage27 februari 1996 Beatrix De Minister van Verkeer en Waterstaat, A. Jorritsma-Lebbink de achtentwintigste maart 1996 De Minister van Justitie, W. Sorgdrager

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Een wijziging van richtlijn nr. 2002/59/EG gaat voor de toepassing van dit reglement gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.

De kapitein is verantwoordelijk voor de naleving van de bepalingen van dit besluit, tenzij uit de desbetreffende bepaling anderszins blijkt.

Ook bij het ontbreken van uitdrukkelijke voorschriften in dit besluit, worden alle voorzorgsmaatregelen genomen die volgens goede zeemanschap zijn geboden, teneinde met name te voorkomen dat door of vanaf het schip:

Van een schip wordt zo spoedig mogelijk aan de bevoegde autoriteit medegedeeld dat het:

Treedt op een later tijdstip in werking.

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Een schip meert niet af aan een verkeersteken.

Treedt op een later tijdstip in werking.

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Verkeersaanwijzingen worden opgevolgd.

Een schip wordt niet geladen, gelost, of gebunkerd, tenzij daartoe door de bevoegde autoriteit toestemming is verleend.

Vervallen

De bij dit besluit behorende bijlage 2 vermeldt de verkeerstekens ter markering van het vaarwater of van obstakels daarin.

Treedt op een later tijdstip in werking.

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

In geval van gevaarlijke ijsgang kan de bevoegde autoriteit verlangen dat schepen die zich in het betrokken gebied bevinden en die een haven of terminal willen binnen- of uitvaren of een ankerplaats willen verlaten, met documenten kunnen aantonen dat zij aan sterkte- en vermogenseisen voldoen die op de ijsgang in het betrokken gebied zijn afgestemd.

Aan een toestemming als bedoeld in de artikelen 7, eerste en tweede lid, 8, 12, tweede en derde lid, en 13, kunnen voorschriften worden verbonden.

Overtreding van de bij of krachtens de artikelen 4, 5, eerste tot en met zesde lid en tiende lid, 5a, tweede lid, 6, 7, eerste en tweede lid, 8, 9, 10, 11, 12, eerste, tweede en derde lid, 13, 16, 17, en 18, eerste lid, gestelde regels, alsmede overtreding van de aan toestemming verbonden voorschriften, is een strafbaar feit.

Wijzigt het Scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar Terneuzen.

Wijzigt het Scheepvaartreglement Westerschelde 1990.

Wijzigt het Besluit administratieve bepalingen scheepvaartverkeer.

Wijzigt het Besluit houdende regelen met betrekking tot de bevoegdheid tot het geven van verkeersinformatie dan wel verkeersaanwijzingen en de daartoe aan de bevoegde personen te stellen eisen.

Wijzigt het Vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement.

Wijzigt het Binnenvaartpolitiereglement.

Het Bijzonder reglement Rotterdamse Waterweg wordt ingetrokken.

Het Besluit van 11 augustus 1934, houdende regeling van het Bestuur over de betonning, bebakening, kust- en oeverlichten langs de zeekusten, in de zeegaten, op de benedenrivieren en het IJsselmeer van het Koninkrijk der Nederlanden (Stb. 138), wordt ingetrokken.

Het Besluit informatieverstrekking schepen met bepaalde stoffen wordt ingetrokken.

Na inwerkingtreding van artikel 22, onderdeel D, van dit besluit, berust de bekendmaking aan de Scheepvaart Scheldemond «Marifoonblokindeling» van de Rijkshavenmeester Westerschelde van 4 november 1994, nr. Bass 134/94 (Stcrt. 216) op artikel 51, eerste, en tweede lid, van het Scheepvaartreglement Westerschelde 1990.

De artikelen 1 tot en met 20, artikel 23, onderdeel A, 2°, en onderdeel B, en de artikelen 27 tot en met 29, treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. De artikelen 21, 22, 23, onderdeel A, 1°, en 24 tot en met 26 treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst.

Dit besluit wordt aangehaald als: Scheepvaartreglement territoriale zee.

Met betrekking tot het Scheepvaartreglement territoriale zee, worden de navolgende aanloopgebieden onderscheiden:

Aan een toestemming als bedoeld in de artikelen 7, eerste en tweede lid, 8, 12, tweede en derde lid, en 13, kunnen voorschriften worden verbonden.

Het systeem is van toepassing op alle vaste en drijvende markeringen (uitgezonderd vuurtorens, sectorlichten, geleidelichten, lichtschepen en grote navigatieboeien of zgn. LANBY's) en dient ter aanduiding van:

Het betonningssysteem voorziet in vijf soorten markeringen die in iedere samenstelling kunnen worden toegepast.

1.2.1 Laterale markeringen welke kunnen worden gebruikt in samenhang met de vastgestelde betonningsrichting. Zij worden in het algemeen aangewend in duidelijk begrensde vaarwaters.

De markeringen geven de bakboords- en stuurboordszijde aan van de route die moet worden gevolgd. Waar een vaarwater zich splitst, mag een aangepaste laterale markering worden gebruikt om de aanbevolen route aan te geven. In betonningsregio's A en B verschillen de laterale markeringen.

1.2.2 Cardinale markeringen welke worden gebruikt in samenhang met het scheepskompas en welke aangeven waar zich bevaarbaar water bevindt.

1.2.3 Markeringen ter aanduiding van afzonderlijke gevaren welke alleenstaande gevaren van geringe omvang aangeven, waaromheen zich bevaarbaar water bevindt.

1.2.4 Markeringen ter aanduiding van veilig vaarwater welke aangeven dat rondom die posities veilig genavigeerd kan worden, b.v. midvaarwaterboeien.

1.2.5 Markeringen met bijzondere betekenis welke niet in de eerste plaats bestemd zijn voor de navigatie. Deze markeringen duiden een gebied of zaak aan, welke in nautische publikaties wordt genoemd.

De betonningsrichting wordt aan de hand van één van de volgende richtlijnen vastgesteld.

2.1.1 De gebruikelijke aanlooprichting vanuit zee naar een haven in een riviermonding of ander vaarwater.

2.1.2 In andere gebieden wordt de betonningsrichting in detail vastgelegd door de verantwoordelijke autoriteit in overleg met de buurlanden. In principe dient de betonningsrichting rechts om de continenten te lopen.

In ieder geval dient de vastgestelde betonningsrichting bekend te worden gesteld in de daarvoor geschikte nautische publikaties.

Laterale markeringen verschillen in de twee internationaal vastgestelde betonningsregio's A en B. De Nederlandse territoriale zee behoort tot betonningsregio A.

2.3.3 Splitsing

Wanneer een vaarwater zich splitst kan, varend in de betonningsrichting, als volgt een aanbevolen route worden aangegeven door een aangepaste bakboords- of stuurboordsmarkering.

2.4.1 Indien de bakboords- of stuurboordsmarkeringen niet voldoen aan de stompe of spitse vorm, dienen zij, waar dit uitvoerbaar is, voorzien te zijn van een daartoe geëigend topteken.

2.4.2 Cijfers of lettertekens

Indien de markeringen, gelegen aan de zijkanten van een vaarwater of een route, worden genummerd of van (een) letter(s) voorzien, dient dit in de vastgestelde betonningsrichting te gebeuren.

3.1.1 De vier kwadranten (Noord, Oost, Zuid en West) worden begrensd door de ware peilingslijnen NW–NE, NE–SE, SE–SW en SW–NW die vanuit het referentiepunt kunnen worden getrokken.

3.1.2 De cardinale markering wordt genoemd naar het kwadrant waarin deze is geplaatst.

3.1.3 De benaming van de cardinale markering duidt de zijde aan waarlangs gepasseerd moet worden.

Een cardinale markering kan b.v. worden gebruikt om:

3.3.1 Noord cardinale markering

3.3.2 Oost cardinale markering

3.3.3 Zuid cardinale markering

3.3.4 West cardinale markering

Een markering ter aanduiding van een afzonderlijk gevaar is een markering die is geplaatst op of gemeerd aan of gelegd boven een afzonderlijk gevaar en waaromheen zich bevaarbaar water bevindt.

Een markering ter aanduiding van veilig vaarwater geeft aan dat zich rond de markering bevaarbaar water bevindt. Hieronder zijn begrepen de markeringen die het midden of het diepste deel van een vaarwater aanduiden. De markering kan eveneens dienen als alternatief voor een cardinale dan wel een laterale markering, waarmee een verkennings- of aanlooppositie wordt aangegeven.

Markeringen die niet in de eerste plaats bestemd zijn voor de navigatie, maar die een bepaald gebied of bepaalde zaak aanduiden, vermeld in de gebruikelijke nautische publikaties, b.v.:

Bijzondere markeringen anders dan genoemd in par. 6.1 en omschreven in par. 6.2 mogen worden uitgelegd door de verantwoordelijke autoriteit om in buitengewone omstandigheden te voorzien.

Deze aanvullende markering mag niet in strijd zijn met de navigatiebetonning en dient bekend te worden gesteld in de daarvoor bestemde nautische publikaties en zo spoedig mogelijk onder de aandacht gebracht te worden van de I.A.L.A. (International Association of Lighthouse Authorities).

De term «nieuwe gevaren» wordt gebruikt voor recent ontdekte gevaren die nog niet in de nautische publikaties zijn opgenomen.

De term omvat, naast de natuurlijke gevaren zoals zandbanken en rotsformaties, ook door de mens veroorzaakte gevaren, zoals wrakken.

7.2.1 Nieuwe gevaren dienen overeenkomstig de voorgaande regels te worden gemarkeerd. Indien de verantwoordelijke autoriteit meent dat het nieuwe gevaar bijzonder ernstig is, dan dient tenminste één van de markeringen ten spoedigste in dubbele uitvoering te worden toegepast.

7.2.2 Elke voor dit doel gebruikte lichtboei dient te zijn uitgerust met een geschikt cardinaal of lateraal VQ of Q karakter.

7.2.3 Van elke dubbel uitgevoerde markering dienen beide eenheden geheel gelijk aan elkaar te zijn.

7.2.4 Een markering van een nieuw gevaar kan worden uitgerust met een racon, voorzien van de morse code «D», die een signaal geeft op het radarscherm ter lengte van één zeemijl.

7.2.5 De dubbele markering kan worden verwijderd indien de betrokken autoriteit van mening is dat de gegevens betreffende het nieuwe gevaar op voldoende wijze zijn bekendgesteld.