U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-01-2002.

Regeling · BWBR0007925

Douanebesluit

Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 4 maart 1996, verband houdende met de herziening van de douanewetgeving DouanebesluitWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 13 december 1993, nr. WD.93/697, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, directie Wetgeving Douane;

Gelet op artikel 22f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de artikelen 3, 23, vijfde lid, 28, 35, 53, vijfde lid, 56 en 57 van de Douanewet en artikel 25 van de Invorderingswet 1990;

De Raad van State gehoord (advies van 26 april 1994, nr. W06.93.0837);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 26 februari 1996, nr. WD.94/349, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, directie Wetgeving Douane;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage 4 maart 1996 Beatrix De Staatssecretaris van Financiën, W. A. F. G. Vermeend de eenentwintigste maart 1996 De Minister van Justitie, W. Sorgdrager

Dit besluit en de daarop berustende bepalingen verstaan onder:

Vervallen

Indien op grond van wettelijke bepalingen een vergunning dan wel goedkeuring van de inspecteur is vereist, dient ter verkrijging van deze vergunning, onderscheidenlijk goedkeuring, een verzoek te worden gericht aan de inspecteur.

Aan de gezagvoerder van een binnengekomen schip wordt op diens verzoek, gedaan overeenkomstig bij ministeriële regeling te stellen regels, een akte van afrekening afgegeven door de inspecteur nadat alle als te lossen aangegeven goederen overeenkomstig wettelijke bepalingen zijn gelost. Indien bij binnenkomst is opgegeven dat geen goederen worden gelost, wordt op dat moment de akte van afrekening ongevraagd afgegeven.

De summiere aangifte, bedoeld in artikel 43 van het Communautair douanewetboek, houdt opgave in van hetzij alle op de internationale luchthaven te lossen goederen, hetzij de verklaring dat aldaar geen goederen zullen worden gelost.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de in- en uitslag van goederen in en uit de ruimte voor tijdelijke opslag. Deze regels hebben in het bijzonder betrekking op de te gebruiken aangiften.

De in artikel 212 van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek bedoelde toelichting kan worden aangevuld door de toelichting met daarin opgenomen de aanvullingen, bij ministeriële regeling vast te stellen. Wijzigingen van de aanvullingen en nadere aanvullingen kunnen plaatsvinden door de overeenkomstig het vorenstaande vastgestelde toelichting bij ministeriële regeling te wijzigen.

De weigering van een vergunning tot het doen van aangifte volgens een vereenvoudigde procedure op grond van het overtreden van douanevoorschriften geschiedt slechts indien:

Een vergunning tot toepassing van de domiciliëringsprocedure wordt slechts verleend indien de aanvrager van de desbetreffende vergunning een bedrijf uitoefent waarvan de administratieve organisatie zodanig is, dat zij voldoende waarborgen inhoudt voor een juiste vastlegging van de bedrijfshandelingen en de administratie zodanig is ingericht, dat daarin op overzichtelijke wijze zijn opgenomen de door de inspecteur nodig geoordeelde gegevens omtrent de goederen welke met toepassing van de verlangde vereenvoudigde procedure onder een douaneregeling zijn geplaatst.

Bij ministeriële regeling kan, indien bij het vervoer van goederen de identificatie plaatsvindt door middel van verzegeling van de laadruimte van een vervoermiddel of een container, worden bepaald dat het vervoermiddel of de container, ten behoeve van de beoordeling van het gestelde in artikel 357, derde lid, van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek, op een bij die regeling aangewezen plaats, voor een onderzoek van de bouw en de inrichting van de laadruimte moet worden aangeboden aan de inspecteur.

Een vergunning voor een douane-entrepot van het type E wordt slechts verleend indien de aanvrager van de desbetreffende vergunning een bedrijf uitoefent waarvan de administratieve organisatie zodanig is, dat zij voldoende waarborgen inhoudt voor een juiste vastlegging van de bedrijfshandelingen en de administratie zodanig is ingericht, dat daarin op overzichtelijke wijze zijn opgenomen de door de inspecteur nodig geoordeelde gegevens omtrent de goederen welke onder het stelsel van douane-entrepots zijn geplaatst.

Aan accijns onderworpen goederen kunnen slechts onder het stelsel van douane-entrepots worden geplaatst voorzover de Wet op de accijns in deze plaatsing voorziet en onder de daarbij gestelde voorwaarden en beperkingen.

Indien in een douane-entrepot een overmaat wordt vastgesteld, worden de te veel bevonden goederen geacht onder het stelsel van douane-entrepots te zijn geplaatst.

De entreposeur die zodanige wijziging wenst te brengen in de door hem gevoerde administratie dat daardoor de wijze waarop toezicht op het douane-entrepot wordt uitgeoefend, wordt beïnvloed, onderwerpt de voorgenomen wijziging aan goedkeuring van de inspecteur. De wijziging wordt niet aangebracht dan na verkregen goedkeuring.

Onverminderd artikel 41, dienen goederen welke voor uitvoer zijn vrijgegeven, te blijven in de staat waarin zij verkeerden ten tijde van de aanvaarding van de aangifte ten uitvoer.

De in artikel 37 bedoelde goederen mogen, nadat van het voornemen tot opslag kennis is gegeven aan de inspecteur, onder overlegging van de aangifte waarmee de goederen zijn aangebracht, zonder verdere formaliteiten in één van de in het eerste lid van dat artikel genoemde opslaginrichtingen worden opgeslagen.

Vervallen

De opslag wordt beëindigd door uitslag van de goederen. Van het voornemen tot uitslag van goederen wordt, onder overlegging van de in artikel 38 bedoelde aangifte, kennis gegeven aan de inspecteur.

Aan accijns onderworpen goederen kunnen slechts in een vrij entrepot worden opgeslagen voor zover de Wet op de accijns in deze opslag voorziet en onder de daarbij gestelde voorwaarden en beperkingen.

Bij ministeriële regeling kunnen voor de in- en uitslag van goederen in en uit vrij entrepot per goederensoort minimumhoeveelheden worden vastgesteld.

De in artikel 799 van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek bedoelde belanghebbende die zodanige wijziging wenst te brengen in de door hem gevoerde administratie dat daardoor de wijze waarop toezicht op het vrij entrepot wordt uitgeoefend wordt beïnvloed, onderwerpt de voorgenomen wijziging aan de goedkeuring van de inspecteur. De wijziging wordt niet aangebracht dan na verkregen goedkeuring.

De plaatsen waar sorteerplaatsen en bergplaatsen voor binnengekomen postzendingen zijn gelegen, worden bij ministeriële regeling aangewezen in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat. Op de bergplaatsen is artikel 77 van overeenkomstige toepassing.

Langs leidingen binnenkomende goederen worden gevoerd naar een plaats waar de soort en de hoeveelheid van de goederen worden bepaald. Dienovereenkomstig worden de soort en de hoeveelheid van de goederen vermeld in de aangiften welke naar gelang van de bestemmingen die de goederen hebben gevolgd, worden gedaan.

Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat, indien aan de hand van de administratie een doeltreffende controle kan worden verricht, de vereiste douaneaangiften naar door bij die regeling te stellen regels maandelijks worden gedaan.

Indien een douaneaangifte als bedoeld in artikel 201, derde lid, van het Communautair douanewetboek, is opgesteld op basis van gegevens die er toe leiden dat de verschuldigde rechten bij invoer gedeeltelijk niet worden geheven, is de persoon die de voor de opstelling van die aangifte benodigde gegevens heeft verstrekt terwijl hij wist of redelijkerwijs had moeten weten dat deze gegevens verkeerd waren, eveneens schuldenaar voor de verschuldigde rechten bij invoer.

De voor de toepassing van artikel 226, onderdeel b, van het Communautair douanewetboek in aanmerking te nemen periode is de kalendermaand.

Deze paragraaf verstaat onder:

Het gebruik van een geweldmiddel is uitsluitend toegestaan aan een ambtenaar van de rijksbelastingdienst die in het gebruik van dat geweldmiddel is geoefend.

De ambtenaar van de rijksbelastingdienst mag in verband met zijn eigen veiligheid of die van anderen slechts uit voorzorg een vuurwapen ter hand nemen indien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat een situatie ontstaat waarin hij bevoegd is het vuurwapen te gebruiken. Zodra blijkt dat een dergelijke situatie zich niet voordoet, wordt het vuurwapen terstond opgeborgen.

Het trekken van een vuurwapen is slechts geoorloofd in gevallen waarin het gebruik van een vuurwapen toegestaan is.

Indien de aanwending van het geweld met gebruikmaking van enig geweldmiddel op uitdrukkelijke last van een meerdere heeft plaatsgevonden, wordt het rapport, bedoeld in artikel 66, derde lid, door die meerdere opgemaakt.

De meerdere licht de ambtenaar van de rijksbelastingdienst zo spoedig mogelijk in over de afhandeling van de melding. Desgevraagd worden aan de ambtenaar van de rijksbelastingdienst tussentijds inlichtingen verstrekt.

Het onderzoek, bedoeld in artikel 27, derde lid, van de Douanewet, geschiedt door het oppervlakkig aftasten van de kleding en wordt zoveel mogelijk uitgevoerd door een ambtenaar van de rijksbelastingdienst van hetzelfde geslacht als degene die aan het onderzoek wordt onderworpen.

De ambtenaar van de rijksbelastingdienst die een onderzoek als bedoeld in artikel 27, derde lid, van de Douanewet heeft uitgevoerd, meldt dit onverwijld schriftelijk aan de meerdere, onder vermelding van de redenen die tot dit onderzoek hebben geleid.

De ambtenaar van de rijksbelastingdienst die gebruik heeft gemaakt van handboeien als bedoeld in artikel 71, eerste lid, meldt dit onverwijld schriftelijk aan de meerdere, onder vermelding van de redenen die tot het gebruik van handboeien hebben geleid.

De ambtenaar van de rijksbelastingdienst maakt bij de uitoefening van zijn dienst uitsluitend gebruik van het door of vanwege Onze Minister verstrekte geweldmiddel of de door of vanwege deze minister verstrekte handboeien.

Op de uit te keren opbrengst van in bewaring genomen goederen - in geval van uitoefening van het recht van verhaal op hetgeen is overgebleven - wordt na aftrek van de kosten een vergoeding in mindering gebracht welke bedraagt:

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld welke noodzakelijk zijn voor de goede werking van de wettelijke bepalingen:

De entreposeur of een in artikel 799 van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek bedoelde belanghebbende die handelt in strijd met het bepaalde in de hem verleende vergunning beloopt een bestuurlijke boete van € 90.

Strafbare feiten zijn:

Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de Douanewet in werking treedt.

Dit besluit wordt aangehaald als: Douanebesluit.