Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 26 maart 1996, houdende bepalingen inzake financiële voorschriften bij een concessie voor koolwaterstoffen op grond van de Mijnwet 1903 (Besluit concessies koolwaterstoffen Nederlands territoir 1996)Besluit concessies koolwaterstoffen Nederlands territoir 1996Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 3 augustus 1995, nr. 95051225 WJA/W;

Gelet op de richtlijn nr. 94/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 mei 1994 betreffende voorwaarden voor het verlenen en het gebruik maken van vergunningen voor de prospectie, de exploratie en de produktie van koolwaterstoffen (PbEG L 164), zomede op artikel 8d, eerste lid, van de Mijnwet 1903 en op artikel VI, tweede lid, van de wet van 18 maart 1996 tot wijziging van enige wetten op het gebied van de mijnbouw in verband met de uitvoering van de vorenbedoelde richtlijn (Stb. 199);

De Raad van State gehoord (advies van 25 september 1995, nr. W10.95.0429);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 20 maart 1996, nr. 96017482 WJA/W;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage26 maart 1996Beatrix De Minister van Economische Zaken,G. J. Wijerselfde april 1996De Minister van Justitie,W. Sorgdrager

In dit besluit wordt verstaan onder:

wet: de Mijnwet 1903;

concessie: een concessie als bedoeld in artikel 5 van de wet van 21 april 1810 (Bulletin des Lois no. 285) voor koolwaterstoffen;

vergunning: een vergunning als bedoeld in artikel 2 van de Wet opsporing delfstoffen voor koolwaterstoffen;

Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken;

opsporing: onderzoek naar de aanwezigheid van delfstoffen, met gebruikmaking van boringen.

Een concessie wordt verleend met de voorschriften, bedoeld in de artikelen 2.2 tot en met 2.31.

Binnen drie maanden na het einde van een kalenderjaar zendt de concessiehouder aan Onze Minister een opgave – overeenkomstig een door Onze Minister vastgesteld model – van:

Binnen drie maanden na het einde van een kalenderjaar zendt de concessiehouder aan Onze Minister een opgave – overeenkomstig een door Onze Minister vastgesteld model – van:

Het op grond van een ingezonden opgave ingevolge artikel 2.3 of 2.6 te betalen bedrag is verschuldigd nadat na het einde van het betrokken kalenderjaar drie maanden zijn verlopen.

Onze Minister stelt nadien het verschuldigde bedrag definitief vast.

Het definitief als verschuldigd vastgestelde bedrag is – onder aftrek van het reeds betaalde – verschuldigd met ingang van de dag na die, waarop aan de concessiehouder het bedrag is bekendgemaakt. Indien reeds meer is betaald dan het definitief vastgestelde bedrag wordt het verschil zo spoedig mogelijk terugbetaald.

Voor de toepassing van de artikelen 2.16, 2.17 en 2.19 wordt onder belasting verstaan de vennootschapsbelasting, onderscheidenlijk de inkomstenbelasting, die over het betrokken boekjaar van de concessiehouder is geheven krachtens de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969, onderscheidenlijk de Wet op de inkomstenbelasting 1964, dan wel enige andere wettelijke belastingregeling, die voor genoemde wetten in de plaats zal treden, naar winst, die met activiteiten als in artikel 2.13, tweede lid, onder a of b, bedoeld, is behaald, met dien verstande dat nimmer meer wordt verrekend dan de naar het voor dat jaar geldende tarief berekende vennootschapsbelasting bij een belastbaar bedrag, enkel bestaande uit hetgeen aan zodanige winst is verkregen. Met over zodanige winst geheven belasting wordt gelijkgesteld de belasting, die achterwege blijft ten gevolge van door de belastingplichtige uit anderen hoofde in enig jaar geleden verliezen. Als over zodanige winst geheven belasting wordt daarentegen niet beschouwd de belasting, die is geheven ten gevolge van door de belastingplichtige uit anderen hoofde in enig jaar behaalde winsten.

De concessiehouder is verplicht binnen zes maanden na het einde van een boekjaar aan Onze Minister en Onze Minister van Financiën te zenden een over dat boekjaar opgemaakte resultatenrekening als in artikel 2.12 bedoeld alsmede een balans, vermeldende de aan het einde van het boekjaar tot het winningsbedrijf behorende activa en passiva.

Indien en voor zover twijfel bestaat of de concessiehouder zal voldoen aan hetgeen hij verschuldigd zal worden ingevolge artikel 2.12, eerste lid, kan Onze Minister bepalen dat de concessiehouder met ingang van een door Onze Minister vast te stellen tijdstip en ten genoegen van Onze Minister zekerheid stelt en gesteld zal houden. Dit voorschrift blijft van kracht totdat aan de betalingsverplichting is voldaan.

De concessiehouder is verplicht de ingevolge de concessie verschuldigde bedragen te voldoen op door Onze Minister aan te geven wijze.

Het is de concessiehouder verboden in het concessiegebied ontgonnen en beschikbaar gekomen koolwaterstoffen te verkopen of anderszins aan het ontginningsbedrijf te onttrekken, indien de desbetreffende overeenkomst of, bij onttrekking anders dan in verband met verkoop, de desbetreffende hoeveelheden en de verrekenprijs niet door Onze Minister zijn goedgekeurd.

Overtreding van artikel 2.2, 2.3, 2.5, 2.6, 2.8, 2.9, 2.11, 2.16, 2.17, 2.18, 2.20, 2.21, 2.23, 2.24, 2.25, 2.26, 2.28, 2.29 of 2.30 is een grond voor het intrekken van de concessie.

In de overeenkomst, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, worden mede onder meer bepalingen opgenomen, die ertoe strekken dat:

De concessiehouder mag niet een besluit nemen inhoudende bij wie opdrachten worden geplaatst voor leveringen, voor de uitvoering van werken of voor het verrichten van diensten, indien aannemelijk is dat dit besluit leidt tot financieel nadeel voor de staat, voor zover het betreft hetgeen ingevolge een concessie verschuldigd is, of tot financieel nadeel voor de ingevolge artikel 3.2, eerste lid, aangewezen vennootschap.

Een concessie, welke niet met toepassing van artikel 3.1, eerste lid, wordt verleend, wordt mede verleend met de voorschriften, bedoeld in de artikelen 3.10, 3.11 en 3.12, en tevens, voor het geval de in artikel 3.10, eerste lid, bedoelde verplichting geldt, met de voorschriften, bedoeld in de artikelen 3.6 en 3.7.

Indien een concessie wordt verleend op grond van artikel 8e, eerste lid, van de wet en de desbetreffende vergunning is verleend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, geschiedt de verlening van de concessie met inachtneming van dit besluit, zoals het luidde onmiddellijk na het tijdstip van inwerkingtreding.

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit concessies koolwaterstoffen Nederlands territoir 1996.

Ter toelichting: de artikelen van het besluit zijn hier voorzien van een opschrift en van een verwijzing naar vergelijkbare artikelen in het Besluit vergunningen koolwaterstoffen continentaal plat 1996.