Wijzigingen Officiële bron
Wet van 24 mei 1996, houdende bijzondere bepalingen voor de toepassing van de sociale zekerheidswetten in verband met de Wet brutering overhevelingstoeslag lonen (Wet gevolgen brutering uitkeringsregelingen)Wet gevolgen brutering uitkeringsregelingenWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, gelet op de uit de Wet brutering overhevelingstoeslag lonen voortvloeiende brutering van lonen en uitkeringen per 1 januari 1998, wenselijk is om de gevolgen van de brutering voor de uitkeringen op grond van een aantal sociale zekerheidswetten nader te regelen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage24 mei 1996Beatrix De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,R. L. O. Linschoten de twintigste juni 1996De Minister van Justitie,W. Sorgdrager

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Voor de toepassing van artikel 36 WW wordt onder de in dat artikel bedoelde uitkeringen, voor zover die zijn betaald in het tijdvak van 1 januari 1990 tot en met 31 december van het jaar dat voorafgaat aan het vervaljaar, mede verstaan de overhevelingstoeslag op die uitkeringen, bedoeld in artikel 1 van de WOTOP.

Voor de toepassing van de bepalingen inzake de vrijwillige verzekering ingevolge hoofdstuk III WW worden onder «de overige artikelen van deze wet», bedoeld in artikel 60 WW, voor zover van toepassing, mede verstaan de bepalingen van artikel 2, eerste lid, onderdeel a, en artikel 4 van hoofdstuk II en de bepalingen van paragraaf 1 van hoofdstuk III.

De artikelen 7 en 8 worden niet toegepast op loon dat betrekking heeft op de periode die aanvangt met de eerste dag van de maand waarin de werknemer de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt.

Voor de toepassing van de artikelen 100 en 104 van de Wet financiering sociale verzekeringen wordt onder de in die artikelen genoemde uitkeringen, voor zover die zijn betaald in het tijdvak van 1 januari 1990 tot en met 31 december van het jaar dat voorafgaat aan het vervaljaar, mede verstaan de overhevelingstoeslag op die uitkeringen, bedoeld in artikel 1 van de WOTOP.

Voor de toepassing van de artikelen 33 en 34 ZW wordt onder de in die artikelen bedoelde uitkeringen, voor zover die zijn betaald in het tijdvak van 1 januari 1990 tot en met 31 december van het jaar dat voorafgaat aan het vervaljaar, mede verstaan de overhevelingstoeslag op die uitkeringen, bedoeld in artikel 1 van de WOTOP.

Voor de toepassing van de artikelen 52 en 52a ZW wordt onder de in die artikelen bedoelde aanspraken onderscheidenlijk kosten, voor zover die betrekking hebben op het tijdvak van 1 januari 1990 tot en met 31 december van het jaar dat voorafgaat aan het vervaljaar, mede verstaan de overhevelingstoeslag op die aanspraken en kosten, bedoeld in artikel 1 van de WOTOP.

Voor de toepassing van de bepalingen inzake de vrijwillige verzekering ingevolge hoofdstuk IV ZW worden onder «de overige artikelen van deze wet», bedoeld in artikel 72 ZW, voor zover van toepassing, mede verstaan de bepalingen van artikel 2, eerste lid, onderdeel b, en artikel 4 en de bepalingen van deze paragraaf.

Ingeval een werkgever op herhaald schriftelijk verzoek van de bedrijfsvereniging niet vóór 15 december van het jaar dat voorafgaat aan het vervaljaar heeft meegedeeld welke ontwikkeling het loonpeil in het beroep van de uitkeringsgerechtigde op grond van de ZW per 1 januari van het vervaljaar zal doormaken in verband met onder meer de toepassing van de Wet BOL, is de bedrijfsvereniging bevoegd die uitkering per 1 januari van het vervaljaar te verhogen met het percentage, vastgesteld op grond van artikel 3 van de Wet BOL.

Voor de toepassing van artikel 57 WAO wordt onder de in dat artikel bedoelde uitkeringen, voor zover die zijn betaald in het tijdvak van 1 januari 1990 tot en met 31 december van het jaar dat voorafgaat aan het vervaljaar, mede verstaan de overhevelingstoeslag op die uitkeringen, bedoeld in artikel 1 van de WOTOP.

Voor de toepassing van de bepalingen inzake de vrijwillige verzekering ingevolge hoofdstuk VI WAO worden onder «de bepalingen van de overige hoofdstukken», bedoeld in artikel 86 WAO, voor zover van toepassing, mede verstaan de bepalingen van artikel 2, eerste lid, onderdeel c, en artikel 4 en de bepalingen van deze paragraaf.

Voor de toepassing van de artikelen 89 en 90 WAO wordt onder de in die artikelen bedoelde aanspraken onderscheidenlijk kosten, voor zover die betrekking hebben op het tijdvak van 1 januari 1990 tot en met 31 december van het jaar dat voorafgaat aan het vervaljaar, mede verstaan de overhevelingstoeslag op die aanspraken en kosten, bedoeld in artikel 1 van de WOTOP.

Het inkomen dat betrekking heeft op een periode gelegen vóór het vervaljaar en dat wordt gehanteerd bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, onderdeel a, AAW, voor zover dat inkomen in een dienstbetrekking is verdiend, wordt verhoogd met het percentage, vastgesteld op grond van artikel 3 van de Wet BOL dan wel, indien dit loon is vastgesteld met inachtneming van het minimumloon, bedoeld in de WML, met het percentage, vastgesteld op grond van artikel 5 van de Wet BOL.

Voor de toepassing van artikel 48 AAW wordt onder de in dat artikel bedoelde uitkeringen, voor zover die zijn betaald in het tijdvak van 1 januari 1990 tot en met 31 december van het jaar dat voorafgaat aan het vervaljaar, mede verstaan de overhevelingstoeslag op die uitkeringen, bedoeld in artikel 1 van de WOTOP.

Voor de toepassing van artikel 20 TW wordt onder de in dat artikel bedoelde toeslagen, voor zover die zijn betaald in het tijdvak van 1 januari 1990 tot en met 31 december van het jaar dat voorafgaat aan het vervaljaar, mede verstaan de overhevelingstoeslag op die toeslagen, bedoeld in artikel 1 van de WOTOP.

Wijzigt de Wet BOL.

Wijzigt de Beroepswet.

De artikelen 2a en 129 van de WW zijn met betrekking tot beschikkingen ingevolge artikel 2, eerste lid, onderdeel a, en artikel 4 van hoofdstuk 2 en ingevolge paragraaf 1 van hoofdstuk 3 van overeenkomstige toepassing.

De artikelen 2b en 73a ZW zijn met betrekking tot beschikkingen ingevolge artikel 2, eerste lid, onderdeel b, en artikel 4 van hoofdstuk 2 en ingevolge paragraaf 2 van hoofdstuk 3 van overeenkomstige toepassing.

De artikelen 2ben 88 WAO zijn met betrekking tot beschikkingen ingevolge artikel 2, eerste lid, onderdeel c, en artikel 4 van hoofdstuk 2 en ingevolge paragraaf 3 van hoofdstuk 3 van overeenkomstige toepassing.

De artikelen 4b en 79 AAW zijn met betrekking tot beschikkingen ingevolge de artikelen 3 en 4 van hoofdstuk 2 en ingevolge paragraaf 4 van hoofdstuk 3 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 38 TW is met betrekking tot beschikkingen ingevolge artikel 4 van hoofdstuk 2 en ingevolge paragraaf 5 van hoofdstuk 3 van overeenkomstige toepassing.

Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari van het krachtens artikel 9, tweede lid, van de Wet BOL bepaalde jaar.

Deze wet wordt aangehaald als: Wet gevolgen brutering uitkeringsregelingen.