U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-01-2006.
Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 19 juni 1996, houdende vaststelling van de regeling inzake de aanvullende voorzieningen bij werkloosheid van rijksambtenaren (Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk) Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector RijkWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 31 juli 1995, nr. AD95/U734, directoraat-generaal Management en Personeelsbeleid, directie Personeelsmanagement Rijksdienst, afdeling Arbeidsvoorwaarden en Sociaal Beleid;

Gelet op artikel 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet;

De Raad van State gehoord (advies van 14 november 1995, nr. W0.95.0423.);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 12 juni 1996, nr. AD95/1165, directoraat-generaal Management en Personeelsbeleid, directie Personeelsmanagement Rijksdienst, afdeling Arbeidsvoorwaarden en Sociaal Beleid;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage19 juni 1996Beatrix De Minister van Binnenlandse Zaken,H. F. Dijkstalde vierde juli 1996De Minister van Justitie,W. Sorgdrager

Indien ten aanzien van de werkloosheidsuitkering die betrokkene krachtens de Werkloosheidswet of krachtens de Ziektewet geniet een verplichting of een sanctie wordt opgelegd, wordt die verplichting eveneens opgelegd dan wel die sanctie op overeenkomstige wijze toegepast op de aanvullende uitkering.

De duur van de aansluitende uitkering is de op het moment van ontslag berekende uitkeringsduur op basis van artikel 2, eerste en tweede lid, van dit besluit verminderd met de terzake van dat ontslag berekende uitkeringsduur krachtens de Werkloosheidswet.

Aan de betrokkene, die buiten de rijksdienst arbeid of bedrijf ter hand gaat nemen, kan op zijn verzoek ter zake van de kosten, die voor hem aan een daartoe nodige verhuizing zijn verbonden, een eenmalige tegemoetkoming worden toegekend van € 1 361,34 onder verrekening van een tegemoetkoming in verhuiskosten uit anderen hoofde.

Op aanvraag van betrokkene kan het recht op bovenwettelijke uitkering op grond van dit besluit voor 30% van de nominale waarde worden afgekocht.

In afwijking van de artikelen 4 en 10 van dit besluit bedraagt het percentage 67% in plaats van 70% van het dagloon, zolang de Wet van 20 december 1984 houdende aanpassing van uitkeringspercentages van ontslaguitkerings- en arbeidsongeschiktheidsregelingen voor overheidspersoneel, onderwijspersoneel en daarmee gelijk te stellen personeel (Stb. 657) op betrokkene van toepassing is.

Het dagloon wordt steeds aangepast overeenkomstig een algemene wijziging van het salaris en van de vakantie-uitkering van het burgerlijk rijkspersoneel, met ingang van de dag waarop de salariswijziging, respectievelijk de wijziging van de vakantie-uitkering van kracht wordt.

Ten aanzien van de betrokkene van wie de ingangsdatum van het ontslag gelegen is op of na 11 augustus 2003 en voor 1 januari 2006, wordt voor de toepassing van artikel 2, tweede lid, uitgegaan van de bepalingen in de Werkloosheidswet zoals deze luidden op 10 augustus 2003.

Ten aanzien van de betrokkene die op de dag vóór 1 januari 2006 recht had op een bovenwettelijke uitkering op basis van dit besluit, zijn de artikelen 4, 5, 10 en 18, zoals die luidden op de dag vóór 1 januari 2006 van toepassing.

Onze Minister is belast met de uitvoering van dit besluit.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.

Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk.