U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-01-2012.

Ministeriële regeling · BWBR0008415

Warenwetregeling liften

Wijzigingen Officiële bron
Regeling houdende nadere regels ten aanzien van liften Warenwetregeling liftenDe Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken;

Gelet op de artikelen 4, vijfde en zesde lid, 5, derde lid, 11, eerste lid, 12, eerste lid, eerste zin, en 19 van de Wet op de gevaarlijke werktuigen en artikel 23, derde lid, van het Besluit liften;

Besluit:

’s-Gravenhage12 december 1996DeStaatssecretarisvoornoemd, F.H.G. deGrave

In deze regeling wordt verstaan onder Besluit: het Warenwetbesluit liften.

Een aanwijzing als aangewezen instelling en aangewezen aangemelde instelling kan geschieden indien:

De dossiers en de briefwisseling die betrekking hebben op de overeenstemmingsbeoordelingsprocedures, bedoeld in het besluit, worden gesteld in de Nederlandse taal, of in een andere door de aangewezen aangemelde instelling aanvaarde taal.

In het jaarverslag, bedoeld in artikel 7c, tweede lid, van de wet, worden door de aangewezen instelling en de aangewezen aangemelde instelling ten minste de volgende onderwerpen behandeld:

Een certificaat kan worden afgegeven indien, in geval van de beoordeling van een voorgenomen wijziging in een lift, model lift of model veiligheidscomponent als bedoeld in artikel 11 van het besluit, dan wel een keuring of vervolgkeuring van een lift als bedoeld in artikel 17 van het besluit, de aanvrager voldoet aan de eisen, vastgelegd in het Werkveldspecifiek certificatieschema vervolgkeuring liften, zoals opgenomen in bijlage 3 bij de regeling.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Deze regeling wordt aangehaald als: Warenwetregeling liften.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Document: sbcl/wda&t/11/099: 2011, versie 01

Onder beheer van:

SBCL

Dorpsstraat 11

1261 ES Blaricum

www.sbcl.nl

Voor liften zijn wettelijk verplichte conformiteitbeoordelingsprocedures vastgesteld. De procedures zijn in overeenstemming met de Richtlijn 95/16/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 1995 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende Liften, hierna: de Richtlijn. De Richtlijn is geïmplementeerd in het Warenwetbesluit Liften. Voor elk product dat onder de Richtlijn valt moet een EG-verklaring van Overeenstemming worden opgesteld. Hierin verklaart de fabrikant dat aan alle essentiële eisen van veiligheid en gezondheid uit de Richtlijn wordt voldaan. De fabrikant of een gemachtigd persoon van de fabrikant ondertekent de verklaring en stuurt deze verklaring mee met het product. Ook brengt hij de CE- markering op het product aan.

Keuringsinstellingen voeren productkeuringen uit. In Nederland gevestigde instellingen dienen door de minister van SZW te zijn aangewezen. Deze instellingen worden bij de Europese Commissie aangemeld als conformity assessment body (CAB), voorheen Notified Body.

Dit document voor aanwijzing en toezicht verwijst naar de Europese eisen waar keuringsinstellingen aan moeten voldoen alvorens de minister van SZW overgaat tot aanwijzing op een werkveld van het Warenwetbesluit Liften. De Raad voor Accreditatie zal aan de hand van dit document de keuringsinstellingen beoordelen1. Kortweg komt deze beoordeling neer op het volgende:

De geharmoniseerde normen zijn gepubliceerd door de Europese Commissie in het Official Journal.

De RvA voert de beoordeling uit en hanteert hierbij de toepasselijke IAF-, ILAC- en EC-toelichtingen.

De consequenties zijn:

Zie de definities in de richtlijn 95/16/EG2van 29 juni 1995, de verordening (EG) Nr. 764/20083, de verordening (EG) Nr. 765/20084en het besluit Nr. 768/2008/EG5van 9 juli 2008.

Binnen dit document gelden verder de volgende definities:

Conform de Richtlijn en het ‘goederenpakket’.

Dit werkveldspecifieke document voor aanwijzing en toezicht in het werkveld liften in de handelsfase is door de minister van SZW vastgesteld via een statische verwijzing in de Warenwetregelgeving. De minister van SZW kan na overleg met belanghebbenden wijzigingen aanbrengen in het document. Dit document vervangt eerdere versies.

Dit document richt zich uitsluitend op liften in de handelsfase. Risico’s worden binnen de bestaande kaders van de Richtlijn, het ‘goederenpakket’, de geharmoniseerde productnormen, normen voor accreditatie en de accreditatiepraktijk afdoende afgedekt. Het speelveld is Europees geordend. Overleg met de Europese Commissie en Lidstaten heeft plaats in het Standing Committee en in het regulier overleg van conformity assessment bodies, het zogenoemde Notified Body Committee. Het overleg over het markttoezicht heeft plaats in de Administrative Co-operation (ADCO) Working Group Lifts.

Het beoordelen en aanwijzen van een CAB (Notified Body) gebeurt op grond van het volgende normstelsel:

De geharmoniseerde accreditatienormen zijn gepubliceerd in een Mededeling van de Commissie in het kader van de uitvoering van Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad, Besluit nr. 768/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 761/2001 van het Europees Parlement en de Raad (EU Pl 2009/C 136 van 2009-06-16).

De Raad voor Accreditatie moet voor de beoordeling van notified bodies gebruik maken van de EA-2/17- EA Guidance on the horizontal requirements for the accreditation of conformity assessment bodies for notification purposes (June 2009 rev01). De Guidance omvat de criteria voor aanwijzing van notified bodies, zoals onder de punten 1, 2 en 3 is vermeld.

Uitgangspunt is dat instellingen die conformiteitsbeoordelingen uitvoeren in het kader van de Richtlijn zijn geaccrediteerd op grond van de toepasselijke geharmoniseerde accreditatienorm(en).

Een instelling kan worden aangewezen voor één of meer van de hieronder aangegeven aanwijzingskavels:

Als relevante geharmoniseerde accreditatienormen gelden:

Conform artikel 9 van het Warenwetbesluit liften bij veiligheidscomponenten bij afgifte, schorsing, opheffing van deze schorsing en intrekking van een Certificaat van EG-typeonderzoek krachtens de Richtlijn liften, bijlage V-A en bijlage XI.

Het beoordelen van een instelling voor het aanwijzen en aanmelden als NoBo voor het afgeven van een certificaat van EG-typeonderzoek van veiligheidscomponenten vindt plaats op basis van de vigerende versie van de norm NEN-EN-ISO/IEC 45011: 1998.

Conform artikel 8 van het Warenwetbesluit liften bij liftinstallaties bij afgifte, schorsing, opheffing van deze schorsing en intrekking van:

Het beoordelen van een instelling voor het aanwijzen en aanmelden als CAB voor het afgeven van een certificaat van EG-typeonderzoek, een verklaring van eindcontrole of een certificaat van overeenstemming van liften vindt plaats op basis van de vigerende versie van de norm NEN-EN-ISO/IEC 45011: 1998 of NEN-EN-ISO/IEC 17020: 2004 (type A), al naar gelang de keuze van de instelling.

Conform artikel 8 en 9 van het Warenwetbesluit liften bij afgifte, schorsing, opheffing van deze schorsing of intrekking van een kwaliteitsmanagementsysteemcertificaat volgend op een beoordeling van een kwaliteitsmanagementsysteem krachtens de Richtlijn liften, bijlagen VIII, IX, XII, XIII en XIV.

Het beoordelen van een instelling voor het aanwijzen en aanmelden als CAB voor het beoordelen van een kwaliteitsmanagementsysteem van liften en veiligheidscomponenten en het daaropvolgend toekennen van een kwaliteitsmanagementsysteemcertificaat vindt plaats op basis van de vigerende versie van de norm NEN-EN-ISO/IEC 17021: 2011.

Binnen de instelling zijn functies te onderscheiden waaraan specifieke vakbekwaamheidseisen worden gesteld. Uit de beschrijving van de organisatie moet blijken dat de betrokken functionarissen geen functies mogen uitoefenen welke strijdig zijn met de uitoefening van hun taak.

Als verbijzondering van NEN-EN-ISO/IEC 17020: 2004 hoofdstuk 6 met betrekking tot organisatie en management en hoofdstuk 8 met betrekking tot personeel, NEN-EN-SIO/IEC 45011: 1998 par. 4.2 met betrekking tot de organisatiestructuur, par. 4.5 met betrekking tot het kwaliteitssysteem en hoofdstuk 5 met betrekking tot het certificatiepersoneel en NEN-EN-ISO/IEC 45012: 1998 par. 2.1.2 met betrekking tot de organisatie, par. 2.1.4 met betrekking tot het kwaliteitssysteem en par. 2.2 met betrekking tot het certificatiepersoneel geldt het volgende:

Organisatieschema

In haar organisatieschema/-beschrijving vermeldt de instelling functionarissen en hun plaatsvervangers, die activiteiten verrichten conform de volgende functiebeschrijvingen:

Combinaties van functies zijn mogelijk zolang uitvoering van onderzoek of controles en beslissing over het certificaat of de verklaring gescheiden blijven.

Het staat de instelling vrij aan deze functionarissen andere functiebenamingen toe te kennen, mits eenduidig een relatie wordt gegeven met de hierboven omschreven functiebenamingen.

Verantwoordelijkheden

In de vastgelegde procedures die de instelling hanteert moet worden aangegeven welke functies, volgens de gegeven typering, bevoegd respectievelijk verantwoordelijk zijn voor de in die procedures beschreven handelingen.

Vakbekwaamheidseisen

Hieronder zijn de vakbekwaamheidseisen vastgelegd voor de aangegeven functies. Deze eisen (dan wel, naar keuze, evident zwaardere eisen), moeten door de instelling in haar documentatie zijn vastgelegd.

Voor deze vakbekwaamheidseisen geldt in algemene zin ‘of gelijkwaardig’, waarbij die gelijkwaardigheid per geval door de instelling gemotiveerd moet zijn vastgelegd en door de Raad voor Accreditatie zal worden getoetst. Deze toetsing is voor:

Personeelsdossiers

Het feit dat functionarissen voldoen aan de hierboven omschreven vakbekwaamheidseisen moet blijken uit de personeelsdossiers die de instelling van die functionarissen beheert.

De conformiteitbeoordelende instantie wordt in het kader van haar aanwijzing op grond van Hoofdstuk V van het Warenwetbesluit liften getoetst.

Aangezien de (aangemelde) aangewezen instantie als een zelfstandig bestuursorgaan wordt aangemerkt, gelden bovendien onderstaande aanwijzingscriteria.

Ten behoeve van de informatieverzameling voor het toezicht dient de instelling kosteloos:

Indien de aangewezen instelling niet meer voldoet aan de eisen in dit schema kan dit gevolgen hebben voor de aanwijzing. Indien de aangewezen instelling niet meer voldoet aan de eisen in dit schema kan dit gevolgen hebben voor de aanwijzing. Zie beleidsmaatregel maatregelenbeleid certificering Arbeidsomstandighedenwet en Warenwet, Stcrt. 2010, nr. 10839 van 14 juli 2010.

Document: SBCL/WDA&T/100: 2011, versie 01

Onder beheer van:

SBCL

Dorpsstraat 11

1261 ES Blaricum

www.sbcl.nl

Liftinstallaties in de gebruiksfase vormen een risicovol product. Om het maatschappelijke belang – veiligheid en gezondheid van personen – te waarborgen, is nationaal gekozen voor een wettelijk verplichte inspectiecertificatieregeling van liftinstallaties. Een oordeel wordt onder deze regeling geveld door een aangewezen instelling in de gebruiksfase.

Om een oordeel te mogen vellen, dient een instelling voor de gebruiksfase te worden aangewezen door de minister van SZW. Dit gebeurt door de organisatie en de activiteiten van de instelling te toetsen aan de criteria van dit Werkveldspecifiek Document voor Aanwijzing en Toezicht (WDA&T). In dit document wordt aangegeven, aan welke regels en procedures de betreffende instellingen zich voor de betreffende werkvelden dienen te houden.

Dit WDA&T wordt beheerd door de Stichting Beheer Certificatie Liften.

Op- en/of aanmerkingen over dit document kunnen worden ingediend bij:

Centraal College van Deskundigen Liften

p/a Stichting Beheer Certificatie Liften

Dorpsstraat 11

1261 ES Blaricum

tel.: 035 5312952

info@sbcl.nl

www.sbcl.nl

Kamer van Koophandel: 30179645

Een instelling die wil worden aangewezen dient daartoe een schriftelijk verzoek tot aanwijzing in bij de minister van SZW, dat vergezeld gaat van een op de dag van het aanwijzingsverzoek relevant en geldig positief beoordelingsrapport van de Raad voor Accreditatie dat niet ouder is dan vier maanden.

De instelling is zelf verantwoordelijk voor het tijdig aanvragen van een verlenging van haar aanwijzing. De instelling dient ten behoeve van een aaneensluitende aanwijzing minimaal twee maanden voor de einddatum van de vigerende aanwijzing een aanwijzingsaanvraag in bij de minister van SZW.

In geval van een aanwijzing voor de gebruiksfase dient de instelling zich daartoe minimaal zes maanden vóór afloop van de aanwijzingstermijn te laten beoordelen door de Raad voor Accreditatie.

De aanwijzingsaanvraag gaat vergezeld van een afschrift van het beoordelingsrapport door de Raad voor Accreditatie.

Aangaande een beoordelingsrapport dient de instelling, conform de prestatieverplichtingen inzake het uitvoeren van beoordelingsonderzoeken en -rapportages door de Raad voor Accreditatie tijdig een verzoek om beoordeling in bij de Raad voor Accreditatie.

Dit Werkveldspecifiek Document voor Aanwijzing & Toezicht binnen het werkveld van keuringen van liftinstallaties in de gebruiksfase is door het CCvDL. Dit vastgestelde document vervangt eerdere versies.

Bij het tot stand komen van dit document zijn betrokken geweest:

De Nederlandse overheid maakt in de publieke sector gebruik van het private systeem van certificatie. Het doel van certificatie is in het algemeen het garanderen dat een product, systeem of dienst aan bepaalde eisen voldoet en ook blijft voldoen. De waarde van certificatie in de publiekrechtelijke sfeer in het bijzonder is de mate van algemeen vertrouwen en zekerheid die wordt bereikt met een onderzoek door de in deze certificatieregeling van het ministerie van SZW aangewezen instellingen (de CKI’s).

Gelet op de rol van de hier bedoelde CKI, namelijk het beoordelen of een liftinstallatie tijdens het gebruik van die installatie blijft voldoen aan de vervaardigingsvoorschriften, met inbegrip van tijdens het gebruik mogelijk doorgevoerde modificaties met minimaal het behoud van het veiligheidsniveau van die liftinstallatie op het moment vóór die modificatie, bestaan er, vaak als gevolg van externe factoren, risico’s die het beoogde functioneren, het vertrouwen in en de zekerheid van deze instellingen kunnen schaden en het beoogde doel van certificatie ondermijnen.

De CKI dient in alle gevallen haar werkzaamheden op integere, onpartijdige en onafhankelijke wijze uit te voeren en zal daarbij rekening houden met de mogelijke risico’s in de volgende zes gebieden:

Voor de hand liggende risico’s zijn:

Om deze risico’s te beheersen volgen de instellingen een kwaliteitsmanagementsysteem, in overeenstemming met NEN-EN-ISO/IEC 17020:2004, General criteria for the operation of various types of bodies performing inspection. Het beoordelen van de instelling geschiedt door de Raad voor Accreditatie.

Een instelling dient voor het verkrijgen van een aanwijzing voor nationale certificatieverleningen aan het ministerie van SZW een positieve beoordeling door de Raad voor Accreditatie te kunnen overleggen. Deze beoordeling geschiedt tegen bepaalde criteria en met inachtneming van de werkveldspecifieke invullingen als vermeld in dit WDA&T. De instelling dient voor de aanwijzing bovendien te voldoen aan de volgende norm voor keuring van liften in de gebruiksfase: NEN-EN-ISO/IEC 17020:2004 (zie par. 4.5.5). De interpretatie van deze norm is gebaseerd op het Warenwetbesluit liften en op besluiten van het CCvDL. De uitvoering van de keuring van liften in de gebruiksfase dient te geschieden volgens het Werkveldspecifiek certificatieschema vervolgkeuring liften (Bijlage 3 bij de Warenwetregeling liften)

Indien de instelling voor de gebruiksfase geaccrediteerd is conform de norm NEN-EN-ISO/IEC 17020:2004 (alleen type A inspectie-instelling), met inbegrip van eventueel hieronder gelegen IAF-, EA-, IEC- of andersoortige toepassingsdocumenten, zullen de als dan reeds beoordeelde punten niet opnieuw inhoudelijk beoordeeld worden. In dat geval wordt verondersteld dat door de instelling aan de overeenkomstige criteria ten opzichte van dit document op een minimaal gelijkwaardig niveau is voldaan.

Keuring van liften in de gebruiksfase

Conform artikel 8 en artikel 17 lid 4, 5, 6 en 7 en artikel 17a lid 1 en 2 van het Warenwetbesluit liften bij afgeven, weigeren van afgifte, schorsen, opheffing van een schorsing, wijzigen ten nadele van de certificaathouder en intrekken van een Certificaat van Goedkeuring.

Het beoordelen van een instelling voor het (her)aanwijzen als CKI voor het afgeven, weigeren van afgifte, schorsen, opheffen van een schorsing, wijzigen ten nadele van de certificaathouder en intrekken van een certificaat van goedkeuring van een lift vindt plaats op basis van de norm NEN-EN ISO/IEC 17020: 2004 (type A). Daarbij moeten de hierna volgende verbijzonderingen van de volgende normhoofdstukken en -paragrafen in acht worden genomen.

In relatie tot hoofdstuk 4 Onafhankelijkheid, onpartijdigheid en integriteit:

De CKI moet voldoen aan de criteria als gesteld in hoofdstuk 4, § 2 lid 1 van de norm NEN-EN ISO/IEC 17020:2004 (type A), met de volgende uitwerkingen:

Uitwerking van hoofdstuk 8 Personeel

Binnen de instelling zijn functies te onderscheiden waaraan specifieke vakbekwaamheidseisen worden gesteld. Uit de beschrijving van de organisatie moet blijken dat de betrokken functionarissen geen functies mogen uitoefenen welke strijdig zijn met de uitoefening van hun taak.

Als verbijzondering van NEN-EN-ISO/IEC 17020: 2004 hoofdstuk 6 met betrekking tot organisatie en management en hoofdstuk 8 met betrekking tot personeel, geldt het volgende:

Organisatieschema

In haar organisatieschema/-beschrijving vermeldt de instelling functionarissen en hun plaatsvervangers, die in relatie tot liftkeuringen conform artikel 17 Warenwetbesluit liften activiteiten verrichten conform de volgende functiebeschrijvingen:

Combinaties van functies zijn mogelijk zolang uitvoering van onderzoek of controles en beslissing over het certificaat of de verklaring gescheiden blijven.

Het staat de instelling vrij aan deze functionarissen andere functiebenamingen toe te kennen, mits eenduidig een relatie wordt gegeven met de hierboven omschreven functiebenamingen.

Verantwoordelijkheden

In de vastgelegde procedures die de instelling hanteert moet worden aangegeven welke functies, volgens de onder 6.1 gegeven typering, bevoegd respectievelijk verantwoordelijk zijn voor de in die procedures beschreven handelingen.

Vakbekwaamheidseisen

Hieronder zijn de vakbekwaamheidseisen vastgelegd voor de aangegeven functies. Deze eisen (dan wel, naar keuze, evident zwaardere eisen), moeten door de instelling in haar documentatie zijn vastgelegd.

Voor deze vakbekwaamheidseisen geldt in algemene zin ‘of gelijkwaardig’, waarbij die gelijkwaardigheid per geval door de instelling gemotiveerd moet zijn vastgelegd en door de Raad voor Accreditatie zal worden getoetst. Deze toetsing is voor:

Personeelsdossiers

Het feit dat functionarissen voldoen aan de hierboven omschreven vakbekwaamheidseisen moet blijken uit de personeelsdossiers die de instelling van die functionarissen beheert.

Uitwerking van hoofdstuk 9.1 Voorzieningen en Uitrusting:

Indien de CKI gebruik maakt van voorzieningen van derden, moet zij een gedocumenteerde werkwijze hanteren, welke borgt dat de gebruikte voorzieningen en uitrusting van derden ten tijde van de keuring beschikbaar, geschikt en toereikend zijn.

In relatie tot hoofdstuk 10 Inspectiemethoden en procedures:

In dit WDA&T wordt verwezen naar de bij dit WDA&T behorende werkveldspecifieke certificatieschema’s.

In relatie tot hoofdstuk 13 Inspectierapporten en -certificaten:

De CKI dient, naast de bepalingen als gesteld in dit hoofdstuk, op het certificaat van goedkeuring ook te vermelden de inhoudsbepalingen uit de bij dit WDA&T behorende werkveldspecifieke certificatieschema’s, alsmede:

De instelling wordt in het kader van haar aanwijzing op grond van hoofdstuk V van het Warenwetbesluit liften tevens op de volgende criteria getoetst:

4.5.1

De instelling en de werknemers die met de keuringen of beoordelingen zijn belast, voeren deze uit met de grootste mate van beroepsintegriteit.

4.5.2

Er is een integriteitbeleid, dat waar nodig in duidelijke voorschriften is uitgewerkt. Het personeel heeft zich aantoonbaar hieraan geconformeerd.

4.5.3

De instelling treedt integer en niet buiten zijn bevoegdheden in de markt op.

4.5.4

Het personeel van de instelling is aantoonbaar gebonden aan beroepsgeheim ten aanzien van al hetgeen het bij de uitoefening van zijn taak in het kader van het besluit ter kennis is gekomen, behalve tegenover de ter zake bevoegde overheidsinstanties.

4.5.5

De aangewezen CKI is bestuursorgaan in de zin van de Algemene wet bestuursrecht en dient te voldoen aan bestuurswetgeving zoals de Algemene wet bestuursrecht, de Wet openbaarheid van bestuur en de Archiefwet 1995.

4.5.6

De instelling dient te beschikken over een WA-verzekering die voldoende dekking biedt voor redelijkerwijs te verwachten risico’s.

4.5.7

De instelling dient een procedure te hebben waarin geregeld is dat in geval van ontdekking van een vermoeden van direct gevaar voor de veiligheid dit ogenblikkelijk door de betreffende medewerker gemeld wordt, en waarin staat beschreven dat de instelling zo spoedig mogelijk de belanghebbenden informeert, waaronder indien van toepassing de betreffende overheidsinstantie.

4.5.8

Bij beëindiging van de activiteiten door de instelling dient deze terstond de minister van SZW te informeren. De minister van SZW bepaalt wat de (voorheen) aangewezen of aangemelde aangewezen instelling met de dossiers moet doen, en de (voorheen) aangewezen of aangemelde aangewezen instelling dient hieraan mee te werken. Dit vrijwaart de (voorheen) aangewezen instelling niet van eventuele aansprakelijkheid voor fouten in de door haar uitgevoerde keuringen of beoordelingen.

4.5.9

De aangewezen CKI dient de volgende procedures op schrift te hebben gesteld: een zienswijzeprocedure (afdeling 4.1.2 Awb), een bezwaarschriftprocedure (hoofdstuk 6 en 7 Awb) en een klachtenprocedure (hoofdstuk 9 Awb).

4.5.10

De instelling moet zich aantoonbaar laten vertegenwoordigen in het nationale overleg van de instellingen.

4.5.11

Elke aangewezen instelling meldt elke afkeuring van een lift aan de andere aangewezen instellingen op dat werkveld.

4.5.12

Voor zover een sanctie- en maatregelenbeleid voor keuringen van liften in de gebruiksfase is vastgesteld, dient de CKI zich bij de op te leggen sancties/maatregelen aan dit sanctie- en maatregelenbeleid te houden. In geval van kennelijke onredelijkheid heeft de CKI op grond van de Awb de bevoegdheid hier van af te wijken. Afwijking geschiedt alleen op grond van door de certificaathouder aan te dragen argumenten. De onderbouwing voor de afwijking wordt opgenomen in het besluit over de opgelegde sanctie. Afwijkingen worden geregistreerd door de CKI.

4.5.13

De instelling gebruikt voor haar rapportages en dossiers de Nederlandse taal. Een andere taal kan worden gebruikt indien dit doelmatiger is en andere belangen niet worden geschaad. Alle documenten en registraties in het verkeer met de overheid dienen in de Nederlandse taal te zijn, tenzij anders met de overheid is overeengekomen.

4.5.14

De instelling bewaart de gegevens met betrekking tot de afgifte van certificaten van goedkeuring tenminste tien jaar in haar administratie.

4.5.15

De instelling mag de afgifte van certificaten en de daaraan voorafgaande beoordeling en beslissing niet uitbesteden.

4.5.16

In afwijking van § 14 van de NEN-EN-ISO/IEC 17020: 2004: Uitbesteding is niet toegestaan. Inlenen van personeel is toegestaan mits volledig voldaan wordt aan hoofdstuk 8 van de NEN-EN-ISO/IEC 17020: 2004.

In verband met de verplichtingen in het kader van toezicht op de instellingen (CKI’s) is hoofdstuk V van het Warenwetbesluit liften en artikel 4 van de Warenwetregeling liften van toepassing.

Ten behoeve van de informatieverzameling dient de instelling kosteloos:

Indien de aangewezen instelling niet meer voldoet aan de eisen in dit schema kan dit gevolgen hebben voor de aanwijzing. Zie beleidsmaatregel maatregelenbeleid certificering Arbeidsomstandighedenwet en Warenwet, Stcrt. 2010, nr. 10839 van 14 juli 2010.

Document: SBCL/2006/01: 2007, versie 01

Onder beheer van:

SBCL

Dorpstraat 11

1261 ES Blaricum

www.sbcl.nl

Dit schema is de nadere invulling van de eisen voor de vervolgkeuringen van personenliften als bedoeld in artikel 17 1e lid van het Warenwet Besluit Liften.

Achter elk criterium is een urgentie vermeld. Deze urgentie bepaalt de actie die verwacht wordt van een inspecteur indien een dergelijke afwijking zich manifesteert. Door omstandigheden is het mogelijk dat de inspecteur een beslissing neemt die in een hogere of lagere urgentie terecht komt.

Urgentiecodes:

In de kolom wijze van uitvoering zijn een aantal items vet, schuin en onderstreept weergegeven. Alvorens een lift voor de eerste keer een certificaat van goedkeuring kan bekomen van een certificerende instantie dienen deze punten gecontroleerd te worden. Deze controle kan worden beperkt tot een steekproef indien de conformiteitscontrolelijst van de installateur aanwezig is.

De controles bestaan, naast het meten van vrije ruimten, uit een toetsing of de veiligheidscomponenten zijn geplaatst conform de geleverde documentatie.