Ministeriële regeling · BWBR0008415

Warenwetregeling liften

Wijzigingen Officiële bron
Regeling houdende nadere regels ten aanzien van liften Warenwetregeling liftenDe Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken;

Gelet op de artikelen 4, vijfde en zesde lid, 5, derde lid, 11, eerste lid, 12, eerste lid, eerste zin, en 19 van de Wet op de gevaarlijke werktuigen en artikel 23, derde lid, van het Besluit liften;

Besluit:

’s-Gravenhage12 december 1996DeStaatssecretarisvoornoemd, F.H.G. deGrave

In deze regeling wordt verstaan onder Besluit: het Warenwetbesluit liften.

Een aanwijzing als aangewezen instelling en aangewezen aangemelde instelling kan geschieden indien:

De dossiers en de briefwisseling die betrekking hebben op de overeenstemmingsbeoordelingsprocedures, bedoeld in het besluit, worden gesteld in de Nederlandse taal, of in een andere door de aangewezen aangemelde instelling aanvaarde taal.

In het jaarverslag, bedoeld in artikel 7c, tweede lid, van de wet, worden door de aangewezen instelling en de aangewezen aangemelde instelling ten minste de volgende onderwerpen behandeld:

Een certificaat kan worden afgegeven indien, in geval van de beoordeling van een voorgenomen wijziging in een lift, model lift of model veiligheidscomponent als bedoeld in artikel 11 van het besluit, dan wel een keuring of vervolgkeuring van een lift als bedoeld in artikel 17 van het besluit, de aanvrager voldoet aan de eisen, vastgelegd in Werkveldspecifiek certificatieschema ten behoeve van het Warenwetbesluit liften binnen het werkveld keuringen van liften, documentcode WSCS-Liften Gebruiksfase, zoals opgenomen in bijlage 3, behorend bij artikel 5, Warenwetregeling liften.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Deze regeling wordt aangehaald als: Warenwetregeling liften.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

INHOUD

Document: WDAT-Liften Handelsfase

Voor liften zijn wettelijk verplichte conformiteitbeoordelingsprocedures vastgesteld. De procedures zijn in overeenstemming met de Richtlijn 95/16/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 1995 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende Liften, hierna: de Richtlijn. De Richtlijn is geïmplementeerd in het Warenwetbesluit Liften. Voor elk product dat onder de Richtlijn valt moet een EG-verklaring van Overeenstemming worden opgesteld. Hierin verklaart de fabrikant dat aan alle essentiële eisen van veiligheid en gezondheid uit de Richtlijn wordt voldaan. De fabrikant of een gemachtigd persoon van de fabrikant ondertekent de verklaring en stuurt deze verklaring mee met het product. Ook brengt hij de CE- markering op het product aan.

Keuringsinstellingen voeren productkeuringen uit. In Nederland gevestigde instellingen dienen door de minister van SZW te zijn aangewezen. Deze instellingen worden bij de Europese Commissie aangemeld als conformity assessment body (CAB), en zijn dan Notified Body (NoBo).

Dit document voor aanwijzing en toezicht verwijst naar de Europese eisen waar keuringsinstellingen aan moeten voldoen alvorens de minister van SZW overgaat tot aanwijzing op een werkveld van het Warenwetbesluit Liften. De Raad voor Accreditatie zal aan de hand van dit document de keuringsinstellingen beoordelen1. Kortweg komt deze beoordeling neer op het volgende:

De geharmoniseerde normen zijn gepubliceerd door de Europese Commissie in het Official Journal.

De RvA voert de beoordeling uit en hanteert hierbij de toepasselijke IAF-, ILAC- en EC-toelichtingen.

De consequenties zijn:

Zie de definities in de richtlijn 95/16/EG van 29 juni 1995, de verordening (EG) Nr. 764/2008, de verordening (EG) Nr. 765/2008 en het besluit Nr. 768/2008/EG van 9 juli 2008.

Binnen dit document gelden verder de volgende definities:

Conform de Richtlijn en het ‘goederenpakket’.

Dit werkveldspecifieke document voor aanwijzing en toezicht in het werkveld liften in de handelsfase is door de minister van SZW vastgesteld op basis van het Warenwetbesluit liften.

Dit document richt zich uitsluitend op liften in de handelsfase. Risico's worden binnen de bestaande kaders van de Richtlijn, het ‘goederenpakket’, de geharmoniseerde productnormen, normen voor accreditatie en de accreditatiepraktijk afdoende afgedekt. Het speelveld is Europees geordend. Overleg met de Europese Commissie en Lidstaten heeft plaats in het Standing Committee en in het regulier overleg van conformity assessment bodies, het zogenoemde Notified Body Committee. Het overleg over het markttoezicht heeft plaats in de Administrative Co-operation (ADCO) Working Group Lifts.

Het beoordelen en aanwijzen van een CAB (Notified Body) gebeurt op grond van het volgende normstelsel:

De geharmoniseerde accreditatienormen zijn gepubliceerd in een Mededeling van de Commissie in het kader van de uitvoering van Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad, Besluit nr. 768/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 761/2001 van het Europees Parlement en de Raad (EU Pl 2009/C 136 van 2009-06-16).

De Raad voor Accreditatie moet voor de beoordeling van notified bodies gebruik maken van de EA-2/17M-EA Guidance on the horizontal requirements for the accreditation of conformity assessment bodies for notification purposes (June 2009 rev01). De Guidance omvat de criteria voor aanwijzing van notified bodies, zoals onder de punten 1, 2 en 3 is vermeld.

Uitgangspunt is dat instellingen die conformiteitsbeoordelingen uitvoeren in het kader van de Richtlijn zijn geaccrediteerd op grond van de toepasselijke geharmoniseerde accreditatienorm(en).

Een instelling kan worden aangewezen voor één of meer van de hieronder aangegeven aanwijzingskavels:

Als relevante geharmoniseerde accreditatienormen gelden:

Productcertificatie of inspectie voor de Modules B, C en G op basis van een accreditatie volgens de vigerende versies van de norm NEN-EN-ISO/IEC 17065:2012 (certificatie product) of NEN-EN-ISO/IEC 17020:2012 (type A) (inspectie);

Systeemcertificatie voor de Modules D, E en H op basis van een accreditatie volgens de vigerende versie van de norm NEN-EN-ISO/IEC 17021: 2011.

Productcertificatie van veiligheidscomponenten in de ontwerp- en productiefase conform artikel 9 van het Warenwetbesluit liften bij veiligheidscomponenten bij afgifte, schorsing, opheffing van deze schorsing en intrekking van een Certificaat van EG-typeonderzoek krachtens de Richtlijn liften, bijlage V-A en bijlage XI.

Het beoordelen van een instelling voor het aanwijzen en aanmelden als NoBo voor het afgeven van een certificaat van EG-typeonderzoek van veiligheidscomponenten vindt plaats op basis van de vigerende versie van de norm NEN-EN-ISO/IEC 17065:2012.

Productcertificatie of inspectie van liften in de ontwerp- en productiefase conform artikel 8 van het Warenwetbesluit liften bij liften bij afgifte, schorsing,opheffing van deze schorsing en intrekking van:

Het beoordelen van een instelling voor het aanwijzen en aanmelden als CAB voor het afgeven van een certificaat van EG-typeonderzoek, een verklaring van eindcontrole of een certificaat van overeenstemming van liften vindt plaats op basis van de vigerende versie van de norm NEN-EN-ISO/IEC 17065:2012 of NEN-EN-ISO/IEC 17020:2012 (type A), al naar gelang de keuze van de instelling.

Kwaliteitsmanagementsysteemcertificatie van liften en veiligheidscomponenten in de ontwerp- en productiefase conform artikel 8 en 9 van het Warenwetbesluit liften bij afgifte, schorsing, opheffing van deze schorsing of intrekking van een kwaliteitsmanagementsysteemcertificaat volgend op een beoordeling van een kwaliteitsmanagementsysteem krachtens de Richtlijn liften, bijlagen VIII, IX, XII, XIII en XIV. Het beoordelen van een instelling voor het aanwijzen en aanmelden als CAB voor het beoordelen van een kwaliteitsmanagementsysteem van liften en veiligheidscomponenten en het daaropvolgend toekennen van een kwaliteitsmanagementsysteemcertificaat vindt plaats op basis van de vigerende versie van de norm NEN-EN-ISO/IEC 17021: 2011.

Binnen de instelling zijn functies te onderscheiden waaraan specifieke vakbekwaamheidseisen worden gesteld. Uit de beschrijving van de organisatie moet blijken dat de betrokken functionarissen geen functies mogen uitoefenen welke strijdig zijn met de uitoefening van hun taak.

Als verbijzondering van NEN-EN-ISO/IEC 17020:2012 hoofdstuk 5 met betrekking tot organisatie en management en paragraaf 6.1 met betrekking tot personeel, NEN-EN-ISO/IEC 17065:2012 par. 5.1 met betrekking tot de organisatiestructuur, hfst. 8 met betrekking tot het kwaliteitssysteem en paragraaf 6.1 met betrekking tot het certificatiepersoneel en NEN-EN-ISO/IEC 17021:2011 par. 6.1 met betrekking tot de organisatie, hfst. 10 met betrekking tot het kwaliteitssysteem en hfst. 7 met betrekking tot het certificatiepersoneel geldt het volgende:

In haar organisatieschema/-beschrijving vermeldt de instelling functionarissen en hun plaatsvervangers, die activiteiten verrichten als technisch manager, senior inspecteur of inspecteur.

Combinaties van functies zijn mogelijk en het staat de instelling vrij aan deze functionarissen andere functiebenamingen toe te kennen, mits eenduidig een relatie wordt gegeven met de in paragraaf 2 omschreven functiebenamingen.

In de vastgelegde procedures die de instelling hanteert moet worden aangegeven welke functies, volgens de gegeven typering, bevoegd respectievelijk verantwoordelijk zijn voor de in die procedures beschreven handelingen.

Hieronder zijn de vakbekwaamheidseisen vastgelegd voor de aangegeven functies. Deze eisen (dan wel, naar keuze, evident zwaardere eisen), moeten door de instelling in haar documentatie zijn vastgelegd.

Voor deze vakbekwaamheidseisen geldt in algemene zin ‘of gelijkwaardig’, waarbij die gelijkwaardigheid per geval door de instelling gemotiveerd moet zijn vastgelegd en door de Raad voor Accreditatie zal worden getoetst. Deze toetsing is voor:

Het feit dat functionarissen voldoen aan de hierboven omschreven vakbekwaamheidseisen moet blijken uit de personeelsdossiers die de instelling van die functionarissen beheert.

De conformiteitbeoordelende instantie wordt in het kader van haar aanwijzing op grond van Hoofdstuk V van het Warenwetbesluit liften getoetst.

Aangezien de (aangemelde) aangewezen instantie als een zelfstandig bestuursorgaan wordt aangemerkt, gelden bovendien onderstaande aanwijzingscriteria.

Ten behoeve van de informatieverzameling voor het toezicht dient de instelling kosteloos:

Indien de aangewezen instelling niet meer voldoet aan de eisen in dit schema kan dit gevolgen hebben voor de aanwijzing. Zie beleidsmaatregel maatregelenbeleid certificering Arbeidsomstandighedenwet en Warenwet.

INHOUD

Document: WDAT-Liften Gebruiksfase

Liften in de gebruiksfase vormen een risicovol product. Om het maatschappelijke belang – veiligheid en gezondheid van personen – te waarborgen, is nationaal gekozen voor een wettelijk verplichte inspectiecertificatieregeling van liften. Een oordeel wordt onder deze regeling geveld door een aangewezen instelling in de gebruiksfase.

Om een oordeel te mogen vellen, dient een instelling voor de gebruiksfase te worden aangewezen door de minister van SZW. Dit gebeurt door de organisatie en de activiteiten van de instelling te toetsen aan de criteria van dit Werkveldspecifiek Document voor Aanwijzing en Toezicht (WDA&T). In dit document wordt aangegeven, aan welke regels en procedures de betreffende instellingen zich voor de betreffende werkvelden dienen te houden.

Een instelling die wil worden aangewezen dient daartoe een schriftelijk verzoek tot aanwijzing in bij de minister van SZW, dat vergezeld gaat van een op de dag van het aanwijzingsverzoek relevant en geldig positief beoordelingsrapport van de Raad voor Accreditatie dat niet ouder is dan vier maanden.

De instelling is zelf verantwoordelijk voor het tijdig aanvragen van een verlenging van haar aanwijzing. De instelling dient ten behoeve van een aaneensluitende aanwijzing minimaal twee maanden voor de einddatum van de vigerende aanwijzing een aanwijzingsaanvraag in bij de Inspectie SZW. De Inspectie SZW neemt de aanvraag namens de Minister van SZW in behandeling en verstrekt ook de aanwijzingsbeschikking.

In geval van een aanwijzing voor de gebruiksfase dient de instelling zich daartoe minimaal zes maanden vóór afloop van de aanwijzingstermijn te laten beoordelen door de Raad voor Accreditatie.

De aanwijzingsaanvraag gaat vergezeld van een afschrift van het beoordelingsrapport door de Raad voor Accreditatie.

Aangaande een beoordelingsrapport dient de instelling, conform de prestatieverplichtingen inzake het uitvoeren van beoordelingsonderzoeken en -rapportages door de Raad voor Accreditatie tijdig een verzoek om beoordeling in bij de Raad voor Accreditatie.

Dit Werkveldspecifiek Document voor Aanwijzing & Toezicht betreft het werkveld van keuringen van liften in de gebruiksfase.

De Nederlandse overheid maakt in de publieke sector gebruik van het private systeem van certificatie. Het doel van certificatie is in het algemeen het garanderen dat een product, systeem of dienst aan bepaalde eisen voldoet en ook blijft voldoen. De waarde van certificatie in de publiekrechtelijke sfeer in het bijzonder is de mate van algemeen vertrouwen en zekerheid die wordt bereikt met een onderzoek door de in deze certificatieregeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen instellingen (de CKI’s).

Gelet op de rol van de hier bedoelde CKI, namelijk het beoordelen of een lift tijdens het gebruik van die installatie blijft voldoen aan de vervaardigingsvoorschriften, met inbegrip van tijdens het gebruik mogelijk doorgevoerde modificaties met minimaal het behoud van het veiligheidsniveau van die liftinstallatie op het moment vóór die modificatie, bestaan er, vaak als gevolg van externe factoren, risico’s die het beoogde functioneren, het vertrouwen in en de zekerheid van deze instellingen kunnen schaden en het beoogde doel van certificatie ondermijnen.

De CKI dient in alle gevallen haar werkzaamheden op integere, onpartijdige en onafhankelijke wijze uit te voeren en zal daarbij rekening houden met de mogelijke risico’s in de volgende zes gebieden:

Voor de hand liggende risico’s zijn:

Om deze risico’s te beheersen volgen de instellingen een kwaliteitsmanagementsysteem, in overeenstemming met NEN-EN-ISO/IEC 17020:2012, General criteria for the operation of various types of bodies performing inspection. Het beoordelen van de instelling geschiedt door de Raad voor Accreditatie.

Een instelling dient voor het verkrijgen van een aanwijzing voor nationale certificatieverleningen aan het ministerie van SZW een positieve beoordeling door de Raad voor Accreditatie te kunnen overleggen. Deze beoordeling geschiedt tegen bepaalde criteria en met inachtneming van de werkveldspecifieke invullingen als vermeld in deze bijlage. De instelling dient voor de aanwijzing bovendien te voldoen aan de volgende norm voor keuring van liften in de gebruiksfase: NEN-EN-ISO/IEC 17020:2012 (zie par. 4.5.5). De interpretatie van deze norm is gebaseerd op het Warenwetbesluit liften en op besluiten van het CCvDL. De uitvoering van de keuring van liften in de gebruiksfase dient te geschieden volgens het Werkveldspecifiek certificatieschema voor de keuring van liften (Bijlage 3 bij de Warenwetregeling liften)

Indien de instelling voor de gebruiksfase geaccrediteerd is conform de norm NEN-EN-ISO/IEC 17020:2012 (alleen type A inspectie-instelling), met inbegrip van eventueel hieronder gelegen IAF-, EA-, IEC- of andersoortige toepassingsdocumenten, zullen de als dan reeds beoordeelde punten niet opnieuw inhoudelijk beoordeeld worden. In dat geval wordt verondersteld dat door de instelling aan de overeenkomstige criteria ten opzichte van dit document op een minimaal gelijkwaardig niveau is voldaan.

De aanwijzingskavels zijn uitgewerkt in paragraaf 4.2.1 van het werkveldspecifiek document voor aanwijzing en toezicht op de instellingen voor overeenstemmingsbeoordelingsprocedures voor de richtlijn 95/16/EG- liften: (bijlage 1 behorend bij artikel 2 van de Warenwetregeling liften): Document WDAT-Liften Handelsfase.

Het beoordelen van een instelling voor het (her)aanwijzen als CKI voor het afgeven, weigeren van afgifte, schorsen, opheffen van een schorsing, wijzigen ten nadele van de certificaathouder en intrekken van een certificaat van goedkeuring van een lift vindt plaats op basis van de norm NEN-EN-ISO/IEC 17020:2012 (type A). Daarbij moeten de hierna volgende verbijzonderingen van de volgende normhoofdstukken en -paragrafen in acht worden genomen.

De CKI voldoet aan de criteria, bedoeld in hoofdstuk 4 van de norm NEN-EN-ISO/IEC 17020:2012 (type A), met de volgende uitwerkingen met betrekking tot onafhankelijkheid, onpartijdigheid en vertrouwelijkheid:

Binnen de instelling zijn functies te onderscheiden waaraan specifieke vakbekwaamheidseisen worden gesteld. Uit de beschrijving van de organisatie moet blijken dat de betrokken functionarissen geen functies mogen uitoefenen welke strijdig zijn met de uitoefening van hun taak.

Als verbijzondering van NEN-EN-ISO/IEC 17020:2012 paragraaf 5.2 met betrekking tot organisatie en management en paragraaf 6.1 met betrekking tot personeel, geldt het volgende:

Organisatieschema

In haar organisatieschema/-beschrijving vermeldt de instelling functionarissen en hun plaatsvervangers, die in relatie tot liftkeuringen conform artikel 17 van het Warenwetbesluit liften activiteiten verrichten als technisch manager, inspecteur en senior inspecteur.

Combinaties van functies zijn mogelijk en het staat de instelling vrij aan deze functionarissen andere functiebenamingen toe te kennen, mits eenduidig een relatie wordt gegeven met de in paragraaf 2 omschreven functiebenamingen.

Verantwoordelijkheden

In de vastgelegde procedures die de instelling hanteert moet worden aangegeven welke functies, volgens de paragraaf 6.1 van de norm NEN-EN-ISO/IEC 17020:2012 gegeven typering, bevoegd respectievelijk verantwoordelijk zijn voor de in die procedures beschreven handelingen.

Vakbekwaamheidseisen

Hieronder zijn de vakbekwaamheidseisen vastgelegd voor de aangegeven functies. Deze eisen (dan wel, naar keuze, evident zwaardere eisen), moeten door de instelling in haar documentatie zijn vastgelegd.

Voor deze vakbekwaamheidseisen geldt in algemene zin ‘of gelijkwaardig’, waarbij die gelijkwaardigheid per geval door de instelling gemotiveerd moet zijn vastgelegd en door de Raad voor Accreditatie zal worden getoetst. Deze toetsing is voor:

Personeelsdossiers

Het feit dat functionarissen voldoen aan de hierboven omschreven vakbekwaamheidseisen moet blijken uit de personeelsdossiers die de instelling van die functionarissen beheert.

Naast de persoonlijke uitrusting die vanuit het Arbeidsomstandighedenbesluit is voorgeschreven, zal de CKI moeten beschikken over minimaal de hier genoemde benodigde voorzieningen en uitrusting voor metingen en beproevingen:

De CKI zorgt er voor dat, waar van toepassing, de middelen zijn gekalibreerd vóór ingebruikname en vervolgens in overeenstemming met een vastgelegd schema.

Indien de CKI gebruik maakt van voorzieningen van derden, moet zij een gedocumenteerde werkwijze hanteren, welke borgt dat de gebruikte voorzieningen en uitrusting van derden ten tijde van de keuring beschikbaar, geschikt en toereikend zijn.

De instelling wordt in het kader van haar aanwijzing op grond van hoofdstuk V van het Warenwetbesluit liften tevens op de volgende criteria getoetst:

In verband met de verplichtingen in het kader van toezicht op de instellingen (CKI’s) is hoofdstuk V van het Warenwetbesluit liften en artikel 4 van de Warenwetregeling liften van toepassing.

Ten behoeve van de informatieverzameling dient de instelling kosteloos:

Indien de aangewezen instelling niet meer voldoet aan de eisen in dit schema kan dit gevolgen hebben voor de aanwijzing. Zie beleidsmaatregel maatregelenbeleid certificering Arbeidsomstandighedenwet en Warenwet.

INHOUD

Document: WSCS-Liften Gebruiksfase

In deze inleiding worden de werking en de context beschreven waarin het nu voorliggende Werkveldspecifiek Certificatieschema binnen het werkveld ‘keuring van liften in de gebruiksfase’ functioneert in relatie tot de norm NEN-EN ISO/IEC 17020:2004.

De Stichting Beheer Certificatie Liften (SBCL) treedt voor het werkveld ‘liften’ op als beheerstichting met betrekking tot de schema’s voor aanwijzing en toezicht en certificatieschema’s. Binnen SBCL fungeert een Centraal College van Deskundigen Liften (CCvDL), waarin belanghebbenden de mogelijkheid hebben tot deelname aan het overleg over het opstellen en onderhouden van de hier bedoelde schema’s.

Indien een instelling in de markt wil opereren als Certificerende en Keurende Instelling ten behoeve van keuringen in de gebruiksfase, moet zij daartoe worden aangewezen door de Minister van SZW op grond van de eisen in artikel 2 van de Warenwetregeling liften en de eisen in het ‘Werkveldspecifiek document voor Aanwijzing en Toezicht op de instellingen ten behoeve van keuringen van liften in de gebruiksfase’ (bijlage 2 behorend bij artikel 2 Warenwetregeling liften).

Dit Werkveldspecifiek Certificatieschema (WSCS) bevat de procedures volgens welke beoordelingen respectievelijk keuringen dienen te worden uitgevoerd, en de voorwaarden waarbinnen dit dient plaats te vinden. Dit WSCS is gebaseerd op de NEN-EN-ISO/IEC17020:2012 (‘inspection’) en de door EA (European co-operation for Accreditation) gepubliceerde toelichtingen. Het leidt tot rapportages die op basis van keuring worden gedaan en waarbij als resultaat (na een genomen beslissing tot goedkeuring) een certificaat wordt verstrekt.

In deze paragraaf worden de rollen beschreven van partijen die bij het keuren van liften in de gebruiksfase betrokken zijn. Daartoe wordt een aantal zaken onderscheiden en wordt ingegaan op de rollen van partijen in de verschillende fasen van het proces. Het algemene wettelijke kader is geregeld in de artikelen 7 en 7a t/m 7e van de Warenwet en in het Warenwetbesluit liften.

Om aan te tonen dat de staat van de lift voldoet aan de minimale veiligheidseisen, dient de installatie op grond van de Warenwetgeving onderzocht en beproefd te worden.

In het certificatieschema voor het keuren van liften onderscheidt men in de gebruiksfase vijf trajecten:

Waar in de Engelstalige versie van de normen wordt gesproken over ‘inspection’, is dit woord in het Nederlands vertaald met ‘keuring’.

De instelling die is aangewezen door de Minister van SZW om keuringen te mogen verrichten en certificaten van goedkeuring te mogen afgeven in de gebruiksfase, wordt ‘Certificerende en Keurende Instelling’ genoemd (hierna: CKI).

Een liftinstallatie die gebruikt wordt tijdens de bouwfase van een gebouw of bouwwerk moet gekeurd worden zodra deze in gebruik wordt genomen of wanneer deze tijdens de bouwfase is hersteld of gewijzigd. De grond voor de keuring van liftinstallaties ligt besloten in het Warenwetbesluit liften.

Deze keuring kan alleen worden uitgevoerd door een instelling die conform het Werkveldspecifiek Document voor Aanwijzing en Toezicht op de instellingen ten behoeve van keuringen van liften in de gebruiksfase is aangewezen door de Minister van SZW.

In de gebruiksfase wordt een liftinstallatie gekeurd en gecertificeerd middels een periodieke keuring, teneinde vast te stellen of de liftinstallatie op dat moment van keuren voldoet aan de aan die lift te stellen eisen. Deze keuring is voorgeschreven voor apparatuur waarvan verwacht mag worden dat deze tijdens het gebruik aan slijtage onderhevig is of anderszins achteruitgaat op het gebied van veiligheid. De grond voor de keuring van liftinstallaties ligt besloten in het Warenwetbesluit liften.

Deze periodieke keuring kan alleen worden uitgevoerd door een instelling die conform het Werkveldspecifiek Document voor Aanwijzing en Toezicht op de instellingen ten behoeve van keuringen van liften in de gebruiksfase is aangewezen door de Minister van SZW.

Het keuringsinterval voor de periodieke keuringen is vastgesteld in het Warenwetbesluit liften (waarin deze keuring een ‘vervolgkeuring’ wordt genoemd).

Het CCvDL geeft, op basis van de risicoanalyse, in het werkveldspecifieke schema aan op welke wijze de CKI’s dienen te keuren en welke gegevens zij dienen vast te leggen. Partijen dienen zich aan de verplichtingen van dit werkveldspecifieke schema te houden.

CKI

Om het maatschappelijke belang, i.c. veiligheid van liften, te waarborgen, is door de overheid gekozen voor een wettelijk verplichte regeling voor de borging van de veiligheid van liften.

Beschrijving schema

Dit schema is door de Minister van SZW vastgesteld op basis van het Warenwetbesluit liften.

Het Europees Parlement en de Nederlandse overheid hebben vastgesteld dat een lift een werktuig is dat potentieel gevaren kan opleveren voor personen die deze installatie gebruiken of daaraan werkzaamheden verrichten of daarin aanwezig zijn. Onvolkomenheden of mankementen in de lift kunnen leiden tot een storing die verwonding, invaliditeit of overlijden tot gevolg kan hebben. In het bijzonder kan worden genoemd het risico dat:

Om deze risico’s zo klein mogelijk te laten zijn, dienen ontwerp, functioneren en onderhoud van een lift of onderdelen daarvan aan strenge eisen te voldoen. Deze eisen, gebaseerd op van overheidswege gemaakte risicoanalyses, zijn vastgelegd in een veelomvattend stelsel van normen en regelgeving en hebben betrekking op technische aspecten, veiligheid en gezondheid en preventie van risico’s. Verwezen mag onder andere worden naar de motivatie van respectievelijk de door het Europees Parlement vastgestelde Richtlijn liften 95/16/EG, de Richtlijn machines 2006/42/EG, de Richtlijn gebruik arbeidsmiddelen 2009/104/EG, de Nederlandse Arbeidsomstandighedenwet, de Warenwet en het Warenwetbesluit liften en de relevante normen voor liften.

Teneinde te bevorderen dat een lift veilig functioneert, veilig blijft functioneren en risico’s worden geminimaliseerd dient:

of, bij zelfcertificatie van producten, dient:

En in de gebruiksfase dient

De certificering of beoordeling in de ontwerp- en productiefase wordt uitgevoerd door een NoBo. De keuring en het (na genomen beslissing tot goedkeuring) afgeven van een certificaat van goedkeuring in de gebruiksfase wordt uitgevoerd door een CKI.

De resultaten van de risicoanalyses die ten grondslag liggen aan de regelgeving worden door de beheersstichting gebruikt om de vereiste keuringen uit te laten voeren aan de hand van specifieke certificatieschema’s.

In dit hoofdstuk worden de procedures beschreven die van belang zijn voor het juist toepassen van het relevante certificatieschema. Hierbij moet gedacht worden aan onder meer de procedure van aanvraag, de condities met betrekking tot de keuring, de procedures bij het uitvoeren van keuringen en de afgifte van het certificaat en het indienen en behandelen van verzoeken om herziening.

Een aanvrager die een certificaat van goedkeuring wil verkrijgen dient bij een CKI (zie daartoe www.sbcl.nl) en in overeenstemming met deze certificatieprocedure een aanvraag in tot het uitvoeren van een certificatieproces. Vervolgens verstrekt deze CKI aan deze aanvrager informatie over de gang van zaken bij de afhandeling van de aanvraag.

De CKI dient door het Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te zijn aangewezen voor het uitvoeren van een certificatieproces en/of keuring met certificatie, en een samenwerkingsovereenkomst te hebben gesloten met de beheerstichting.

Daarnaast is deze CKI verplicht, de aanvrager aantoonbaar te informeren over de regels, voorwaarden en procedures die verband houden met het afgeven van een certificaat.

In het kader van het proces van het keuren van een liftinstallatie gelden de voorwaarden en procedures als vermeld in hoofdstuk 6.

De CKI moet beschikken over vastgelegde procedures voor het afgeven van een certificaat.

De beslissing betreffende het afgeven van een certificaat wordt genomen door een functionaris van de CKI die daartoe is gekwalificeerd en aangesteld conform het kwaliteitssysteem van de CKI en de procedures als vermeld in hoofdstuk 6.

Overeenkomstig de bepalingen uit de norm NEN-EN-ISO/IEC 17020:2012 kan een functionaris die de keuring uitvoert tevens beslissen over de afgifte van het certificaat.

Een certificaat van goedkeuring is slechts een bewijs dat de lift op het moment van keuren voldoet aan de aan die lift gestelde eisen. Een volgende keuring dient plaats te vinden binnen de keuringsintervallen die op basis van het Warenwetbesluit liften zijn vastgesteld.

De certificaathouder kan aan het certificaat geen andere rechten ontlenen dan het kunnen aantonen dat de lift op het moment van keuren voldoet (voldeed) aan de aan die lift gestelde eisen.

Met betrekking tot de geldigheid van een certificaat worden condities gesteld. Indien niet (meer) wordt voldaan aan deze condities, kan dit tot gevolg hebben dat de installatie niet meer in bedrijf mag zijn alvorens deze opnieuw is goedgekeurd.

De keuringscriteria, de lijst van inspectiepunten, de condities waaraan voldaan moet worden en de consequenties van het niet-voldoen zijn opgenomen in de Bijlagen A t/m E.

De CKI beschikt inzake klachten over de certificerende instelling over een klachtenprocedure als bedoeld in titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht.

Indien de CKI klachten van derden, zoals een opdrachtgever, ontvangt over het voldoen aan dit schema door het bedrijf of de persoon die een aanvraag voor het certificaat heeft ingediend of certificaathouder is, dient de CKI de klager te verwijzen naar het bedrijf of de persoon. De CKI dient de klacht te betrekken bij de eerstvolgende beoordeling bij het betreffende bedrijf of de betreffende persoon.

Echter, indien het naar de mening van de CKI een ernstige klacht betreft, dient de CKI, naast de behandeling door het bedrijf of de persoon, zelf ook direct te beoordelen of de klacht gevolgen dient te hebben voor de beslissing m.b.t. certificatie. In dat geval dient de CKI af te wegen of het gewenst is een extra beoordeling uit te voeren. De kosten van deze extra beoordeling komen in beginsel voor rekening van de certificaathouder.

De CKI beschikt over een bezwaarschriftenprocedure als bedoeld in hoofdstuk 6 en 7 van de Algemene wet bestuursrecht.

Het CCvDL bevordert een eenduidige interpretatie van de geldende regelgeving in de gebruiksfase. Toch kan het voorkomen dan in deze fase verschillende interpretaties bestaan van één of meerdere in dit werkveldspecifieke certificatieschema gehanteerde begrippen of uitvoeringsaspecten.

Indien certificaathouders, certificatie-instellingen of andere belanghebbenden uiteenlopende definities of uitvoeringsaspecten hanteren en hierover meningsverschillen bestaan, dienen afwijkende interpretaties te worden voorgelegd aan het CCvDL. Het CCvDL doet, na ruggespraak met en instemming van SZW, een bindende uitspraak. Het CCvDL doet geen uitspraak over de interpretatie van Europese richtlijnen en geharmoniseerde normen.

In de gebruiksfase van een lift is de eigenaar van die installatie wettelijk verplicht tijdig een keuring te laten uitvoeren. Het doel van deze keuring is, de blijvende veiligheid van de installatie te beoordelen. In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe het toezicht op de veiligheid van een lift door een CKI dient te worden ingericht.

Voor het houden van toezicht is het noodzakelijk dat de CKI zich toegang kan verschaffen tot het product en de gegevens over het product. Afhankelijk van de situatie wordt bepaald, welke informatie benodigd is en door of namens de eigenaar ter beschikking moet worden gesteld. Detaillering hiervan is aangegeven in de bijlagen A t/m E van dit document. Degene die een keuring aanvraagt dient ten behoeve van het toezicht, de toegang tot de lift mogelijk te maken en alle relevante informatie te verstrekken.

Een keuring in de gebruiksfase wordt uitgevoerd door een CKI. De frequentie van de keuringen is vastgelegd in het Warenwetbesluit liften.

De wijze van uitvoering van het toezicht wordt bepaald in de van toepassing zijnde bijlagen A t/m E van dit document.

De CKI stelt een verslag op van haar bevindingen tijdens het toezicht. Dit verslag wordt ter beschikking gesteld aan de eigenaar van de gekeurde lift. Deze kan tegen de hieruit voortvloeiende beslissing een verzoek om herziening indienen (zie hiervoor het WDAT-Liften Gebruiksfase).

Het keuringsverslag bevat minimaal de volgende gegevens:

Indien blijkt dat een lift niet of niet meer voldoet aan de eisen of normen waaraan een CKI die lift heeft getoetst, zal de CKI geen certificaat van goedkeuring afgeven.

De CKI informeert de Inspectie SZW onmiddellijk en rechtstreeks over geconstateerde situaties bij liften of werkzaamheden die door een afgegeven of nog af te geven certificaat worden gereguleerd en door welke de veiligheid of de gezondheid van personen ernstig in gevaar wordt gebracht. In dit geval stelt de CKI de lift buiten werking en vergrendelt deze.

Een afkeur van een brandweerlift wordt in alle gevallen door de CKI gemeld aan de Inspectie SZW en aan het centrale meldpunt brandweer, mits dat operationeel is.

Het voorliggende certificatieschema is van toepassing op de volgende keuringen:

Deze procedure zal worden gebruikt door een CKI tijdens de bouwfase van een gebouw of bouwwerk.

Deze keuring sluit aan op de door de fabrikant/installateur afgegeven EG-verklaring van overeenstemming. Deze EG-verklaring van overeenstemming kan pas worden opgesteld door een fabrikant of installateur indien van één van de productcertificatieprocedures uit de ontwerp- en productiefase door een CAB met positief resultaat in relatie tot de Richtlijn liften 95/16/EG is afgesloten.

Een eindcontrole of eenheidskeuring kan worden gecombineerd. In dat geval zal de CKI, naast aangewezen te zijn voor de keuring vóór ingebruikneming van een liftinstallatie die zal worden gebruikt tijdens de bouwfase van het gebouw of bouwwerk, ook aangewezen en aangemeld dienen te zijn voor een eindcontrole of een eenheidskeuring.

Doel van het onderzoek is, vast te stellen of een lift die overeenkomstig één van de hierboven vermelde procedures is geïnstalleerd, op het moment van keuren voldoet aan de daarop betrekking hebbende bepalingen van het Warenwetbesluit liften.

Om een verantwoord advies tot afgifte van het certificaat van goedkeuring te kunnen geven, zal de CKI de volgende keuringen uitvoeren:

Bovenbeschreven beoordelingen vinden plaats aan de hand van een hiervoor opgestelde specifieke certificatieprocedure als beschreven in Bijlage A.

De CKI vult de desbetreffende bladzijden van het liftboek in. Het liftboek behoort bij de lift aanwezig te zijn.

Aan de hand van zijn beoordelingen zal de CKI een rapport opmaken. In het rapport legt de CKI zijn beoordeling van de lift en eventuele geconstateerde afwijkingen van de vervaardigingsvoorschriften vast.

De rapportage wordt binnen een tussen aanvrager/certificaathouder en CKI overeengekomen termijn opgestuurd aan de certificaathouder.

Bij een positieve rapportage kan de CKI overgaan tot afgifte van een certificaat van goedkeuring.

Bij een negatieve rapportage zal de CKI niet overgaan tot afgifte van een certificaat van goedkeuring.

Het door de CKI getekende certificaat van goedkeuring wordt binnen een tussen aanvrager/certificaathouder en CKI overeengekomen termijn opgestuurd aan de certificaathouder. Het certificaat van goedkeuring heeft een uniek registratienummer.

Indien de CKI voornemens is, op grond van de keuringsrapportage een certificaat van goedkeuring te verstrekken, mag de lift in afwachting hiervan in gebruik zijn.

Indien er geen gronden zijn voor afkeuring brengt de CKI op een duidelijk zichtbare plaats in de kooi een kenmerk van goedkeuring aan, waarop tevens staat vermeld de maand en het jaar waarop uiterlijk de eerstvolgende keuring dient te zijn uitgevoerd.

Deze procedure zal worden gebruikt door een CKI tijdens de bouwfase van een gebouw of bouwwerk.

Doel van het onderzoek is, vast te stellen of een lift op het moment van keuren nog voldoet aan de daarop betrekking hebbende bepalingen van het Warenwetbesluit liften.

Bij liften gebouwd overeenkomstig de Richtlijn liften 95/16/EG en in gebruik genomen tijdens de bouwfase van een gebouw of bouwwerk, dient de eerste periodieke keuring uiterlijk binnen 3 (drie) maanden na de keuring vóór de eerste ingebruikname plaats te vinden door een CKI, waarna een certificaat van goedkeuring kan worden afgegeven. Hierop volgende periodieke keuringen tijdens de bouwfase van een gebouw of bouwwerk dienen steeds binnen drie (3) maanden volgend op de laatste periodieke keuring plaats te vinden.

Het resultaat van de laatst uitgevoerde periodieke keuring vervangt het resultaat van de voorgaande periodieke keuring.

Om een verantwoord advies tot afgifte van een certificaat van goedkeuring te kunnen geven, zal de CKI de volgende beoordelingen uitvoeren:

De CKI vult de desbetreffende bladzijden van het liftboek in. Het liftboek behoort bij de lift aanwezig te zijn.

Aan de hand van zijn beoordelingen zal de CKI een rapport opmaken. In het rapport legt de CKI zijn beoordeling van de lift en eventuele geconstateerde afwijkingen van de vervaardigingsvoorschriften vast. De rapportage wordt binnen een tussen aanvrager/certificaathouder en CKI overeengekomen termijn opgestuurd aan de certificaathouder.

Bij een positieve rapportage kan de CKI overgaan tot afgifte van een certificaat van goedkeuring.

Bij een negatieve rapportage zal de CKI niet overgaan tot afgifte van een certificaat van goedkeuring.

Het door de CKI getekende certificaat van goedkeuring wordt binnen een tussen aanvrager/certificaathouder en CKI overeengekomen termijn opgestuurd aan de certificaathouder. Het certificaat van goedkeuring heeft een uniek registratienummer. Indien de CKI voornemens is, op grond van de keuringsrapportage een certificaat van goedkeuring te verstrekken, mag de lift in afwachting hiervan in gebruik zijn.

Indien er geen gronden zijn voor afkeuring brengt de CKI op een duidelijk zichtbare plaats in de kooi een kenmerk van goedkeuring aan, waarop tevens staat vermeld de maand en het jaar waarop uiterlijk de volgende periodieke keuring dient te zijn uitgevoerd.

Doelstelling en toepassing

Deze procedure zal worden gebruikt door een CKI tijdens de gebruiksfase van een gebouw of bouwwerk.

Doel van het onderzoek is, vast te stellen of een lift op het moment van keuren nog voldoet aan de daarop betrekking hebbende bepalingen van het Warenwetbesluit liften.

Bij liften gebouwd overeenkomstig de Richtlijn liften 95/16/EG en in gebruik genomen na beëindiging van de bouwfase van een gebouw of bouwwerk, dient de eerste periodieke keuring uiterlijk binnen 12 (twaalf) maanden na ondertekening van het proces verbaal van oplevering (of een gelijkwaardig document) van de lift voor algemeen gebruik plaats te vinden door een CKI.

Bij liften die reeds in gebruik zijn en minimaal één periodieke keuring hebben ondergaan, dienen de periodieke keuringen binnen 18 (achttien) maanden volgend op de laatste periodieke keuring plaats te vinden door een CKI.

Het resultaat van de laatst uitgevoerde periodieke keuring is bepalend voor het al dan niet afgeven van een certificaat van goedkeuring.

Uit te voeren beoordeling

Om een verantwoord advies tot het afgeven van een certificaat van goedkeuring te kunnen geven, zal de CKI de volgende beoordelingen uitvoeren:

Bovenbeschreven beoordelingen vinden plaats aan de hand van een hiervoor opgestelde specifieke certificatieprocedure als beschreven in Bijlage C1.

Aantekening in het liftboek

De CKI vult de desbetreffende bladzijden van het liftboek in. Het liftboek behoort bij de lift aanwezig te zijn.

Rapportage

Aan de hand van zijn beoordelingen zal de CKI een rapport opmaken. In het rapport legt de CKI zijn beoordeling van de lift en eventuele geconstateerde afwijkingen van de vervaardigingsvoorschriften vast.

De rapportage wordt binnen een tussen aanvrager/certificaathouder en CKI overeengekomen termijn opgestuurd aan de certificaathouder.

Beslissing op basis van het keuringsrapport

Bij een positieve rapportage kan de CKI overgaan tot het afgeven van een certificaat van goedkeuring.

Bij een negatieve rapportage zal de CKI niet overgaan tot het afgeven van een certificaat van goedkeuring.

Het door de CKI getekende certificaat van goedkeuring wordt binnen een tussen aanvrager/certificaathouder en CKI overeengekomen termijn opgestuurd aan de certificaathouder. Het certificaat van goedkeuring heeft een uniek registratienummer.

Indien de CKI voornemens is, op grond van de keuringsrapportage een certificaat van goedkeuring te verstrekken, mag de lift in afwachting hiervan in gebruik zijn.

Kenmerk van goedkeur, volgende keuring

Indien er geen gronden zijn voor afkeuring brengt de CKI op een duidelijk zichtbare plaats in de kooi een kenmerk van goedkeuring aan, waarop tevens staat vermeld de maand en het jaar waarop uiterlijk de eerstvolgende keuring dient te zijn uitgevoerd.

Doelstelling en toepassing

Deze procedure zal worden gebruikt door een CKI tijdens de gebruiksfase van een gebouw of bouwwerk.

Doel van het onderzoek is, vast te stellen of een liftinstallatie die is aangemerkt als brandweerlift, op het moment van keuren nog voldoet aan de daarop betrekking hebbende bepalingen van het Warenwetbesluit liften.

Bij liftinstallaties gebouwd overeenkomstig de Richtlijn liften 95/16/EG en in gebruik genomen na beëindiging van de bouwfase van een gebouw of bouwwerk, dient de eerste periodieke keuring uiterlijk binnen 12 (twaalf) maanden na ondertekening van het proces verbaal van oplevering (of een gelijkwaardig document) van de lift voor algemeen gebruik plaats te vinden door een CKI.

Bij liftinstallaties die reeds in gebruik zijn en minimaal één periodieke keuring hebben ondergaan, dienen de periodieke keuringen binnen 18 (achttien) maanden volgend op de laatste periodieke keuring plaats te vinden door een CKI.

Het resultaat van de laatst uitgevoerde periodieke keuring is bepalend voort het al dan niet afgeven van een certificaat van goedkeuring.

Uit te voeren beoordeling

Om een verantwoord advies tot het afgeven van een certificaat van goedkeuring te kunnen geven, zal de CKI de volgende beoordelingen uitvoeren:

Bovenbeschreven beoordelingen vinden plaats aan de hand van een hiervoor opgestelde specifieke certificatieprocedure als beschreven in Bijlage C2.

Aantekening in het liftboek

De CKI vult de desbetreffende bladzijden van het liftboek in. Het liftboek behoort bij de lift aanwezig te zijn.

Rapportage

Aan de hand van zijn beoordelingen zal de CKI een rapport opmaken. In het rapport legt de CKI zijn beoordeling van de lift en eventuele geconstateerde afwijkingen van de vervaardigingsvoorschriften vast.

De rapportage wordt binnen een tussen aanvrager/certificaathouder en CKI overeengekomen termijn opgestuurd aan de certificaathouder.

Beslissing op basis van het keuringsrapport

Bij een positieve rapportage kan de CKI overgaan tot het afgeven van een certificaat van goedkeuring.

Bij een negatieve rapportage zal de CKI niet overgaan tot het afgeven van een certificaat van goedkeuring.

Het door de CKI getekende certificaat van goedkeuring wordt binnen een tussen aanvrager/certificaathouder en CKI overeengekomen termijn opgestuurd aan de certificaathouder. Het certificaat van goedkeuring heeft een uniek registratienummer.

Indien de CKI voornemens is, op grond van de keuringsrapportage een certificaat van goedkeuring te verstrekken, mag de lift in afwachting hiervan in gebruik zijn.

Kenmerk van afkeur

Indien er gronden zijn voor afkeuring van de brandweerlift, brengt de CKI op een duidelijk zichtbare plaats in de directe nabijheid van de brandweerschakelaar een kenmerk van afkeur aan.

Ten behoeve van het vaststellen of een lift na vervanging, herstel of wijziging opnieuw voldoet aan de vervaardigingvoorschriften wordt door een CKI het volgende schema gehanteerd.

Doelstelling en toepassing

Deze procedure zal worden gebruikt door een CKI na herstel of vervanging van een hoofd- en/of veiligheidscomponent.

Doel van het onderzoek is, vast te stellen of het herstelde of vervangen deel van een lift na een herstel en/of een vervanging minimaal voldoet aan de geldende vervaardigingsvoorschriften en de daarop betrekking hebbende bepalingen van het Warenwetbesluit liften, rekening houdend met de laatste fysieke situatie van de lift zelf, met minimaal het behoud van het veiligheidsniveau van de lift.

Bij een geconstateerde aanleiding tot herstel van een hoofd- en/of veiligheidscomponent voldoet de lift niet meer aan de vervaardigingsvoorschriften. De eigenaar dient de lift dan buiten bedrijf te stellen en buiten bedrijf te houden.

Uit te voeren beoordeling

In overleg met de aanvrager/certificaathouder wordt bepaald of de totale lift wordt beoordeeld of alleen het betreffende herstel en/of de betreffende vervanging.

Indien de totale lift wordt beoordeeld, zal de CKI de volgende beoordelingen uitvoeren:

Bovenbeschreven beoordelingen vinden plaats aan de hand van een hiervoor opgestelde specifieke certificatieprocedure als beschreven in Bijlage D. Indien alleen het herstel of de vervanging wordt beoordeeld zal de CKI de volgende beoordelingen uitvoeren:

Bovenbeschreven beoordelingen vinden plaats aan de hand van een hiervoor opgestelde specifieke certificatieprocedure als beschreven in Bijlage D.

Bij het onderzoek aan veiligheidscomponenten waarvan de in- of afstelling opnieuw heeft plaatsgevonden, moet worden vastgesteld of de waarden van de grootheden opnieuw voldoen aan de fabrikantvoorschriften.

Onder geldende vervaardigingvoorschriften wordt in dit geval verstaan de richtlijn of norm(en) die ten tijde van de allereerste ingebruikname van de lift van toepassing waren of toegepaste normen van latere datum, inclusief tot op het moment van de wijziging eerder doorgevoerde en goedgekeurde wijzigingen en door de Inspectie SZW eventuele afgegeven ontheffingen daarop.

Aantekening in het liftboek

De CKI vult de desbetreffende bladzijden van het liftboek in. Het liftboek behoort bij de lift aanwezig te zijn.

Rapportage

Aan de hand van zijn beoordelingen zal de CKI een rapport opmaken. In het rapport legt de CKI zijn beoordeling van de lift en eventuele geconstateerde afwijkingen van de vervaardigingsvoorschriften vast.

De rapportage wordt binnen een tussen aanvrager/certificaathouder en CKI overeengekomen termijn opgestuurd aan de certificaathouder.

Indien de CKI voornemens is, op grond van de keuringsrapportage een certificaat van goedkeuring te verstrekken, mag de lift in afwachting hiervan in gebruik zijn.

Beslissing op basis van het keuringsrapport

Bij een positieve rapportage over het herstel van een hoofd- en/of veiligheidscomponent kan de CKI overgaan tot het afgeven van een certificaat van goedkeuring betreffende dit herstel. Afgifte van dit certificaat is niet van invloed op de termijn van de periodieke keuring als vermeld op het certificaat als bedoeld in bijlage C, tenzij een volledige periodieke keuring is uitgevoerd.

Bij een negatieve rapportage zal de CKI niet overgaan tot het afgeven van een certificaat van goedkeuring.

Doelstelling en toepassing

Deze procedure zal worden gebruikt door een CKI na gereedkomen van de wijziging van een lift.

Een wijziging van een lift wordt gezien als een ontwerpwijziging.

Doel van het onderzoek is, vast te stellen of een lift na een wijziging minimaal voldoet aan de geldende vervaardigingvoorschriften en de daarop betrekking hebbende bepalingen van het Warenwetbesluit liften, rekening houdend met de laatste fysieke situatie van de lift zelf, met minimaal het behoud van het veiligheidsniveau.

Bij wijziging wordt de lift geacht niet meer te voldoen aan de vervaardigingsvoorschriften. De eigenaar dient de lift dan buiten bedrijf te stellen en buiten bedrijf te houden.

Uit te voeren beoordeling

In overleg met de aanvrager/certificaathouder wordt bepaald of de totale lift wordt beoordeeld of alleen de betreffende wijziging.

Indien de totale lift wordt beoordeeld zal de CKI de volgende beoordelingen uitvoeren:

Bovenbeschreven beoordelingen vinden plaats aan de hand van een hiervoor opgestelde specifieke certificatieprocedure als beschreven in Bijlage E.

Indien alleen de wijziging wordt beoordeeld, zal de CKI de volgende beoordelingen uitvoeren:

Bovenbeschreven beoordelingen vinden plaats aan de hand van een hiervoor opgestelde specifieke certificatieprocedure als beschreven in bijlage E.

Bij het onderzoek aan veiligheidscomponenten waarvan de in- of afstelling opnieuw heeft plaatsgevonden, moet worden vastgesteld of de waarden van de grootheden voldoen aan de fabrikantvoorschriften.

Onder geldende vervaardigingvoorschriften wordt in dit geval verstaan de richtlijn of norm(en) die ten tijde van de allereerste ingebruikname van de lift van toepassing waren of toegepaste normen van latere datum, inclusief tot op het moment van de wijziging eerder doorgevoerde en goedgekeurde wijzigingen en door de Inspectie SZW eventuele afgegeven ontheffingen daarop.

Aantekening in het liftboek

De CKI vult de desbetreffende bladzijden van het liftboek in. Het liftboek behoort bij de lift aanwezig te zijn.

Rapportage

Aan de hand van zijn beoordelingen zal de CKI een rapport opmaken. In het rapport legt de CKI zijn beoordeling van de lift en eventuele geconstateerde afwijkingen van de vervaardigingsvoorschriften vast.

De rapportage wordt binnen een tussen aanvrager/certificaathouder en CKI overeengekomen termijn opgestuurd aan de certificaathouder.

Indien de CKI voornemens is, op grond van de keuringsrapportage een certificaat van goedkeuring te verstrekken, mag de lift in afwachting hiervan in gebruik zijn.

Beslissing op basis van het keuringsrapport

Bij een positieve rapportage over de uitgevoerde wijziging of indien van toepassing de gehele lift kan de CKI overgaan tot het afgeven van een certificaat van goedkeuring betreffende de wijziging. Afgifte van dit certificaat is niet van invloed op de termijn van de periodieke keuring als vermeld op het certificaat als bedoeld in bijlage C. tenzij een volledige periodieke keuring is uitgevoerd.

Bij een negatieve rapportage zal de CKI niet overgaan tot het afgeven van een certificaat van goedkeuring.

Liften moeten gedurende het gebruik blijvend voldoen aan hun vervaardigingvoorschriften en laatste fysieke en goedgekeurde hoedanigheid.

Tijdens de bouwfase worden liften verondersteld te voldoen aan de essentiële veiligheidseisen van de Richtlijn liften 95/16/EG.

Toetsing hiervan geschiedt volgens bijlage A.

De eisen die op de periodieke keuring van toepassing zijn, zijn gebaseerd op het Warenwetbesluit liften en op besluiten van het CCvDL.

Personenlift

De periodieke keuring wordt uitgevoerd volgens bijlage B (bouwfase) of volgens bijlage C1 (gebruiksfase).

Brandweerlift

De periodieke keuring wordt uitgevoerd volgens bijlage B (bouwfase) of volgens bijlage C1 + C2 (gebruiksfase).

Brandweerliften gebouwd volgens de EN 81-72, worden conform bijlage C1+C2 gekeurd.

De opgenomen eisen die ten aanzien van de heringebruikneming van toepassing zijn, zijn gebaseerd op het Warenwetbesluit liften en op besluiten van het CCvDL.

Toetsing hiervan geschiedt volgens bijlage D of E.

De toetsmethodiek die ten aanzien van de eerste ingebruikname van toepassing is, betreft een documentenonderzoek en is gebaseerd op het Warenwetbesluit liften. Toetsing geschiedt volgens bijlage A.

De toetsmethodiek die ten aanzien van de periodieke keuring van toepassing is, betreft een materieel- en documentenonderzoek gebaseerd op het Warenwetbesluit liften en op besluiten van het CCvD.

Toetsing geschiedt volgens bijlage B (bouwfase) of volgens bijlage C1 (gebruiksfase).

Brandweerlift

De toetsmethodiek die ten aanzien van de periodieke keuring van een brandweerlift van toepassing is, betreft een materieel- en documentenonderzoek gebaseerd op het Warenwetbesluit liften en op besluiten van het CCvD. Toetsing geschiedt volgens bijlage C2.

De toetsmethodiek die ten aanzien van de heringebruikneming van toepassing is, betreft een materieel- en documentenonderzoek gebaseerd op het Warenwetbesluit liften en op besluiten van het CCvD. Toetsing geschiedt volgens bijlage D of E.

Indien een lift na een keuring is goedgekeurd, kan de CKI aan de aanvrager een certificaat van goedkeuring afgeven.

Op het certificaat van goedkeuring van de CKI dienen minimaal de volgende gegevens vermeld te zijn:

Deze procedure is de nadere invulling van de in het WSCS genoemde procedure voor keuringen van liften als bedoeld in artikel 8 en artikel 17 lid 4, 6 en 7 van het Warenwetbesluit liften.

Indien uit de controle blijkt dat de documenten als bedoeld in artikel 8 van het Warenwetbesluit liften aanwezig en juist zijn, de conformiteitscontrole juist is uitgevoerd en er geen tekortkomingen zijn vastgesteld, kan door de CKI een certificaat van goedkeuring worden afgegeven.

Deze procedure is de nadere invulling van de in het WSCS genoemde procedure voor periodieke keuringen van liften tijdens de bouwfase van een gebouw of bouwwerk als bedoeld in artikel 17 lid 5, 6 en 7 van het Warenwetbesluit liften. Dit is uitgewerkt in het hierna opgenomen stroomschema.

Indien uit de keuring blijkt dat is voldaan aan de voor de lift geldende vervaardigingsvoorschriften conform het Warenwetbesluit liften kan door de CKI een certificaat van goedkeuring worden afgegeven.

De bij een keuring gehanteerde inspectiepunten zijn weergegeven in de lijst van inspectiepunten. Deze lijst van inspectiepunten geeft de minimale keuringsomvang weer in relatie tot de vervaardigingsvoorschriften.

Achter elk inspectiepunt is een urgentiecode vermeld. Deze urgentiecode bepaalt de beoordeling die verwacht wordt van een inspecteur indien een dergelijke afwijking geconstateerd wordt. Door omstandigheden is het mogelijk dat die inspecteur een afwijkende beslissing neemt.

Betekenis van de urgentiecode:

Extra controles tijdens een eerste keuring door een instelling

In de kolom ‘Wijze van uitvoering’ is een aantal items vet, schuin en/of onderstreept weergegeven. Alvorens een lift voor de eerste keer van een instelling een certificaat van goedkeuring kan krijgen, dienen deze punten gecontroleerd te worden. Deze controle kan worden beperkt tot een steekproef indien de conformiteitscontrolelijst van een installateur die gecertificeerd is volgens module H van de Richtlijn liften 95/16/EG aanwezig is. Bij gebreke van deze controlelijst dient een volledige keuring plaats te vinden.

De controles bestaan, naast het meten van vrije ruimten, uit een toetsing of de veiligheidscomponenten zijn geplaatst conform de geleverde documentatie.

Deze procedure is de nadere invulling van de in het WSCS genoemde procedure voor keuringen van liften tijdens de gebruiksfase van een gebouw of bouwwerk als bedoeld in artikel 17 lid 5, 6 en 7 van het Warenwetbesluit liften. Dit is uitgewerkt in het hierna opgenomen stroomschema.

Indien uit de keuring blijkt dat is voldaan aan de voor de lift geldende vervaardigingsvoorschriften conform het Warenwetbesluit liften, kan door de CKI een certificaat van goedkeuring worden afgegeven.

De bij een keuring gehanteerde inspectiepunten zijn weergegeven in de lijst van inspectiepunten. Deze lijst van inspectiepunten geeft de minimale keuringsomvang weer in relatie tot de vervaardigingsvoorschriften.

Achter elk inspectiepunt is een urgentiecode vermeld. Deze urgentiecode bepaalt de beoordeling die verwacht wordt van een inspecteur indien een dergelijke afwijking geconstateerd wordt. Door omstandigheden is het mogelijk dat die inspecteur een afwijkende beslissing neemt.

Betekenis van de urgentiecode:

Als de lift een brandweerlift is, dient bovendien voldaan te worden aan Bijlage C2.

Extra controles tijdens een eerste keuring door een instelling

In de kolom ‘Wijze van uitvoering’ is een aantal items vet, schuin en onderstreept weergegeven. Alvorens een lift voor de eerste keer van een instelling een certificaat van goedkeuring kan krijgen, dienen deze punten gecontroleerd te worden. Deze controle kan worden beperkt tot een steekproef indien de conformiteitscontrolelijst van een installateur die gecertificeerd is volgens module H van de Richtlijn liften 95/16/EG aanwezig is. Bij gebreke van deze controlelijst dient een volledige keuring plaats te vinden.

De controles bestaan, naast het meten van vrije ruimten, uit een toetsing of de veiligheidscomponenten zijn geplaatst conform de geleverde documentatie.

Deze procedure is de nadere invulling van de in het WSCS genoemde procedure voor keuringen van liften die zijn aangemerkt als brandweerlift tijdens de gebruiksfase van een gebouw of bouwwerk als bedoeld in artikel 17 lid 5, 6 en 7 van het Warenwetbesluit liften. Dit is uitgewerkt in het hierna opgenomen stroomschema.

Een personenlift die als brandweerlift wordt gekeurd, dient ook goedgekeurd te worden op basis van de periodieke keuring volgens bijlage C1. Indien de betreffende personenlift niet is goedgekeurd op basis van de periodieke keuring volgens bijlage C, is deze lift tevens afgekeurd als brandweerlift.

Indien uit de keuring blijkt dat is voldaan aan de voor de brandweerlift geldende vervaardigingsvoorschriften conform het Warenwetbesluit liften, kan door de CKI een certificaat van goedkeuring worden afgegeven.

De bij een keuring van een brandweerlift gehanteerde inspectiepunten zijn weergegeven in de lijst van inspectiepunten. Deze lijst van inspectiepunten geeft de minimale keuringsomvang weer in relatie tot de vervaardigingsvoorschriften. De lift dient bovendien te voldoen aan het gestelde in Bijlage C1.

Achter elk inspectiepunt is een urgentiecode vermeld. Deze urgentiecode bepaalt de beoordeling die verwacht wordt van een inspecteur indien een dergelijke afwijking wordt geconstateerd. Door omstandigheden is het mogelijk dat die inspecteur een afwijkende beslissing neemt.

Betekenis van de urgentiecode:

Deze procedure is de nadere invulling van de in het WSCS genoemde procedure voor keuringen van liften als bedoeld in artikel 17 lid 4 van het Warenwetbesluit liften.

Een keuring als bedoeld in deze procedure is beperkt tot het keuren van het herstel met behoud van de laatste fysieke hoedanigheid of vervanging door een identiek of een overeenkomend model met dezelfde specificaties van één of meerdere hoofd- en/of veiligheidscomponenten (hierna: liftcomponenten) en de aan de herstelling/vervanging gerelateerde invloeden op de veiligheid van de lift. In Tabel 1 en 2 is de keuringsomvang nader gespecificeerd.

Indien uit de keuring blijkt dat is voldaan aan de voor de lift geldende vervaardigingsvoorschriften conform het Warenwetbesluit liften, mag de lift weer in gebruik worden genomen.

De bij een keuring gehanteerde inspectiepunten zijn weergegeven in de inspectiepuntenlijst.

Toelichting bij de tabellen

Waarbij:

Bij herstel wordt aangenomen dat het betreffende component zodanig gedemonteerd is geweest, dat het (in)schakelmoment opnieuw is in- of afgesteld.

Waarbij:

Deze procedure is de nadere invulling van de in het WSCS genoemde procedure voor keuringen van liften als bedoeld in artikel 17 lid 4 van het Warenwetbesluit liften.

Een lift wordt in deze procedure opgedeeld in een niet-bouwkundig deel (het werktuigbouwkundige deel) en een bouwkundig deel; zie de toelichting. De invalshoek is een wijziging van het werktuigbouwkundige deel. Een wijziging aan dit werktuigbouwkundige deel kan plaats vinden onder twee omstandigheden:

Het is ook mogelijk dat alleen het bouwkundige deel van de lift wordt gewijzigd. Ook dan is er sprake van een wijziging in de context van deze procedure.

Een keuring als bedoeld in deze procedure is beperkt tot het keuren van de gewijzigde onderdelen en de aan de wijziging gerelateerde invloeden op de veiligheid van de lift. In de tabellen 1, 2 en 3 is de keuringsomvang nader gespecificeerd.

Nieuwe liften worden niet gezien als wijzigingen. Een nieuwe lift is, conform de uitspraak van het Lift Comité van de Europese Commissie (§ 17 Guide to Application of the Lifts Directive 95/16/EC) en met in acht name van de in deze procedure gehanteerde definities en begrippen betreffende lifttechnische installaties en liften:

Nieuwe liften dienen onderworpen te worden aan een overeenstemmingsbeoordelingsprocedure conform het Warenwetbesluit liften, artikel 8.

Een verplaatste lift en een ter vervanging van de oorspronkelijke lift geplaatste nieuwe lift worden beschouwd als een nieuwe lift.

Indien is voldaan aan de voor de lift geldende vervaardigingsvoorschriften conform het Warenwetbesluit liften en de bij de wijziging toegepaste componenten zodanig zijn aangebracht en functioneren dat deze het oorspronkelijke veiligheidsniveau van de lift niet laten afnemen, mag de lift weer in bedrijf worden gesteld.

De bij een keuring gehanteerde inspectiepunten aangaande liften die niet gebouwd zijn onder de Richtlijn liften 95/16/EG zijn weergegeven op de lijst van inspectiepunten. Inhoudelijk wordt deze lijst afgestemd op de vervaardigingsvoorschriften van de betreffende lift met uitzondering van eventueel (nieuw) toegepaste componenten. Deze dienen te functioneren en te voldoen aan de hiervoor geldende vervaardigings- en montagevoorschriften. Daarnaast dient tevens het veiligheidsniveau van de lift in ogenschouw genomen te worden. De keuring betreft echter alleen de betrokken wijziging(en) in relatie tot de totale installatie.

De bij een keuring gehanteerde inspectiepunten en inhoud aangaande liften die wel gebouwd zijn onder de Richtlijn liften zijn weergegeven op de website van SBCL, waarbij tevens het oorspronkelijke veiligheidsniveau van de lift behouden moet blijven. De keuring betreft echter enkel de betrokken wijziging(en) in relatie tot de totale installatie.

Toelichting bij de tabellen

Waarbij (gecombineerde legenda voor tabel 2 en tabel 3):