Ministeriële regeling · BWBR0008545

Nadere regels attractie- en speeltoestellen

Wijzigingen Officiële bron
Nadere regels attractie- en speeltoestellenNadere regels attractie- en speeltoestellenDe Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Gelet op artikel 4, vijfde lid, artikel 5, derde lid, artikel 12, eerste lid, en artikel 16 van de Wet op de gevaarlijke werktuigen;

Gelet op artikel 5, eerste lid, en artikel 19, derde lid, van het Besluit veiligheid attractie- en speeltoestellen;

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, EricaTerpstra

In deze regeling en de daarop gebaseerde bepalingen wordt verstaan onder:

Vervallen

Vervallen

Voor aanwijzing ingevolge artikel 7a, eerste lid, van de wet als aangewezen instelling met betrekking tot attractie- en speeltoestellen komen slechts instellingen in aanmerking die voldoen aan de in bijlage I vermelde voorwaarden.

In het jaarverslag, bedoeld in artikel 7c, tweede lid, van de wet, worden door de aangewezen instelling ten minste de volgende onderwerpen behandeld:

Als normen, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van het besluit worden aangewezen de in bijlage II bij deze regeling vermelde normen.

Vervallen

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling wordt aangehaald als: Nadere regels attractie- en speeltoestellen.

Voorwaarden waaraan aangewezen instellingen en sub-contractors moeten voldoen

Normen voor attractie- en speeltoestellen

Model certificaat van goedkeuring

Warenwet

certificaat van goedkeuring

afgegeven door naam aangewezen instelling

(aangewezen bij ministeriële beschikking van ..., nr ...)

Certificaat nr. ... Dossier nr. ...

Betreft: ...

Evt. nadere aanduidingen: ...

Eigenaar/houder: ...

Adres eigenaar/houder: ...

Soort toestel: ...

Fabrikant: ...

Jaar van fabrikage: ...

Leverancier: ...

Jaar van leverantie: ...

Datum Keuring: ...

Naam aangewezen instelling, adres aangewezen instelling te plaats verklaart, dat het bovenaangehaalde toestel voldoet aan de vervaardigingsvoorschriften genoemd in het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen.

Naam aangewezen instelling

Uitsluitend voor attractietoestellen:

Vorig certificaat nr. ...

d.d. ...

Huidig certificaat afgegeven d.d. ...

De volgende keuring moet plaatsvinden voor....

Matrix voor de periodiciteit van de keuring van attractietoestellen

Ten aanzien van attractietoestellen wordt gebruik gemaakt van één van drie keuringsregimes: jaarlijks, tweejaarlijks en driejaarlijks.

Voor de indeling in één van de drie keuringsregimes wordt uitgegaan van onderstaande matrix. In de matrix wordt op drie criteria getoetst:

In de grijze vakken staat hoe vaak de keuringen moeten plaatsvinden.

Versnelling

Ter beoordeling van de versnellingen waaraan de gebruiker van een attractietoestel wordt blootgesteld, wordt aansluiting gezocht bij de NEN-EN 13814: 2004. In deze norm is in een diagram voor classificaties voor veiligheidsbeugels (restraint diagram) een vijftal gebieden gedefinieerd op basis van de combinatie van de verticale versnelling en de voor/achterwaartse versnelling op het lichaam. Uit de vijf gebieden zijn voor het bepalen van de periodiciteit drie categorieën gedefinieerd:

Snelheden en versnellingen van attractietoestellen dienen tijdens het in bedrijf zijn van de attractie gemeten te worden, waarbij het centrum van het ‘body co-ordinate system’, zoals weergegeven in NEN 13814: 2004 als uitgangspunt wordt genomen. Bij het bepalen van het gebied waarin het attractietoestel zich beweegt, moet uitgegaan worden van de piekwaarde in het hoogste gebied. Indien van een attractietoestel geen metingen beschikbaar zijn, kan uitgegaan worden van de gegevens van de fabrikant voor dit specifieke toestel. Indien hier geen uitsluitsel kan worden gegeven, dient uitgegaan te worden van het gebied 5 uit de NEN 13814: 2004.

Snelheid

De eerste twee snelheidscategorieën zijn bepaald aan de hand van de eisen voor een attractietoestel van een eenvoudig ontwerp, dus een snelheid maximaal 10 m/s. Hierbij is een onderscheid gemaakt tussen de attractietoestellen met een zeer lage snelheid, waarbij de snelheden ook vaak bij door spierkracht aangedreven (speel)toestellen behaald worden; de grens is gelegd op 5 m/s (circa 18 km/uur). Voor de derde categorie is uitgegaan van een snelheid die hoger ligt. In alle gevallen dient uitgegaan te worden van de behaalde pieksnelheid.

De drie categorieën zijn:

Dimensies

Het aantal dimensies waarin het toestel daadwerkelijk beweegt en de mate waarin het toestel zich in richtingen beweegt, bepaalt ook de grootte van de krachten en in welke richting deze krachten op het lichaam worden uitgeoefend. Doordat in meerdere dimensies wordt bewogen, zal (veelal) ook de complexiteit van het attractietoestel toenemen en daarmee risico’s op bijvoorbeeld slijtage van het toestel of letsel bij de gebruiker. De drie categorieën zijn:

Bij het bepalen van de dimensies wordt uitgegaan van een globaal x-, y- z-assenstelsel. Indien een attractietoestel door een bocht beweegt of als pendule werkt is sprake van twee dimensies. Draaimolens bewegen bijvoorbeeld veelal in twee dimensies, indien de wagens ook in verticale richting bewegen zal sprake zijn van drie dimensies. Andere voorbeelden attractietoestellen met een beweging in drie dimensies zijn achtbanen en topspins. Een attractietoestel dat slechts in één dimensie beweegt is bijvoorbeeld een vrije val of valtoren.