U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-10-2010.

Ministeriële regeling · BWBR0008587

Arbeidsomstandighedenregeling

Wijzigingen Officiële bron
Regeling houdende bepalingen ter uitvoering van bij en krachtens de Arbeidsomstandighedenwet en enige andere wetten gestelde regelsArbeidsomstandighedenregelingDe Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Gelet op de artikelen 7, vierde lid, onder b, 9, vierde en zesde lid, 10, vijfde lid, 41, eerste lid, en 42, tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, artikel 6 van de Wet arbeid gehandicapte werknemers en artikel 11 van de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma's;

Voorts gelet op de artikelen 2.7, tweede en derde lid, 2.8, 2.15, eerste en derde lid, 2.24, eerste lid, 4.7, eerste, derde en vijfde lid, 4.8, tweede tot en met vijfde lid4.9, zevende lid, 4.10, tweede en derde lid, 4.14, vijfde lid, 4.16, eerste lid, 4.42, vijfde lid, 4.50, tweede lid, 4.54, derde en vijfde lid, 4.60, vierde en vijfde lid, 4.65, eerste lid, onder a en b, 4.66, onder a en b, 4.67, eerste en vijfde lid, 4.68, eerste lid, 4.7.0, derde en vijfde lid, 4.71, eerste lid, 4.72, eerste lid, 4.73, 5.12, 6.17, derde lid, 7.19, achtste tot en met negende en elfde lid, 7.29, zesde en zevende lid, 7.32, tweede lid, en vierde tot en met zevende lid, 8.4, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit;

Gezien de adviezen van de Sociaal Economische Raad van 28 juli 1995, kenmerk 95/35, en 28 maart 1996, kenmerk 96/31.

Besluit:

's-Gravenhage12 maart 1997 De Staatssecretaris voornoemd, w.g. F.H.G. deGrave

In deze regeling wordt verstaan onder:

a.besluit:

het Arbeidsomstandighedenbesluit;

b.de minister:

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

In het jaarverslag van een certificerende instelling, bedoeld in artikel 1.5b, eerste lid, van het besluit worden ten minste de volgende onderwerpen behandeld:

Voor zover in deze regeling regels zijn gesteld over opleidingen zijn de artikelen 1.3 tot en met 1.8 van toepassing.

De opleiding wordt gegeven aan de hand van aan de cursisten ter beschikking gesteld overzichtelijk schriftelijk opleidingsmateriaal van voldoende didactische kwaliteit.

De docenten beschikken voor de onderwerpen die zij tijdens de opleiding behandelen aantoonbaar over ruime theoretische, praktische en didactische kennis of vaardigheden.

De opleidingsinstelling overhandigt de cursist die het examen met goed gevolg heeft afgelegd, een op naam gesteld schriftelijk bewijs, getekend door twee leden van de examencommissie dan wel het hoofd van de opleidingsinstelling.

De opleidingsinstelling voert een deugdelijke administratie waarin de persoonlijke gegevens van de cursist en de datum waarop het schriftelijk bewijs, bedoeld in artikel 1.7 is uitgereikt in ieder geval zijn opgenomen en waarin de periode is bepaald gedurende welke de examenopgaven en de uitwerkingen daarvan worden bewaard.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

In het veiligheidsbeheerssysteem, bedoeld in artikel 2.5a, tweede lid, van het besluit komen ten minste de elementen aan de orde, genoemd in bijlage I bij deze regeling.

Het intern noodplan, bedoeld in artikel 2.5c van het besluit, bevat ten minste de gegevens en de beschrijvingen, bedoeld in bijlage II bij deze regeling.

Bij de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onder b, van de wet ondersteunt de bedrijfarts, bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid, van het besluit of de arbodienst de werkgever bij het adequaat begeleiden van werknemers die door ziekte niet in staat zijn om hun arbeid te verrichten teneinde een verantwoorde werkhervatting te bevorderen. Voor het uitvoeren van deze taak legt de bedrijfarts of de arbodienst vast:

Bij de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel c, onder 1°, van de wet legt de bedrijfarts, bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid, van het besluit of de arbodienst vast:

Bij de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, van de wet legt de bedrijfarts, bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid, van het besluit of de arbodienst vast:

Vervallen

Als certificerende instelling als bedoeld in artikel 2.14, eerste en tweede lid, van het besluit kan worden aangewezen een instelling die voldoet aan de criteria, opgenomen in de Regeling Certificatie Arbodiensten, 7e versie, d.d. 1 juli 2008, van de Stichting Beheer Certificatieregeling Arbodiensten.

Vervallen

Een certificerende instelling als bedoeld in artikel 2.7 heeft een procedure voor het behandelen van klachten aangaande de dienstverlening door arbodiensten. Vastgelegd wordt op welke wijze deze taak wordt uitgevoerd, welke procedures daarbij worden gevolgd en op welke wijze klachten zo nodig zullen leiden tot correcties en preventieve maatregelen.

Een certificerende instelling als bedoeld in artikel 2.7 verricht jaarlijks controle bij de arbodienst ten behoeve waarvan door de instelling een certificaat arbodienst is afgegeven.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Een certificaat van vakbekwaamheid arbeidshygiëne als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van het besluit wordt door de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, de certificerende instelling, afgegeven indien de aanvrager voldoet aan de eisen, bedoeld in versie 1 van de Regelingen SAH, SVK ref.nr. SKO/03034S van de Stichting voor de Certificatie van Vakbekwaamheid SKO, ten aanzien van arbeidshygiënisten, vastgesteld per 19 november 2003.

Een certificaat van vakbekwaamheid veiligheidskunde als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van het besluit wordt door de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, de certificerende instelling, afgegeven indien de aanvrager voldoet aan de eisen, bedoeld in versie 1 van de Regelingen SAH, SVK ref.nr. SKO/03034S, van de Stichting voor de Certificatie van Vakbekwaamheid SKO, ten aanzien van veiligheidskundigen, vastgesteld per 19 november 2003.

Een certificaat arbeids- en organisatiekunde als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid van het besluit, wordt door de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, de certificerende instelling, afgegeven indien de aanvrager voldoet aan de certificatie-eisen voor arbeids- en organisatiekundigen, bedoeld in versie 3.0 van het Certificatieschema Persoonscertificatie Arbeids- en Organisatiedeskundigen van de Stichting Registratie Arbeids- en Organisatiedeskundigen, vastgesteld per 26 april 2005.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Als model van de kennisgeving, bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, van het besluit wordt vastgesteld het model dat als bijlage III bij deze regeling is gevoegd.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. risico-analyse:

systematisch onderzoek van risico's voor de veiligheid en de gezondheid op basis waarvan een beoordeling van die risico's wordt gemaakt als bedoeld in artikel 5 van de wet;

b.acceptatiecriteria:

de grenzen waarbinnen risico's aanvaardbaar zijn;

c.prestatienormen:

duidelijke en meetbare parameters ten aanzien van die prestaties van een procesinstallatie of componenten daarvan, van apparatuur en van beheerssystemen, die direct bijdragen aan de verwezenlijking van veiligheids- en gezondheidsdoelstellingen;

d. mijnbouwwerk:

een werk als bedoeld in artikel 1, onderdeel n, van de Mijnbouwwet;

e.mijnbouwinstallatie:

een installatie als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, onderdeel f, van het besluit;

f. veiligheids- en gezondheidszorgsysteem:

een systeem als bedoeld in artikel 2.42e van het besluit;

g.veiligheids- en gezondheidsdocument:

een document als bedoeld in artikel 2.42f van het besluit.

Het veiligheids- en gezondheidszorgsysteem is gebaseerd op een procesgerichte internationaal erkende norm voor de beheersing van veiligheid, gezondheid, kwaliteitszorg of milieu.

Het veiligheids- en gezondheidsdocument, bedoeld in artikel 3.6, bevat:

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:

Deze paragraaf is van toepassing op de in artikel 3.5h, eerste lid, van het besluit bedoelde werkzaamheden op K1-, K3-, KT- of T-schepen.

Indien zich bij of als gevolg van het verrichten van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 3.5h, eerste lid, van het besluit gevaarlijke gassen concentreren en deze door onvoldoende luchtbeweging niet snel genoeg worden verdund of afgevoerd, worden maatregelen getroffen om deze concentraties te beperken. Indien dit niet in voldoende mate mogelijk is, worden de tankdeksels gesloten en de desbetreffende werkzaamheden gestaakt.

Tijdens het schoonmaken wordt zo dikwijls als dit nodig is, onderzocht of als gevolg van vrijkomende vloeistoffen, gassen of dampen gevaar voor brand, ontploffing, bedwelming, verstikking of vergiftiging ontstaat.

De artikelen 4.4, vierde lid, en 4.7 zijn niet van toepassing op K3-ruimten buiten de ladingzone op K1-, KT- en T-schepen indien met betrekking tot deze schepen een veiligheids- en gezondheidsverklaring als bedoeld in artikel 4.1, onder t, is afgegeven.

Werk met vuur boven dan wel in een deel van de ladingzone aan een K1- of KT-schip dat niet veilig voor vuur is als bedoeld in artikel 4.10, derde lid, onder c en waarbij in afwijking van artikel 4.9 niet de daartoe vereiste veiligheids- en gezondheidsverklaring is uitgereikt is alleen dan toegestaan indien:

Indien de situaties, bedoeld in de artikelen 4.11 en 4.12, zich voordoen ontvangt de daartoe aangewezen toezichthouder voor de aanvang van de werkzaamheden een volledig en juist ingevuld meldingsformulier overeenkomstig het bij bijlage X bij deze regeling vastgestelde model.

Een certificaat van vakbekwaamheid gasdeskundige als bedoeld in artikel 3.5h, vierde lid, van het besluit wordt door de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, de certificerende instelling, afgegeven indien de aanvrager voldoet aan de eisen, bedoeld in versie 1 van de Regeling SGT ref.nr. SKO/03035/S van de Stichting voor de Certificatie van Vakbekwaamheid SKO, vastgesteld per 19 november 2003.

Vervallen

Een certificaat van vakbekwaamheid springmeester als bedoeld in artikel 4.8, tweede lid, van het besluit wordt door de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, de certificerende instelling, afgegeven indien de aanvrager voldoet aan de eisen, bedoeld in versie 1 van de Regeling SPR ref.nr. SKO/03036/S van de Stichting voor de Certificatie van Vakbekwaamheid SKO, vastgesteld per 19 november 2003.

Vervallen

Een certificaat van vakbekwaamheid professioneel vuurwerk als bedoeld in artikel 4.9, tweede lid, van het besluit wordt door de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, de certificerende instelling, afgegeven indien de aanvrager voldoet aan de eisen, bedoeld in het document Certificatie-eisen Vuurwerkdeskundige versie 1 van Kiwa Certificatie en Keuringen N.V, vastgesteld per 14 februari 2002.

Vervallen

Het werkplan, bedoeld in artikel 4.9, eerste lid, van het besluit omvat tenminste de gegevens, bedoeld in bijlage XI bij deze regeling.

Vervallen

De resultaten van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van het besluit worden voor elke stof waarvoor overeenkomstig het eerste lid en artikel 4.3, tweede lid, van het besluit een grenswaarde is vastgesteld, getoetst aan die grenswaarde. De toetsing vindt plaats volgens een voor dat doel geschikte genormaliseerde methode.

Als grenswaarde als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, jo. artikel 4.1, tweede lid, onder b, van het besluit, wordt voor lood vastgesteld: 70 µg/100 ml bloed.

Als kankerverwekkende processen, bedoeld in artikel 4.11, onderdeel c, onder 2°, van het besluit worden de processen waarbij de volgende mengsels van stoffen vrijkomen aangewezen:

De metingen, bedoeld in artikel 4.47, derde lid, van het besluit worden overeenkomstig de artikelen 4.22 tot en met 4.26 uitgevoerd.

Monsters worden genomen uit de individuele ademzone van de werknemers, dat wil zeggen binnen een halve bol met een straal van 300 mm frontaal voor het gezicht en gemeten vanaf het midden van een lijn, die de oren verbindt.

Bij monsterneming wordt gebruik gemaakt van:

Telling van de vezels op het filter, bedoeld in artikel 4.24, vindt plaats volgens de onderstaande voorschriften:

Een certificaat wordt door de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, door een certificerende instelling, afgegeven indien:

Als certificerende instelling als bedoeld in de artikelen 4.54a, vierde lid, en 4.54d, eerste, vijfde en zevende lid, van het besluit, kan worden aangewezen de instelling die voldoet en blijft voldoen aan de criteria en voorschriften, zoals opgenomen in bijlage XIIIA bij deze regeling.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Treedt op een later tijdstip in werking.

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Treedt op een later tijdstip in werking.

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Met de in de artikelen 4.32a vierde tot en met zesde lid, 4.32b, tweede tot en met vierde lid, 4.32c, tweede en derde lid, 4.32d, tweede lid, 4.32e, derde lid, 4.32f, vierde lid en 4.32g, derde lid, bedoelde producten worden gelijkgesteld producten, die rechtmatig zijn vervaardigd en in de handel zijn gebracht in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel rechtmatig zijn vervaardigd in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, en die voldoen aan eisen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Apparatuur en meubilair, in gebruik bij het verrichten van beeldschermwerk, voldoen in ieder geval aan de volgende voorschriften:

De omgeving waarin het beeldschermwerk wordt verricht en de inrichting van de beeldschermwerkplek voldoen in ieder geval aan de volgende voorschriften:

De programmatuur die wordt gebruikt bij het verrichten van beeldschermwerk voldoet in ieder geval aan de volgende voorschriften:

Een certificerende instelling als bedoeld in artikel 6.1, eerste en derde lid verstrekt aan de minister op diens verzoek alle informatie met betrekking tot de door haar verzorgde opleiding en stelt hem tijdig op de hoogte van voorgenomen wijzigingen van de inhoud van de opleiding en het bijbehorende examen.

Voor de afgifte van een certificaat als bedoeld in de artikelen 6.3 en 6.3a is een vergoeding verschuldigd van ten hoogste € 273, bijkomende kosten en BTW alsmede opleidings- en examenkosten daaronder niet begrepen.

Een opleiding als bedoeld in artikel 6.5 leidt ten minste op tot de eindtermen behorende bij de desbetreffende categorie arbeid als duikploegleider, duikarbeid, duikmedische begeleiding respectievelijk uitvoering van onderzoeken als bedoeld in artikel 6.14a, eerste en tweede lid, van het besluit, bedoeld in bijlage XVI bij deze regeling.

Het arbeidsgezondheidskundig onderzoek, bedoeld in artikel 6.14a, eerste en tweede lid, van het besluit, vindt plaats met inachtneming van het bepaalde in bijlage XVII bij deze regeling.

Als sportduikbrevet als bedoeld in artikel 6.31, tweede lid, van het besluit wordt aangewezen een geldig brevet NOB**, afgegeven door de Nederlandse onderwatersportbond, dan wel een naar het oordeel van de minister gelijkwaardig brevet.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Als modellen van de certificaten, bedoeld in artikel 7.29, negende lid, van het besluit worden vastgesteld de modellen van de certificaten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van het Verdrag betreffende de arbeidsveiligheid en gezondheid in havenarbeid (1979).

Als model van het register, bedoeld in artikel 7.29, tiende lid, van het besluit wordt vastgesteld het model, bedoeld in artikel 25, tweede lid, van het Verdrag betreffende de arbeidsveiligheid en gezondheid in havenarbeid (1979).

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Veiligheids- of gezondheidssignalering als bedoeld in artikel 8.4 van het besluit voldoet aan de artikelen 8.2 tot en met 8.29.

Voor zover signalering geschiedt door middel van een veiligheidskleur wordt:

Signaleringen die een energiebron behoeven, zijn voorzien van een noodinstallatie voor het geval dat deze energiebron uitvalt, behalve indien het te signaleren gevaar ophoudt te bestaan bij het uitvallen van de energie.

Indien de betrokken werknemers een beperkt gehoor- of gezichtsvermogen hebben, onder meer door het dragen van individuele beschermende uitrusting, dienen adequate aanvullende maatregelen of vervangingsmaatregelen te worden genomen.

De signalering bedoeld in artikel 8.12 wordt aangebracht op de zichtbare zijden in de vorm van hard materiaal, zelfklevend materiaal of verf.

Rekening houdend met de gebruiksomstandigheden veroorzaakt het door een signaal uitgezonden licht een aan de omgeving aangepast lichtcontrast dat niet tot verblinding mag leiden maar voldoende zichtbaar is.

De betrokken personen kennen de gebruikte taal zodanig dat zij de boodschap correct kunnen uitspreken en begrijpen en zich al naar gelang van de boodschap op passende wijze kunnen gedragen op het vlak van de veiligheid of de gezondheid.

De ontvanger van de seinen zet de in uitvoering zijnde transportbeweging stil om nieuwe instructies te vragen, wanneer hij de ontvangen orders niet met de nodige veiligheidsgaranties kan uitvoeren.

De seingever is makkelijk herkenbaar voor de ontvanger van de seinen.

De in bijlage XIX bij deze regeling opgenomen hand- en armseinen, worden gebruikt in de daarbij vermelde situaties, waarbij deze geen afbreuk doen aan het gebruik van andere van toepassing zijnde codes, met name in bepaalde bedrijvigheidssectoren, waarmee dezelfde handelingen worden aangeduid.

De afmetingen van de signalering houden rekening met de afmeting van het gesignaleerde obstakel of de gesignaleerde gevaarlijke plaats.

Als strafbaar feit wordt aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met de voorschriften en verboden welke zijn opgenomen in de artikelen 2.0, 2.0a, 2.0b en 2.0c.

Als overtreding ter zake waarvan een bestuurlijke boete kan worden opgelegd van de eerste categorie, wordt aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met de voorschriften welke zijn opgenomen in de artikelen 3.4, 3.5, 3.11, 3.12, 3.13, 3.14, 4.4, vierde lid, 4.5, 4.9, derde en vierde lid, 4.13, 4.19, tweede lid, 4.20, tweede lid, 4.20a, 4.20b, eerste, derde, vierde en vijfde lid, 4.22 tot en met 4.26, 5.1 tot en met 5.3, 8.2, 8.3, 8.4, derde lid, 8.5 tot en met 8.11, 8.12, eerste en tweede lid, 8.13 tot en met 8.29.

Als overtreding ter zake waarvan een bestuurlijke boete kan worden opgelegd van de tweede categorie, wordt aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met de voorschriften welke zijn opgenomen in de de artikelen 4.3, 4.4, eerste tot en met derde lid, 4.6, 4.7, 4.9, eerste en tweede lid, 4.11, 4.12 en 4.17d.

De afgifte van een certificaat van vakbekwaamheid arbeidshygiëne door de Stichting voor de Certificatie van Vakbekwaamheid SKO in de periode van 1 november 1999 tot 3 november 2006 wordt aangemerkt als de afgifte van een certificaat van vakbekwaamheid arbeidshygiëne als bedoeld in artikel 2.15.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Deze regeling wordt aangehaald als: Arbeidsomstandighedenregeling.

Deze regeling zal met de toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden gepubliceerd.

In het veiligheidsbeheerssysteem, bedoeld in artikel 2.5a, tweede lid, van het besluit komen aan de orde:

Het intern noodplan als bedoeld in artikel 2.5c van het besluit bevat de volgende gegevens en beschrijvingen:

Model kennisgeving bouwwerk

De informatie, bedoeld in artikel 3.9, onderdeel b, betreft voor zover van toepassing:

De informatie met betrekking tot het brandbestrijdingsplan, bedoeld in artikel 3.9, onderdeel c, betreft:

Het onderzoek, bedoeld in artikel 3.9, onderdelen f en i, met betrekking tot het mijnbouwwerk op het land, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of iedere vast opgestelde mijnbouwinstallatie, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder b betreft ten aanzien van:

Het onderzoek, bedoeld in artikel 3.9, onderdelen f en i, met betrekking tot iedere als een geheel verplaatsbare mijnbouwinstallatie als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c en iedere andere verplaatsbare installatie met behulp waarvan boorgaten worden geboord of werkzaamheden in of aan een bestaand boorgat worden uitgevoerd als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel d betreft ten aanzien van:

De informatie met betrekking tot het noodplan, bedoeld in artikel 3.14, betreft:

Veiligheids- en gezondheidsverklaring 10

Toestand van de ladingzone

Ligplaats

Niet aan de werf of het reparatiebedrijf.

Binnen de 25 meter van de ladingzone mag geen vuur aanwezig zijn of naar redelijke verwachting kunnen ontstaan

Toegestane werkzaamheden

Veiligheids- en gezondheidsverklaring 11

Toestand van de ladingzone

Ligplaats

Het schip mag naar de werf of het reparatiebedrijf. Echter alleen naar een veilige ligplaats (= een ligplaats waar binnen een afstand van 25 meter van de ladingzone geen vuur aanwezig is of naar redelijke verwachting kan ontstaan).

Binnen de 25 meter van de ladingzone mag geen vuur aanwezig zijn of naar redelijke verwachting kunnen ontstaan.

Toegestane werkzaamheden

Veiligheids- en gezondheidsverklaring 12/1

Toestand van de ladingzone

In het laatste geval is de Veiligheids- en gezondheidsverklaring 12/1 een voorloper van de Veiligheids- en gezondheidsverklaring 12/2.

Deze Veiligheids- en gezondheidsverklaring 12/2 kan pas worden uitgereikt indien sinds de uitreiking van de Veiligheids- en gezondheidsverklaring 12/1 ten minste 6 uren zijn verstreken. In deze periode mag zich geen wijziging voordoen in de toestand van de gehele ladingzone.

Ligplaats

Het schip mag naar de werf of het reparatiebedrijf.

Binnen de 25 meter van de ladingzone mag geen vuur aanwezig zijn of naar redelijke verwachting kunnen ontstaan.

Toegestane werkzaamheden

Veiligheids- en gezondheidsverklaring 12/2

Toestand van de ladingzone

De Veiligheids- en gezondheidsverklaring 12/2 kan pas worden uitgereikt indien gebleken is dat de ruimten waarin met vuur moet worden gewerkt veilig voor mensen en veilig voor vuur zijn gebleven, terwijl ook in de toestand van de andere ruimten binnen de ladingzone geen wijziging mag zijn opgetreden.

Daarnaast moeten er ten minste 6 uren verstreken zijn na het uitreiken van de bijbehorende Veiligheids- en gezondheidsverklaring 12/1.

Ligplaats

Het schip mag naar de werf of het reparatiebedrijf.

Binnen de 25 meter van de ladingzone mag geen vuur aanwezig zijn of naar redelijke verwachting kunnen ontstaan.

Toegestane werkzaamheden

Veiligheids- en gezondheidsverklaring 13/1

Toestand van de ladingzone

Aangezien echter de Veiligheids- en gezondheidsverklaring 13/1 de voorloper is van de Veiligheids- en gezondheidsverklaring 13/2 zal men er voor zorg moeten dragen dat de gehele ladingzone veilig voor vuur is. De Veiligheids- en gezondheidsverklaring 13/2 kan pas worden uitgereikt indien sinds de uitreiking van de Veiligheids- en gezondheidsverklaring 13/1 ten minste 6 uren zijn verstreken. In deze periode mag zich geen wijziging voordoen in de toestand van de gehele ladingzone.

Ligplaats

Het schip mag naar de werf of het reparatiebedrijf. Binnen de 25 meter van de ladingzone mag geen vuur aanwezig zijn of naar redelijke verwachting kunnen ontstaan.

Toegestane werkzaamheden

Veiligheids- en gezondheidsverklaring 13/2

Toestand van de ladingzone

Deze vastgestelde toestand is ongewijzigd gebleven na de uitreiking van de bijbehorende Veiligheids- en gezondheidsverklaring 13/1. Daarnaast moeten er ten minste 6 uren verstreken zijn na het uitreiken van de bijbehorende Veiligheids- en gezondheidsverklaring 13/1.

Ligplaats

Het schip mag overal ligplaats nemen

Toegestane werkzaamheden

Veiligheids- en gezondheidsverklaring 20

Toestand van de ladingzone

Ligplaats

Het schip mag overal ligplaats nemen

Toegestane werkzaamheden

Veiligheids- en gezondheidsverklaring 31

Toestand van de ladingzone

Ligplaats

Het schip mag overal ligplaats nemen

Toegestane werkzaamheden

Veiligheids- en gezondheidsverklaring 32

Toestand van de ladingzone

Ligplaats

Het schip mag overal ligplaats nemen.

Toegestane werkzaamheden

Veiligheids- en gezondheidsverklaring 33

Toestand van de ladingzone

Ligplaats

Het schip mag overal ligplaats nemen.

Toegestane werkzaamheden

Veiligheids- en gezondheidsverklaring A/30

Toestand van de ladingzone

De toestand van de ruimten binnen de ladingzone wordt op deze Veiligheids- en gezondheidsverklaring niet opgenomen.

Toegestane werkzaamheden

De Veiligheids- en gezondheidsverklaring A/30 is een zogenaamde “Combinatie Veiligheids- en gezondheidsverklaring”. Dat betekent, dat een Veiligheids- en gezondheidsverklaring A/30 nooit alleen afgegeven mag worden. Altijd zal dit moeten gebeuren in combinatie met een Veiligheids- en gezondheidsverklaring, welke de toestand van de ladingzone aangeeft.

Veiligheids- en gezondheidsverklaring A4

Deze Veiligheids- en gezondheidsverklaring is bedoeld om een Veiligheids- en gezondheidsverklaring welke zijn geldigheid heeft verloren weer geldig te maken

Toestand van de ladingzone

De toestand van de ladingzone is gelijk aan de toestand zoals die vermeld wordt op de Veiligheids- en gezondheidsverklaring die door het uitreiken van de Veiligheids- en gezondheidsverklaring A4 zijn geldigheid herkrijgt.

De modellen, bedoeld in deze bijlage, liggen ter inzage in de bibliotheek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Als model meldingsformulier, behorend bij artikel 4.11 en 4.13 wordt vastgesteld Model A.

Dit model betreft reparatiewerkzaamheden aan, op of in tankschepen waarbij werk met vuur boven de ladingzone en/of werk met vuur in een deel van de ladingzone plaatsvindt zonder dat de daartoe voorgeschreven veiligheids- en gezondheidsverklaring is uitgereikt.

Als model meldingsformulier, behorend bij artikel 4.12 en 4.13 wordt vastgesteld Model B.

Dit model betreft afwijking van de voorwaarde op de Veiligheids- en gezondheidsverklaring 10-11-12/1-12/2 en 13/1 dat binnen een afstand van 25 meter van de ladingzone geen vuur aanwezig mag zijn noch naar redelijke verwachting kan ontstaan.

Reparatiewerkzaamheden aan of op tankschepen waarbij werk met vuur buiten de ladingzone, echter binnen 25 meter van die ladingzone, plaatsvindt zonder dat de daartoe voorgeschreven veiligheids- en gezondheidsverklaring is uitgereikt

De modellen, bedoeld in deze bijlage, liggen ter inzage in de bibliotheek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Ondertekening van het werkplan door een persoon die in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid professioneel vuurwerk als bedoeld in artikel 4.9 van het Arbeidsomstandighedenbesluit met betrekking tot de soort arbeid die wordt verricht.

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te Den Haag.

Verklaring van de gebruikte letters en aanduidingen

B. Lijst met wettelijke grenswaarden voor kankerverwekkende stoffen

Om eenduidige identificatie te vergemakkelijken is bij elke stof het zogenoemde CAS-nummer opgenomen, dat wil zeggen het nummer waaronder de stof door de ‘Chemical Abstract’ Service is geregistreerd.

TGG

Tijdgewogen gemiddelde. Voor een aantal stoffen is naast de maximale aanvaarde concentratie bij een blootstellingduur tot 8 uur per dag tevens een grenswaarde vastgesteld voor een kortdurende blootstelling van ten hoogste 15 minuten.

C

Deze aanduiding is toegepast bij stoffen waarvan de grenswaarde een ceilingwaarde of plafondwaarde is. Een dergelijke waarde geeft aan dat overschrijding van deze concentratie in alle gevallen moet worden voorkomen.

Stoffen die relatief gemakkelijk door de huid kunnen worden opgenomen, hetgeen een substantiële bijdrage kan betekenen aan de totale inwendige blootstelling, hebben in de lijst een H-aanduiding. Bij deze stoffen moeten naast maatregelen tegen inademing ook adequate maatregelen ter voorkoming van huidcontact worden genomen.

Voor stoffen die ook als deeltjes/aërosolen kunnen voorkomen geldt dat de grenswaarde betrekking heeft op de deeltjes bemonsterd als ‘inhaleerbaar stof’, tenzij anders vermeld. Voor nadere definiëring van inhaleerbaar en respirabel stof en meetaspecten hiervan wordt verwezen naar NEN-norm NEN-EN 481:1994 ‘Werkplekatmosfeer. Definitie van de deeltjesgrootteverdeling voor het meten van in de lucht zwevende deeltjes’.

Respirabele vezels worden als volgt gedefinieerd: vezels die langer zijn dan 5 micrometer, met een diameter kleiner dan 3 micrometer en die een lengte/breedteverhouding hebben van meer dan 3/1. Voor minerale wolvezels geldt nog het extra criterium dat de vezels korter moeten zijn dan 200 micrometer.

De hierna vermelde grenswaarden gelden bij een temperatuur van 20 °C en een druk van 101,3 kPa.

De Arbeidsomstandighedenwet bepaalt dat de Minister certificerende instellingen kan aanwijzen die aan de bij of krachtens de wet genoemde bedrijven of personen een certificaat kunnen verlenen, weigeren of intrekken. Voor een omschrijving van de criteria voor aanwijzing wordt verwezen naar het Arbeidsomstandighedenbesluit. Deze noemt de criteria voor aanwijzing in artikel 1.5a, lid 1. Het onderstaande bevat een uitwerking daarvan voor de certificatie-instellingen werkzaam in het werkveld asbest.

Gebaseerd op art. 20, lid 5, van de Arbeidsomstandighedenwet, stelt art. 1.5a, lid 1, van het Arbeidsomstandighedenbesluit dat als CKI kan worden aangewezen een instelling die:

Art. 1.5a, lid 2, bepaalt dat bij ministeriële regeling nadere regels kunnen worden gesteld met betrekking tot het eerste lid.

Voor de nadere uitwerking van de criteria onder c) t/m f) zijn de desbetreffende bepalingen uit de volgende normen van toepassing. Voor de certificatie van:

3.2 Voor zover dit document of een in de SZW wet- en regelgeving bindend verklaard certificatieschema niet andersluidend is of verdergaande bepalingen bevat, geeft, in aanvulling op de in het vorige lid genoemde normen, het in de rest van dit document bepaalde een nadere uitwerking van de voor aanwijzing geldende voorschriften.

Onder het vereiste van art. 1.5a, lid 1, onder f van het Arbobesluit wordt, naast het voldoen aan de voorschriften voor aanwijzing van een CKI in het algemeen, in ieder geval ook begrepen hetgeen in het hierna volgende van deel A, en, waar relevant de delen B of C, is bepaald.

Los van de sancties die de CKI op grond van een certificatieschema oplegt, is de CKI gehouden aan het volgende:

Een CKI is, tenzij in dit document anders is bepaald, bevoegd om met inachtneming van de door Onze Minister gegeven aanwijzingen bepaalde onderdelen van de door haar te verrichten werkzaamheden door anderen te doen verrichten. Hiertoe dient een schriftelijke overeenkomst tot uitbesteding te worden gesloten, waarin in ieder geval is opgenomen:

Niet uitbesteedbaar is de certificatiebeslissing, de afgifte van certificaten met de daaraan voorafgaande beoordeling van bewijsstukken alsmede het hernieuwen van uitstaande certificaten.

Een CKI dient, ter identificatie van de certificaathouder, naast de naam en vestigingsplaats ten minste ook diens inschrijvingsnummer bij de Kamer van Koophandel op het certificaat te vermelden.

Dit document is in aparte onderdelen voor specifieke asbestwerkvelden nader uitgewerkt.

Het Ministerie van SZW hanteert, op grond van de in de Arbowet- en regelgeving vastgelegde criteria en voorwaarden voor aanwijzing van en toezicht op certificerende instellingen. Deze zijn in deel A Algemeen uitgewerkt voor de asbestsector als geheel. Het hierna volgende bevat een specifieke aanvulling daarop voor de certificatie van asbestinventarisatiebedrijven.

De volgende twee taken worden onderscheiden:

Beoordelingstaken kunnen worden uitbesteed, mits alle benodigde kennis en kwalificaties daarnaast ook bij een of meer medewerker(s) van de CKI aanwezig zijn.

De beslissing mbt. certificatie kan door de CKI niet aan derden worden uitbesteed.

Degene die de beoordeling op locatie en/of de vestiging uitvoert dient aantoonbaar te voldoen aan de volgende kwalificatiecriteria:

De teamleider dient naast de eisen genoemd in 2.2 aantoonbaar te voldoen aan de eisen van ISO 19011, externe auditor, en dient over tenminste twee jaar aantoonbare ervaring op het gebied van certificatie van asbestinventarisatie, opgedaan in de afgelopen drie jaar, te beschikken. Deze ervaring kan bijvoorbeeld worden aangetoond door het overleggen van asbestinventarisatie rapporten, andere rapporten of publicaties en/of vakgerichte opleidingen, of RvA rapporten. Het bezit van alleen een DTA diploma zonder aantoonbare ervaring is niet voldoende.

Degenen die beslissen over het verlenen of intrekken van het certificaat dienen minimaal aantoonbaar te voldoen aan de volgende kwalificatiecriteria:

Degenen bedoeld in 2.2, 2.3, en 2.4, die bij het van kracht worden van de SC-540 tenminste drie jaar aantoonbaar actief zijn geweest als beoordelaar, respectievelijk teamleider, dan wel beslisser mbt. asbestinventarisatie, bijvoorbeeld blijkend uit RvA rapporten, worden geacht aan bovenstaande kwalificaties te voldoen.

3.1.1 Een CKI dient een aanvraag voor het certificaat in overeenstemming met een door hem opgesteld reglement te behandelen. De CKI is verplicht de kandidaat schriftelijk over de daarin vastgestelde regels, voorwaarden en procedures die verband houden met de behandeling van de aanvraag voor het certificaat, te informeren.

3.1.2 Het verloop van het toelatingsonderzoek vanaf het eerste onderzoek op projectlocatie tot de beslissing over al dan niet verlening van het certificaat is gemaximeerd op 4 maanden. Daarna vervallen de onderzoeksresultaten, inclusief voorlopige inventarisatierapporten van de kandidaat.

3.1.3 Indien een kandidaat naast de hoofdvestiging die is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, over een of meer filialen/vestigingen beschikt die al dan niet zelfstandig zijn ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, en van waaruit certificatieactiviteiten met betrekking tot de SC 540 worden ondernomen, is er sprake van één moederbedrijf met een of meer filialen/vestigingen. Een dergelijke kandidaat kan een certificaat worden verleend onder de volgende voorwaarden:

Het doel van de door de CKI uit te voeren beoordeling is om vast te stellen of aan alle eisen in de SC-540 wordt voldaan. De beoordeling bestaat uit:

Een kandidaat wordt voor de duur van de beoordeling op twee, of in geval 3.3.2 van toepassing is, op drie projectlocaties en uitsluitend voor de projectlocaties waar de beoordeling door de CKI plaatsvindt, gelijkgesteld met een gecertificeerd inventarisatiebedrijf, indien de kandidaat:

Wanneer de CKI op één van de twee projectlocaties bedoeld in 3.3.1 vaststelt dat de kandidaat niet voldoet aan de criteria, kan de CKI, namens de kandidaat, eenmalig een aanvraag voor een beoordeling op een extra projectlocatie bij SCA indienen. Deze extra beoordeling heeft tot doel de door de kandidaat genomen corrigerende maatregelen te verifiëren.

3.4.1 De beoordeling kan slechts worden afgerond, indien de kandidaat minimaal 2 volledige inventarisatierapporten heeft opgesteld die aan de eisen van de SC 540 voldoen. De resultaten van de asbestinventarisaties, waaronder de betreffende rapportages, maken deel uit van de beoordeling.

3.4.2 De beoordeling wordt zonder verlening van het certificaat afgebroken indien:

Indien de kandidaat waarvan de beoordeling is afgebroken opnieuw het certificaat wil verwerven, dient de CKI alle stappen van de beoordeling opnieuw te doorlopen.

3.4.3 De resultaten van ieder onderdeel van de beoordeling worden aan de kandidaat gerapporteerd.

De CKI ziet erop toe dat de status van de tijdens de beoordeling van een kandidaat opgestelde inventarisatierapporten een voorlopige is en deze rapporten nog geen rechtsgeldige basis vormen voor het uitvoeren van asbestverwijdering.

Deze voorlopige inventarisatierapporten dienen gedateerd te zijn, en op een in het oog lopende plaats te zijn voorzien van de tekst ‘Niet geschikt voor de aanvraag van een omgevingsvergunning’.

De vervaldatum van deze rapporten is gelijk aan vier maanden na de datum waarop de inventarisatieactiviteiten op de eerste projectlocatie zijn gestart. Deze vervaldatum dient duidelijk op het rapport te zijn aangebracht.

Op basis van de ‘aanvraag van toestemming voor werkzaamheden op projectlocatie’ bedoeld in 3.3.1, en na de verleende schriftelijke toestemming door SCA, worden deze inventarisatieprojecten, met de gegevens over de kandidaat, met het oog op registratie aan SCA toegezonden.

3.6.1 De certificatiebeslissing wordt genomen door een of meer door de CKI daartoe aangewezen college of perso(o)n(en). De beslissing wordt genomen op basis van de beoordelingsrapportage en een bijbehorend schriftelijk advies van de teamleider.

De CKI draagt er zorg voor dat het schriftelijke besluit, inclusief eventueel certificaat, binnen 10 werkdagen na de laatste beoordeling, dan wel na een tussen CKI en kandidaat overeengekomen andere termijn, aan de kandidaat wordt toegezonden.

3.6.2 Indien de CKI het IB een certificaat heeft verleend, ziet de CKI er uiterlijk bij de eerstvolgende controle op toe dat het IB, binnen een termijn van maximaal vier maanden na de eerste beoordeling op locatie, een voorlopig inventarisatierapport, zoals bedoeld in 3.5 heeft omgezet in een definitieve versie conform alle eisen van de SC 540. Bij het omzetten naar een definitief rapport dient de uitgiftedatum daarvan gelijk te zijn aan de datum van verlening van het certificaat

3.6.3 Indien de kandidaat geen certificaat kan worden verleend, vervalt de waarde van een rapport bedoeld in 3.5 automatisch. De CKI deelt dit schriftelijk aan aanvrager mede, en wijst erop dat op basis van dat rapport ook in de toekomst geen asbestverwijdering mag worden uitgevoerd.

Het certificaat is, behoudens tussentijdse intrekking, maximaal drie jaar geldig.

Nadat het certificaat is verleend, voert de CKI gedurende de certificatieperiode periodieke beoordelingen bij de certificaathouder uit, conform, voor zover niet specifiek gericht op een eerste aanvrager, het bepaalde in hoofdstuk 3, en conform de overige bepalingen in hoofdstuk 4.

Er vindt tenminste één beoordeling op de vestiging per jaar plaats. Onderdeel van deze beoordeling is het dossier van tenminste vier inventarisatieprojecten.

Wanneer een IB naast de hoofdvestiging beschikt over één of meer filialen/vestigingen, zoals bedoeld in 3.1.3, vindt tevens, naast de ene beoordeling per jaar op de hoofdvestiging, per filiaal/vestiging ten minste één beoordeling per jaar plaats.

Tijdens de looptijd van het certificaat vindt o.a. periodieke beoordeling op projectlocaties plaats, per filiaal/vestiging op grond van de aantallen genoemd in tabel 1. Daarin is o.a. bepaald dat een deel van de beoordeling op locatie reguliere implementatiebeoordeling (zie 4.3.1), en de rest resultaatgerichte implementatiebeoordeling (zie 4.3.2). De reguliere implementatiebeoordeling vindt onaangekondigd plaats. De resultaatgerichte implementatiebeoordeling wordt samen met het IB gepland.

Op een gemotiveerd verzoek van het IB kan de CKI besluiten dat een grote inventarisatieopdracht met een aantal deelprojecten/locaties, wat betreft de vereiste aantallen in tabel 1, als meerdere opdrachten beschouwd kunnen worden. De CKI weegt hierbij af of, gezien de grootte en complexiteit van de opdracht, alle uitvoeringsaspecten uit de SC-540 goed kunnen worden beoordeeld.

In dat geval vereist de CKI van het IB een per deelproject/locatie aparte melding met apart meldingsformulier, en dat elk deelproject/locatie via een aparte procedure wordt behandeld, inclusief rapportage en besluitvorming.

De reguliere implementatiebeoordeling vindt onaangekondigd plaats.

Locaties worden geselecteerd op basis van de reguliere systematiek die de CKI hiervoor hanteert. Het is bedoeld om de implementatie van het gedocumenteerde systeem te beoordelen.

Na uitvoering van een inventarisatie en opmaak van het inventarisatierapport vindt, voorafgaand aan asbestverwijdering, de geplande en aangekondigde resultaatgerichte beoordeling plaats. De CKI gaat daarbij samen met de verantwoordelijke DIA terug naar de projectlocatie met het afgeronde en afgetekende inventarisatierapport als leidraad. De projectlocatie voor deze beoordeling wordt op basis van een steekproef gekozen uit inventarisatieprojecten die nog niet op asbest gesaneerd of gesloopt zijn. Op locatie wordt, naast een overzicht van het project, steekproefsgewijs delen uit het inventarisatierapport met de DIA nagelopen, mede aan de hand van een toelichting door de DIA.

Indien in een periode van 12 maanden het aantal beoordelingen op locatie, genoemd in tabel 1, niet mogelijk is, stelt de CKI het IB in de gelegenheid, in de volgende periode van 12 maanden, naast het aantal voor deze periode, tevens het ontbrekende aantal uit de vorige periode van 12 maanden te beoordelen. De CKI legt een dergelijke maatregel schriftelijk in het dossier vast.

Deze maatregel kan slechts één keer in 4 opeenvolgende perioden van 12 maanden worden toegepast. Als hier niet aan kan worden voldaan, dient de CKI het certificaat in te trekken.

Noten bij tabel 1:

> Het aantal beoordelingen wordt bepaald door het criterium (aantal DIA of aantal inventarisatie- rapporten) dat tot het hoogste aantal beoordelingen op locatie leidt.

> Het begrip ‘jaarlijks’ slaat niet op kalenderjaren, maar op periodes van telkens 12 maanden na de verlening van het certificaat.

De resultaten van beoordelingen door de CKI worden tussentijds aan het IB gerapporteerd.

Tenzij de certificaathouder schriftelijk te kennen heeft gegeven het certificaat niet te willen voortzetten, zal de CKI in het laatste jaar van de lopende certificatieperiode de jaarlijkse beoordelingen bij de filialen/vestigingen in het algemeen drie maanden voor vervaldatum van het certificaat dienen te hebben afgerond. Daarbij wordt zoveel mogelijk de procedure gevolgd omschreven in artikel 4.

De hier aangegeven tijdsbesteding is een richtlijn; tijdseenheden zijn inclusief rapportage.

De CKI dient in geval van het combineren van beoordelingen, met de rapportage aannemelijk en aantoonbaar te kunnen maken dat bij beoordeling per vestiging de minimale vereisten van SC 540 gedurende de certificatieperiode worden beoordeeld.

Beoordelingen op projectlocaties staan op zich zelf en dienen conform het bepaalde in 6.1 en 6.2 uitgevoerd te worden.

De CKI houdt m.b.t. de melding ten behoeve van de beoordeling op locatie het IB aan het in dit artikel gestelde.

Alle werkzaamheden worden door middel van het SCA standaard meldingsformulier ondertekend, vóór aanvang van de werkzaamheden door het IB bij de CKI gemeld.

Bij reguliere opdrachten is dat per e-mail tot 2 werkdagen van tevoren; per fax 5 werkdagen.

In geval van calamiteiten, dwz. uitsluitend bij acuut gevaar voor mens en/of milieu, kan de CKI het asbestverwijderingsbedrijf toestaan hiervan af te wijken, mits het bedrijf dit schriftelijk motiveert.

Wat betreft de inhoud van de melding, hanteert de CKI de Bijlage G van de SC-540.

Specifiek met het oog op de beoordeling bedoeld in 4.3.2, en eventueel conform het bepaalde in de tweede alinea van 4.2, verzoekt de CKI aan het IB een recent bijgewerkt overzicht van onder het certificaat uitgevoerde projecten, met locatie en de verantwoordelijke DIA, en opgave of de locatie al gesaneerd is of niet.

Met betrekking tot de afwijkingen ten opzichte van de eisen van de SC-540 wordt een onderscheid gemaakt tussen de volgende categorieën:

8.1.3 Naast de afwijkingen kan sprake zijn van een opmerking. Dit geldt als aandachtspunt ter verbetering, maar heeft niet direct invloed op de aard van de activiteiten, zoals in de verklaring van het certificaat opgenomen. Het gevolg geven aan een opmerking is niet verplicht; het IB dient te overwegen of aan de opmerking gevolg zal worden gegeven.

Bij de constatering van een of meerdere categorie A afwijkingen gelden volgtijdig (Ti ) de volgende stappen, die in het slechtste geval na T6 = 29 + 3 = 32 werkdagen kunnen leiden tot de intrekking van het certificaat:

Bij het constateren van afwijkingen, zonder een categorie A, geldt de volgende procedure:

De CKI dient de klacht te betrekken bij het eerstvolgende onderzoek bij het betreffende asbestinventarisatiebedrijf. Echter, indien het naar de mening van de CKI een ernstige klacht betreft, dient de CKI, naast de behandeling door het asbestverwijderingsbedrijf, zelf ook direct te beoordelen of de klacht gevolgen dient te hebben voor de beslissing m.b.t. certificatie. In dat geval dient de CKI af te wegen of het gewenst is een extra onderzoek uit te voeren. Het reglement van de CKI is bepalend voor de verdere afhandeling van deze klachten.

Indien uit het extra onderzoek blijkt dat de klacht terecht is, wordt deze als extra inspectie in rekening gebracht bij het IB. Indien niet blijkt dat de klacht terecht is, wordt de extra inspectie beschouwd als een reguliere (project)inspectie, die het eerstvolgende, in de toekomst geplande onderzoek vervangt.

Klachten over de CKI worden door de CKI geregistreerd en afgehandeld conform het eigen klachtenreglement. Jaarlijks rapporteert de CKI aan het Min. van SZW over de ontvangen klachten, en de wijze van afhandeling, conform artikel 1.5b.1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

De CKI registreert de gegevens van de certificaathouder; een afschrift van het certificaat wordt, conform de overeenkomst SCA-CKI per fax of elektronisch aan SCA verzonden, ter aanpassing van het SCA Certificaatregister. Ook elke intrekking van een certificaat wordt, met de relevante gegevens waaronder de datum van intrekking, door de CKI aan SCA toegezonden.

Indien een CKI merkt dat er met een andere CKI verschillende interpretaties bestaan mbt. de SC-540, dient de CKI dit verschil voor te leggen aan het CCvD Asbest van SCA.

Het Ministerie van SZW hanteert, op grond van de in de Arbowet- en regelgeving vastgelegde criteria en voorwaarden voor aanwijzing van en toezicht op certificerende instellingen. Deze zijn in deel A Algemeen uitgewerkt voor de asbestsector als geheel. Het hiernavolgende bevat een specifieke aanvulling daarop voor de certificatie van asbestverwijderingsbedrijven.

De volgende twee taken worden onderscheiden:

Beoordelingstaken kunnen worden uitbesteed, mits alle benodigde kennis en kwalificaties daarnaast ook bij een of meer medewerker(s) van de CKI aanwezig zijn.

De beslissing mbt. certificatie kan door de CKI niet aan derden worden uitbesteed.

Degene die de beoordeling op locatie en/of de vestiging uitvoert dient aantoonbaar te voldoen aan de volgende kwalificatiecriteria:

De teamleider dient naast de eisen genoemd in 2.2 aantoonbaar te voldoen aan de eisen van NEN-EN-ISO 19011, externe auditor, en dient over tenminste twee jaar aantoonbare ervaring op het gebied van certificatie van asbestverwijdering te beschikken. Deze ervaring kan bijvoorbeeld worden aangetoond door het overleggen van rapportages van, in de afgelopen 12 maanden, uitgevoerde beoordelingen van asbestverwijderingsbedrijven. Het bezit van alleen een DTA getuigschrift of -persoonscertificaat zonder aantoonbare beoordelingservaring is niet voldoende.

Degenen die beslissen over het verlenen of intrekken van het certificaat dienen aantoonbaar te voldoen aan de volgende kwalificatiecriteria:

Degenen bedoeld in 2.2, 2.3, en 2.4, die bij het van kracht worden van de SC-530 tenminste drie jaar aantoonbaar actief zijn geweest als beoordelaar, respectievelijk teamleider, dan wel beslisser met betrekking tot de certificatie van asbestverwijderingsbedrijven, bijvoorbeeld blijkend uit RvA beoordelingsrapporten, worden geacht aan bovenstaande kwalificaties te voldoen.

Een CKI dient een aanvraag voor het certificaat in overeenstemming met een door hem opgesteld reglement te behandelen. De CKI is verplicht de kandidaat schriftelijk over de daarin vastgestelde regels, voorwaarden en procedures die verband houden met de behandeling van de aanvraag voor het certificaat, te informeren.

Het verloop van de toelatingsbeoordeling, vanaf de eerste beoordeling op projectlocatie tot de beslissing over al dan niet verlening van het certificaat, is gemaximeerd op 4 maanden. Daarna vervallen de beoordelingsresultaten van de kandidaat.

Indien een kandidaat naast de hoofdvestiging die is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, over een of meer filialen/vestigingen beschikt die al dan niet zelfstandig zijn ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, en van waaruit certificatieactiviteiten met betrekking tot de SC 530 worden ondernomen, is er sprake van één moederbedrijf met een of meer filialen/vestigingen. Een dergelijke kandidaat kan een certificaat worden verleend onder de volgende voorwaarden:

Het doel van het door de CKI uit te voeren beoordeling is om vast te stellen of aan alle eisen in de SC-530 wordt voldaan. De beoordeling bestaat uit:

Een kandidaat wordt voor de duur van de beoordeling op twee projectlocaties waar de beoordeling door de CKI plaatsvindt, gelijkgesteld aan een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf, òf in geval artikel 3.3.2 van toepassing is, op drie projectlocaties. De daarbij geldende voorwaarden zijn dat:

Na blijk van het voldoen aan genoemde voorwaarden stelt de CKI een aanvraag op voor elke projectlocatie die in de beoordeling van de kandidaat zal worden betrokken. SCA dient voorafgaand schriftelijke toestemming op de aanvraag te geven.

Wanneer de CKI op één van de twee projectlocaties bedoeld in 4.3.1 vaststelt dat de kandidaat niet voldoet aan de criteria, kan de CKI, namens de kandidaat, eenmalig een aanvraag voor beoordeling op een extra projectlocatie bij SCA indienen.

Deze extra beoordeling heeft tot doel de door het asbestverwijderingsbedrijf genomen corrigerende maatregelen te verifiëren en vindt plaats op kosten van de kandidaat.

De beoordeling kan slechts worden afgerond, indien de kandidaat minimaal 2 volledige asbest-verwijderingswerken heeft uitgevoerd, die aan de eisen van de SC-530 voldoen.

De beoordeling wordt zonder verlening van het certificaat afgebroken indien:

Indien de kandidaat wiens beoordeling is afgebroken opnieuw het certificaat wil verwerven, dienen alle stappen van de beoordeling opnieuw te worden doorlopen.

De resultaten van ieder onderdeel van de beoordeling worden aan de kandidaat gerapporteerd.

Op basis van SC-530 Bijlage D ‘Aanvraag van toestemming voor werkzaamheden op projectlocatie’ worden de asbestverwijderingswerken met de gegevens over de kandidaat bij SCA geregistreerd.

De certificatiebeslissing wordt genomen door een door de CKI daartoe aangewezen college of perso(o)n(en). De beslissing wordt genomen op basis van de beoordelingsrapportage en een bijbehorend schriftelijk advies van de teamleider.

De CKI draagt er zorg voor dat het schriftelijke besluit, inclusief eventueel certificaat, binnen 10 werkdagen na de laatste beoordeling, dan wel na een tussen CKI en kandidaat overeengekomen termijn, aan de kandidaat wordt toegezonden.

Het certificaat is, behoudens tussentijdse intrekking, maximaal drie jaar geldig.

Nadat het certificaat is verleend, voert de CKI gedurende de certificatieperiode periodieke beoordelingen bij de certificaathouder uit, conform, voor zover niet specifiek gericht op een eerste aanvrager, het bepaalde in hoofdstuk 3, en conform de overige bepalingen in hoofdstuk 4.

Er vindt tenminste één beoordeling op de vestiging per jaar plaats. Onderdeel van deze beoordeling is de dossierbeoordeling van tenminste vier asbestverwijderingsprojecten.

Wanneer een asbestverwijderingsbedrijf, naast de hoofdvestiging beschikt over één of meer filialen/vestigingen, vindt tevens, naast de ene beoordeling per jaar op de hoofdvestiging, per filiaal/vestiging één beoordeling per jaar plaats.

4.3.1 Tijdens de looptijd van het certificaat vindt periodiek beoordeling op projectlocaties plaats, op grond van de aantallen genoemd in tabel 4.3. De frequentie van de periodieke beoordelingen op de projectlocatie wordt vastgesteld op basis van het aantal door alle werknemers van de certificaathouder in totaal bestede projectdagen uit het voorgaande jaar. Daarbij geldt het volgende.

Indien door omstandigheden het in tabel 4.3 aangegeven aantal beoordelingen op projectlocatie over een periode van 12 maanden niet kan worden uitgevoerd, dienen de ontbrekende aantallen in de direct daaropvolgende periode van 12 maanden alsnog te worden uitgevoerd. De CKI legt een dergelijke maatregel schriftelijk in het dossier vast.

Deze maatregel kan slechts één keer in 4 opeenvolgende perioden van 12 maanden worden toegepast. Als hier niet aan kan worden voldaan, dient de CKI het certificaat in te trekken.

De resultaten van beoordelingen door de CKI worden tussentijds aan het asbestverwijderingsbedrijf gerapporteerd.

Tenzij de certificaathouder schriftelijk te kennen heeft gegeven het certificaat niet te willen voortzetten, zal de CKI in het laatste jaar van de lopende certificatieperiode de jaarlijkse beoordelingen bij de filialen/vestigingen in het algemeen drie maanden voor vervaldatum van het certificaat dienen te hebben afgerond. Daarbij wordt zoveel mogelijk de procedure gevolgd omschreven in artikel 4.

De aangegeven tijdsbesteding is een richtlijn; de tijdseenheden zijn inclusief rapportage.

De CKI dient in geval van het combineren van beoordelingen, met de beoordelingsrapportage aannemelijk en aantoonbaar te kunnen maken dat bij beoordeling per vestiging de minimale vereisten van SC-530 gedurende de certificatieperiode worden onderzocht.

Beoordelingen op projectlocaties staan op zich zelf en dienen conform het bepaalde in 6.1 en 6.2 uitgevoerd te worden.

De CKI vereist van het asbestverwijderingsbedrijf alle asbestverwijderingswerken door middel van een daartoe beschikbaar gesteld standaard meldingsformulier ondertekend, vóór aanvang van de werkzaamheden te melden bij de CKI.

Bij reguliere opdrachten is dat per e-mail tot 2 werkdagen van tevoren; per fax is dat minimaal 5 werkdagen . In geval van calamiteiten, dwz. uitsluitend bij acuut gevaar voor mens en/of milieu, kan de CKI het asbestverwijderingsbedrijf toestaan hiervan af te wijken, mits het bedrijf dit schriftelijk motiveert.

Wat betreft de inhoud van de melding hanteert de CKI de bijlage A van de SC 530.

Melding moet per project/projectdeel/opdracht plaatsvinden. Conform het bepaalde in de tweede alinea van 4.3, kan een groot project verwijdering van asbest uit meerdere bouwwerken of objecten op verschillende projectlocaties omvatten, zolang er sprake is van één opdrachtgever.

Indien het asbestverwijderingsbedrijf een project zoals bedoeld in de vorige zin wil melden, dienen de bovenstaande gegevens uitgesplitst per projectlocatie/deelopdracht aan de CKI kenbaar te worden gemaakt. Daartoe wordt, per projectlocatie een meldingsformulier ingevuld.

Een groot project in het kader van mutatie- en/of klachtenonderhoud in opdracht van een woningcorporatie kan in onderdelen gemeld worden conform het bepaalde in het AEDES protocol ‘Asbestverwijdering bij mutatie- en klachtenonderhoud woningcorporaties’ van 24 september 2007.

Met betrekking tot de afwijkingen ten opzichte van de eisen van de SC-530 wordt een onderscheid gemaakt tussen de volgende categorieën:

8.1.2 Categorie B afwijkingen betreffen die welke wel afwijkingen zijn van de SC-530, maar niet in de categorie A vallen.

8.1.3 Naast de afwijkingen kan sprake zijn van een opmerking. Dit geldt als aandachtspunt ter verbetering, maar heeft niet direct invloed op de aard van de activiteiten, zoals in de verklaring van het certificaat opgenomen. Het gevolg geven aan een opmerking is niet verplicht; het asbestverwijderingsbedrijf dient te overwegen of aan de opmerking gevolg zal worden gegeven.

Bij de constatering van een of meerdere categorie A afwijkingen gelden volgtijdig (Ti) de volgende stappen, die in het slechtste geval na T6 = 36 + 4 = 40 werkdagen kunnen leiden tot de intrekking van het procescertificaat:

Bij het constateren van afwijkingen, zonder een categorie A, geldt de volgende procedure:

Indien de CKI klachten van derden, zoals een opdrachtgever, ontvangt over het voldoen aan de SC-530 door het asbestverwijderingsbedrijf dat een aanvraag voor het certificaat heeft ingediend of certificaathouder is, dient de CKI de klager te verwijzen naar het asbestverwijderingsbedrijf. De CKI dient de klacht te betrekken bij de eerstvolgende beoordeling bij het betreffende asbestverwijderingsbedrijf.

Echter, indien het naar de mening van de CKI een ernstige klacht betreft, dient de CKI, naast de behandeling door het asbestverwijderingsbedrijf, zelf ook direct te beoordelen of de klacht gevolgen dient te hebben voor de beslissing m.b.t. certificatie.

In dat geval dient de CKI af te wegen of het gewenst is een extra beoordeling uit te voeren. Het reglement van de CKI is bepalend voor de verdere afhandeling van deze klachten.

Indien uit de extra beoordeling blijkt dat de klacht terecht is, wordt deze als extra beoordeling in rekening gebracht bij het asbestverwijderingsbedrijf. Indien niet blijkt dat de klacht terecht is, wordt de extra beoordeling beschouwd als een reguliere (project)beoordeling, die de eerstvolgende, in de toekomst geplande beoordeling vervangt.

Klachten over de CKI worden door de CKI geregistreerd en afgehandeld conform het eigen klachtenreglement. Jaarlijks rapporteert de CKI aan het Ministerie van SZW over de ontvangen klachten en de wijze van afhandeling, conform artikel 1.5b.1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

De CKI registreert de gegevens van de certificaathouder. Conform de overeenkomst SCA-CKI wordt een afschrift van het certificaat elektronisch, in pdf-format aan SCA verzonden voor opname in het SCA Certificaatregister. Ook elke intrekking van een certificaat wordt, met de relevante gegevens waaronder de datum van intrekking, door de CKI aan SCA toegezonden.

Indien een CKI merkt dat er verschillende interpretaties bestaan m.b.t. de SC-530, dient de CKI dit verschil voor te leggen aan CCvD-Asbest van SCA

Lijst met verklarende begrippen bij beslisschema

ad I. Certificaat dat vereist is voor het arbeidsgezondheidskundig onderzoeken van personen die worden belast met het verrichten van duikarbeid, caissonarbeid en overige arbeid onder overdruk, bedoeld in artikel 6.14a, tweede lid, van het besluit.

ad II. Certificaat dat vereist is voor het arbeidsgezondheidskundig onderzoeken van personen die worden belast met het verrichten van duikarbeid, caissonarbeid en overige arbeid onder overdruk, bedoeld in artikel 6.14a, eerste lid, van het besluit en op grond waarvan ook de keuringen, bedoeld in artikel 6.14a, tweede lid, van het besluit mogen worden uitgevoerd.

2. Eindtermen per categorie

De duur van de cursus is minimaal voor:

3. Kwaliteitscontrole

Ter vernieuwing van het certificaat zijn nodig:

Bij de duikopleiding voor de categorie duikarbeid waartoe de cursist wordt opgeleid worden in elk geval de volgende leerdoelstellingen onderscheiden en onderwezen:

Duikarbeid categorie A als bedoeld in artikel 6.5, tweede lid, onderdeel b, onder 1° (SCUBA):

Duikarbeid categorie B als bedoeld in artikel 6.5, tweede lid, onderdeel b, onder 2° (SSE):

Duikarbeid categorie C als bedoeld in artikel 6.5, tweede lid, onderdeel b, onder 3° (droge duikklok):

Voor de opleiding van deze categorie duikarbeid geldt als minimale vooropleidingseis ten minste één jaar in het bezit zijn van een duikcertificaat categorie B alsmede ten minste 50 uren duikarbeid hebben verricht van deze categorie.

Daarnaast worden de volgende leerdoelstellingen onderscheiden en onderwezen:

Duikarbeid categorie D als bedoeld in artikel 6.5, tweede lid, onderdeel b, onder 4° (duikarbeid in aquaria, zwembaden of vergelijkbare omstandigheden):

Duikers in de categorie Duikarbeid in aquaria, zwembaden of vergelijkbare omstandigheden verrichten lichte duikwerkzaamheden in de bassins in het kader van het onderhoud hiervan, alsmede het observeren en assisteren bij simulaties van ongevallen, het verzorgen van dieren en bewaking, onderzoek en instandhouding van kunstmatige ecosystemen. Hiervoor geldt dat:

Bij de duikopleiding voor de categorie duikarbeid in aquaria, zwembaden of vergelijkbare omstandigheden worden de volgende leerdoelstellingen onderscheiden en onderwezen:

Bij de opleiding voor de categorie van duikmedische begeleiding waartoe de cursist wordt opgeleid, worden in elk geval de volgende leerdoelstellingen onderscheiden en onderwezen:

EHBO duikarbeid, bedoeld in artikel 6.5, tweede lid, onderdeel c, onder 1°:

MAD A, bedoeld in artikel 6.5, tweede lid, onderdeel c, onder 2°:

Voor de opleiding tot dit certificaat geldt als eis een EHBO-diploma met cardiopulmonaire resuscitatie aantekening.

MAD B, bedoeld in artikel 6.5, tweede lid, onderdeel c, onder 3°:

Voor de opleiding tot dit certificaat geldt als eis een geldig certificaat MAD A

Bij de opleiding voor de categorie van duikploegleider waartoe de cursist wordt opgeleid , worden in elk geval de volgende leerdoelstellingen onderscheiden en onderwezen:

Duikploegleider, bedoeld in artikel 6.5, tweede lid, onderdeel a, onder 1°

Vooropleidingseisen duikploegleidersopleiding

Duikploegleider bij de brandweer, bedoeld in artikel 6.5, tweede lid, onderdeel a, onder 2°

De leerdoelstellingen zijn gelijk aan die voor de duikploegleider, bedoeld in artikel 6.5, tweede lid, onderdeel a, onder 1

Vooropleidingseisen duikploegleidersopleiding bij de brandweer

Duikploegleider bedoeld in artikel 6.5, tweede lid, onderdeel a, onder 3° (duikarbeid in aquaria, zwembaden of vergelijkbare omstandigheden)

De volgende leerdoelstellingen worden onderscheiden en onderwezen:

Vooropleidingseisen duikploegleidersopleiding duikarbeid in aquaria, zwembaden of vergelijkbare omstandigheden

Deze eindtermen zijn samengesteld in overeenstemming met ‘Training standards for Diving and Hyperbaric medicine’ van de ‘Joint Medical Subcommittee’ van de ‘European Diving Technology Committee’ (EDTC).

1. Categorieën certificaten:

Met betrekking tot het arbeidsgezondheidskundig onderzoek van personen die duikarbeid, caissonarbeid, of overige arbeid onder overdruk verrichten:

Een persoon die wordt belast met het verrichten van duikarbeid, caissonarbeid en overige arbeid onder overdruk:

De keuring voor aanvang van de arbeid onder overdruk dient door een duikerarts met het certificaat duikerarts B uitgevoerd te worden in een voldoende toegerust centrum om alle aspecten te kunnen onderzoeken. Periodieke keuringen kunnen ook door artsen met het certificaat duikerarts A worden uitgevoerd. Na een doorgemaakte duikerziekte - zoals decompressieziekte, luchtembolie of aandoening genoemd als absolute contra-indicatie dient het medisch onderzoek plaats te vinden door een duikerarts met het certificaat duikerarts B.

Ten minste dienen de volgende aspecten onderzocht te worden:

CI (contraindicatie): A = absoluut, R = relatief (meestal tot correctie)

1. Verbodsborden

Intrinsieke kenmerken:

Verboden te roken Vuur, open vlam en roken verbodenVerboden voor voetgangersVerboden met water te blussen Geen drinkwaterGeen toegang voor onbevoegdenVerboden voor transportvoertuigen Niet aanraken

2. Waarschuwingsborden

Intrinsieke kenmerken:

Ontvlambare stoffen of hoge temperatuurExplosieve stoffenGiftige stoffenBijtende stoffenRadioactieve stoffen of ioniserende stralingHangende lastenTransportvoertuigenGevaar voor elektrische spanningGevaarLaserstraalOxiderende stoffenNiet-ioniserende stralingBelangrijk magnetisch veldStruikelenVallen door hoogteverschilBiologisch risicoLage temperatuurSchadelijke of irriterende stoffen (1)Explosieve atmosfeer

3. Gebodsborden

Intrinsieke kenmerken:

Oogbescherming verplichtVeiligheidshelm verplichtGehoorbescherming verplichtAdembescherming verplichtVeiligheidsschoenen verplichtVeiligheidshandschoenen verplichtVeiligheidspak verplichtGelaatsbescherming verplichtIndividueel harnas verplichtVerplichte oversteekplaats (voetgangers)Algemeen gebod (eventueel samen met een ander bord

4. Reddingsborden

Intrinsieke kenmerken:

Vluchtweg-nooduitgang Te volgen richting Wordt tezamen met één van de onderstaande borden gebruiktEerste hulpBrancardVeiligheidsdoucheOgen spoelenTelefoon voor redding en eerste hulp

5. Borden in verband met het brandbestrijdingsmateriaal

Intrinsieke kenmerken:

BrandslangLadderBlusapparaatTelefoon voor brandbestrijdingTe volgen richting (wordt tezamen met één van de bovenstaande borden gebruikt)

Hand en armseinen