U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-10-2012.

Ministeriële regeling · BWBR0008587

Arbeidsomstandighedenregeling

Wijzigingen Officiële bron
Regeling houdende bepalingen ter uitvoering van bij en krachtens de Arbeidsomstandighedenwet en enige andere wetten gestelde regelsArbeidsomstandighedenregelingDe Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Gelet op de artikelen 7, vierde lid, onder b, 9, vierde en zesde lid, 10, vijfde lid, 41, eerste lid, en 42, tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, artikel 6 van de Wet arbeid gehandicapte werknemers en artikel 11 van de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma's;

Voorts gelet op de artikelen 2.7, tweede en derde lid, 2.8, 2.15, eerste en derde lid, 2.24, eerste lid, 4.7, eerste, derde en vijfde lid, 4.8, tweede tot en met vijfde lid4.9, zevende lid, 4.10, tweede en derde lid, 4.14, vijfde lid, 4.16, eerste lid, 4.42, vijfde lid, 4.50, tweede lid, 4.54, derde en vijfde lid, 4.60, vierde en vijfde lid, 4.65, eerste lid, onder a en b, 4.66, onder a en b, 4.67, eerste en vijfde lid, 4.68, eerste lid, 4.7.0, derde en vijfde lid, 4.71, eerste lid, 4.72, eerste lid, 4.73, 5.12, 6.17, derde lid, 7.19, achtste tot en met negende en elfde lid, 7.29, zesde en zevende lid, 7.32, tweede lid, en vierde tot en met zevende lid, 8.4, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit;

Gezien de adviezen van de Sociaal Economische Raad van 28 juli 1995, kenmerk 95/35, en 28 maart 1996, kenmerk 96/31.

Besluit:

's-Gravenhage12 maart 1997 De Staatssecretaris voornoemd, w.g. F.H.G. deGrave

In deze regeling wordt verstaan onder:

a.besluit:

het Arbeidsomstandighedenbesluit;

b.de minister:

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

In het jaarverslag van een certificerende instelling, bedoeld in artikel 1.5b, eerste lid, van het besluit worden ten minste de volgende onderwerpen behandeld:

Voor zover in deze regeling regels zijn gesteld over opleidingen zijn de artikelen 1.3 tot en met 1.8 van toepassing.

De opleiding wordt gegeven aan de hand van aan de cursisten ter beschikking gesteld overzichtelijk schriftelijk opleidingsmateriaal van voldoende didactische kwaliteit.

De docenten beschikken voor de onderwerpen die zij tijdens de opleiding behandelen aantoonbaar over ruime theoretische, praktische en didactische kennis of vaardigheden.

De opleidingsinstelling overhandigt de cursist die het examen met goed gevolg heeft afgelegd, een op naam gesteld schriftelijk bewijs, getekend door twee leden van de examencommissie dan wel het hoofd van de opleidingsinstelling.

Vervallen

De opleidingsinstelling voert een deugdelijke administratie waarin de persoonlijke gegevens van de cursist en de datum waarop het schriftelijk bewijs, bedoeld in artikel 1.7 is uitgereikt in ieder geval zijn opgenomen en waarin de periode is bepaald gedurende welke de examenopgaven en de uitwerkingen daarvan worden bewaard.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

De minister of, indien de minister een certificerende instelling als bedoeld in artikel 1.5a van het besluit, heeft aangewezen, die instelling, registreert op passende en inzichtelijke wijze de aanvragen om erkenning van beroepskwalificaties, de controles, bedoeld in artikel 27 van de wet, en de wijze van afhandeling van de aanvragen en controles.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

In het veiligheidsbeheerssysteem, bedoeld in artikel 2.5a, tweede lid, van het besluit komen ten minste de elementen aan de orde, genoemd in bijlage I bij deze regeling.

Het intern noodplan, bedoeld in artikel 2.5c van het besluit, bevat ten minste de gegevens en de beschrijvingen, bedoeld in bijlage II bij deze regeling.

Bij de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onder b, van de wet ondersteunt de bedrijfarts, bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid, van het besluit of de arbodienst de werkgever bij het adequaat begeleiden van werknemers die door ziekte niet in staat zijn om hun arbeid te verrichten teneinde een verantwoorde werkhervatting te bevorderen. Voor het uitvoeren van deze taak legt de bedrijfarts of de arbodienst vast:

Bij de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel c, onder 1°, van de wet legt de bedrijfarts, bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid, van het besluit of de arbodienst vast:

Bij de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, van de wet legt de bedrijfarts, bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid, van het besluit of de arbodienst vast:

Vervallen

Als certificerende instelling als bedoeld in artikel 2.14, eerste en tweede lid, van het besluit kan worden aangewezen een instelling die voldoet aan de criteria, opgenomen in de Regeling Certificatie Arbodiensten, 7e versie, d.d. 1 juli 2008, van de Stichting Beheer Certificatieregeling Arbodiensten.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Een aanwijzing als certificerende instelling als bedoeld in artikel 2.14, eerste lid, van het besluit, kan geschieden indien de aanvragende instelling voldoet aan de criteria zoals vastgelegd in het Werkveldspecifieke document voor Aanwijzing en Toezicht op de certificatieinstellingen belast met persoonscertificatie op het gebied van Arbeids- en Organisatiedeskundige, Arbeidshygiënist en Hogere Veiligheidskundige, document: WDAT-ARBO: 2012, versie 1, zoals opgenomen in bijlage IIa bij de regeling.

Een certificaat van vakbekwaamheid arbeidshygiëne als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van het besluit, wordt door de certificerende instelling afgegeven indien de aanvrager voldoet aan de eisen zoals vastgelegd in het Werkveldspecifiek Certificatieschema voor het persoonscertificaat Arbeidshygiënist, document: WSCS-AH: 2012, versie 1, zoals opgenomen in bijlage IIb bij de regeling.

Een certificaat van vakbekwaamheid veiligheidskunde als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van het besluit, wordt door de certificerende instelling afgegeven indien de aanvrager voldoet aan de eisen zoals vastgelegd in het Werkveldspecifiek Certificatieschema voor het persoonscertificaat Hogere veiligheidskundige, document: WSCS-HVK: 2012, versie 1, zoals opgenomen in bijlage IIc bij de regeling.

Een certificaat van vakbekwaamheid arbeids- en organisatiekunde als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van het besluit, wordt door de certificerende instelling afgegeven indien de aanvrager voldoet aan de eisen zoals vastgelegd in het Werkveldspecifiek Certificatieschema voor het persoonscertificaat Hogere veiligheidskundige, document: WSCS-AO: 2012, versie 1, zoals opgenomen in bijlage IId bij de regeling.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. risico-analyse:

systematisch onderzoek van risico's voor de veiligheid en de gezondheid op basis waarvan een beoordeling van die risico's wordt gemaakt als bedoeld in artikel 5 van de wet;

b.acceptatiecriteria:

de grenzen waarbinnen risico's aanvaardbaar zijn;

c.prestatienormen:

duidelijke en meetbare parameters ten aanzien van die prestaties van een procesinstallatie of componenten daarvan, van apparatuur en van beheerssystemen, die direct bijdragen aan de verwezenlijking van veiligheids- en gezondheidsdoelstellingen;

d. mijnbouwwerk:

een werk als bedoeld in artikel 1, onderdeel n, van de Mijnbouwwet;

e.mijnbouwinstallatie:

een installatie als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, onderdeel f, van het besluit;

f. veiligheids- en gezondheidszorgsysteem:

een systeem als bedoeld in artikel 2.42e van het besluit;

g.veiligheids- en gezondheidsdocument:

een document als bedoeld in artikel 2.42f van het besluit.

Het veiligheids- en gezondheidszorgsysteem is gebaseerd op een procesgerichte internationaal erkende norm voor de beheersing van veiligheid, gezondheid, kwaliteitszorg of milieu.

Het veiligheids- en gezondheidsdocument, bedoeld in artikel 3.6, bevat:

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:

Deze paragraaf is van toepassing op de in artikel 3.5h, eerste lid, van het besluit bedoelde werkzaamheden op K1-, K3-, KT- of T-schepen.

Indien zich bij of als gevolg van het verrichten van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 3.5h, eerste lid, van het besluit gevaarlijke gassen concentreren en deze door onvoldoende luchtbeweging niet snel genoeg worden verdund of afgevoerd, worden maatregelen getroffen om deze concentraties te beperken. Indien dit niet in voldoende mate mogelijk is, worden de tankdeksels gesloten en de desbetreffende werkzaamheden gestaakt.

Tijdens het schoonmaken wordt zo dikwijls als dit nodig is, onderzocht of als gevolg van vrijkomende vloeistoffen, gassen of dampen gevaar voor brand, ontploffing, bedwelming, verstikking of vergiftiging ontstaat.

De artikelen 4.4, vierde lid, en 4.7 zijn niet van toepassing op K3-ruimten buiten de ladingzone op K1-, KT- en T-schepen indien met betrekking tot deze schepen een veiligheids- en gezondheidsverklaring als bedoeld in artikel 4.1, onder t, is afgegeven.

Werk met vuur boven dan wel in een deel van de ladingzone aan een K1- of KT-schip dat niet veilig voor vuur is als bedoeld in artikel 4.10, derde lid, onder c en waarbij in afwijking van artikel 4.9 niet de daartoe vereiste veiligheids- en gezondheidsverklaring is uitgereikt is alleen dan toegestaan indien:

Indien de situaties, bedoeld in de artikelen 4.11 en 4.12, zich voordoen, wordt hiervan melding gedaan aan de daartoe aangewezen toezichthouder vóór de aanvang van de werkzaamheden.

Een certificaat van vakbekwaamheid gasdeskundige als bedoeld in artikel 3.5h, vierde lid, van het besluit wordt door de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, de certificerende instelling, afgegeven indien de aanvrager voldoet aan de eisen, bedoeld in versie 1 van de Regeling SGT ref.nr. SKO/03035/S van de Stichting voor de Certificatie van Vakbekwaamheid SKO, vastgesteld per 19 november 2003.

Vervallen

Een certificaat van vakbekwaamheid springmeester als bedoeld in artikel 4.8, tweede lid, van het besluit wordt door de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, de certificerende instelling, afgegeven indien de aanvrager voldoet aan de eisen, bedoeld in de regeling SPR ref. nr. REG/SPR/20/001 van de Stichting voor certificatie van vakbekwaamheid Hobéon SKO, vastgesteld per 3 juni 2010.

Vervallen

Een certificaat van vakbekwaamheid professioneel vuurwerk als bedoeld in artikel 4.9, tweede lid, van het besluit wordt door de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, de certificerende instelling, afgegeven indien de aanvrager voldoet aan de eisen, bedoeld in het document Certificatie-eisen Vuurwerkdeskundige versie 1 van Kiwa Certificatie en Keuringen N.V, vastgesteld per 14 februari 2002.

Vervallen

Vervallen

Een aanwijzing als certificerende instelling als bedoeld in artikel 4.10, tweede lid, van het besluit, kan geschieden indien de aanvragende instelling voldoet aan de criteria zoals vastgelegd in het Werkveldspecifieke document voor Aanwijzing en Toezicht op de certificatieinstellingen belast met systeemcertificatie op het gebied van Opsporen Conventionele Explosieven, document: WDAT-OCE: 2012, versie 1, zoals opgenomen in bijlage XI bij de regeling.

Een procescertificaat opsporen conventionele explosieven als bedoeld in artikel 4.10, tweede lid, van het besluit, wordt door de certificerende instelling afgegeven indien de aanvrager voldoet aan de eisen zoals vastgelegd in het Werkveldspecifieke certificatieschema voor het systeemcertificaat opsporing conventionele explosieven, document WSCS-OCE: 2012, versie 1, zoals opgenomen in bijlage XII bij de regeling.

Bij de beoordeling van het risico van blootstelling in de individuele ademhalingszone van de werknemer aan gevaarlijke stoffen in combinatie, zoals bedoeld in artikel 4.2, zesde lid, van het besluit, wordt in geval van het risico van blootstelling aan stoffen waarvan bekend is dat deze stoffen hetzelfde gezondheidkundige gevolg hebben op hetzelfde orgaansysteem, bijlage XIIA bij de regeling toegepast.

De resultaten van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van het besluit worden voor elke stof waarvoor overeenkomstig het eerste lid en artikel 4.3, tweede lid, van het besluit een grenswaarde is vastgesteld, getoetst aan die grenswaarde. De toetsing vindt plaats volgens een voor dat doel geschikte genormaliseerde methode.

Als grenswaarde als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, jo. artikel 4.1, tweede lid, onder b, van het besluit, wordt voor lood vastgesteld: 70 µg/100 ml bloed.

Als kankerverwekkende processen, bedoeld in artikel 4.11, onderdeel c, onder 2°, van het besluit worden de processen waarbij de volgende mengsels van stoffen vrijkomen aangewezen:

De metingen, bedoeld in artikel 4.47, derde lid, van het besluit worden overeenkomstig de artikelen 4.22 tot en met 4.26 uitgevoerd.

Monsters worden genomen uit de individuele ademzone van de werknemers, dat wil zeggen binnen een halve bol met een straal van 300 mm frontaal voor het gezicht en gemeten vanaf het midden van een lijn, die de oren verbindt.

Bij monsterneming wordt gebruik gemaakt van:

Telling van de vezels op het filter, bedoeld in artikel 4.24, vindt plaats volgens de onderstaande voorschriften:

Een certificaat kan worden afgegeven indien:

Een aanwijzing als certificerende instelling kan geschieden indien:

Het verstrekken van gegevens en inlichtingen tussen de minister, de toezichthouders, de certificerende instellingen en de Stichting Raad voor Accreditatie, als bedoeld in artikel 1.5e, derde lid, van het besluit, op het werkveld asbest geschiedt overeenkomstig het informatieprotocol zoals opgenomen in bijlage XIIIg bij de regeling.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Met de in de artikelen 4.32a vierde tot en met zesde lid, 4.32b, tweede tot en met vierde lid, 4.32c, tweede en derde lid, 4.32d, tweede lid, 4.32e, derde lid, 4.32f, vierde lid en 4.32g, derde lid, bedoelde producten worden gelijkgesteld producten, die rechtmatig zijn vervaardigd en in de handel zijn gebracht in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel rechtmatig zijn vervaardigd in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, en die voldoen aan eisen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Apparatuur en meubilair, in gebruik bij het verrichten van beeldschermwerk, voldoen in ieder geval aan de volgende voorschriften:

De omgeving waarin het beeldschermwerk wordt verricht en de inrichting van de beeldschermwerkplek voldoen in ieder geval aan de volgende voorschriften:

De programmatuur die wordt gebruikt bij het verrichten van beeldschermwerk voldoet in ieder geval aan de volgende voorschriften:

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Een opleiding als bedoeld in artikel 6.5 leidt ten minste op tot de eindtermen behorende bij de desbetreffende categorie arbeid als duikploegleider, duikarbeid, duikmedische begeleiding respectievelijk uitvoering van onderzoeken als bedoeld in artikel 6.14a, eerste en tweede lid, van het besluit, bedoeld in bijlage XVI bij deze regeling.

Vervallen

Als sportduikbrevet als bedoeld in artikel 6.31, tweede lid, van het besluit wordt aangewezen een geldig brevet NOB**, afgegeven door de Nederlandse onderwatersportbond, dan wel een naar het oordeel van de minister gelijkwaardig brevet.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Als modellen van de certificaten, bedoeld in artikel 7.29, negende lid, van het besluit worden vastgesteld de modellen van de certificaten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van het Verdrag betreffende de arbeidsveiligheid en gezondheid in havenarbeid (1979).

Als model van het register, bedoeld in artikel 7.29, tiende lid, van het besluit wordt vastgesteld het model, bedoeld in artikel 25, tweede lid, van het Verdrag betreffende de arbeidsveiligheid en gezondheid in havenarbeid (1979).

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Veiligheids- of gezondheidssignalering als bedoeld in artikel 8.4 van het besluit voldoet aan de artikelen 8.2 tot en met 8.29.

Voor zover signalering geschiedt door middel van een veiligheidskleur wordt:

Signaleringen die een energiebron behoeven, zijn voorzien van een noodinstallatie voor het geval dat deze energiebron uitvalt, behalve indien het te signaleren gevaar ophoudt te bestaan bij het uitvallen van de energie.

Indien de betrokken werknemers een beperkt gehoor- of gezichtsvermogen hebben, onder meer door het dragen van individuele beschermende uitrusting, dienen adequate aanvullende maatregelen of vervangingsmaatregelen te worden genomen.

De signalering bedoeld in artikel 8.12 wordt aangebracht op de zichtbare zijden in de vorm van hard materiaal, zelfklevend materiaal of verf.

Rekening houdend met de gebruiksomstandigheden veroorzaakt het door een signaal uitgezonden licht een aan de omgeving aangepast lichtcontrast dat niet tot verblinding mag leiden maar voldoende zichtbaar is.

De betrokken personen kennen de gebruikte taal zodanig dat zij de boodschap correct kunnen uitspreken en begrijpen en zich al naar gelang van de boodschap op passende wijze kunnen gedragen op het vlak van de veiligheid of de gezondheid.

De ontvanger van de seinen zet de in uitvoering zijnde transportbeweging stil om nieuwe instructies te vragen, wanneer hij de ontvangen orders niet met de nodige veiligheidsgaranties kan uitvoeren.

De seingever is makkelijk herkenbaar voor de ontvanger van de seinen.

De in bijlage XIX bij deze regeling opgenomen hand- en armseinen, worden gebruikt in de daarbij vermelde situaties, waarbij deze geen afbreuk doen aan het gebruik van andere van toepassing zijnde codes, met name in bepaalde bedrijvigheidssectoren, waarmee dezelfde handelingen worden aangeduid.

De afmetingen van de signalering houden rekening met de afmeting van het gesignaleerde obstakel of de gesignaleerde gevaarlijke plaats.

Als strafbaar feit wordt aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met de voorschriften en verboden welke zijn opgenomen in de artikelen 2.0, 2.0a, 2.0b en 2.0c.

Als overtreding ter zake waarvan een bestuurlijke boete kan worden opgelegd van de eerste categorie, wordt aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met de voorschriften welke zijn opgenomen in de artikelen 3.4, 3.5, 3.11, 3.12, 3.13, 3.14, 4.4, vierde lid, 4.5, 4.9, derde en vierde lid, 4.13, 4.19, tweede lid, 4.20, tweede lid, 4.20a, 4.20b, eerste, derde, vierde en vijfde lid, 4.22 tot en met 4.26, 5.1 tot en met 5.3, 8.2, 8.3, 8.4, derde lid, 8.5 tot en met 8.11, 8.12, eerste en tweede lid, 8.13 tot en met 8.29.

Als overtreding ter zake waarvan een bestuurlijke boete kan worden opgelegd van de tweede categorie, wordt aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met de voorschriften welke zijn opgenomen in de de artikelen 4.3, 4.4, eerste tot en met derde lid, 4.6, 4.7, 4.9, eerste en tweede lid, 4.11 en 4.12.

Vervallen

De afgifte van een certificaat van vakbekwaamheid arbeidshygiëne door de Stichting voor de Certificatie van Vakbekwaamheid SKO in de periode van 1 november 1999 tot 3 november 2006 wordt aangemerkt als de afgifte van een certificaat van vakbekwaamheid arbeidshygiëne als bedoeld in artikel 2.15.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Deze regeling wordt aangehaald als: Arbeidsomstandighedenregeling.

Deze regeling zal met de toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden gepubliceerd.

Vervallen

In het veiligheidsbeheerssysteem, bedoeld in artikel 2.5a, tweede lid, van het besluit komen aan de orde:

Het intern noodplan als bedoeld in artikel 2.5c van het besluit bevat de volgende gegevens en beschrijvingen:

Document: WDAT-ARBO: 2012, versie 1

Onder beheer van:

Stichting Beheer Certificatie Deskundigen (BCD)

Lange Voorhout 14

2514 ED Den Haag

Het verrichten van arbeid is een risicovolle bezigheid. Arbeidshygiëne, arbeids- en organisatiekunde en veiligheidskunde zijn vakgebieden met als doelstelling te adviseren over het reduceren van het risico van arbeid. Om het maatschappelijke belang – veiligheid en gezondheid in verband met de arbeid – te waarborgen, is door de overheid gekozen voor een wettelijk verplichte certificatieregeling van deze drie beroepsactiviteiten. Het certificaat wordt onder deze regeling verstrekt door certificatie-instellingen (CKI’s). Om certificaten te mogen verstrekken dient een CKI hiertoe te worden aangewezen door de minister van SZW. Dit gebeurt door een toetsing aan dit document voor aanwijzing van en toezicht op de certificatie-instellingen voor het certificeren van arbeids- en organisatiedeskundigen, arbeidshygiënisten en veiligheidskundigen (WDAT-ARBO). In dit document is aangegeven aan welke regels en procedures de betreffende CKI’s zich dienen te houden.

In dit schema voor aanwijzing en toezicht (WDAT-ARBO) worden enerzijds de normen vastgelegd waaraan CKI’s dienen te voldoen om aangewezen te worden door de Minister en anderzijds de voorwaarden waarbinnen de aanwijzing plaatsvindt.

Dit WDAT-ARBO is vastgesteld door de Minister van SZW en wordt beheerd door de Stichting Beheer Certificatie Deskundigen (BCD) die ook het certificatieschema voor arbeids- en organisatiedeskundigen, arbeidshygiënisten en veiligheidskundigen beheert. Uitsluitend de versie van het schema waarnaar in de regelgeving wordt verwezen is van kracht.

Daarnaast worden de definities uit de ISO/IEC 17024:2003 en uit de IAF Guidance24:2009 gehanteerd.

Dit document voor aanwijzing van en toezicht op de certificatie-instellingen voor het certificeren van arbeids- en organisatiedeskundigen, arbeidshygiënisten en veiligheidskundigen (WDAT-ARBO) is door de Stichting Beheer Certificatie van Deskundigen (stichting BCD) op advies van het CCvD ARBO voorgesteld en door de Minister van SZW vastgesteld. Dit vastgestelde document vervangt eerdere versies.

Binnen het kader van dit WDA&T zijn actief:

Bij de aanwijzing van een certificatie-instelling (CKI) bestaat het risico dat:

Ad 1

Hierbij gaat het onder meer om zaken als het beschikken over voldoende en voldoende gekwalificeerd personeel, over adequate huisvesting en voldoende procedures en voorzieningen voor wat betreft de omgang met persoonsgegevens, procedures en protocollen voor de uitbesteding van werkzaamheden en de onafhankelijkheid van degenen die bij het proces van toetsing en certificatie zijn betrokken.

Ad 2

Hierbij gaat het onder meer om zaken als onvoldoende periodieke controle van de CKI op de certificaathouder (frequentie, diepgang).

Ad 3

Hierbij gaat het onder meer om het niet adequaat toepassen van de voorgeschreven procedures inzake klachten en herziening. Ook de wijze van toetsing van (kandidaat)certificaathouders en de onafhankelijkheid en de wijze waarop de toetsresultaten zijn vastgelegd is hierbij een aandachtspunt. Verder is hier van belang hoe wordt omgegaan met dossiers van certificaathouders in het geval een CKI beslist de werkzaamheden te beëindigen.

Ad 4

CKI’s voeren een publieke taak uit en het is daarom van belang dat zij zich voldoende verzekeren tegen aansprakelijkheid. Nalatigheid of onjuist handelen kan het vertrouwen in het stelsel van certificatie ondermijnen en leiden tot (imago)schade voor collega CKI’s en SZW.

Ad 5

De eisen in het Schema voor Aanwijzing en Toezicht dienen zodanig te zijn dat deze voldoende handvatten bieden voor tussentijdse controles door bijvoorbeeld de nationale accreditatie-instelling of de Inspectie SZW en voldoende toetsbare bepalingen te bevatten voor SZW om indien nodig sancties aan de CKI op te kunnen leggen.

Ad 6

Hier gaat het om te voorkomen dat een CKI niet zou worden aangewezen, terwijl deze wel aan de criteria voor aanwijzing voldoet (transparantie en kenbaarheid inzake de criteria).

Het beoordelen en aanwijzen van CKI’s voor persooncertificatie vindt plaats op basis van de ISO/IEC 17024:2003, de IAF Guidance24:2009 en de eisen die gesteld worden aan de CKI op grond van aanwijzing. CKI’s die op basis van deze documenten zijn beoordeeld en voldoen, geven voldoende dekking aan de in de risicoanalyse genoemde onderwerpen. Voor de artikelen 4.2.3 en 6.5 uit de norm zijn de beschreven aanvullingen van toepassing.

Een uitwerking van normartikel 4.2.3 van de norm ISO/IEC 17024:2003 leidt tot de volgende aanvullende eisen:

Een uitwerking van normartikel 6.5 van de norm ISO/IEC 17024:2003 leidt tot de volgende aanvullende eis:

De CKI wordt in het kader van haar aanwijzing op grond van de artikelen 1.5a t/m 1.5d Arbobesluit op de volgende criteria getoetst:

In verband met de verplichtingen in het kader van toezicht zijn de volgende artikelen van toepassing; artikelen 1.5b en 1.5c Arbobesluit en artikel 1.1a Arboregeling.

Ten behoeve van de informatieverzameling dient de CKI kosteloos:

Indien de aangewezen instelling niet meer voldoet aan de eisen in dit schema kan dit gevolgen hebben voor de aanwijzing. Zie beleidsmaatregel maatregelenbeleid certificering Arbeidsomstandighedenwet en Warenwet, Stcrt. 2010, nr. 10839 van 14 juli 2010.

Document: WSCS-AH: 2012, versie 1

Onder beheer van:

Stichting Beheer Certificatie Deskundigen (BCD)

Lange Voorhout 14

2514 ED Den Haag

In deze persoonscertificatieregeling voor Arbeidshygiënisten (AH), wordt enerzijds algemene uitgangspunten en bepalingen opgenomen en wordt beschreven binnen welke voorwaarden de afgifte van certificaten dient te gebeuren. Anderzijds worden in het schema de normen vastgelegd waaraan personen dienen te voldoen om een certificaat van vakbekwaamheid te kunnen ontvangen.

Deze certificatieregeling is opgesteld door het betreffende Centraal College van Deskundigen (CCvD ARBO) van de Beheerstichting Certificatie van Deskundigen (stichting BCD). Het schema is door het ministerie van SZW vastgesteld. Pas na vaststelling van deze regeling door de minister van SZW mag de certificatieregeling door de certificatie-instellingen worden toegepast.

De te certificeren deskundige betreft de Arbeidshygiënist. De Arbeidshygiënist houdt zich bezig met het adviseren van werkgevers en medewerkers over hoe problemen in de werkomgeving beheerst kunnen worden, waarbij het doel bescherming van de medewerkers is. Het voorkomen van gezondheidsschade tijdens het werk staat centraal. De Arbeidshygiënist is de aangewezen specialist op het gebied belastende factoren in de werkomgeving die een schadelijke invloed kunnen hebben op de gezondheid van medewerkers (of op het nageslacht van medewerkers). De deskundige adviseert onder meer over blootstelling op de werkplek aan giftige en/of gevaarlijke stoffen, lawaaiige machines, trillend gereedschap, schadelijke straling, schimmels en bacteriën, etc.

De Nederlandse Arbeidsomstandighedenwet vereist certificering voor ‘Arbeidshygiënisten die RI&E toetsen’. Tevens moet een gecertificeerde Arbodienst beschikken over een gecertificeerde arbeidshygiënist. Uit artikel 2.7 lid 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit volgt dat een arbeidshygiënist alleen beschikt over voldoende deskundigheid en ervaring indien hij in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid arbeidshygiëne uitgereikt door een certificerende instelling.

Meer informatie over het vakbekwaamheidsprofiel (competentieprofiel) van de Arbeidshygiënist is terug te vinden in bijlage 6 van dit schema.

Deze certificatieregeling is gestructureerd in overeenstemming met de eisen uit ISO/IEC 17024:2003.

Het verrichten van arbeid is een risicovolle activiteit. Om het maatschappelijke belang – veiligheid en gezondheid van en rondom de arbeid – te waarborgen, is door de overheid gekozen voor een wettelijk verplichte certificatieregeling voor de borging van de vakbekwaamheid van de beroepsgroep AH.

Dit werkveldspecifieke certificatieschema Arbeidshygiënist is door de stichting BCD voorgesteld en door het ministerie van SZW – inclusief eventuele aanpassingen – vastgesteld. De minister van SZW kan ook op eigen initiatief wijzigingen aanbrengen in de vastgestelde documenten. Dit vastgestelde schema vervangt eerdere versies. Op- en of aanmerkingen over de certificatieregeling kunnen worden ingediend bij de stichting BCD.

Binnen het kader van deze certificatieregeling zijn actief:

Het beroepsmatig uitvoeren van werkzaamheden kan op termijn leiden tot gezondheidseffecten zoals psychische en fysieke effecten waaronder ook het overlijden.

Een arbeidshygiënist houdt zich voornamelijk bezig met arbeidsomstandigheden, met als doel deze zo te optimaliseren dat het welzijn en de gezondheid van de werknemers niet in gevaar komt, ofwel: preventie en gezondheid is zijn werkterrein, de bescherming van werknemers en/of omgeving is zijn doel.

Kortdurende afwezigheid van de adviseur kan daarom het niveau van de arbeidsomstandigheden niet aantasten. Dat maakt dat het directe afbreukrisico gering is.

Arbeidshygiëne is de toegepaste wetenschap welke zich richt op het geheel van belastende factoren dat in of door de werksituatie kan ontstaan en dat de gezondheid en/of het welzijn van de werkende mens en/of zijn nageslacht kan beïnvloeden.

Dit reglement omschrijft de procedures die relevant zijn voor het juist toepassen van dit schema. Hierbij moet gedacht worden aan onder meer procedure van aanvraag, de examinering, de wijze waarop de uitslag bekend gemaakt word en condities met betrekking tot de certificatie, de afgifte van certificaten/verklaringen, procedures bij het uitvoeren van toezicht, klachtenafhandeling en het indienen van een verzoek om herziening.

De Arbeidshygiënist, dient in overeenstemming met het certificatieschema Arbeidshygiënist een aanvraag in voor het persoonscertificaat bij een CKI. Vervolgens verstrekt de CKI relevante informatie over de gang van zaken betreffende het gehele certificatieproces.

Het certificatiebesluit wordt genomen door een functionaris van de CKI die niet betrokken is geweest bij de beoordeling van de kandidaat. Deze functionaris is daartoe gekwalificeerd en aangesteld conform het kwaliteitsmanagementsysteem en de procedures die de CKI heeft op grond van het Document voor aanwijzing en toezicht op de certificatie-instellingen voor AH (het WDA&T).

De geldigheidsduur voor een persoonscertificaat volgens het certificatieschema voor de certificatie van AH is vijf jaar.

Met betrekking tot de geldigheid van het certificaat worden condities gesteld. Indien niet voldaan wordt aan deze condities kan dit consequenties hebben voor het certificaat. De condities en de wijze waarop door de CKI toegezien dient te worden, worden opgesteld door de stichting BCD en vastgelegd in het Document voor aanwijzing en toezicht op de certificatie-instellingen voor AH.

Behandelingswijze van klachten van kandidaten en certificaathouders. De klachtenregeling is opgenomen in bijlage 1.

De bezwaarprocedure is opgenomen in bijlage 2.

De CKI registreert de gegevens van de certificaathouder. Deze gegevens worden conform de overeenkomst met de stichting BCD tenminste zo vaak als mutaties zich voordoen elektronisch verzonden aan de stichting ten behoeve van het Certificaatregister van de stichting, dat wordt opgezet conform wettelijke bepalingen. Dit register wordt via internet toegankelijk gemaakt. De stichting BCD is verantwoordelijk voor het beheer van het register.

De stichting BCD dient te zorgen voor eenduidige norminterpretatie van dit certificatieschema. Toch kan het voorkomen dat er in de operationele fase verschillende interpretaties bestaan van één of meerdere gehanteerde begrippen. Mocht het gebeuren dat certificaathouders, CKI’s of andere belanghebbenden uiteenlopende definities hanteren en hierover meningsverschillen bestaan, dan dienen afwijkende interpretaties te worden voorgelegd aan de stichting BCD, die alvorens te antwoorden advies vraagt aan het CCvD ARBO.

Dit reglement bevat bepalingen voor de voorbereiding, uitvoering en beoordeling van examens ten behoeve van het persoonscertificatieschema AH. De CKI beheert de examinatoren-pool. De CKI maken gebruik van deze examinatoren voor het afnemen van examens voor AH certificatie. De examinator legt zich toe op de voorbereiding, uitvoering en beoordeling van examens. De eisen aan de examinatoren zijn in bijlage 3 verwoord, in bijlage 4 staan de exameneisen.

Dit reglement bevat bepalingen voor de voorbereiding, uitvoering en beoordeling van examens ten behoeve van de persoonscertificeringsregeling AH. De examinering geschiedt onder verantwoordelijkheid van de CKI en bestaat uit een schriftelijke en/of mondelinge portfoliobeoordeling.

In het examenreglement van de CKI dienen de volgende zaken opgenomen te zijn:

De examen-pool is een organisatorisch onderdeel van de CKI. De CKI dient zich hierbij te houden aan artikel 4.5 ‘subcontracting’ van ISO/IEC 17024.

Indien gebruik wordt gemaakt van een centrale itembank, dan geschiedt het beheer van de itembank onder strikte geheimhouding door de CKI. De wijze van beheer van de itembank is schriftelijk vastgelegd en aantoonbaar geaccordeerd door het management van de CKI. In de itembank worden de theorievragen inclusief de cesuur opgeslagen welke vooraf zijn opgesteld.

Het doel van het toezicht is om de vakbekwaamheid van gecertificeerd personeel te toetsen. De CKI is verplicht te beoordelen of de certificaathouder voldoet en blijft voldoen aan de gestelde eisen. Gezien de risicoanalyse en het geringe afbreukrisico op de korte termijn voor het bedrijf is de certificatieperiode vastgesteld op vijf jaar. Om dezelfde reden kan normaliter worden volstaan met één tussentijdse controle van alle certificaathouders.

De certificaathouder is verplicht mee te werken aan toezicht door de CKI en, voor zover van toepassing, de nationale accreditatie-instantie en de Inspectie SZW. In de overeenkomst tussen de CKI en de certificaathouder worden de hiertoe benodigde bepalingen opgenomen, waaronder bepalingen ten aanzien van een meer uitgebreide controles door de CKI bij een ad random gekozen deel van de certificaathouders ter verificatie van de aangeleverde gegevens bij de tussentijdse controles.

Het toezicht wordt als volgt uitgevoerd:

De termijn voor het aanleveren van de benodigde documenten bestaande uit de werkgeversverklaring of accountantsverklaring en de deelnamelijst, dienen binnen zes weken te worden overlegd aan de CKI.

De CKI stelt een verslag op van de bevindingen van het toezicht. Het resultaat van het toezicht wordt schriftelijk aan de certificaathouder bekend gemaakt. De certificaathouder kan bezwaar aantekenen tegen maatregelen (zie paragraaf 6.5) die opgelegd kunnen worden naar aanleiding van het toezicht. De CKI behandelt het bezwaar conform haar bezwaarprocedure (bijlage 2).

Een klacht betreffende de certificaathouder wordt bij de CKI ingediend. De CKI behandelt de klacht conform haar klachtenregeling.

Indien blijkt dat een certificaathouder niet voldoet aan de eisen of normen van dit certificatieschema heeft, kan dit leiden tot door de CKI opgelegde maatregelen. Mogelijke maatregelen zijn herstel activiteiten, opvragen van aanvullende/ontbrekende documenten, schorsen, wijzigen ten nadele van de certificaathouder of het intrekken van het certificaat.

Criteria

Ontbrekende documenten worden opgevraagd als de werkgeversverklaring of accountantsverklaring en/of de deelnamelijsten ontbreken (zie paragraaf 6.2).

Schorsen van het certificaat vindt in ieder geval plaats indien de werkervaring aantoonbaar minder is als twee dagdelen gemiddeld per week en het voor de certificaathouder mogelijk is binnen een half jaar dit alsnog aan te tonen.

Intrekken van het certificaat vindt in ieder geval plaats indien de werkervaring aantoonbaar minder is als twee dagdelen gemiddeld per week en/of deelname aan de ICT-groep niet is aangetoond.

Nadere eisen stellen, schorsen of intrekken van het certificaat kan geschieden wanneer de kandidaat niet voldoet aan die gestelde eisen van het schema Arbeidshygiënist of wanneer de CKI hiervoor een gegronde reden heeft. Een certificaat kan ook worden ingetrokken bij fraude, overlijden of op eigen verzoek van de certificaathouder.

Indien er sprake is van maatregel wordt dit aan de certificaathouder kenbaar gemaakt. Bij het opleggen van een maatregel dient de CKI aan te geven binnen welke periode de maatregel moet zijn uitgevoerd. De CKI controleert daarop de uitvoering. Schorsen en intrekken dienen door de CKI ingebracht te worden in een centraal registratiesysteem. Tevens dient de Inspectie SZW hiervan in kennis gesteld te worden.

Indien een certificaathouder na een intrekking opnieuw gecertificeerd wil worden dient dezelfde procedure doorlopen te worden als bij initiële certificatie. Opnieuw certificeren na een intrekking kan pas na een jaar na de datum van intrekking. De CKI dient voor verstrekking van een certificaat bij het centraal registratiesysteem te verifiëren of er geen sprake is van een intrekking met de daaraan gekoppelde wachtperiode.

Dit werkveldspecifieke certificatieschema voor personen is door het CCvD ARBO van de stichting BCD opgesteld. Het betreft certificatie van vakbekwaamheid op het gebied van de Arbeidshygiënist. Door het Ministerie van SZW is deze certificatieregeling vastgesteld middels een statische verwijzing in de Arboregeling. Deze vastgestelde regeling vervangt daarmee eerdere versies.

Het onderwerp (de scope) van dit certificatieschema betreft de competenties A tot en met J in het competentieprofiel van de Arbeidshygiënist, zoals beschreven in hoofdstuk 3 van bijlage 6 bij dit document. Voor het aantonen van de competenties wordt een portfolio opgesteld door de aanvrager van de (her)certificatie.

Alvorens de CKI overgaat tot het uitvoeren van het certificatieonderzoek van het wettelijk verplichte persoonscertificaat Arbeidshygiënist, dient de kandidaat te voldoen aan de hierna beschreven entreecriteria:

Ad. 1

De aanvraag moet aan de volgende eisen voldoen:

De CKI controleert of de aanvraag voldoet aan de bovenstaande eisen, wanneer dit niet het geval is wordt er met de aanvrager contact opgenomen.

Ad. 2

De aanvrager kan hiervoor één van de volgende documenten aanleveren:

De CKI controleert of de aanvraag voldoet aan de bovenstaande eisen, wanneer dit niet het geval is wordt er met de aanvrager contact opgenomen.

Ad. 3

De aanvrager dient hiervoor het volgende document te overhandigen:

Kandidaten die al in het bezit zijn van een diploma beroepsopleiding kunnen gebruik maken van de overgangsregeling.

In het geval de kandidaat een niet toegelaten beroeps opleiding heeft gevolgd biedt de CKI de mogelijkheid om een onderzoek te verrichten waaruit al dan niet de gelijkwaardigheid van de beroepsopleiding blijkt. Wanneer hiervan sprake is dan wordt het diploma als gelijkwaardig gesteld aan een door de CKI toegelaten opleiding. De kosten van dit onderzoek zijn voor rekening van de kandidaat.

In het geval de kandidaat beschikt over een diploma van een beroepsopleiding buiten de EU dan is het aan de kandidaat om een portfolio aan te maken en het portfoliotraject te doorlopen. Na vijf jaar kan de kandidaat deelnemen aan de portfolio beoordeling, zoals bij hercertificatie het geval is. Bij een positief oordeel kan dan tot initiële certificering door de CKI worden overgegaan. De CKI controleert of de aanvraag voldoet aan de bovenstaande eisen, wanneer dit niet het geval is wordt er met de aanvrager contact opgenomen.

Ad. 4

De aanvrager kan hiervoor één van de volgende documenten aanleveren:

De CKI controleert of de aanvraag voldoet aan de bovenstaande eisen, wanneer dit niet het geval is wordt er met de aanvrager contact opgenomen.

Ad. 5

De aanvrager dient hiervoor het volgende document te overhandigen:

De CKI bekijkt of alle bewijsstukken zijn overlegd en stuurt hiervan een ontvangstbevestiging naar de kandidaat. Wanneer de kandidaat aan de bovenstaande entreecriteria heeft voldaan, dan wordt de aanvraag in behandeling genomen, zie hoofdstuk 10, waarna de examinator de inhoudelijke check van de bewijsstukken verricht.

NB. De opbouw van het portfolio is niet gebonden aan een opleidingsinstelling of een CKI.

Omwille van de leesbaarheid van dit certificatieschema is het competentieprofiel van de Arbeidshygiënist opgenomen als bijlage 6 bij dit document.

De aanvrager heeft aan de entreecriteria van hoofdstuk 8 voldaan. Daarna volgt de vakinhoudelijke toets welke wordt verricht door de examinator en onderstaand is beschreven.

Ad. 1

De examinator bekijkt of de scope van de aanvraag valt onder de regeling van de Arbeidshygiënisten. Wanneer dit niet het geval is, dan wordt de aanvraag niet verder in behandeling genomen. De examinator stelt de CKI hiervan op de hoogte. De CKI stelt de aanvrager hiervan schriftelijk op de hoogte ook voor wat betreft de verdere afhandeling van de aanvraag.

Ad. 2

De examinator gaat na of:

Wanneer één van de bovenstaande punten niet in orde is, dan wordt de aanvrager (via de CKI) in de gelegenheid gesteld om dit binnen zes weken alsnog aan te vullen. Indien de aanvrager hierop niet reageert dan wordt de aanvraag door de CKI afgewezen. De aanvrager heeft dan de mogelijkheid om een nieuwe aanvraag voor certificatie in te dienen bij de CKI.

Ad. 3

De examinator bekijkt of:

Wanneer één van de bovenstaande punten niet in orde is, dan wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld om dit binnen zes weken alsnog aan te vullen. Indien de aanvrager hierop niet reageert dan wordt de aanvraag door de CKI afgewezen. De aanvrager heeft dan de mogelijkheid om een nieuwe aanvraag voor certificatie in te dienen bij de CKI.

Ad. 4

De werkervaring van de Arbeidshygiënist toont aan dat hij in staat is competenties zelfstandig in de praktijk toe te passen. Met betrekking tot de opgedane werkervaring bekijkt de examinator:

Wanneer één van de bovenstaande punten niet in orde is, dan wordt de kandidaat (via de CKI) in de gelegenheid gesteld om dit binnen 14 dagen alsnog aan te vullen. Indien de kandidaat hierop niet reageert dan wordt de aanvraag door de CKI afgewezen. De aanvrager heeft dan de mogelijkheid om een nieuwe aanvraag voor certificatie in te dienen bij de CKI.

Ad. 5

De examinator beoordeelt het portfolio als voorbereiding op het afnemen van het examen bij de toegelaten beroepsopleiding. Het portfolio bestaat uit een beschrijving van tenminste twee van de volgende vijf kerntaken:

Bij iedere kerntaak wordt aangegeven welke competenties hieraan zijn gekoppeld. Bestaande uit één algemeen en één beroeps specifieke competentie. Hiervoor wordt verwezen naar het competentieprofiel arbeidshygiënisten welke terug is te vinden in bijlage 6 van deze regeling.

Bij iedere kerntaak wordt weergegeven welke kennis (uit bijvoorbeeld boeken, internet, rapporten, werkinstructies) als achtergrond voor de uitoefening van deze kerntaak is gebruikt ter onderbouwing. Wenselijk is dat er bij een kerntaak een beschrijving wordt gegeven van bijvoorbeeld een boek, rapport, publicatie met waar nodig verwijzing waarvan gebruik is gemaakt voor de uitoefening van deze taak.

Tijdens de initiële opleiding worden de vier kerntaken uitgewerkt binnen de afstudeeropdracht, die in een ICT-groep zijn besproken. Hieruit worden er dus de bijbehorende competenties, vier leervragen, vier verbeter en ontwikkelvoorstellen en vier verbeteracties beschreven. Deze punten kunnen overlappend zijn.

Ontbrekende informatie in het portfolio wordt via de CKI bij de kandidaat opgevraagd. De ontbrekende informatie moet tijdig (ten minste twee weken voor datum examen) worden aangeleverd zodat de examinator nog voldoende tijd heeft voor een beoordeling. Indien de kandidaat hierop niet reageert dan wordt de aanvraag door de CKI afgewezen. De kandidaat wordt hiervan schriftelijk door de CKI op de hoogte gesteld. De aanvrager heeft dan de mogelijkheid om een nieuwe aanvraag voor certificatie in te dienen bij de CKI.

De toets is bedoelt om de wijze waarop de Arbeidshygiënist werkt aan zijn professionele ontwikkeling te toetsen. De toets wordt mondeling afgenomen door één examinator op basis van het portfolio van de kandidaat. Vooraf wordt aan de kandidaat kenbaar gemaakt wat de duur zal zijn van het examen en op welke wijze het examen zal worden afgenomen. De basis voor de toets is de door de Arbeidshygiënist ingevulde kerntaak-competentie-matrix. De kerntaak-competentie-matrix koppelt kerntaken en competenties aan elkaar. De Arbeidshygiënist geeft zelf aan welke competenties hij bij welke kerntaak heeft, of wil ontwikkelen. Dit geeft belangrijke informatie voor de toetsing. Het maakt inzichtelijk welke competentie in welke kerntaak kan worden getoetst. De kerntaak-competentie-matrix bestaat uit 5 kerntaken en 10 competenties:

Met bovenstaande kerntaak-competentie-matrix stelt de Arbeidshygiënist een profiel samen dat past bij zijn eigen invulling van het vak. Er wordt onderscheid gemaakt tussen een profiel dat de situatie bij de initiële certificering of aan het begin van een nieuwe certificeringperiode weergeeft (de initiële matrix) en een profiel dat weergeeft op welke aspecten de deskundige zich verder wil ontwikkelen of zich heeft ontwikkeld tijdens de achterliggende certificeringperiode (de ontwikkelmatrix).

De initiële matrix wordt ingevuld bij de initiële certificering en aan het begin van een nieuwe certificeringperiode. De Arbeidshygiënist geeft op elke kerntaak aan over welke competenties hij beschikt. Dat dient minimaal één algemene en één beroepsspecifieke competentie te zijn. In de ontwikkelmatrix geeft de deskundige aan welke competenties hij wil ontwikkelen. Dit kan een nieuwe competentie zijn, of een verbetering van een bestaande competentie. Gedurende de certificeringperiode van vijf jaar illustreert de deskundige zijn ontwikkeling aan de hand van 4 cases. Per casus benoemt hij ten minste 3 competenties binnen de kerntaak waar de casus betrekking op heeft. De ontwikkelmatrix bevat minimaal twaalf kruisjes waarvan er 4 gekoppeld zijn aan de ingebrachte cases. Deze ontwikkelcompetenties worden in het verslag uitgewerkt in leervragen, een verbetervoorstel en een verbeteractie. In totaal dus 4 verslagen met 4 ontwikkel punten over 5 jaar.

Tijdens de toets verdedigd de Arbeidshygiënist dit portfolio. De examinator stelt een verslag op van de toetsing van het portfolio. Op basis van dit verslag brengt de examinator een advies uit. Het verslag en het advies worden aan de CKI toegezonden.

Vijf jaar na (her)certificatie vervalt het certificaat en moet de aanvrager aantonen aan de (her)certificatie eisen te voldoen. Ook nu volgt er een vakinhoudelijke toets welke wordt verricht door de examinator en onderstaand is beschreven:

De CKI controleert of de bovengenoemde documenten aanwezig zijn volgens hoofdstuk 8, voor zover van toepassing.

Ad. 1

De examinator bekijkt of de scope van de aanvraag valt onder de regeling van de arbeidshygiënisten. Wanneer dit niet het geval is, dan wordt de aanvraag niet verder in behandeling genomen. De examinator stelt de CKI hiervan op de hoogte en geeft aan onder welke regeling de aanvraag dan wel valt. De CKI stelt de aanvrager hiervan schriftelijk op de hoogte ook voor wat betreft de verdere afhandeling van de aanvraag.

Ad. 2

De examinator bekijkt of:

Wanneer één van de bovenstaande punten niet in orde is, dan wordt de arbeidshygiënist (via de CKI) in de gelegenheid gesteld om dit binnen zes weken alsnog aan te vullen. Indien de arbeidshygiënist hierop niet reageert dan wordt de aanvraag door de CKI afgewezen. De arbeidshygiënist heeft dan de mogelijkheid om een nieuwe aanvraag voor certificatie in te dienen bij de CKI.

Ad. 3

De examinator kijkt naar de inhoud van het portfolio. Het portfolio bestaat na vijf jaar uit: Een beschrijving van de volgende vijf kerntaken:

Bij iedere kerntaak wordt aangegeven welke competenties hieraan zijn gekoppeld. Bestaande uit één algemeen en één beroeps specifieke competentie. Hiervoor wordt verwezen naar het competentieprofiel arbeidshygiënisten welke terug is te vinden in bijlage 6 van deze regeling.

Bij iedere kerntaak wordt weergegeven welke kennis (uit bijvoorbeeld boeken, internet, rapporten, werkinstructies) als achtergrond voor de uitoefening van deze kerntaak is gebruikt ter onderbouwing. Wenselijk is dat er bij een kerntaak een beschrijving wordt gegeven van relevante informatie (bijvoorbeeld een boek, rapport, publicatie, met waar nodig verwijzing), waarvan gebruik is gemaakt voor de uitoefening van deze taak.

Minimaal vier cases kort uitgewerkt in een verslag, die in een ICT-groep zijn besproken. Hieruit worden er dus de bijbehorende competenties, vier leervragen, vier verbeter- en ontwikkelvoorstellen en vier verbeteracties beschreven. Deze punten kunnen overlappen zijn.

Wanneer het portfolio compleet is en de aanvrager heeft voldaan aan de bovenstaande criteria, dan mag de arbeidshygiënist deelnemen aan de toets (overhoring van het portfolio). De Arbeidshygiënist wordt hiervan schriftelijk door de CKI op de hoogte gesteld.

Wanneer het portfolio niet in orde is, dan wordt de arbeidshygiënist in de gelegenheid gesteld om dit binnen zes weken alsnog aan te vullen. Indien de arbeidshygiënist hierop niet reageert dan wordt de aanvraag door de CKI afgewezen. De arbeidshygiënist wordt hiervan schriftelijk door de CKI op de hoogte gesteld. De arbeidshygiënist heeft dan de mogelijkheid om een nieuwe aanvraag voor certificatie in te dienen bij de CKI.

Ad. 4

Certificaathouders tonen aan dat zij kennis van het vak bijhouden (bij- en nascholing) door bijvoorbeeld het schrijven van een artikel binnen de ict-groep of het vervullen van een bestuursfunctie binnen het vakgebied.

Er is één examinator die een mondeling examen afneemt op basis van het portfolio van de arbeidshygiënist. De examinator stelt een verslag op van de toetsing van het portfolio. Op basis van dit verslag brengt de examinator een advies uit. Het verslag en het advies worden aan de CKI toegezonden.

Indien het proces met één examinator niet goed functioneert worden er twee examinatoren ingezet tijdens examens.

Voor meer informatie inzake de toetsingsprocedure wordt verwezen naar het examenreglement en het Competentie profiel Arbeidshygiënisten paragraaf 4.2.

De volgende gegevens worden (minimaal) op het certificaat vermeld:

Gedurende de looptijd gelden de volgende condities waar de certificaathouder zich aan moet houden. Indien niet voldaan wordt aan deze condities kan dit consequenties hebben voor het certificaat (zie maatregelenbeleid).

Het bovenstaande moet zijn opgenomen in de certificatieovereenkomst welke door de certificaathouder is ondertekend.

Een adequate behandeling van klachten is belangrijk voor het creëren van vertrouwen in certificatie en belangrijk voor de bescherming van zowel de certificaathouders als de gebruikers van certificaten.

Aan een CKI worden onder meer de volgende eisen gesteld:

Indien de CKI klachten van derden, zoals een opdrachtgever, ontvangt over het voldoen aan dit schema door het bedrijf of de persoon die een aanvraag voor het certificaat heeft ingediend of certificaathouder is, dient de CKI de klager te verwijzen naar het bedrijf of de persoon. De CKI dient de klacht te betrekken bij de eerstvolgende beoordeling bij het betreffende bedrijf of de betreffende persoon.

Echter, indien het naar de mening van de CKI een ernstige klacht betreft, dient de CKI, naast de behandeling door het bedrijf of de persoon, zelf ook direct te beoordelen of de klacht gevolgen dient te hebben voor de beslissing m.b.t. certificatie.

In dat geval dient de CKI af te wegen of het gewenst is een extra beoordeling uit te voeren. De kosten van deze extra beoordeling komen in beginsel voor rekening van de certificaathouder.

Inleiding

In deze werkinstructie wordt de afhandeling van een klacht besproken. Voor iedere afzonderlijke klacht wordt een apart klachtenformulier ingevuld.

Werkwijze

Wanneer iemand probeert een klacht telefonisch of mondeling te melden, wordt aan hem/haar gevraagd deze schriftelijk te verwoorden. Als een klacht schriftelijk binnenkomt wordt deze meteen naar de kwaliteitsmanager gebracht en indien de klachtafhandelaar duidelijk is krijgt hij/zij meteen een kopie van de klacht.

De kwaliteitsmanager registreert de klacht op een klachtenformulier en stelt de directeur CKI op de hoogte van de klacht. De directeur van de CKI wijst de klachtafhandelaar aan. De kwaliteitsmanager vermeldt de klachtafhandelaar op het klachtenformulier en brengt de klachtafhandelaar schriftelijk op de hoogte van de klacht. De klachtafhandelaar informeert de indiener van de klacht schriftelijk over de ontvangst van de klacht.

Eenvoudige zaken

Klachtafhandelaar stuurt klacht door naar betrokken bedrijf/persoon; stelt indiener op de hoogte legt dossier aan tbv voortgangsbewaking en meenemen afhandeling klacht door bedrijf/persoon bij eerstvolgende beoordeling.

Ernstige klachten

Klachtafhandelaar beoordeelt de klacht en stelt vast of de klacht een incident betreft of dat de klacht moet leiden tot een aanpassing in de werkwijze.

Indien het een incident betreft, wordt de indiener daarvan op de hoogte gesteld. De klachtafhandelaar bedenkt samen met de indiener binnen drie weken na het indienen van de klacht een oplossing voor de afhandeling en betrekt bedrijf/persoon hierbij.

De oplossing zoals die met de indiener is besproken wordt vastgelegd op het klachtenformulier. Hier wordt tevens vermeld dat het gaat om een incident.

Indien de klacht een aanpassing van de werkwijze vergt bedenkt de klachtafhandelaar binnen 10 dagen een verbetervoorstel en bespreekt dit met de kwaliteitsmanager en betrekt bedrijf/persoon hierbij. Het verbetervoorstel moet een structurele verbetering inhouden van de werkwijze. Het verbetervoorstel wordt ingevuld op het klachtenformulier.

De klachtafhandelaar stelt de indiener op de hoogte van de afhandeling van de klacht.

De kwaliteitsmanager maakt de gewijzigde werkwijze bekend.

De kwaliteitsmanager start, indien nodig, een vervolgonderzoek naar de invoering van het verbetervoorstel. De bevindingen worden vastgelegd op het klachtenformulier. Het klachtenformulier wordt gearchiveerd.

Onderstaand worden de stappen beschreven die nodig zijn voor het afhandelen van een bezwaarschrift. Een dergelijk bezwaarschrift kan bijvoorbeeld ingediend worden tegen besluiten van de CKI inzake het niet (opnieuw) verlenen, schorsen of intrekken van een certificaat.

Algemeen:

Het bezwaar wordt niet-ontvankelijk verklaard:

Het examenpersoneel (examinatoren) heeft als doel de deskundigen te examineren bij initiële certificering en bij hercertificatie. Het examenpersoneel bestaat uit alle examinatoren die voor dit doel zijn aangewezen door de stichting BCD op voordracht van de beroepsverenigingen. Het examenpersoneel kiest uit de groep een vertegenwoordiger welke aanwezig is tijdens de vergaderingen van het Centraal College van Deskundigen ARBO ter advisering. Het examenpersoneel vormt het examenbureau. Het examenbureau is onafhankelijk van de beroepsverenigingen en opereert onder de verantwoording van de stichting BCD.

Examenpersoneel moet voldoen aan de volgende algemene, vakinhoudelijke en onafhankelijkheidseisen:

Examinatoren die voldoen aan de bovenstaande eisen kunnen door de CKI worden benoemd en worden ingezet voor het afnemen van examens.

Tweemaal per jaar is er een bijeenkomst voor examinatoren. De examinator is verplicht minimaal één bijeenkomst bij te wonen. In uitzonderlijke gevallen kan de stichting BCD hiervoor uitstel verlenen. De bijeenkomsten worden georganiseerd door de stichting BCD en de daartoe aangewezen CKI. Tijdens de bijeenkomsten worden de logboeken van de examinatoren, op compleetheid getoetst en besproken waarna eventuele verbeter en ontwikkelvoorstellen worden opgesteld.

Medewerkers van de CKI (inclusief de examinatoren) dragen zorg voor de absolute geheimhouding van de examenopgaven, voor zover deze opgaven geen onderdeel uitmaken van een publieke norm. Medewerkers van de CKI hebben een verklaring van geheimhouding ondertekend.

Te stellen eisen aan de examenlocatie zijn:

Te stellen eisen aan de examenmiddelen zijn:

Te stellen eisen aan het portfolio-examen zijn:

Uitgangspunt is dat een portfolio-examen bij voorkeur in de Nederlandse taal wordt afgenomen.

Dit competentieprofiel voor de Arbeidshygiënisten is opgesteld om de inhoud van het beroep Arbeids hygiënisten vast te leggen. Het beroep wordt omschreven in kerntaken en competenties. Op deze manier is het competentieprofiel een instrument voor het meten van het vakmanschap. Daarnaast is het profiel het uitgangspunt voor de eisen die worden gesteld aan de te certificeren beroepsbeoefenaar. Het competentieprofiel is onderdeel van het certificeringssysteem dat moet resulteren in het certificaat voor de Arbeidshygiënisten volgens de Arbeidsomstandighedenwet. Dit competentieprofiel is bedoeld als basis voor de certificatie van deskundigen en niet voor het vormgeven van opleidingen. Dat is een belangrijk verschil met een profiel zoals dat gebruikt wordt bij opleidingsinstituten. De beschrijving van het beroep is gebaseerd op opgedane ervaring en vakmanschap van professionals en niet op pas afgestudeerde deskundigen. Het proces dat de beroepsbeoefenaar doorloopt is richtinggevend bij deze beschrijving.

In dit document is een kerntaak-competentie-matrix opgenomen (hoofdstuk 4). Deze matrix geeft weer welke competenties ingezet worden bij de uitvoering van de deelprocessen van een kerntaak. Op basis van hoofdzakelijk deze kerntaak-competentie-matrix, worden de toetsingscriteria opgesteld. Deze criteria stelt het Centraal College van Deskundigen (CCvD) vast. Mede aan de hand van de mate waarin aan deze criteria wordt voldoen, verstrekt of verlengt de certificatiecommissie en de certificerende instelling(en) al dan niet een persoonscertificaat. Daarnaast kunnen opleidingsinstellingen het competentieprofiel en de toetsingscriteria gebruiken als uitgangspunt voor het optimaal laten aansluiten van hun opleiding op het certificeringsysteem van de Stichting Beheer Certificatie Deskundigen (Stichting BCD). Waar in dit document de mannelijke verwijzing wordt gehanteerd kan, waar van toepassing, ook de vrouwelijke vorm worden gelezen.

Dit document bestaat uit vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 beschrijft het beroep. Hoofdstuk 2 beschrijft de kerntaken die de beroepsbeoefenaar uitvoert. Hoofdstuk 3 beschrijft de algemene en beroepsspecifieke competenties. Hoofdstuk 4 maakt inzichtelijk welke competenties ingezet worden bij de uitvoering van een kerntaak.

Het beroep ‘Arbeidshygiënist’ is een van de vier in Nederland bij wet erkende kerndeskundigen op het terrein van de arbeidsomstandigheden. De Arbeidshygiënist levert een bijdrage aan de instandhouding van de maatschappelijke productiefactor ‘arbeid’ van mensen op korte èn lange termijn.

De ‘Arbeidshygiënist’ houdt zich bezig met het adviseren op het brede terrein van gezondheid en duurzame inzetbaarheid in arbeidsorganisaties èn het optimaliseren van arbeidsomstandighedenzorg.

De Arbeidshygiënist is de specialist bij uitstek op het terrein van De Arbeidshygiënist ontwikkelt continu zijn vak en vaardigheden, werkt samen, verbindt en integreert kennis van oorzaken, gevolgen en oplossingen en beoefent zijn vak op ondernemende wijze.

De Nederlandse arbeidsomstandighedenwet vereist certificering voor ‘arbeidshygiënisten die RI&E toetsen’. Tevens moet een gecertificeerde Arbodienst beschikken over een gecertificeerde arbeidshygiënist, vandaar soms de terminologie Register Arbeidshygiënist. Een arbeidshygiënist is een deskundige op het terrein van risicobeoordeling en risicobeheersing van de gezonde werkomgeving ten aanzien van de chemische, fysische, biologische en fysieke werkplekfactoren conform artikel 2.7 van het Arbeidsomstandighedenbesluit en hij is in het bezit van een certificaat van vakbekwaamheid arbeidshygiënisten.

De Arbeidshygiënist heeft de kerntaken 1 t/m 3 en beroepscompetenties A t/m J gemeen met de andere gecertificeerde niet-medische arbodeskundigen (Arbeids- en Organisatiedeskundige, Hogere Veiligheidskundige). De Arbeidshygiënist onderscheidt zich van andere gecertificeerde niet-medische arbodeskundigen (Arbeids- en Organisatiedeskundige, Hogere Veiligheidskundige) in de kerntaken 4 en 5 en in een of meerdere specialisaties in het onderzoeken en/of adviseren op het gebied van een gezonde werkomgeving.

Het beroep wordt beschreven in vijf kerntaken die samen het gehele beroep omvatten. Hierbij:

Beroepsuitoefenaars kunnen zich daar in meerdere of mindere mate in specialiseren.

In het beroep van Arbeidshygiënisten kan onderscheid gemaakt worden tussen algemene competenties – die in veel beroepen terug te vinden zijn – en beroepsspecifieke competenties. De algemene competenties zijn beschreven in paragraaf 3.1 en de beroepsspecifieke competenties zijn beschreven in paragraaf 3.2. De gebruikte aanduidingen zijn dezelfde als die in de kerntaak-competentie matrices in hoofdstuk 4.

De opleidingsinstituten kunnen toegelaten worden door een beoordeling van een daartoe door de stichting BCD aangewezen CKI. Een toegelaten opleiding voldoet aan de eisen die in het document ‘toelaten van opleidingen’ gesteld worden. Het CCvD zal de huidige documenten van Hobéon SKO en KIWA in 2012 bijstellen en verbeteren. Tot de bijgestelde documenten gepubliceerd en goedgekeurd door de stichting BCD blijven de oude documenten in gebruik. De documenten zijn te vinden op de website van de stichting BCD.

Per 1 april 2012 wordt er op de nieuwe manier van – het vastgestelde niveau (zie hiervor het Competentie profile Arbeidshygiënisten) (portfolio-cyclus) gewerkt. Dit betekent voor certificatie-aanvragers die de opleiding reeds hebben afgerond dat zij nog initieel gecertificeerd kunnen worden op de ‘oude’ manier en daarna de portfolio-cyclus voor hercertificatie ingaan.

Certificaathouders die hun hercertificering doen worden op de ‘oude’ manier gehercertificeerd tot het jaar 2016 en gaan dan ook de portfolio-cyclus in. Certificaathouders waarvan het certificaat nog geldig is, kunnen ervoor kiezen hun cyclus af te maken en worden dan nog op de ‘oude’ manier gehercertificeerd. Ze kunnen ook vervroegd de portfolio-cyclus ingaan. Dat wil zeggen dat zij voor de reeds verlopen certificatietermijn de ‘oude’ hercertificatie-eisen aantonen, waarna zij de portfolio-cyclus van 5 jaar ingaan. Zij krijgen korting op hun aanvraag hercertificatie gerelateerd aan de nog niet verlopen certificatietermijn.

verslag assessment

Naam examinandus:

Certificatieschema:

Datum examen:

Plaats examen:

Naam examinator:

Naam document:

Artikel:

Vraag:

Beoordelingscriteria:

(welke (ant)woorden zijn goed/fout,

vragen, kennisvragen, enz.)

Antwoord examinandus:

Beoordeling:

Naam document:

Artikel:

Vraag:

Beoordelingscriteria:

(welke (ant)woorden zijn goed/fout,

vragen, kennisvragen, enz.)

Antwoord examinandus:

Beoordeling:

Eindbeoordeling:

(minimaal <invoegen> van de vragen goed beantwoord)

De kerndeskundige is een vak dat onder de Arbeidshygiënisten valt, hij kan zijn vak op verschillende manieren invullen. Bij iedere certificatieaanvraag en hercertificering dienen de competenties op basis van het niveau zoals omschreven in hoofdstuk 2 t/m hoofdstuk 4 van het Competentie profiel Arbeidshygiënisten te worden aangetoond. Daarnaast zijn er diverse specialisaties mogelijk zoals kennisspecialisatie, taakspecialisatie en branchespecialisatie. De hierna genoemde specialisaties zijn geen verplicht onderdeel van dit certificatieschema arbeidshygiënisten. De kerndeskundige is vrij om zich te specialiseren in deze diverse specialisaties. De basis van het vak is beschreven in de vijf kerntaken in hoofdstuk 2 van het competentieprofiel. Dit deel gaat in op de specialisaties van de kerndeskundige.

Het vak van de kerndeskundige is een kunde, ofwel een toepassing van wetenschap en wetenschappelijke beargumentering. In het geval van de arbodeskundige is het een samengesteld vak uit verschillende wetenschappelijke gebieden. De kerndeskundige Arbeidshygiënist heeft als kenmerk dat hij na een gevolgde hbo/wo-opleiding of dagopleiding ‘Arbeidshygiëne op HBO/WO-niveau, een kopopleiding heeft doorlopen en afgerond. De arbeidshygiënist heeft in elk geval een natuurwetenschappelijke achtergrond op HBO+ niveau. Dit komt overeen met (minimaal) een bachelor in de natuurwetenschappen (bachelor of science, BSc). Bij sommige opleidingen wordt pas voldaan aan de minimum eis voor certificering in een afgeronde academische pleiding. Die komt dan overeen met een master in de natuurwetenschappen (master of science, MSc).

De kopopleiding moet voldaan aan de stand der wetenschap. Met het volgen van de kopopleiding wordt door het curriculum bepaald wat de basiscompetenties van de kerndeskundige zijn. Dit is het horizontale deel van het zogenaamde T-profiel.

Als basisattitude kenmerkt een arbeidshygiënist zich door pro-activiteit en preventiegerichtheid, door haar/zijn objectieve, onafhankelijke en zelfstandige beoordeling met gevoel voor verhoudingen en mogelijkheden. Zij/hij streeft altijd naar goede en uitvoerbare adviezen over gezonde werkplekken. De kopopleiding geeft zowel basis als gevorderde kennis, vaardigheden en werkt aan een gevorderde attitude. Dit wordt tijdens de opleiding weergegeven in een portfolio en aan het einde van de opleiding geëxamineerd. Het examen is competentiegericht. Dit wil zeggen dat het portfolio beoordeeld en getoetst wordt op essentiële kennis en vaardigheden zoals omschreven in hoofdstuk 2 t/m hoofdstuk 4 van het Competentie profiel Arbeidshygiënisten.

Na het volgen van de kopopleiding specialiseert de kerndeskundige zich in de praktijk. Een kerndeskundige kan zich specialiseren in één of meerdere richtingen. De specialisatie vormt de poot van de T (specialist of super specialist) of de poten van de Pi of M (meerdere specialisaties) zoals onderstaand afgebeeld. Hoe langer de poot, hoe gespecialiseerder de kerndeskundige.

De initiële of eerste certificering is vooral gericht op de generalist als beginner. Hier worden de basisvaardigheden getoetst. De opleidingen hebben hier een passende methodiek voor. De inhoud volgt de eisen die in de arbeidsomstandighedenwetgeving zijn vastgelegd en die zijn uitgewerkt in het competentieprofiel.

De hercertificering moet meer tegemoet komen aan de profilering van de kerndeskundige. De specialisaties moeten hierin uitgelicht worden. Voor een kandidaat die gecertificeerd is op basis van een BSc, bestaat de mogelijkheid om zich te specialiseren door het behalen van een MSc. Een voorbeeld van het ontwikkelen van een superspecialisme is een promotietraject dat wordt afgesloten met het behalen van een PhD.

In het competentieprofiel Arbeidshygiënisten worden vijf kerntaken benoemd die in ieder geval uitgevoerd moeten worden. Hierin kan met verschillende competenties gewerkt worden.

De Arbeidshygiënist houdt zich vooral bezig met arbeidsomstandigheden binnen een organisatie. De Arbeidshygiënist kan werkgevers en werknemers adviseren over mogelijke problemen in de werkomgeving beheerst kunnen worden waarbij het doel bescherming van medewerkers is.

In het competentieprofiel Arbeidshygiënisten zijn de vijf kerntaken benoemd die de Arbeidshygiënist uitvoert. Binnen elke kerntaak beschikt de Arbeidshygiënist over verschillende competenties; minimaal een algemene en een beroepsspecifieke competentie per kerntaak. De kruisjes in de kerntaak-competentie-matrix (zie deel 4 van het Competentieprofiel Arbeidshygiënisten), vormen de eerste fase en mogelijkheid van persoonlijke specialisatie van de Arbeidshygiënist. Hierin kan bijvoorbeeld tot uitdrukking komen dat de Arbeidshygiënist vooral adviserend of juist meer onderzoekend bezig is, juist meer of minder met beoordeling of met beheersing bezig is en bijvoorbeeld ook of het trainen, voorlichten en instrueren een hoofdaandachtsgebied is of juist het borgen en bewaken, gekoppeld aan kwaliteitszorg.

Bovendien kan de arbeidshygiënist zich verder specialiseren in bijvoorbeeld een of meerdere van de navolgende kennisgebieden of aspecten:

Afhankelijke van de keuze van kennisgebieden en aspecten kan het werkterrein van de arbeidshygiënist ook de aanpalende vakgebieden veiligheidskunde, arbeids- en organisatiekunde of bedrijfsgeneeskunde meer of minder benaderen of overlappen.

Ook kan een individuele arbeidshygiënist zich nader bekwamen en specialiseren in bepaalde vaardigheden. Hierbij denken we vooral aan bijvoorbeeld monitoren/meten, ontwerpen, oordelen/toetsen of projectmatig werken.

Tenslotte kan de arbeidshygiënist zich nog bijzonder bekwamen in bepaalde branches of sectoren, bijvoorbeeld de chemische industrie, de bouw, de gezondheidszorg, onderwijs, enz. of juiste een of meerdere specifieke beroepen (tapijtlegger, tandtechnicus, laborant, musicus, lasser, enz.) of juist in een of meerdere (bepaalde) arbeidsprocessen (reinigen, afvalverwerken, chemische technologie, energietransport, enz.). De specifieke specialisaties in kennis, vaardigheden of branche/beroep/proces kunnen in het persoonlijke portfolio tot uitdrukking gebracht worden.

Document: WSCS-HVK: 2012, versie 1

Onder beheer van:

Stichting Beheer Certificatie Deskundigen (BCD)

Lange Voorhout 14

2514 ED Den Haag

In deze persoonscertificatieregeling voor Hogere Veiligheidskundigen (HVK), wordt enerzijds algemene uitgangspunten en bepalingen opgenomen en wordt beschreven binnen welke voorwaarden de afgifte van certificaten dient te gebeuren. Anderzijds worden in het schema de normen vastgelegd waaraan personen dienen te voldoen om een certificaat van vakbekwaamheid te kunnen ontvangen.

Deze certificatieregeling is opgesteld door het betreffende Centraal College van Deskundigen (CCvD ARBO) van de Beheerstichting Certificatie van Deskundigen (stichting BCD). Het schema is vastgesteld door het ministerie van SZW. Pas na vaststelling van dit schema door de minister van SZW mag de certificatieregeling door de certificatie-instellingen (CKI’s) worden toegepast.

De te certificeren deskundige betreft de Hogere Veiligheidskundige. De Hogere Veiligheidskundige levert een bijdrage aan een veilige werkomgeving en de duurzame inzetbaarheid van werknemers. De deskundige is de aangewezen specialist bij uitstek op het terrein van risicobeoordeling en risicobeheersing van de veilige werkomgeving. De deskundige adviseert onder meer op het brede terrein van veiligheid en duurzame inzetbaarheid in arbeidsorganisaties en in het optimaliseren van de arbeidsomstandighedenzorg.

De Nederlandse Arbeidsomstandighedenwet vereist certificering voor ‘Hogere Veiligheidskundigen’. Een Hogere Veiligheidskundige is een deskundige op het terrein van de arbeids- en organisatiekunde conform artikel 2.7 van het Arbeidsomstandighedenbesluit en hij is in het bezit van een certificaat van vakbekwaamheid arbeids- en organisatiekunde conform artikel 2.17 van de Arbeidsomstandighedenregeling. Meer informatie over het vakbekwaamheidsprofiel (competentieprofiel) van de HVK-er is terug te vinden in bijlage 6 van deze regeling.

Deze certificatieregeling is gestructureerd in overeenstemming met de eisen uit ISO/IEC 17024:2003.

Het verrichten van arbeid is een risicovolle activiteit. Om het maatschappelijke belang – veiligheid en gezondheid van en rondom de arbeid – te waarborgen, is door de overheid gekozen voor een wettelijk verplichte certificatieregeling voor de borging van de vakbekwaamheid van de beroepsgroep HVK.

Dit werkveldspecifieke certificatieschema Hogere Veiligheidskundige is door de stichting BCD voorgesteld en door het ministerie van SZW – inclusief eventuele aanpassingen – vastgesteld. De minister van SZW kan ook op eigen initiatief wijzigingen aanbrengen in de vastgestelde documenten. Dit vastgestelde schema vervangt eerdere versies. Op- en of aanmerkingen over de certificatieregeling kunnen worden ingediend bij de stichting BCD.

Binnen het kader van deze certificatieregeling zijn actief:

Het beroepsmatig uitvoeren van werkzaamheden kan direct leiden tot gezondheidseffecten zoals psychische en fysieke effecten waaronder ook ongevallen. De deskundige functioneert in het bedrijf als adviseur. Arbeidsomstandigheden zijn een zaak tussen werkgever en werknemers en de deskundige is daarbij een adviseur. Bij afwezigheid van de adviseur kan het niveau van de arbeidsomstandigheden meteen worden aangetast. Dat maakt dat het directe afbreukrisico hoog is. Langdurige afwezigheid van de adviseur kan het niveau van de arbeidsomstandigheden aantasten waardoor productieverlies kan ontstaan en de kans op langdurige uitval, (beroeps)ziekte, invaliditeit, instroom in de WIA en overlijden toeneemt.

Dit reglement omschrijft de procedures die relevant zijn voor het juist toepassen van het specifieke schema. Hierbij moet gedacht worden aan onder meer procedure van aanvraag, de examinering, de wijze waarop de uitslag bekend gemaakt word en condities met betrekking tot de certificatie, de afgifte van certificaten/verklaringen, procedures bij het uitvoeren van toezicht, klachtenafhandeling en het indienen van een verzoek om herziening.

De Hogere Veiligheidskundige, dient in overeenstemming met de certificatieregeling HVK een aanvraag in voor het persoonscertificaat bij een CKI. Vervolgens verstrekt de CKI relevante informatie over de gang van zaken betreffende het gehele certificatieproces.

Het certificatiebesluit wordt genomen door een functionaris van de CKI die niet betrokken is geweest bij de beoordeling van de kandidaat. Deze functionaris is daartoe gekwalificeerd en aangesteld conform het kwaliteitsmanagementsysteem en de procedures die de CKI heeft op grond van het Document voor aanwijzing en toezicht op de certificatie-instellingen voor HVK (het WDA&T).

De geldigheidsduur voor een persoonscertificaat volgens het certificatieschema voor de certificatie van HVK is vijf jaar.

Met betrekking tot de geldigheid van het certificaat worden condities gesteld. Indien niet voldaan wordt aan deze condities kan dit consequenties hebben voor het certificaat. De condities en de wijze waarop door de CKI toegezien dient te worden, worden opgesteld door de stichting BCD en vastgelegd in het Document voor aanwijzing en toezicht op de certificatie-instellingen voor HVK.

Behandelingswijze van klachten van kandidaten en certificaathouders de klachtenregeling is opgenomen in bijlage 1.

De bezwaarprocedure is opgenomen in bijlage 2.

De CKI registreert de gegevens van de certificaathouder. Deze gegevens worden conform de overeen

komst met de stichting BCD tenminste zo vaak als mutaties zich voordoen elektronisch verzonden aan de stichting ten behoeve van het Certificaatregister van de stichting, dat wordt opgezet conform wettelijke bepalingen. Dit register wordt via internet toegankelijk gemaakt. De stichting BCD is verantwoordelijk voor het beheer van het register.

De stichting BCD dient te zorgen voor eenduidige norminterpretatie van dit certificatieschema. Toch kan het voorkomen dat er in de operationele fase verschillende interpretaties bestaan van één of meerdere gehanteerde begrippen. Mocht het gebeuren dat certificaathouders, CKI’s of andere belanghebbenden uiteenlopende definities hanteren en hierover meningsverschillen bestaan, dan dienen afwijkende interpretaties te worden voorgelegd aan de stichting BCD, die alvorens te antwoorden advies vraagt aan het CCvD ARBO.

Dit reglement bevat bepalingen voor de voorbereiding, uitvoering en beoordeling van examens ten behoeve van de persoonscertificatieregeling HVK. De CKI beheert de examinatoren-pool. De CKI maakt gebruik van deze examinatoren voor het afnemen van examens voor HVK certificatie. De examinator legt zich toe op de voorbereiding, uitvoering en beoordeling van examens. De eisen aan de examinatoren zijn in bijlage 3 verwoord, in bijlage 4 staan de exameneisen.

Dit reglement bevat bepalingen voor de voorbereiding, uitvoering en beoordeling van examens ten behoeve van de persoonscertificatieschema HVK. De examinering geschiedt onder verantwoordelijkheid van de CKI en bestaat uit een schriftelijke en/of mondelinge portfoliobeoordeling.

In het examenreglement van de CKI dienen de volgende zaken opgenomen te zijn:

De examen-pool is een organisatorisch onderdeel van de CKI. De CKI dient zich hierbij te houden aan artikel 4.5 ‘subcontracting’ van ISO/IEC 17024.

Indien gebruik wordt gemaakt van een centrale itembank, dan geschiedt het beheer van de itembank onder strikte geheimhouding door de CKI. De wijze van beheer van de itembank is schriftelijk vastgelegd en aantoonbaar geaccordeerd door het management van de CKI. In de itembank worden de theorievragen inclusief de cesuur opgeslagen welke vooraf zijn opgesteld.

Het doel van het toezicht is om de vakbekwaamheid van gecertificeerd personeel te toetsen. De CKI is verplicht te beoordelen of de certificaathouder voldoet en blijft voldoen aan de gestelde eisen. Gezien de risicoanalyse en het geringe afbreukrisico op de korte termijn voor het bedrijf is de certificatieperiode vastgesteld op vijf jaar. Om dezelfde reden kan normaliter worden volstaan met één tussentijdse controle van alle certificaathouders.

De certificaathouder is verplicht mee te werken aan toezicht door de CKI en, voor zover van toepassing, de nationale accreditatie-instantie en de Inspectie SZW. In de overeenkomst tussen de CKI en de certificaathouder worden de hiertoe benodigde bepalingen opgenomen, waaronder bepalingen ten aanzien van een meer uitgebreide controles door de CKI bij een ad random gekozen deel van de certificaathouders ter verificatie van de aangeleverde gegevens bij de tussentijdse controles.

Het toezicht wordt als volgt uitgevoerd:

De termijn voor het aanleveren van de benodigde documenten bestaande uit de werkgeversverklaring of accountantsverklaring en de deelnamelijst, dienen binnen zes weken te worden overlegd aan de CKI.

De CKI stelt een verslag op van de bevindingen van het toezicht. Het resultaat van het toezicht wordt schriftelijk aan de certificaathouder bekend gemaakt. De certificaathouder kan bezwaar aantekenen tegen maatregelen (zie paragraaf 6.5) die opgelegd kunnen worden naar aanleiding van het toezicht. De CKI behandelt het bezwaar conform haar bezwaarprocedure (bijlage 2).

Een klacht betreffende de certificaathouder wordt bij de CKI ingediend. De CKI behandelt de klacht conform haar klachtenregeling.

Indien blijkt dat een certificaathouder niet voldoet aan de eisen of normen van dit certificatieschema heeft, kan dit leiden tot door de CKI opgelegde maatregelen. Mogelijke maatregelen zijn herstel activiteiten, opvragen van aanvullende/ontbrekende documenten, schorsen, wijzigen ten nadele van de certificaathouder of het intrekken van het certificaat.

Criteria

Ontbrekende documenten worden opgevraagd als de werkgeversverklaring of accountantsverklaring en/of de deelnamelijsten ontbreken.

Schorsen van het certificaat vindt in ieder geval plaats indien de werkervaring aantoonbaar minder is als twee dagdelen gemiddeld per week en het voor de certificaathouder mogelijk is binnen een half jaar dit alsnog aan te tonen.

Intrekken van het certificaat vindt in ieder geval plaats indien de werkervaring aantoonbaar minder is als twee dagdelen gemiddeld per week en/of deelname aan de ICT-groep niet is aangetoond.

Nadere eisen stellen, schorsen of intrekken van het certificaat kan geschieden wanneer de kandidaat niet voldoet aan die gestelde eisen van het schema Hogere Veiligheidskundige of wanneer de CKI hiervoor een gegronde reden heeft. Een certificaat kan ook worden ingetrokken bij fraude, overlijden of op eigen verzoek van de certificaathouder.

Indien er sprake is van maatregel wordt dit aan de certificaathouder kenbaar gemaakt. Bij het opleggen van een maatregel dient de CKI aan te geven binnen welke periode de maatregel moet zijn uitgevoerd. De CKI controleert daarop de uitvoering. Schorsen en intrekken dienen door de CKI ingebracht te worden in een centraal registratiesysteem. Tevens dient de Inspectie SZW hiervan in kennis gesteld te worden.

Indien een certificaathouder na een intrekking opnieuw gecertificeerd wil worden dient dezelfde procedure doorlopen te worden als bij initiële certificatie. Opnieuw certificeren na een intrekking kan pas na een jaar na de datum van intrekking. De CKI dient voor verstrekking van een certificaat bij het centraal registratiesysteem te verifiëren of er geen sprake is van een intrekking met de daaraan gekoppelde wachtperiode.

Dit werkveldspecifieke certificatieschema voor personen is door het CCvD ARBO van de stichting BCD opgesteld. Het betreft certificatie van vakbekwaamheid op het gebied van de Hogere Veiligheidskundige. Door het Ministerie van SZW is deze certificatieregeling vastgesteld middels een statische verwijzing in de Arboregeling. Deze vastgestelde regeling vervangt daarmee eerdere versies.

Het onderwerp (de scope) van dit certificatieschema betreft de competenties A tot en met J in het competentieprofiel van de Hogere Veiligheidskundige, zoals beschreven in hoofdstuk 3 van bijlage 6 bij dit document. Voor het aantonen van de competenties wordt een portfolio opgesteld door de aanvrager van de (her)certificatie.

Alvorens de CKI overgaat tot het uitvoeren van het certificatieonderzoek van het wettelijk verplichte persoonscertificaat Hogere Veiligheidskundige, dient de kandidaat te voldoen aan de hierna beschreven entreecriteria:

Ad. 1

De aanvraag moet aan de volgende eisen voldoen:

De CKI controleert of de aanvraag voldoet aan de bovenstaande eisen, wanneer dit niet het geval is wordt er met de aanvrager contact opgenomen.

Ad. 2

De aanvrager kan hiervoor één van de volgende documenten aanleveren:

De CKI controleert of de aanvraag voldoet aan de bovenstaande eisen, wanneer dit niet het geval is wordt er met de aanvrager contact opgenomen.

Ad. 3

De aanvrager dient hiervoor het volgende document te overhandigen:

Kandidaten die al in het bezit zijn van een diploma beroepsopleiding kunnen gebruik maken van de overgangsregeling (bijlage 8).

In het geval de kandidaat een niet toegelaten beroeps opleiding heeft gevolgd biedt de CKI de mogelijkheid om een onderzoek te verrichten waaruit al dan niet de gelijkwaardigheid van de beroepsopleiding blijkt. Wanneer hiervan sprake is dan wordt het diploma als gelijkwaardig gesteld aan een door de CKI toegelaten opleiding. De kosten van dit onderzoek zijn voor rekening van de kandidaat.

In het geval de kandidaat beschikt over een diploma van een beroepsopleiding buiten de EU dan is het aan de kandidaat om een portfolio aan te maken en het portfoliotraject te doorlopen. Na vijf jaar kan de kandidaat deelnemen aan de portfolio beoordeling, zoals bij hercertificatie het geval is. Bij een positief oordeel kan dan tot initiële certificering door de CKI worden overgegaan.

De CKI controleert of de aanvraag voldoet aan de bovenstaande eis, wanneer dit niet het geval is wordt er met de aanvrager contact opgenomen.

Ad. 4

De aanvrager kan hiervoor één van de volgende documenten aanleveren:

De CKI controleert of de aanvraag voldoet aan de bovenstaande eisen, wanneer dit niet het geval is wordt er met de aanvrager contact opgenomen.

Ad. 5

De aanvrager dient hiervoor het volgende document te overhandigen:

De CKI bekijkt of alle bewijsstukken zijn overlegd en stuurt hiervan een ontvangstbevestiging naar de kandidaat. Wanneer de kandidaat aan de bovenstaande entreecriteria heeft voldaan, dan wordt de aanvraag in behandeling genomen, waarna de examinator de inhoudelijke check van de bewijsstukken verricht.

NB. De opbouw van het portfolio is niet gebonden aan een opleidingsinstelling of een CKI.

Omwille van de leesbaarheid van dit certificatieschema is het competentieprofiel van de Hogere Veiligheidskundige opgenomen als bijlage 6 bij dit document.

De aanvrager heeft aan de entreecriteria van hoofdstuk 8 voldaan. Daarna volgt de vakinhoudelijke toets welke wordt verricht door de examinator en onderstaand is beschreven.

Ad. 1

De examinator bekijkt of de scope van de aanvraag valt onder de regeling van de Hogere Veiligheidskundige. Wanneer dit niet het geval is, dan wordt de aanvraag niet verder in behandeling genomen. De examinator stelt de CKI hiervan op de hoogte. De CKI stelt de aanvrager hiervan schriftelijk op de hoogte ook voor wat betreft de verdere afhandeling van de aanvraag.

Ad. 2

De examinator gaat na of:

Wanneer één van de bovenstaande punten niet in orde is, dan wordt de aanvrager (via de CKI) in de gelegenheid gesteld om dit binnen zes weken alsnog aan te vullen.

Indien de aanvrager hierop niet reageert dan wordt de aanvraag door de CKI afgewezen. De aanvrager heeft dan de mogelijkheid om een nieuwe aanvraag voor certificatie in te dienen bij de CKI.

Ad. 3

De examinator bekijkt of:

Wanneer één van de bovenstaande punten niet in orde is, dan wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld om dit binnen zes weken alsnog aan te vullen. Indien de aanvrager hierop niet reageert dan wordt de aanvraag door de CKI afgewezen.

De aanvrager heeft dan de mogelijkheid om een nieuwe aanvraag voor certificatie in te dienen bij de CKI.

Ad. 4

De werkervaring van de Hogere Veiligheidskundige toont aan dat hij in staat is competenties zelfstandig in de praktijk toe te passen. Met betrekking tot de opgedane werkervaring bekijkt de examinator:

Wanneer één van de bovenstaande punten niet in orde is, dan wordt de kandidaat (via de CKI) in de gelegenheid gesteld om dit binnen zes weken alsnog aan te vullen. Indien de kandidaat hierop niet reageert dan wordt de aanvraag door de CKI afgewezen. De aanvrager heeft dan de mogelijkheid om een nieuwe aanvraag voor certificatie in te dienen bij de CKI.

Ad. 5

De examinator kijkt naar de inhoud van het portfolio. Het portfolio bestaat uit een beschrijving van tenminste twee van de volgende vijf kerntaken:

Bij iedere kerntaak wordt aangegeven welke competenties hieraan zijn gekoppeld.

Bestaande uit één algemeen en één beroeps specifieke competentie. Hiervoor wordt verwezen naar het competentieprofiel Hogere Veiligheidskundige welke terug is te vinden in bijlage 6 van deze regeling. Bij iedere kerntaak wordt weergegeven welke kennis (uit bijvoorbeeld boeken, internet, rapporten, werkinstructies) als achtergrond voor de uitoefening van deze kerntaak is gebruikt ter onderbouwing. Wenselijk is dat er bij een kerntaak een beschrijving wordt gegeven van de relevante informatie bijvoorbeeld een boek: titel, auteur, druk en hoofdstuk vermelding, waarvan gebruik is gemaakt voor de uitoefening van deze taak.

Tijdens de initiële opleiding worden de vier kerntaken uitgewerkt binnen de afstudeeropdracht, die in een ICT groep zijn besproken. Hieruit worden er dus de bijbehorende competenties, vier leervragen, vier verbeter en ontwikkelvoorstellen en vier verbeteracties beschreven. Deze punten kunnen overlappend zijn.

Ontbrekende informatie in het portfolio wordt via de CKI bij de kandidaat opgevraagd. De ontbrekende informatie moet tijdig (ten minste twee weken voor datum examen) worden aangeleverd zodat de examinator nog voldoende tijd heeft voor een beoordeling. Indien de kandidaat hierop niet reageert dan wordt de aanvraag door de CKI afgewezen. De kandidaat wordt hiervan schriftelijk door de CKI op de hoogte gesteld. De aanvrager heeft dan de mogelijkheid om een nieuwe aanvraag voor certificatie in te dienen bij de CKI.

De toets is bedoelt om de wijze waarop de Hogere Veiligheidskundige werkt aan zijn professionele ontwikkeling te toetsen. De toets wordt mondeling afgenomen door één examinator op basis van het portfolio van de kandidaat. Vooraf wordt aan de kandidaat kenbaar gemaakt wat de duur zal zijn van het examen en op welke wijze het examen zal worden afgenomen. De basis voor de toets is de door de Hogere Veiligheidskundige ingevulde kerntaak-competentie-matrix. De kerntaak-competentie-matrix koppelt kerntaken en competenties aan elkaar. De Hogere Veiligheidskundige geeft zelf aan welke competenties hij bij welke kerntaak heeft, of wil ontwikkelen. Dit geeft belangrijke informatie voor de toetsing. Het maakt inzichtelijk welke competentie in welke kerntaak kan worden getoetst. De kerntaak-competentie-matrix bestaat uit 5 kerntaken en 10 competenties:

Met bovenstaande kerntaak-competentie-matrix stelt de Hogere Veiligheidskundige een profiel samen dat past bij zijn eigen invulling van het vak. Er wordt onderscheid gemaakt tussen een profiel dat de situatie bij de initiële certificering of aan het begin van een nieuwe certificeringperiode weergeeft (de initiële matrix) en een profiel dat weergeeft op welke aspecten de deskundige zich verder wil ontwikkelen of zich heeft ontwikkeld tijdens de achterliggende certificeringperiode (de ontwikkelmatrix).

De initiële matrix wordt ingevuld bij de initiële certificering en aan het begin van een nieuwe certificeringperiode. De Hogere Veiligheidskundige geeft op elke kerntaak aan over welke competenties hij beschikt. Dat dient minimaal één algemene en één beroepsspecifieke competentie te zijn. In de ontwikkelmatrix geeft de deskundige aan welke competenties hij wil ontwikkelen. Dit kan een nieuwe competentie zijn, of een verbetering van een bestaande competentie. Gedurende de certificeringperiode van vijf jaar illustreert de deskundige zijn ontwikkeling aan de hand van 4 cases. Per casus benoemt hij ten minste 3 competenties binnen de kerntaak waar de casus betrekking op heeft. De ontwikkelmatrix bevat minimaal twaalf kruisjes waarvan er 4 gekoppeld zijn aan de ingebrachte cases. Deze ontwikkelcompetenties worden in het verslag uitgewerkt in leervragen, een verbetervoorstel en een verbeteractie. In totaal dus 4 verslagen met 4 ontwikkel punten over 5 jaar.

Tijdens de toets verdedigd de Hogere Veiligheidskundige dit portfolio. De examinator stelt een verslag op van de toetsing van het portfolio. Op basis van dit verslag brengt de examinator een advies uit. Het verslag en het advies worden aan de CKI toegezonden.

Vijf jaar na (her)certificatie vervalt het certificaat en moet de aanvrager aantonen aan de (her)certificatie eisen te voldoen. Ook nu volgt er een vakinhoudelijke toets welke wordt verricht door de examinator en onderstaand is beschreven:

De CKI controleert of de bovengenoemde documenten aanwezig zijn volgens hoofdstuk 8, voor zover van toepassing.

Ad. 1

De examinator bekijkt of de scope van de aanvraag valt onder de regeling van de Hogere Veiligheidskundige. Wanneer dit niet het geval is, dan wordt de aanvraag niet verder in behandeling genomen. De examinator stelt de CKI hiervan op de hoogte en geeft aan onder welke regeling de aanvraag dan wel valt. De CKI stelt de aanvrager hiervan schriftelijk op de hoogte ook voor wat betreft de verdere afhandeling van de aanvraag.

Ad. 2

De examinator bekijkt of:

Wanneer één van de bovenstaande punten niet in orde is, dan wordt de kandidaat (via de CKI) in de gelegenheid gesteld om dit binnen zes weken alsnog aan te vullen. Indien de kandidaat hierop niet reageert dan wordt de aanvraag door de CKI afgewezen. De aanvrager heeft dan de mogelijkheid om een nieuwe aanvraag voor certificatie in te dienen bij de CKI.

Ad. 3

De examinator kijkt naar de inhoud van het portfolio. Het portfolio bestaat na vijf jaar uit: Een beschrijving van de volgende vijf kerntaken:

Bij iedere kerntaak wordt aangegeven welke competenties hieraan zijn gekoppeld.

Bestaande uit één algemeen en één beroeps specifieke competentie. Hiervoor wordt verwezen naar het Competentie Profiel Hogere Veiligheidskundige welke terug is te vinden in bijlage 6 van deze regeling.

Bij iedere kerntaak wordt weergegeven welke kennis (uit bijvoorbeeld boeken, internet, rapporten, werkinstructies) als achtergrond voor de uitoefening van deze kerntaak is gebruikt ter onderbouwing. Wenselijk is dat er bij een kerntaak een beschrijving wordt gegeven van de relevante informatie bijvoorbeeld een boek: titel, auteur, druk en hoofdstuk vermelding, waarvan gebruik is gemaakt voor de uitoefening van deze taak.

Minimaal vier cases kort uitgewerkt in een verslag, die in een ICT groep zijn besproken. Hieruit worden er dus de bijbehorende competenties, vier leervragen, vier verbeter en ontwikkelvoorstellen en vier verbeteracties beschreven. Deze punten kunnen overlappen zijn.

Wanneer het portfolio compleet is en de aanvrager heeft voldaan aan de bovenstaande criteria, dan mag de Hogere Veiligheidskundige deelnemen aan de toets (overhoring van het portfolio). De Hogere Veiligheidskundige wordt hiervan schriftelijk door de CKI op de hoogte gesteld.

Wanneer het portfolio niet in orde is, dan wordt de Hogere Veiligheidskundige in de gelegenheid gesteld om dit binnen zes weken alsnog aan te vullen. Indien de Hogere Veiligheidskundige hierop niet reageert dan wordt de aanvraag door de CKI afgewezen. De Hogere Veiligheidskundige wordt hiervan schriftelijk door de CKI op de hoogte gesteld. De aanvrager heeft dan de mogelijkheid om een nieuwe aanvraag voor certificatie in te dienen bij de CKI.

Ad. 4

Certificaathouders tonen aan dat zij kennis van het vak bijhouden (bij- en nascholing) door bijvoorbeeld het schrijven van een artikel binnen de ICT-groep of het vervullen van een bestuursfunctie binnen het vakgebied. Hieraan wordt een nog op te stellen cesuur gekoppeld.

Er is één examinator die een mondeling examen afneemt op basis van het portfolio van de kandidaat. De examinator stelt een verslag op van de toetsing van het portfolio. Op basis van dit verslag brengt de examinator een advies uit. Het verslag en het advies worden aan de CKI toegezonden.

Indien het proces met één examinator niet goed functioneert worden er twee examinatoren ingezet tijdens examens.

Voor meer informatie inzake de toetsingsprocedure wordt verwezen naar het examenreglement het Competentie profiel Hogere Veiligheidskundige (HVK) paragraaf 4.2.

De volgende gegevens worden (minimaal) op het certificaat vermeld:

Gedurende de looptijd gelden de volgende condities waar de certificaathouder zich aan moet houden. Indien niet voldaan wordt aan deze condities kan dit consequenties hebben voor het certificaat (zie maatregelenbeleid).

Het bovenstaande moet zijn opgenomen in de certificatieovereenkomst welke door de certificaathouder is ondertekend.

Een adequate behandeling van klachten is belangrijk voor het creëren van vertrouwen in certificatie en belangrijk voor de bescherming van zowel de certificaathouders als de gebruikers van certificaten.

Aan een CKI worden onder meer de volgende eisen gesteld:

Indien de CKI klachten van derden, zoals een opdrachtgever, ontvangt over het voldoen aan dit schema door het bedrijf of de persoon die een aanvraag voor het certificaat heeft ingediend of certificaathouder is, dient de CKI de klager te verwijzen naar het bedrijf of de persoon. De CKI dient de klacht te betrekken bij de eerstvolgende beoordeling bij het betreffende bedrijf of de betreffende persoon.

Echter, indien het naar de mening van de CKI een ernstige klacht betreft, dient de CKI, naast de behandeling door het bedrijf of de persoon, zelf ook direct te beoordelen of de klacht gevolgen dient te hebben voor de beslissing m.b.t. certificatie.

In dat geval dient de CKI af te wegen of het gewenst is een extra beoordeling uit te voeren. De kosten van deze extra beoordeling komen in beginsel voor rekening van de certificaathouder.

Inleiding

In deze werkinstructie wordt de afhandeling van een klacht besproken. Voor iedere afzonderlijke klacht wordt een apart klachtenformulier ingevuld.

Werkwijze

Wanneer iemand probeert een klacht telefonisch of mondeling te melden, wordt aan hem/haar gevraagd deze schriftelijk te verwoorden. Als een klacht schriftelijk binnenkomt wordt deze meteen naar de kwaliteitsmanager gebracht en indien de klachtafhandelaar duidelijk is krijgt hij/zij meteen een kopie van de klacht.

De kwaliteitsmanager registreert de klacht op een klachtenformulier en stelt de directeur CKI op de hoogte van de klacht. De directeur van de CKI wijst de klachtafhandelaar aan. De kwaliteitsmanager vermeldt de klachtafhandelaar op het klachtenformulier en brengt de klachtafhandelaar schriftelijk op de hoogte van de klacht. De klachtafhandelaar informeert de indiener van de klacht schriftelijk over de ontvangst van de klacht.

Eenvoudige zaken

Klachtafhandelaar stuurt klacht door naar betrokken bedrijf/persoon; stelt indiener op de hoogte legt dossier aan tbv voortgangsbewaking en meenemen afhandeling klacht door bedrijf/persoon bij eerstvolgende beoordeling.

Ernstige klachten

Klachtafhandelaar beoordeelt de klacht en stelt vast of de klacht een incident betreft of dat de klacht moet leiden tot een aanpassing in de werkwijze.

Indien het een incident betreft, wordt de indiener daarvan op de hoogte gesteld. De klachtafhandelaar bedenkt samen met de indiener binnen drie weken na het indienen van de klacht een oplossing voor de afhandeling en betrekt bedrijf/persoon hierbij.

De oplossing zoals die met de indiener is besproken wordt vastgelegd op het klachtenformulier. Hier wordt tevens vermeld dat het gaat om een incident.

Indien de klacht een aanpassing van de werkwijze vergt bedenkt de klachtafhandelaar binnen 10 dagen een verbetervoorstel en bespreekt dit met de kwaliteitsmanager en betrekt bedrijf/persoon hierbij. Het verbetervoorstel moet een structurele verbetering inhouden van de werkwijze. Het verbetervoorstel wordt ingevuld op het klachtenformulier.

De klachtafhandelaar stelt de indiener op de hoogte van de afhandeling van de klacht.

De kwaliteitsmanager maakt de gewijzigde werkwijze bekend.

De kwaliteitsmanager start, indien nodig, een vervolgonderzoek naar de invoering van het verbetervoorstel. De bevindingen worden vastgelegd op het klachtenformulier. Het klachtenformulier wordt gearchiveerd.

Onderstaand worden de stappen beschreven die nodig zijn voor het afhandelen van een bezwaarschrift. Een dergelijk bezwaarschrift kan bijvoorbeeld ingediend worden tegen besluiten van de CKI inzake het niet (opnieuw) verlenen, schorsen of intrekken van een certificaat.

Algemeen:

Het bezwaar wordt niet-ontvankelijk verklaard:

Het examenpersoneel (examinatoren) heeft als doel de deskundigen te examineren bij initiële certificering en bij hercertificering. Het examenpersoneel bestaat uit alle examinatoren die voor dit doel zijn aangewezen door de stichting BCD op voordracht van de beroepsverenigingen. Het examenpersoneel kiest uit de groep een vertegenwoordiger welke aanwezig is tijdens de vergaderingen van het Centraal College van Deskundigen Arbo ter advisering. Het examenpersoneel vormt het examenbureau.

Het examenbureau is onafhankelijk van de beroepsverenigingen en opereert onder de verantwoording van de stichting BCD.

Examenpersoneel moet voldoen aan de volgende algemene, vakinhoudelijke en onafhankelijkheidseisen:

Examinatoren die voldoen aan de bovenstaande eisen kunnen door de CKI worden benoemd en worden ingezet voor het afnemen van examens.

Tweemaal per jaar is er een bijeenkomst voor examinatoren. De examinator is verplicht minimaal één bijeenkomst bij te wonen. In uitzonderlijke gevallen kan de stichting BCD hiervoor uitstel verlenen. De bijeenkomsten worden georganiseerd door de stichting BCD en de daartoe aangewezen CKI. Tijdens de bijeenkomsten worden de logboeken van de examinatoren, op compleetheid getoetst en besproken waarna eventuele verbeter en ontwikkelvoorstellen worden opgesteld.

Medewerkers van de CKI (inclusief de examinatoren) dragen zorg voor de absolute geheimhouding van de examenopgaven, voor zover deze opgaven geen onderdeel uitmaken van een publieke norm. Medewerkers van de CKI hebben een verklaring van geheimhouding ondertekend.

Te stellen eisen aan de examenlocatie zijn:

Te stellen eisen aan de examenmiddelen zijn:

Te stellen eisen aan het portfolio-examen zijn:

Uitgangspunt is dat een portfolio-examen bij voorkeur in de Nederlandse taal wordt afgenomen.

Dit competentieprofiel voor de Hogere Veiligheidskundige is opgesteld om de inhoud van het beroep Hogere Veiligheidskundige vast te leggen. Het beroep wordt omschreven in kerntaken en competenties. Op deze manier is het competentieprofiel een instrument voor het meten van het vakmanschap. Daarnaast is het profiel het uitgangspunt voor de eisen die worden gesteld aan de te certificeren beroepsbeoefenaar. Het competentieprofiel is onderdeel van het certificeringssysteem dat moet resulteren in het certificaat voor de Arbeids- en organisatiedeskundige volgens de Arbeidsomstandighedenwet.

Dit competentieprofiel is bedoeld als basis voor de certificatie van deskundigen en niet voor het vormgeven van opleidingen. Dat is een belangrijk verschil met een profiel zoals dat gebruikt wordt bij opleidingsinstituten. De beschrijving van het beroep is gebaseerd op opgedane ervaring en vakmanschap van professionals en niet op pas afgestudeerde deskundigen. Het proces dat de beroepsbeoefenaar doorloopt is richtinggevend bij deze beschrijving.

In dit document is een kerntaak-competentie-matrix opgenomen (hoofdstuk 4). Deze matrix geeft weer welke competenties ingezet worden bij de uitvoering van de deelprocessen van een kerntaak. Op basis van hoofdzakelijk deze kerntaak-competentie-matrix, worden de toetsingscriteria opgesteld. Deze criteria stelt het Centraal College van Deskundigen (CCvD) vast. Mede aan de hand van de mate waarin aan deze criteria wordt voldoen, verstrekt of verlengt de certificatiecommissie en de certificerende instelling(en) al dan niet een persoonscertificaat. Daarnaast kunnen opleidingsinstellingen het competentieprofiel en de toetsingscriteria gebruiken als uitgangspunt voor het optimaal laten aansluiten van hun opleiding op het certificeringsysteem van de Stichting Beheer Certificatie Deskundigen (Stichting BCD). Waar in dit document de mannelijke verwijzing wordt gehanteerd kan, waar van toepassing, ook de vrouwelijke vorm worden gelezen.

Dit document bestaat uit vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 beschrijft het beroep. Ook wordt de totstandkoming van dit Competentieprofiel onderbouwd en wordt verwezen naar bronmateriaal. Hoofdstuk 2 beschrijft de kerntaken die de beroepsbeoefenaar uitvoert. Hoofdstuk 3 beschrijft de algemene en beroepsspecifieke competenties. Hoofdstuk 4 maakt inzichtelijk welke competenties ingezet worden bij de uitvoering van een kerntaak.

Het beroep ‘Hogere Veiligheidskundige’ is een van de vier in Nederland, bij wet erkende, kerndeskundigen op het terrein van de arbeidsomstandigheden. Samen met de bedrijfsarts, en de Arbeidshygiënist is de Hogere Veiligheidskundige algemeen adviseur op het terrein van op het brede terrein van veiligheid en duurzame inzetbaarheid in arbeidsorganisaties. Ook adviseert hij over het optimaliseren van de arbeidsomstandighedenzorg.

De Hogere Veiligheidskundige zorgt voor een veilige werkomgeving dat leidt tot het voorkomen van ziekteverzuim, onveilige situaties en ongevallen en mogelijke gezondheidsschade. Hij is specialist bij uitstek op het terrein van risicobeoordeling en risicobeheersing van de veilige werkomgeving. Daarnaast levert de Hogere Veiligheidskundige een bijdrage aan een veilige werkomgeving en de duurzame inzetbaarheid van werknemers.

De Nederlandse Arbeidsomstandighedenwet vereist certificering voor ‘Hogere Veiligheidskundige’. Een Hogere Veiligheidskundige is een deskundige op het terrein van risicobeoordeling en risicobeheersing van de veilige werkomgeving conform artikel 2.7 van het Arbeidsomstandighedenbesluit en hij is in het bezit van een certificaat van vakbekwaamheid Hogere Veiligheidskundige.

De Hogere Veiligheidskundige ontwikkelt zich voortdurend in zijn vak en vaardigheden, werkt samen, verbindt en integreert kennis van oorzaken, gevolgen en oplossingen en beoefent zijn vak op ondernemende wijze.

De Hogere Veiligheidskundige heeft de kerntaken 1 t/m 3 en beroepscompetenties A t/m J gemeen met de andere gecertificeerde niet-medische arbodeskundigen (Arbeids- en Organisatiedeskundige, Arbeidshygiënist). De Hogere Veiligheidskundige onderscheidt zich van andere gecertificeerde niet-medische arbodeskundigen (Arbeids- en organisatiedeskundige en arbeidshygiënist) in de kerntaken 4 en 5 en in een specialisatie in het onderzoeken en/of adviseren op het gebied van veilige werkomgeving.

Het beroep wordt beschreven in vijf kerntaken die samen het gehele beroep omvatten. Hierbij:

Beroepsuitoefenaars kunnen zich daar in meerdere of mindere mate in specialiseren.

In het beroep van Hogere Veiligheidskundige kan onderscheid gemaakt worden tussen algemene competenties – die in veel beroepen terug te vinden zijn – en beroepsspecifieke competenties. De algemene competenties zijn beschreven in paragraaf 3.1 en de beroepsspecifieke competenties zijn beschreven in paragraaf 3.2. De gebruikte aanduidingen zijn dezelfde als die in de kerntaak-competentie matrices in hoofdstuk 4.

De opleidingsinstituten kunnen toegelaten worden door een beoordeling van een daartoe door de stichting BCD aangewezen CKI. Een toegelaten opleiding voldoet aan de eisen die in het document ‘toelaten van opleidingen’ gesteld worden. Het CCvD ARBO zal de huidige documenten van Hobéon SKO en KIWA in 2012 bijstellen en verbeteren. Tot de bijgestelde documenten gepubliceerd en goedgekeurd door de stichting BCD blijven de oude documenten in gebruik. De documenten zijn te vinden op de website van de stichting BCD.

Per 1 april 2012 wordt er op de nieuwe manier (portfoliocyclus) gewerkt. Dit betekent voor certificatie-aanvragers die de opleiding reeds hebben afgerond dat zij nog initieel gecertificeerd kunnen worden op de ‘oude’ manier en daarna de portfoliocyclus voor hercertificatie ingaan.

Certificaathouders die hun hercertificatie doen worden op de ‘oude’ manier gehercertificeerd tot het jaar 2016 en gaan dan ook de portfoliocyclus in. Certificaathouders waarvan het certificaat nog geldig is, kunnen ervoor kiezen hun cyclus af te maken en worden dan nog op de ‘oude’ manier gehercertificeerd. Ze kunnen ook vervroegd de portfoliocyclus ingaan. Dat wil zeggen dat zij voor de reeds verlopen certificatietermijn de ‘oude’ hercertificatie-eisen aantonen, waarna zij de portfoliocyclus van 5 jaar ingaan. Zij krijgen korting op hun aanvraag hercertificatie gerelateerd aan de nog niet verlopen certificatietermijn.

verslag assessment

Naam examinandus:

Certificatieschema:

Datum examen:

Plaats examen:

Naam examinator:

Naam document:

Artikel:

Vraag:

Beoordelingscriteria:

(welke (ant)woorden zijn goed/fout,

vragen, kennisvragen, enz.)

Antwoord examinandus:

Beoordeling:

Naam document:

Artikel:

Vraag:

Beoordelingscriteria:

(welke (ant)woorden zijn goed/fout,

vragen, kennisvragen, enz.)

Antwoord examinandus:

Beoordeling:

Eindbeoordeling:

(minimaal <invoegen> van de vragen goed beantwoord)

De kerndeskundige is een vak dat onder de Hogere Veiligheidskundige valt, hij kan zijn vak op verschillende manieren invullen. Bij iedere certificatieaanvraag en hercertificering dienen de competenties op basis van het niveau zoals omschreven in hoofdstuk 2 t/m 4 van het Competentieprofiel Hogere Veiligheidskundige te worden aangetoond. Daarnaast zijn er diverse specialisaties mogelijk zoals kennisspecialisatie, taakspecialisatie en branchespecialisatie. De hierna genoemde specialisaties zijn geen verplicht onderdeel van de regeling Hogere Veiligheidskundige. De kerndeskundige is vrij om zich te specialiseren in deze diverse specialisaties. De basis van het vak is beschreven in de vijf kerntaken in hoofdstuk 2 van het Competentieprofiel Hogere Veiligheidskundige. Dit deel gaat in op de specialisaties van de kerndeskundige.

Het vak van de kerndeskundige is een kunde, ofwel een toepassing van wetenschap en wetenschappelijke beargumentering. In het geval van de Hogere Veiligheidskundige is het een samengesteld vak uit verschillende wetenschappelijke gebieden. De Hogere Veiligheidskundige heeft als kenmerk dat hij na een gevolgde hbo- of wo-opleiding, een kopopleiding heeft doorlopen en afgerond. De kopopleiding moet voldoen aan de stand der wetenschap. Dit wil zeggen dat de student in ieder geval in de praktijk van het vak werkzaam is. Met het volgen van de kopopleiding wordt door het curriculum bepaald wat de basiscompetenties van de kerndeskundige zijn. Dit is het horizontale deel van het zogenaamde T-profiel.

De Hogere Veiligheidskundige is van oorsprong vaak een techneut of natuurwetenschapper. Minimaal een HBO opleiding techniek of natuurwetenschappen, of gelijkwaardig werk en denkniveau zijn ingangscriteria voor de opleiding. De kopopleiding geeft zowel basis als gevorderde kennis, vaardigheden en werkt aan een gevorderde attitude. Dit wordt tijdens de opleiding weergegeven in een portfolio en aan het einde van de opleiding geëxamineerd. Het examen is competentiegericht. Dit wil zeggen dat het portfolio beoordeeld en getoetst wordt op essentiële kennis en vaardigheden zoals omschreven in hoofdstuk 2 t/m 4 van het Competentieprofiel Hogere Veiligheidskundigen.

Na het volgen van de kopopleiding specialiseert de kerndeskundige zich in de praktijk. Een kerndeskundige kan zich specialiseren in één of meerdere richtingen. De specialisatie vormt de poot van de T (specialist of super specialist) of de poten van de Pi of M (meerdere specialisaties) zoals onderstaand afgebeeld. Hoe langer de poot, hoe gespecialiseerder de kerndeskundige.

De initiële of eerste certificering is vooral gericht op de generalist als beginner. Hier worden de basisvaardigheden getoetst. De opleidingen hebben hier een passende methodiek voor. De inhoud volgt de eisen die in de arbeidsomstandighedenwetgeving zijn vastgelegd en die zijn uitgewerkt in het competentieprofiel.

De hercertificatie moet meer tegemoet komen aan de profilering van de kerndeskundige. De specialisaties moeten hierin uitgelicht worden. In het competentieprofiel worden vijf kerntaken benoemd die in ieder geval uitgevoerd moeten worden. Hierin kan met verschillende competenties gewerkt worden.

De Hogere Veiligheidskundige houdt zich vooral bezig met het onderzoeken en/of adviseren op het gebied van een veilige werkomgeving.

De Hogere Veiligheidskundige is in staat om bij organisaties een veilige werkomgeving te maken en/of te behouden. In het competentieprofiel zijn de vijf kerntaken benoemd die de Hogere Veiligheidskundige uitvoert. Binnen elke kerntaak beschikt de Hogere Veiligheidskundige over verschillende competenties; minimaal een algemene en een beroepsspecifieke competentie per kerntaak. De kruisjes in de kerntaak-competentie-matrix (zie deel 4 van het Competentieprofiel Hogere Veiligheidskundige ), vormen de eerste fase en mogelijkheid van persoonlijke specialisatie van de Hogere Veiligheidskundige. Hierin kan bijvoorbeeld tot uitdrukking komen dat de Hogere Veiligheidskundige vooral adviserend of juist meer onderzoekend bezig is.

Bovendien kan de Hogere Veiligheidskundige zich verder specialiseren in een of meerdere van de navolgende kennisgebieden of -aspecten:

Binnen de kennisgebieden van het HVK vak kan de Hogere Veiligheidskundige zich ook specialiseren in bepaalde taakgebieden.

Deze taakspecialisatie hangt samen met een nadere specialisatie in bepaalde vaardigheden binnen het vakgebied van de Hogere Veiligheidskundige.

Tenslotte kan de hogere veiligheidskundige zich bijzonder bekwamen in bepaalde branches of sectoren, zoals onderwijs, zorg, overheid, industrie, bouw chemie e.d.

De specifieke specialisatie in kennis, taak en/of branche kan de kerndeskundige in zijn persoonlijke portfolio tot uitdrukking brengen.

Document: WSCS-AO: 2012, versie 1

Onder beheer van:

Stichting Beheer Certificatie Deskundigen (BCD)

Lange Voorhout 14

2514 ED Den Haag

In dit persoonscertificatieschema voor Arbeids- en Organisatiedeskundigen (A&O) wordt enerzijds algemene uitgangspunten en bepalingen opgenomen en wordt beschreven binnen welke voorwaarden de afgifte van certificaten dient te gebeuren. Anderzijds worden in het schema de normen vastgelegd waaraan personen dienen te voldoen om een certificaat van vakbekwaamheid te kunnen ontvangen.

Deze certificatieregeling is opgesteld door het betreffende Centraal College van Deskundigen (CCvD ARBO) van de Beheerstichting Certificatie van Deskundigen (Stichting BCD). Het schema is door het ministerie van SZW vastgesteld. Pas na vaststelling van deze regeling door de minister van SZW mag de certificatieregeling door de certificatie-instellingen (CKI’s) worden toegepast.

De te certificeren deskundige betreft de Arbeids- en Organisatiedeskundige. De Arbeids- en Organisatiedeskundige houdt zich bezig met mensen in een arbeidsorganisatie (of organisatie waar arbeid plaatsvindt). De deskundige is de aangewezen specialist op het gebied van Psycho Sociale Arbeidsbelasting en de kwaliteit van de arbeid en organisatie. De deskundige adviseert onder meer over werkdruk, stres, gezondheidsmanagement, ongewenst gedrag en functioneringsproblematiek. De deskundige heeft een veranderkundig perspectief.

De Nederlandse Arbeidsomstandighedenwet vereist certificering voor ‘Arbeids- en Organisatiedeskundigen’. Een Arbeids- en Organisatiedeskundige is een deskundige op het terrein van de arbeids- en organisatiekunde conform artikel 2.7 van het Arbeidsomstandighedenbesluit en hij is in het bezit van een certificaat van vakbekwaamheid arbeids- en organisatiekunde conform artikel 2.17 van de Arbeidsomstandighedenregeling. Meer informatie over het vakbekwaamheidsprofiel (competentieprofiel) van de A&O-er is terug te vinden in bijlage 6 van deze regeling.

Deze certificatieregeling is gestructureerd in overeenstemming met de eisen uit ISO/IEC 17024:2003.

Het verrichten van arbeid is een risicovolle activiteit. Om het maatschappelijke belang – veiligheid en gezondheid van en rondom de arbeid – te waarborgen, is door de overheid gekozen voor een wettelijk verplichte certificatieregeling voor de borging van de vakbekwaamheid van de beroepsgroep A&O.

Dit werkveldspecifieke certificatieschema Arbeids en Organisatiedeskundige is door de stichting BCD voorgesteld en door het ministerie van SZW – inclusief eventuele aanpassingen – vastgesteld. De minister van SZW kan ook op eigen initiatief wijzigingen aanbrengen in de vastgestelde documenten. Dit vastgestelde schema vervangt eerdere versies. Op- en of aanmerkingen over de certificatieregeling kunnen worden ingediend bij de stichting BCD.

Binnen het kader van deze certificatieregeling zijn actief:

Risicoanalyse

Risico’s in het werkveld zijn een te hoge psychische en fysieke belasting met als gevolg gezondheidsschade. Verkeerde psychische belasting met als gevolg schade aan de productie of productiemiddelen of productieverlies. Verkeerde organisatie van het werk, met als gevolg veiligheidsrisico’s of schade aan productie(middelen) of verlies van productie. Ongewenst gedrag met als gevolg pycnische overbelasting, sociale uitsluiting en productieschade etc. Risico’s voor het bedrijf zijn het risico van verkeerd advies door de A&O deskundige ofwel schadeaansprakelijkheid.

Afbreukrisico

Afbreuk risico’s voor de adviseur zijn, dat je als adviseur moet kiezen tussen de kwaliteit van het advies en de implementatiekans hiervan binnen de organisatie van de werkgever. Een niet prettig of wenselijk advies daar waar de opdrachtgever zelf onderdeel van het probleem is, maar ook de privacy gegevens die anoniem zijn blijven bij de opdrachtgever.

Dit reglement omschrijft de procedures die relevant zijn voor het juist toepassen van het specifieke schema. Hierbij moet gedacht worden aan onder meer procedure van aanvraag, de examinering, de wijze waarop de uitslag bekend gemaakt word en condities met betrekking tot de certificatie, de afgifte van certificaten/verklaringen, procedures bij het uitvoeren van toezicht, klachtenafhandeling en het indienen van een verzoek om herziening.

De arbeid & organisatiedeskundige, dient in overeenstemming met de certificatieregeling A&O een aanvraag in voor het persoonscertificaat bij een CKI. Vervolgens verstrekt de CKI relevante informatie over de gang van zaken betreffende het gehele certificatieproces.

Het certificatiebesluit wordt genomen door een functionaris van de CKI die niet betrokken is geweest bij de beoordeling van de kandidaat. Deze functionaris is daartoe gekwalificeerd en aangesteld conform het kwaliteitsmanagementsysteem en de procedures die de CKI heeft op grond van het Document voor aanwijzing en toezicht op de certificatie-instellingen voor A&O (het WDA&T).

De geldigheidsduur voor een persoonscertificaat volgens het certificatieschema voor de certificatie van A&O is vijf jaar.

Met betrekking tot de geldigheid van het certificaat worden condities gesteld. Indien niet voldaan wordt aan deze condities kan dit consequenties hebben voor het certificaat. De condities en de wijze waarop door de CKI toegezien dient te worden, worden opgesteld door de stichting BCD en vastgelegd in het Document voor aanwijzing en toezicht op de certificatie-instellingen voor A&O.

Behandelingswijze van klachten van kandidaten en certificaathouders. De klachtenregeling is opgenomen in bijlage 1.

De bezwaarprocedure is opgenomen in bijlage 2.

De CKI registreert de gegevens van de certificaathouder. Deze gegevens worden conform de overeenkomst met de stichting BCD tenminste zo vaak als mutaties zich voordoen elektronisch verzonden aan de stichting ten behoeve van het Certificaatregister van de stichting, dat wordt opgezet conform wettelijke bepalingen. Dit register wordt via internet toegankelijk gemaakt. De stichting BCD is verantwoordelijk voor het beheer van het register.

De stichting BCD dient te zorgen voor eenduidige norminterpretatie van dit certificatieschema. Toch kan het voorkomen dat er in de operationele fase verschillende interpretaties bestaan van één of meerdere gehanteerde begrippen. Mocht het gebeuren dat certificaathouders, CKI’s of andere belanghebbenden uiteenlopende definities hanteren en hierover meningsverschillen bestaan, dan dienen afwijkende interpretaties te worden voorgelegd aan de stichting BCD, die alvorens te antwoorden advies vraagt aan het CCvD ARBO.

Dit reglement bevat bepalingen voor de voorbereiding, uitvoering en beoordeling van examens ten behoeve van de persoonscertificatieregeling A&O. De CKI beheert de examinatorenpool. De CKI maakt gebruik van deze examinatoren voor het afnemen van examens voor A&O certificatie. De examinator legt zich toe op de voorbereiding, uitvoering en beoordeling van examens. De eisen aan de examinatoren zijn in bijlage 3 verwoord, in bijlage 4 staan de exameneisen.

Dit reglement bevat bepalingen voor de voorbereiding, uitvoering en beoordeling van examens ten behoeve van de persoonscertificatieschema A&O. De examinering geschiedt onder verantwoordelijkheid van de CKI en bestaat uit een schriftelijke en/of mondelinge portfoliobeoordeling.

In het examenreglement van de CKI dienen de volgende zaken opgenomen te zijn:

De examen-pool is een organisatorisch onderdeel van de CKI. De CKI dient zich hierbij te houden aan artikel 4.5 ‘subcontracting’ van ISO/IEC 17024.

Indien gebruik wordt gemaakt van een centrale itembank, dan geschiedt het beheer van de itembank onder strikte geheimhouding door de CKI. De wijze van beheer van de itembank is schriftelijk vastgelegd en aantoonbaar geaccordeerd door het management van de CKI. In de itembank worden de theorievragen inclusief de cesuur opgeslagen welke vooraf zijn opgesteld.

Het doel van het toezicht is om de vakbekwaamheid van gecertificeerd personeel te toetsen. De CKI is verplicht te beoordelen of de certificaathouder voldoet en blijft voldoen aan de gestelde eisen. Gezien de risicoanalyse en het geringe afbreukrisico op de korte termijn voor het bedrijf is de certificatieperiode vastgesteld op vijf jaar. Om dezelfde reden kan normaliter worden volstaan met één tussentijdse controle van alle certificaathouders.

De certificaathouder is verplicht mee te werken aan toezicht door de CKI en, voor zover van toepassing, de nationale accreditatie-instantie en de Inspectie SZW. In de overeenkomst tussen de CKI en de certificaathouder worden de hiertoe benodigde bepalingen opgenomen, waaronder bepalingen ten aanzien van een meer uitgebreide controles door de CKI bij een ad random gekozen deel van de certificaathouders ter verificatie van de aangeleverde gegevens bij de tussentijdse controles.

Het toezicht wordt als volgt uitgevoerd:

De termijn voor het aanleveren van de benodigde documenten bestaande uit de werkgeversverklaring (of accountantsverklaring) en de deelnamelijst, dienen binnen zes weken te worden overlegd aan de CKI.

De CKI stelt een verslag op van de bevindingen van het toezicht. Het resultaat van het toezicht wordt schriftelijk aan de certificaathouder bekend gemaakt. De certificaathouder kan bezwaar aantekenen tegen maatregelen (zie paragraaf 6.5) die opgelegd kunnen worden naar aanleiding van het toezicht. De CKI behandelt het bezwaar conform haar bezwaarprocedure (bijlage 2).

Een klacht betreffende de certificaathouder wordt bij de CKI ingediend. De CKI behandelt de klacht conform haar klachtenregeling (bijlage 1).

Indien blijkt dat een certificaathouder niet voldoet aan de eisen of normen van dit certificatieschema heeft, kan dit leiden tot door de CKI opgelegde maatregelen. Mogelijke maatregelen zijn herstel activiteiten, opvragen van aanvullende/ontbrekende documenten, schorsen, wijzigen ten nadele van de certificaathouder of het intrekken van het certificaat.

Criteria

Ontbrekende documenten worden opgevraagd als de werkgeversverklaring of accountantsverklaring en/of de deelnamelijsten ontbreken.

Schorsen van het certificaat vindt in ieder geval plaats indien de werkervaring aantoonbaar minder is als twee dagdelen gemiddeld per week en het voor de certificaathouder mogelijk is binnen een half jaar dit alsnog aan te tonen.

Intrekken van het certificaat vindt in ieder geval plaats indien de werkervaring aantoonbaar minder is als twee dagdelen gemiddeld per week en/of deelname aan de ICT-groep niet is aangetoond.

Nadere eisen stellen, schorsen of intrekken van het certificaat kan geschieden wanneer de kandidaat niet voldoet aan die gestelde eisen van het schema Arbeids- en Organisatiedeskundige of wanneer de CKI hiervoor een gegronde reden heeft. Een certificaat kan ook worden ingetrokken bij fraude, overlijden of op eigen verzoek van de certificaathouder.

Indien er sprake is van maatregel wordt dit aan de certificaathouder kenbaar gemaakt. Bij het opleggen van een maatregel dient de CKI aan te geven binnen welke periode de maatregel moet zijn uitgevoerd. De CKI controleert daarop de uitvoering. Schorsen en intrekken dienen door de CKI ingebracht te worden in een centraal registratiesysteem. Tevens dient de Inspectie SZW hiervan in kennis gesteld te worden.

Indien een certificaathouder na een intrekking opnieuw gecertificeerd wil worden dient dezelfde procedure doorlopen te worden als bij initiële certificatie. Opnieuw certificeren na een intrekking kan pas na een jaar na de datum van intrekking. De CKI dient voor verstrekking van een certificaat bij het centraal registratiesysteem te verifiëren of er geen sprake is van een intrekking met de daaraan gekoppelde wachtperiode.

Dit werkveldspecifieke certificatieschema voor personen is door het CCvD ARBO van de stichting BCD opgesteld. Het betreft certificatie van vakbekwaamheid op het gebied van de arbeids & organisatiekundige. Door het Ministerie van SZW is deze certificatieregeling vastgesteld middels een statische verwijzing in de Arboregeling. Deze vastgestelde regeling vervangt daarmee eerdere versies.

Het onderwerp (de scope) van dit certificatieschema betreft de competenties A tot en met J in het competentieprofiel van de Arbeids & Organisatiedeskundige, zoals beschreven in hoofdstuk 3 van bijlage 6 bij dit document. Voor het aantonen van de competenties wordt een portfolio opgesteld door de aanvrager van de (her)certificatie.

Alvorens de CKI overgaat tot het uitvoeren van het certificatieonderzoek van het wettelijk verplichte persoonscertificaat Arbeids & Organisatiedeskundige, dient de kandidaat te voldoen aan de hierna beschreven entreecriteria:

Ad. 1

De aanvraag moet aan de volgende eisen voldoen:

De CKI controleert of de aanvraag voldoet aan de bovenstaande eisen, wanneer dit niet het geval is wordt er met de aanvrager contact opgenomen.

Ad. 2

De aanvrager kan hiervoor één van de volgende documenten aanleveren:

De CKI controleert of de aanvraag voldoet aan de bovenstaande eisen, wanneer dit niet het geval is wordt er met de aanvrager contact opgenomen.

Ad. 3

De aanvrager dient hiervoor het volgende document te overhandigen: een examenoproep waaruit blijkt dat de kandidaat deelneemt aan het examen van een toegelaten beroepsopleiding Arbeids & Organisatiedeskundige.

Kandidaten die al in het bezit zijn van een diploma beroepsopleiding kunnen gebruik maken van de overgangsregeling (bijlage 8).

In het geval de kandidaat een niet toegelaten beroeps opleiding heeft gevolgd biedt de CKI de mogelijkheid om een onderzoek te verrichten waaruit al dan niet de gelijkwaardigheid van de beroepsopleiding blijkt. Wanneer hiervan sprake is dan wordt het diploma als gelijkwaardig gesteld aan een door de CKI toegelaten opleiding. De kosten van dit onderzoek zijn voor rekening van de kandidaat.

In het geval de kandidaat beschikt over een diploma van een beroepsopleiding buiten de EU dan is het aan de kandidaat om een portfolio aan te maken en het portfoliotraject te doorlopen. Na vijf jaar kan de kandidaat deelnemen aan de portfolio beoordeling, zoals bij hercertificatie het geval is. Bij een positief oordeel kan dan tot initiële certificering door de CKI worden overgegaan.

De CKI controleert of de aanvraag voldoet aan de bovenstaande eis, wanneer dit niet het geval is wordt er met de aanvrager contact opgenomen.

Ad. 4

De aanvrager kan hiervoor één van de volgende documenten aanleveren:

De CKI controleert of de aanvraag voldoet aan de bovenstaande eisen, wanneer dit niet het geval is wordt er met de aanvrager contact opgenomen.

Ad. 5

De aanvrager dient hiervoor het volgende document te overhandigen:

De CKI bekijkt of alle bewijsstukken zijn overlegd en stuurt hiervan een ontvangstbevestiging naar de kandidaat. Wanneer de kandidaat aan de bovenstaande entreecriteria heeft voldaan, dan wordt de aanvraag in behandeling genomen, zie hoofdstuk 10, waarna de examinator de inhoudelijke check van de bewijsstukken verricht.

NB. De opbouw van het portfolio is niet gebonden aan een opleidingsinstelling of een CKI.

Omwille van de leesbaarheid van dit certificatieschema is het competentieprofiel van de Arbeids- en Organisatiedeskundige opgenomen als bijlage 6 bij dit document.

De aanvrager heeft aan de entreecriteria van hoofdstuk 8 voldaan. Daarna volgt de vakinhoudelijke toets welke wordt verricht door de examinator en onderstaand is beschreven:

Ad. 1

De examinator bekijkt of de scope van de aanvraag valt onder de regeling van de Arbeids en Organisatiedeskundige. Wanneer dit niet het geval is, dan wordt de aanvraag niet verder in behandeling genomen. De examinator stelt de CKI hiervan op de hoogte. De CKI stelt de aanvrager hiervan schriftelijk op de hoogte ook voor wat betreft de verdere afhandeling van de aanvraag.

Ad. 2

De examinator gaat na of:

Wanneer één van de bovenstaande punten niet in orde is, dan wordt de aanvrager (via de CKI) in de gelegenheid gesteld om dit binnen zes weken alsnog aan te vullen. Indien de aanvrager hierop niet reageert dan wordt de aanvraag door de CKI afgewezen. De aanvrager heeft dan de mogelijkheid om een nieuwe aanvraag voor certificatie in te dienen bij de CKI.

Ad. 3

De examinator bekijkt of:

Wanneer één van de bovenstaande punten niet in orde is, dan wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld om dit binnen zes weken alsnog aan te vullen. Indien de aanvrager hierop niet reageert dan wordt de aanvraag door de CKI afgewezen. De aanvrager heeft dan de mogelijkheid om een nieuwe aanvraag voor certificatie in te dienen bij de CKI.

Ad. 4

De werkervaring van de Arbeids- en Organisatiekundige toont aan dat hij in staat is competenties zelfstandig in de praktijk toe te passen. Met betrekking tot de opgedane werkervaring bekijkt de examinator:

Wanneer één van de bovenstaande punten niet in orde is, dan wordt de kandidaat (via de CKI) in de gelegenheid gesteld om dit binnen zes weken alsnog aan te vullen. Indien de kandidaat hierop niet reageert dan wordt de aanvraag door de CKI afgewezen. De aanvrager heeft dan de mogelijkheid om een nieuwe aanvraag voor certificatie in te dienen bij de CKI.

Ad. 5

De examinator kijkt naar de inhoud van het portfolio. Het portfolio bestaat uit een beschrijving van tenminste twee van de volgende vijf kerntaken:

Bij iedere kerntaak wordt aangegeven welke competenties hieraan zijn gekoppeld. Bestaande uit één algemeen en één beroeps specifieke competentie. Hiervoor wordt verwezen naar het Competentieprofiel Arbeids- en Organisatiedeskundigen welke terug is te vinden in bijlage 6 van deze regeling.

Bij iedere kerntaak wordt weergegeven welke kennis (uit bijvoorbeeld boeken, internet, rapporten, werkinstructies) als achtergrond voor de uitoefening van deze kerntaak is gebruikt ter onderbouwing. Wenselijk is dat er bij een kerntaak een beschrijving wordt gegeven van de relevante informatie bijvoorbeeld een boek: titel, auteur, druk en hoofdstuk vermelding, waarvan gebruik is gemaakt voor de uitoefening van deze taak.

Tijdens de initiële opleiding worden de vier kerntaken uitgewerkt binnen de afstudeeropdracht, die in een ICT-groep zijn besproken. Hieruit worden er dus de bijbehorende competenties, vier leervragen, vier verbeter en ontwikkelvoorstellen en vier verbeteracties beschreven. Deze punten kunnen overlappend zijn.

Ontbrekende informatie in het portfolio wordt via de CKI bij de kandidaat opgevraagd. De ontbrekende informatie moet tijdig (ten minste twee weken voor datum examen) worden aangeleverd zodat de examinator nog voldoende tijd heeft voor een beoordeling. Indien de kandidaat hierop niet reageert dan wordt de aanvraag door de CKI afgewezen. De kandidaat wordt hiervan schriftelijk door de CKI op de hoogte gesteld. De aanvrager heeft dan de mogelijkheid om een nieuwe aanvraag voor certificatie in te dienen bij de CKI.

De toets is bedoelt om de wijze waarop de Arbeids- en Organisatiedeskundige werkt aan zijn professionele ontwikkeling te toetsen. De toets wordt mondeling afgenomen door één examinator op basis van het portfolio van de kandidaat. Vooraf wordt aan de kandidaat kenbaar gemaakt wat de duur zal zijn van het examen en op welke wijze het examen zal worden afgenomen. De basis voor de toets is de door de Arbeids- en Organisatiedeskundige ingevulde kerntaak-competentie-matrix. De kerntaak-competentie-matrix koppelt kerntaken en competenties aan elkaar. De Arbeids- en Organisatiedeskundige geeft zelf aan welke competenties hij bij welke kerntaak heeft, of wil ontwikkelen. Dit geeft belangrijke informatie voor de toetsing. Het maakt inzichtelijk welke competentie in welke kerntaak kan worden getoetst. De kerntaak-competentie-matrix bestaat uit 5 kerntaken en 10 competenties:

Met bovenstaande kerntaak-competentie-matrix stelt de Arbeids- en Organisatiedeskundige een profiel samen dat past bij zijn eigen invulling van het vak. Er wordt onderscheid gemaakt tussen een profiel dat de situatie bij de initiële certificering of aan het begin van een nieuwe certificeringperiode weergeeft (de initiële matrix) en een profiel dat weergeeft op welke aspecten de deskundige zich verder wil ontwikkelen of zich heeft ontwikkeld tijdens de achterliggende certificeringperiode (de ontwikkelmatrix).

De initiële matrix wordt ingevuld bij de initiële certificering en aan het begin van een nieuwe certificeringperiode. De deskundige geeft op elke kerntaak aan over welke competenties hij beschikt. Dat dient minimaal één algemene en één beroepsspecifieke competentie te zijn. In de ontwikkelmatrix geeft de deskundige aan welke competenties hij wil ontwikkelen. Dit kan een nieuwe competentie zijn, of een verbetering van een bestaande competentie. Gedurende de certificeringperiode van vijf jaar illustreert de deskundige zijn ontwikkeling aan de hand van 4 cases. Per casus benoemt hij ten minste 3 competenties binnen de kerntaak waar de casus betrekking op heeft. De ontwikkelmatrix bevat minimaal twaalf kruisjes waarvan er 4 gekoppeld zijn aan de ingebrachte cases. Deze ontwikkelcompetenties worden in het verslag uitgewerkt in leervragen, een verbetervoorstel en een verbeteractie. In totaal dus 4 verslagen met 4 ontwikkel punten over 5 jaar.

Tijdens de toets verdedigd de Arbeids- en Organisatiekundige dit portfolio. De examinator stelt een verslag op van de toetsing van het portfolio. Op basis van dit verslag brengt de examinator een advies uit. Het verslag en het advies worden aan de CKI toegezonden.

Vijf jaar na (her)certificatie vervalt het certificaat en moet de aanvrager aantonen aan de (her)certificatie eisen te voldoen. Ook nu volgt er een vakinhoudelijke toets welke wordt verricht door de examinator en onderstaand is beschreven.

De CKI controleert of de bovengenoemde documenten aanwezig zijn volgens hoofdstuk 8, voor zover van toepassing.

Ad. 1

De examinator bekijkt of de scope van de aanvraag valt onder de regeling van de Arbeids en Organisatiedeskundige. Wanneer dit niet het geval is, dan wordt de aanvraag niet verder in behandeling genomen. De examinator stelt de CKI hiervan op de hoogte en geeft aan onder welke regeling de aanvraag dan wel valt. De CKI stelt de aanvrager hiervan schriftelijk op de hoogte ook voor wat betreft de verdere afhandeling van de aanvraag.

Ad. 2

De examinator bekijkt of:

Wanneer één van de bovenstaande punten niet in orde is, dan wordt de Arbeids en Organisatiedeskundige (via de CKI) in de gelegenheid gesteld om dit binnen zes weken alsnog aan te vullen. Indien de Arbeids en Organisatiedeskundige hierop niet reageert dan wordt de aanvraag door de CKI afgewezen. De Arbeids en Organisatiedeskundige heeft dan de mogelijkheid om een nieuwe aanvraag voor certificatie in te dienen bij de CKI.

Ad. 3

De examinator kijkt naar de inhoud van het portfolio. Het portfolio bestaat na vijf jaar uit een beschrijving van de volgende vijf kerntaken:

Bij iedere kerntaak wordt aangegeven welke competenties hieraan zijn gekoppeld.

Bestaande uit één algemeen en één beroeps specifieke competentie. Hiervoor wordt verwezen naar het Competentie Profiel Arbeids & Organisatiedeskundigen welke terug is te vinden in bijlage 6 van deze regeling.

Bij iedere kerntaak wordt weergegeven welke kennis (uit bijvoorbeeld boeken, internet, rapporten, werkinstructies) als achtergrond voor de uitoefening van deze kerntaak is gebruikt ter onderbouwing. Wenselijk is dat er bij een kerntaak een beschrijving wordt gegeven van relevante informatie bijvoorbeeld een boek: titel, auteur, druk en hoofdstuk vermelding, waarvan gebruik is gemaakt voor de uitoefening van deze taak.

Minimaal vier cases kort uitgewerkt in een verslag, die eventueel tijdens de toegelaten beroepsopleiding in een ICT groep zijn besproken. Hieruit worden er dus de bijbehorende competenties, vier leervragen, vier verbeter en ontwikkelvoorstellen en vier verbeteracties beschreven. Deze punten kunnen overlappend zijn.

Wanneer het portfolio compleet is en de aanvrager heeft voldaan aan de bovenstaande criteria, dan mag de Arbeids en Organisatiedeskundige deelnemen aan de toets (overhoring van het portfolio). De Arbeids en Organisatie deskundige wordt hiervan schriftelijk door de CKI op de hoogte gesteld.

Wanneer het portfolio niet in orde is, dan wordt de Arbeids en Organisatie deskundige in de gelegenheid gesteld om dit binnen zes weken alsnog aan te vullen. Indien de Arbeids en Organisatiedeskundige hierop niet reageert dan wordt de aanvraag door de CKI afgewezen. De Arbeids en Organisatiedeskundige wordt hiervan schriftelijk door de CKI op de hoogte gesteld. De Arbeids en Organisatiedeskundige heeft dan de mogelijkheid om een nieuwe aanvraag voor certificatie in te dienen bij de CKI.

Ad. 4

Certificaathouders tonen aan dat zij kennis van het vak bijhouden (bij- en nascholing) door bijvoorbeeld het schrijven van een artikel binnen de ICT-groep of het vervullen van een bestuursfunctie binnen het vakgebied. Hieraan wordt een nog op te stellen cesuur gekoppeld.

Er is één examinator die een mondeling examen afneemt op basis van het portfolio van de kandidaat. De examinator stelt een verslag op van de toetsing van het portfolio. Op basis van dit verslag brengt de examinator een advies uit. Het verslag en het advies worden aan de CKI toegezonden.

Indien het proces met één examinator niet goed functioneert worden er twee examinatoren ingezet tijdens examens.

Voor meer informatie inzake de toetsingsprocedure wordt verwezen naar het examenreglement en het Competentie profiel Arbeids en Organisatiedeskundigen (A&O) paragraaf 4.2.

De volgende gegevens worden (minimaal) op het certificaat vermeld:

Gedurende de looptijd gelden de volgende condities waar de certificaathouder zich aan moet houden. Indien niet voldaan wordt aan deze condities kan dit consequenties hebben voor het certificaat (zie maatregelenbeleid).

Het bovenstaande moet zijn opgenomen in de certificatieovereenkomst welke door de certificaathouder is ondertekend.

Een adequate behandeling van klachten is belangrijk voor het creëren van vertrouwen in certificatie en belangrijk voor de bescherming van zowel de certificaathouders als de gebruikers van certificaten.

Aan een CKI worden onder meer de volgende eisen gesteld:

Indien de CKI klachten van derden, zoals een opdrachtgever, ontvangt over het voldoen aan dit schema door het bedrijf of de persoon die een aanvraag voor het certificaat heeft ingediend of certificaathouder is, dient de CKI de klager te verwijzen naar het bedrijf of de persoon. De CKI dient de klacht te betrekken bij de eerstvolgende beoordeling bij het betreffende bedrijf of de betreffende persoon.

Echter, indien het naar de mening van de CKI een ernstige klacht betreft, dient de CKI, naast de behandeling door het bedrijf of de persoon, zelf ook direct te beoordelen of de klacht gevolgen dient te hebben voor de beslissing m.b.t. certificatie.

In dat geval dient de CKI af te wegen of het gewenst is een extra beoordeling uit te voeren. De kosten van deze extra beoordeling komen in beginsel voor rekening van de certificaathouder.

Inleiding

In deze werkinstructie wordt de afhandeling van een klacht besproken. Voor iedere afzonderlijke klacht wordt een apart klachtenformulier ingevuld.

Werkwijze

Wanneer iemand probeert een klacht telefonisch of mondeling te melden, wordt aan hem/haar gevraagd deze schriftelijk te verwoorden. Als een klacht schriftelijk binnenkomt wordt deze meteen naar de kwaliteitsmanager gebracht en indien de klachtafhandelaar duidelijk is krijgt hij/zij meteen een kopie van de klacht.

De kwaliteitsmanager registreert de klacht op een klachtenformulier en stelt de directeur CKI op de hoogte van de klacht. De directeur van de CKI wijst de klachtafhandelaar aan. De kwaliteitsmanager vermeldt de klachtafhandelaar op het klachtenformulier en brengt de klachtafhandelaar schriftelijk op de hoogte van de klacht. De klachtafhandelaar informeert de indiener van de klacht schriftelijk over de ontvangst van de klacht.

Eenvoudige zaken

Klachtafhandelaar stuurt klacht door naar betrokken bedrijf/persoon; stelt indiener op de hoogte legt dossier aan tbv voortgangsbewaking en meenemen afhandeling klacht door bedrijf/persoon bij eerstvolgende beoordeling.

Ernstige klachten

Klachtafhandelaar beoordeelt de klacht en stelt vast of de klacht een incident betreft of dat de klacht moet leiden tot een aanpassing in de werkwijze.

Indien het een incident betreft, wordt de indiener daarvan op de hoogte gesteld. De klachtafhandelaar bedenkt samen met de indiener binnen drie weken na het indienen van de klacht een oplossing voor de afhandeling en betrekt bedrijf/persoon hierbij.

De oplossing zoals die met de indiener is besproken wordt vastgelegd op het klachtenformulier. Hier wordt tevens vermeld dat het gaat om een incident.

Indien de klacht een aanpassing van de werkwijze vergt bedenkt de klachtafhandelaar binnen 10 dagen een verbetervoorstel en bespreekt dit met de kwaliteitsmanager en betrekt bedrijf/persoon hierbij. Het verbetervoorstel moet een structurele verbetering inhouden van de werkwijze. Het verbetervoorstel wordt ingevuld op het klachtenformulier.

De klachtafhandelaar stelt de indiener op de hoogte van de afhandeling van de klacht.

De kwaliteitsmanager maakt de gewijzigde werkwijze bekend.

De kwaliteitsmanager start, indien nodig, een vervolgonderzoek naar de invoering van het verbetervoorstel. De bevindingen worden vastgelegd op het klachtenformulier. Het klachtenformulier wordt gearchiveerd.

Onderstaand worden de stappen beschreven die nodig zijn voor het afhandelen van een bezwaarschrift. Een dergelijk bezwaarschrift kan bijvoorbeeld ingediend worden tegen besluiten van de CKI inzake het niet (opnieuw) verlenen, schorsen of intrekken van een certificaat.

Algemeen:

Het bezwaar wordt niet-ontvankelijk verklaard:

Het examenpersoneel (examinatoren) heeft als doel de deskundigen te examineren bij initiële certificering en bij hercertificatie. Het examenpersoneel bestaat uit alle examinatoren die voor dit doel zijn aangewezen door de stichting BCD op voordracht van de beroepsverenigingen. Het examenpersoneel kiest uit de groep een vertegenwoordiger welke aanwezig is tijdens de vergaderingen van het CCvD ARBO ter advisering. Het examenpersoneel vormt het examenbureau. Het examenbureau is onafhankelijk van de beroepsverenigingen en opereert onder de verantwoording van de stichting BCD.

Examenpersoneel moet voldoen aan de volgende algemene, vakinhoudelijke en onafhankelijkheidseisen:

Examinatoren die voldoen aan de bovenstaande eisen kunnen door de CKI worden benoemd en worden ingezet voor het afnemen van examens.

Tweemaal per jaar is er een bijeenkomst voor examinatoren. De examinator is verplicht minimaal één bijeenkomst bij te wonen. In uitzonderlijke gevallen kan de stichting BCD hiervoor uitstel verlenen. De bijeenkomsten worden georganiseerd door de stichting BCD en de daartoe aangewezen CKI. Tijdens de bijeenkomsten worden de logboeken van de examinatoren, op compleetheid getoetst en besproken waarna eventuele verbeter en ontwikkelvoorstellen worden opgesteld.

Medewerkers van de CKI (inclusief de examinatoren) dragen zorg voor de absolute geheimhouding van de examenopgaven, voor zover deze opgaven geen onderdeel uitmaken van een publieke norm. Medewerkers van de CKI hebben een verklaring van geheimhouding ondertekend.

Te stellen eisen aan de examenlocatie zijn:

Te stellen eisen aan de examenmiddelen zijn:

Te stellen eisen aan het portfolio-examen zijn:

Uitgangspunt is dat een portfolio-examen bij voorkeur in de Nederlandse taal wordt afgenomen.

Dit competentieprofiel voor de Arbeids- en Organisatiedeskundige is opgesteld om de inhoud van het beroep Arbeids- en organisatiedeskundige vast te leggen. Het beroep wordt omschreven in kerntaken en competenties. Op deze manier is het competentieprofiel een instrument voor het meten van het vakmanschap. Daarnaast is het profiel het uitgangspunt voor de eisen die worden gesteld aan de te certificeren beroepsbeoefenaar. Het competentieprofiel is onderdeel van het certificatiesysteem dat moet resulteren in het certificaat voor de Arbeids- en organisatiedeskundige volgens de arbeidsomstandighedenwetgeving.

Dit competentieprofiel is bedoeld als basis voor de certificatie van deskundigen en niet voor het vormgeven van opleidingen. Dat is een belangrijk verschil met een profiel zoals dat gebruikt wordt bij opleidingsinstituten. De beschrijving van het beroep is gebaseerd op opgedane ervaring en vakmanschap van professionals en niet op pas afgestudeerde deskundigen. Het proces dat de beroepsbeoefenaar doorloopt is richtinggevend bij deze beschrijving.

In dit document is een kerntaak-competentie-matrix opgenomen (hoofdstuk 4). Deze matrix geeft weer welke competenties ingezet worden bij de uitvoering van de deelprocessen van een kerntaak. Op basis van hoofdzakelijk deze kerntaak-competentie-matrix, worden de toetsingscriteria opgesteld. Deze criteria stelt het Centraal College van Deskundigen vast. Mede aan de hand van de mate waarin aan deze criteria wordt voldoen, verstrekt of verlengt de certificatiecommissie en de certificerende instelling(en) al dan niet een persoonscertificaat. Daarnaast kunnen opleidingsinstellingen het competentieprofiel en de toetsingscriteria gebruiken als uitgangspunt voor het optimaal laten aansluiten van hun opleiding op het certificeringsysteem van de Stichting Beheer Certificatie Deskundigen (Stichting BCD). Waar in dit document de mannelijke verwijzing wordt gehanteerd kan, waar van toepassing, ook de vrouwelijke vorm worden gelezen.

Dit document bestaat uit vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 beschrijft het beroep. Ook wordt de totstandkoming van dit Competentieprofiel onderbouwd en wordt verwezen naar bronmateriaal. Hoofdstuk 2 beschrijft de kerntaken die de beroepsbeoefenaar uitvoert. Hoofdstuk 3 beschrijft de algemene en beroepsspecifieke competenties. Hoofdstuk 4 maakt inzichtelijk welke competenties ingezet worden bij de uitvoering van een kerntaak.

Het beroep ‘Arbeids- en Organisatiedeskundige’ is een van de vier in Nederland, bij wet erkende, kerndeskundigen op het terrein van de arbeidsomstandigheden. Samen met de bedrijfsarts, de hogere veiligheidskundige en de arbeidshygiënist is de arbeids- en organisatiedeskundige algemeen adviseur op het terrein van gezondheid en duurzame inzetbaarheid in arbeidsorganisaties. Ook adviseert hij over het optimaliseren van de arbeidsomstandighedenzorg.

De arbeids- en organisatiedeskundige houdt zich bezig met mensen en arbeid binnen een organisatie. Vanuit een veranderkundig perspectief adviseert de deskundige over onder andere gezondheidsmanagement, psychosociale arbeidsbelasting en de kwaliteit van de arbeid.

De Nederlandse Arbeidsomstandighedenwet vereist certificering voor ‘Arbeids- en Organisatiedeskundigen’. Een Arbeids- en Organisatiedeskundige is een deskundige op het terrein van de arbeids- en organisatiekunde conform het Arbeidsomstandighedenbesluit en is in het bezit van een certificaat van vakbekwaamheid arbeids- en organisatiekunde.

De Arbeids- en Organisatiedeskundige ontwikkelt continu zijn vak en vaardigheden. Hij werkt samen, verbindt en integreert kennis van oorzaken, gevolgen en oplossingen en onderneemt in zijn vak. De Arbeids- en Organisatiedeskundige heeft een deel van de kerntaken gemeen met de andere gecertificeerde niet-medische arbodeskundigen (arbeidshygiënist en hogere veiligheidskundige). Hij onderscheidt zich van hen in de kerntaken:

Daarnaast onderscheidt hij zich in een specialisatie in het onderzoeken en/of adviseren op het gebied van gezonde organisaties.

Het beroep wordt beschreven in vijf kerntaken die samen het gehele beroep omvatten. Hierbij:

Beroepsuitoefenaars kunnen zich daar in meerdere of mindere mate in specialiseren.

In het beroep van Arbeids- en Organisatiedeskundige kan onderscheid gemaakt worden tussen algemene competenties – die in veel beroepen terug te vinden zijn – en beroepsspecifieke competenties. De algemene competenties zijn beschreven in paragraaf 3.1 en de beroepsspecifieke competenties zijn beschreven in paragraaf 3.2. De gebruikte aanduidingen zijn dezelfde als die in de kerntaak-competentie matrices in hoofdstuk 4.

De opleidingsinstituten kunnen toegelaten worden door een beoordeling van een daartoe door de stichting BCD aangewezen CKI. Een toegelaten opleiding voldoet aan de eisen die in het document ‘toelaten van opleidingen’ gesteld worden. Het CCvD zal de huidige documenten van Hobéon SKO en KIWA in 2012 bijstellen en verbeteren. Tot de bijgestelde documenten gepubliceerd en goedgekeurd door de stichting BCD blijven de oude documenten in gebruik. De documenten zijn te vinden op de website van de stichting BCD.

Per 1 april 2012 wordt er op de nieuwe manier van wetenschappelijk niveau (portfoliocyclus) gewerkt. Dit betekent voor certificatie-aanvragers die de opleiding reeds hebben afgerond dat zij nog initieel gecertificeerd kunnen worden op de ‘oude’ manier en daarna de portfoliocyclus voor hercertificatie ingaan.

Certificaathouders die hun hercertificatie doen worden op de ‘oude’ manier gehercertificeerd tot het jaar 2016 en gaan dan ook de portfoliocyclus in. Certificaathouders waarvan het certificaat nog geldig is, kunnen ervoor kiezen hun cyclus af te maken en worden dan nog op de ‘oude’ manier gehercertificeerd. Ze kunnen ook vervroegd de portfolio-cyclus ingaan. Dat wil zeggen dat zij voor de reeds verlopen certificatietermijn de ‘oude’ hercertificatie-eisen aantonen, waarna zij de portfolio-cyclus van 5 jaar ingaan.

verslag assessment

Naam examinandus:

Certificatieschema:

Datum examen:

Plaats examen:

Naam examinator:

Naam document:

Artikel:

Vraag:

Beoordelingscriteria:

(welke (ant)woorden zijn goed/fout,

vragen, kennisvragen, enz.)

Antwoord examinandus:

Beoordeling:

Naam document:

Artikel:

Vraag:

Beoordelingscriteria:

(welke (ant)woorden zijn goed/fout,

vragen, kennisvragen, enz.)

Antwoord examinandus:

Beoordeling:

Eindbeoordeling:

(minimaal <invoegen> van de vragen goed beantwoord).

De kerndeskundige is een vak dat onder de Arbeids- en Organisatiedeskundige valt, hij kan zijn vak op verschillende manieren invullen. Bij iedere certificatieaanvraag en hercertificering dienen de competenties op basis van het niveau zoals omschreven in hoofdstuk 2 t/m 4 van het competentieprofiel Arbeids en Organisatiedeskundige te worden aangetoond. Daarnaast zijn er diverse specialisaties mogelijk zoals kennisspecialisatie, taakspecialisatie en branchespecialisatie. De hierna genoemde specialisaties zijn geen verplicht onderdeel van de regeling Arbeids en Organisatiedeskundige. De kerndeskundige is vrij om zich te specialiseren in deze diverse specialisaties. De basis van het vak is beschreven in de vijf kerntaken in hoofdstuk 2 van het competentieprofiel Arbeids en Organisatiedeskundige. Dit deel gaat in op de specialisaties van de kerndeskundige.

Het vak van de kerndeskundige is een kunde, ofwel een toepassing van wetenschap en wetenschappelijke beargumentering. In het geval van de arbodeskundige is het een samengesteld vak uit verschillende wetenschappelijke gebieden. De Arbeids- en Organisatiedeskundige heeft als kenmerk dat hij na een gevolgde hbo- of wo-opleiding, een kopopleiding heeft doorlopen en afgerond. De kopopleiding moet voldoen aan de stand der wetenschap. Dit wil zeggen dat de student in ieder geval in de praktijk van het vak werkzaam is. Met het volgen van de kopopleiding wordt door het curriculum bepaald wat de basiscompetenties van de kerndeskundige zijn. Dit is het horizontale deel van het zogenaamde T-profiel.

De Arbeids- en Organisatiedeskundige is van oorsprong vaak arbeids- en organisatiepsycholoog, bedrijfskundige, personeelswetenschapper of arbeidssocioloog. De kopopleiding geeft zowel basis als gevorderde kennis, vaardigheden en werkt aan een gevorderde attitude. Dit wordt tijdens de opleiding weergegeven in een portfolio en aan het einde van de opleiding geëxamineerd. Het examen is competentiegericht. Dit wil zeggen dat het portfolio beoordeeld en getoetst wordt op essentiële kennis en vaardigheden zoals omschreven in hoofdstuk 2 t/m 4 van het Competentieprofiel Arbeids en Organisatiedeskundigen (A&O).

Na het volgen van de kopopleiding specialiseert de kerndeskundige zich in de praktijk. Een kerndeskundige kan zich specialiseren in één of meerdere richtingen. De specialisatie vormt de poot van de T (specialist of super specialist) of de poten van de Pi of M (meerdere specialisaties) zoals onderstaand afgebeeld. Hoe langer de poot, hoe gespecialiseerder de kerndeskundige.

De initiële of eerste certificering is vooral gericht op de generalist als beginner. Hier worden de basisvaardigheden getoetst. De opleidingen hebben hier een passende methodiek voor. De inhoud volgt de eisen die in de arbeidsomstandighedenwetgeving zijn vastgelegd en die zijn uitgewerkt in het competentieprofiel.

De hercertificering moet meer tegemoet komen aan de profilering van de kerndeskundige. De specialisaties moeten hierin uitgelicht worden. In het competentieprofiel worden vijf kerntaken benoemd die in ieder geval uitgevoerd moeten worden. Hierin kan met verschillende competenties gewerkt worden.

De Arbeids- en Organisatiedeskundige houdt zich vooral bezig met het onderzoeken en/of adviseren op het gebied van gezonde organisaties. De Arbeids- en Organisatiedeskundige kan een organisatie gezond maken en/of houden door veranderkundige interventies in die organisatie door te voeren.

In het competentieprofiel zijn de vijf kerntaken benoemd die de Arbeids- en Organisatiedeskundige uitvoert. Binnen elke kerntaak beschikt de Arbeids- en Organisatiedeskundige over verschillende competenties; minimaal een algemene en een beroepsspecifieke competentie per kerntaak. De kruisjes in de kerntaak-competentie-matrix (zie deel 4 van het Competentieprofiel Arbeids en Organisatiedeskundige), vormen de eerste fase en mogelijkheid van persoonlijke specialisatie van de Arbeids- en Organisatiedeskundige. Hierin kan bijvoorbeeld tot uitdrukking komen dat de Arbeids- en Organisatiedeskundige vooral adviserend of juist meer onderzoekend bezig is.

Bovendien kan de Arbeids- en Organisatiedeskundige zich verder specialiseren in een of meerdere van de navolgende kennisgebieden of -aspecten:

Binnen de kennisgebieden van het A&O-vak kan de Arbeids- en Organisatiedeskundige zich ook specialiseren in bepaalde taakgebieden:

Deze taakspecialisatie hangt samen met een nadere specialisatie in bepaalde vaardigheden binnen het vakgebied van de Arbeids- en Organisatiedeskundige.

Tenslotte kan de Arbeids- en Organisatiedeskundige zich bijzonder bekwamen in bepaalde branches of sectoren zoals onderwijs, zorg, overheid, industrie, bouw en dergelijke.

De specifieke specialisatie in kennis, taak en/of branche kan de kerndeskundige in zijn persoonlijke portfolio tot uitdrukking brengen. Het portfolio is onderdeel van het certificeringsdossier.

Vervallen

De informatie, bedoeld in artikel 3.9, onderdeel b, betreft voor zover van toepassing:

De informatie met betrekking tot het brandbestrijdingsplan, bedoeld in artikel 3.9, onderdeel c, betreft:

Het onderzoek, bedoeld in artikel 3.9, onderdelen f en i, met betrekking tot het mijnbouwwerk op het land, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of iedere vast opgestelde mijnbouwinstallatie, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder b betreft ten aanzien van:

Het onderzoek, bedoeld in artikel 3.9, onderdelen f en i, met betrekking tot iedere als een geheel verplaatsbare mijnbouwinstallatie als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c en iedere andere verplaatsbare installatie met behulp waarvan boorgaten worden geboord of werkzaamheden in of aan een bestaand boorgat worden uitgevoerd als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel d betreft ten aanzien van:

De informatie met betrekking tot het noodplan, bedoeld in artikel 3.14, betreft:

Veiligheids- en gezondheidsverklaring 10

Toestand van de ladingzone

Ligplaats

Niet aan de werf of het reparatiebedrijf.

Binnen de 25 meter van de ladingzone mag geen vuur aanwezig zijn of naar redelijke verwachting kunnen ontstaan

Toegestane werkzaamheden

Veiligheids- en gezondheidsverklaring 11

Toestand van de ladingzone

Ligplaats

Het schip mag naar de werf of het reparatiebedrijf. Echter alleen naar een veilige ligplaats (= een ligplaats waar binnen een afstand van 25 meter van de ladingzone geen vuur aanwezig is of naar redelijke verwachting kan ontstaan).

Binnen de 25 meter van de ladingzone mag geen vuur aanwezig zijn of naar redelijke verwachting kunnen ontstaan.

Toegestane werkzaamheden

Veiligheids- en gezondheidsverklaring 12/1

Toestand van de ladingzone

In het laatste geval is de Veiligheids- en gezondheidsverklaring 12/1 een voorloper van de Veiligheids- en gezondheidsverklaring 12/2.

Deze Veiligheids- en gezondheidsverklaring 12/2 kan pas worden uitgereikt indien sinds de uitreiking van de Veiligheids- en gezondheidsverklaring 12/1 ten minste 6 uren zijn verstreken. In deze periode mag zich geen wijziging voordoen in de toestand van de gehele ladingzone.

Ligplaats

Het schip mag naar de werf of het reparatiebedrijf.

Binnen de 25 meter van de ladingzone mag geen vuur aanwezig zijn of naar redelijke verwachting kunnen ontstaan.

Toegestane werkzaamheden

Veiligheids- en gezondheidsverklaring 12/2

Toestand van de ladingzone

De Veiligheids- en gezondheidsverklaring 12/2 kan pas worden uitgereikt indien gebleken is dat de ruimten waarin met vuur moet worden gewerkt veilig voor mensen en veilig voor vuur zijn gebleven, terwijl ook in de toestand van de andere ruimten binnen de ladingzone geen wijziging mag zijn opgetreden.

Daarnaast moeten er ten minste 6 uren verstreken zijn na het uitreiken van de bijbehorende Veiligheids- en gezondheidsverklaring 12/1.

Ligplaats

Het schip mag naar de werf of het reparatiebedrijf.

Binnen de 25 meter van de ladingzone mag geen vuur aanwezig zijn of naar redelijke verwachting kunnen ontstaan.

Toegestane werkzaamheden

Veiligheids- en gezondheidsverklaring 13/1

Toestand van de ladingzone

Aangezien echter de Veiligheids- en gezondheidsverklaring 13/1 de voorloper is van de Veiligheids- en gezondheidsverklaring 13/2 zal men er voor zorg moeten dragen dat de gehele ladingzone veilig voor vuur is. De Veiligheids- en gezondheidsverklaring 13/2 kan pas worden uitgereikt indien sinds de uitreiking van de Veiligheids- en gezondheidsverklaring 13/1 ten minste 6 uren zijn verstreken. In deze periode mag zich geen wijziging voordoen in de toestand van de gehele ladingzone.

Ligplaats

Het schip mag naar de werf of het reparatiebedrijf. Binnen de 25 meter van de ladingzone mag geen vuur aanwezig zijn of naar redelijke verwachting kunnen ontstaan.

Toegestane werkzaamheden

Veiligheids- en gezondheidsverklaring 13/2

Toestand van de ladingzone

Deze vastgestelde toestand is ongewijzigd gebleven na de uitreiking van de bijbehorende Veiligheids- en gezondheidsverklaring 13/1. Daarnaast moeten er ten minste 6 uren verstreken zijn na het uitreiken van de bijbehorende Veiligheids- en gezondheidsverklaring 13/1.

Ligplaats

Het schip mag overal ligplaats nemen

Toegestane werkzaamheden

Veiligheids- en gezondheidsverklaring 20

Toestand van de ladingzone

Ligplaats

Het schip mag overal ligplaats nemen

Toegestane werkzaamheden

Veiligheids- en gezondheidsverklaring 31

Toestand van de ladingzone

Ligplaats

Het schip mag overal ligplaats nemen

Toegestane werkzaamheden

Veiligheids- en gezondheidsverklaring 32

Toestand van de ladingzone

Ligplaats

Het schip mag overal ligplaats nemen.

Toegestane werkzaamheden

Veiligheids- en gezondheidsverklaring 33

Toestand van de ladingzone

Ligplaats

Het schip mag overal ligplaats nemen.

Toegestane werkzaamheden

Veiligheids- en gezondheidsverklaring A/30

Toestand van de ladingzone

De toestand van de ruimten binnen de ladingzone wordt op deze Veiligheids- en gezondheidsverklaring niet opgenomen.

Toegestane werkzaamheden

De Veiligheids- en gezondheidsverklaring A/30 is een zogenaamde “Combinatie Veiligheids- en gezondheidsverklaring”. Dat betekent, dat een Veiligheids- en gezondheidsverklaring A/30 nooit alleen afgegeven mag worden. Altijd zal dit moeten gebeuren in combinatie met een Veiligheids- en gezondheidsverklaring, welke de toestand van de ladingzone aangeeft.

Veiligheids- en gezondheidsverklaring A4

Deze Veiligheids- en gezondheidsverklaring is bedoeld om een Veiligheids- en gezondheidsverklaring welke zijn geldigheid heeft verloren weer geldig te maken

Toestand van de ladingzone

De toestand van de ladingzone is gelijk aan de toestand zoals die vermeld wordt op de Veiligheids- en gezondheidsverklaring die door het uitreiken van de Veiligheids- en gezondheidsverklaring A4 zijn geldigheid herkrijgt.

De modellen, bedoeld in deze bijlage, liggen ter inzage in de bibliotheek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Vervallen

Document: WDAT-OCE: 2012, versie 1

Onder beheer van:

Stichting Certificering Vuurwerk & Explosieven (SCVE)

Het opsporen van conventionele explosieven betreft een risicovolle beroepsactiviteit. Om het maatschappelijke belang – veiligheid en gezondheid in verband met de arbeid – te waarborgen, is door de overheid gekozen voor een wettelijk verplichte certificatieregeling voor het opsporen van conventionele explosieven. Het certificaat wordt onder deze regeling verstrekt door CKI’s. Om certificaten te mogen verstrekken dient een CKI hiertoe te zijn aangewezen door de minister van SZW. Dit gebeurt door een toetsing aan dit WDA&T en aan de eisen uit de wet. In dit document is aangegeven aan welke regels en procedures de betreffende CKI’s zich dienen te houden.

Dit werkveldspecifieke document voor aanwijzing en toezicht (WDAT-OCE) heeft betrekking op het opsporen van Conventionele Explosieven die in de (water)bodem zijn achtergebleven tijdens de Eerste en Tweede Wereldoorlog. Dit werkveldspecifieke document is door de minister van SZW vastgesteld. Dit vastgestelde schema vervangt eerdere versies. Op- en of aanmerkingen over het certificatieschema kunnen worden ingediend bij het Centraal College van Deskundigen OCE.

Binnen het kader van dit document voor aanwijzing en toezicht zijn bij de opstelling betrokken geweest.

Systeemcertificatie heeft tot doel aan belanghebbenden vertrouwen te bieden dat een managementsysteem aan vastgestelde eisen voldoet Dit vertrouwen is gebaseerd op het voldoen door de CKI aan de hierna beschreven principes. Indien hieraan niet wordt voldaan, leidt dit tot risico’s met betrekking tot het functioneren van de CKI en kan het vertrouwen van belanghebbenden in de certificatieregeling Opsporen Conventionele Explosieven worden geschaad en zouden bijvoorbeeld ten onrechte certificaten kunnen worden afgegeven dan wel geweigerd. In het WSCS-OCE, alsmede in onderhavig document, is specifiek voor de systeemcertificatieregeling Opsporen Conventionele Explosieven aangegeven op welke wijze aan bedoelde principes invulling moet worden gegeven door de CKI. Dit om te voorkomen dat de risico’s met betrekking tot deze principes zich manifesteren.

Onpartijdigheid

Het is van belang dat de CKI in het beleid en de procedures vast legt dat alle aanvragers van het systeemcertificaat eerlijk en gelijk worden behandeld. De CKI kan zich hierbij baseren op hetgeen is gesteld in de certificatie-eisen en het certificatiereglement voor de opsporing van conventionele explosieven. De CKI mag aanvragers van het certificaat de toegang tot de certificatieprocedure niet verhinderen of belemmeren. Besluiten van de CKI moeten zijn gebaseerd op objectief bewijs van (non-) conformiteit in relatie tot de certificatie-eisen en niet worden beïnvloed door andere belangen of andere partijen.

Deskundigheid

Het is van belang dat de CKI kan beschikken over voldoende medewerkers, met inbegrip van een daarvoor verantwoordelijk management, met de benodigde opleiding, training, vakinhoudelijke deskundigheid en ervaring om de certificatietaken met betrekking tot de systeemcertificatieOpsporen Conventionele Explosieven te kunnen verrichten.

Verantwoordelijkheid

Het is van belang dat de CKI kan beschikken over beleid en procedures met betrekking tot het toekennen, handhaven, herverstrekken, opschorten en intrekken van het systeemcertificaat Opsporen Conventionele Explosieven, alsmede met betrekking tot het uitbreiden of beperken van het toepassingsgebied van het certificaat.

De CKI is ervoor verantwoordelijk dat voor het nemen van een certificatiebesluit voldoende objectief en relevant bewijs wordt verzameld. Wanneer voldoende bewijs van conformiteit met de certificatie-eisen is vergaard, besluit de CKI het systeemcertificaat Opsporen Conventionele Explosieven toe te kennen aan de aanvrager in kwestie. Wanneer onvoldoende bewijs van conformiteit is vergaard, leidt dit tot afwijzing van de aanvraag voor het systeemcertificaat Opsporen Conventionele Explosieven door de CKI.

Indien certificatiewerkzaamheden aan een externe partij worden uitbesteed door de CKI, ligt hieraan een schriftelijke overeenkomst ten grondslag. Deze beschrijft de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden van beide partijen, alsmede de regelingen met betrekking tot vertrouwelijkheid en het voorkomen van belangenverstrengeling. Het nemen van een certificatiebesluit kan door de CKI niet worden uitbesteed aan derden.

Openheid

Om het vertrouwen in certificatie te waarborgen, is het van belang dat de CKI ervoor zorgt dat niet-vertrouwelijke informatie over het certificatieproces (bijvoorbeeld onderzoek naar aanleiding van klachten) toegankelijk is voor partijen die daar belang in stellen.

Vertrouwelijkheid

Ten behoeve van het certificatieproces, is het van belang dat de CKI beschikt over bedrijfseigen informatie en gegevens van aanvragers en certificaathouders. De CKI dient deze informatie vertrouwelijk te behandelen om te voorkomen dat onbevoegden toegang verkrijgen tot deze informatie resp. dat klanten bezwaar maken tegen het verzamelen en bewaren ervan.

Ontvankelijkheid voor klachten

Partijen die belang hebben bij certificatie verwachten dat klachten worden onderzocht en dat deze, als ze terecht zijn, worden gevolgd door passende maatregelen. Een effectieve klachtenbehandeling is van belang voor de bescherming van de CKI, diens klanten en andere belanghebbenden bij certificatie tegen fouten, omissies of onredelijk gedrag. Het vertrouwen dat door belanghebbenden wordt gesteld in certificatie, is mede hiervan afhankelijk.

Het beoordelen en aanwijzen van CKI’s voor dit schema voor aanwijzing en toezicht vindt plaats op basis van de ISO/IEC 17021 en IAF-MD1 tot en met IAF-MD5, alsmede de eisen die gesteld worden aan de CKI op grond van voorliggend schema voor aanwijzing en toezicht. Waar in dit document niet wordt afgeweken van de accreditatienorm ISO/IEC 17021 resp. deze norm niet nader wordt ingevuld, gelden onverkort de eisen uit deze accreditatienorm.

Bij het uitvoeren van beoordelingen en het afgeven, schorsen en intrekken van certificaten volgens WSCS-OCE, worden de volgende functies onderscheiden: auditor en beslisser. Op deze functies en het beleid en handelen van de CKI in relatie tot deze functies, zijn de eisen uit paragraaf 7.2.1 tot en met 7.2.12 van ISO 17021 onverkort van toepassing. De, specifiek in het kader van systeemcertificatie OCE, aan dit personeel gestelde eisen zijn hierna weergegeven.

De lead auditoren die door de CKI worden ingezet voor het uitvoeren van beoordelingen in het kader van het WSCS-OCE dienen te voldoen aan de volgende eisen:

De beslisser die door de CKI wordt ingezet voor het certificatieonderzoek dient te voldoen aan de volgende eisen:

De vakdeskundige die door de CKI wordt ingezet voor het certificatieonderzoek dient te voldoen aan de volgende eisen:

De gegevens op het systeemcertificaat OCE moeten in overeenstemming zijn met de eisen van paragraaf 8.2.1 tot en met 8.2.3 van ISO 17021. De gegevens die specifiek in het kader van systeemcertificatie OCE op het certificaat moeten worden vermeld zijn:

De CKI sluit een overeenkomst met SCVE. De CKI verplicht zich op grond van deze overeenkomst tot het gebruik van de door het CCvD OCE vastgestelde documenten, in ieder geval bestaande uit het WSCS-OCE en WDAT-OCE. De CKI past deze documenten onverkort toe. De CKI kan niet bepalen welke elementen uit het certificatieschema en eventuele andere door het CCvD OCE vastgestelde documenten gewijzigd worden. Wijzigingsvoorstellen worden door de CKI voorgelegd aan het CCvD. Het CCvD besluit vervolgens of wijziging van het certificatieschema wenselijk is en zo ja, welke overgangsregeling daarop van toepassing moet zijn, waarna de Minister van SZW zal beoordelen of het wijzigingsvoorstel en de overgangsregeling al dan niet ongewijzigd worden overgenomen.

De CKI dient de certificaathouders onverwijld te berichten als de eisen voor certificatie volgens het WSCS-OCE gaan veranderen.

De door de CKI te volgen werkwijze bij het initiële certificatieonderzoek dient in overeenstemming te zij met de eisen van paragraaf 9.2.1 tot en met 9.2.5.2 van ISO 17021. Aanvullend hierop worden bij het beslissen omtrent certificatieaanvragen de relevante bepalingen en procedures uit het WSCS-OCE in acht genomen. De geldigheidsduur van certificaten kan niet automatisch worden verlengd.

De door de CKI te volgen werkwijze bij het toezicht van houders van het systeemcertificaat OCE dient in overeenstemming te zijn met de eisen van paragraaf 9.3.1.1 en 9.3.1.2 van ISO 17021. Aanvullend hierop worden bij houden van toezicht op de certificaathouders de bepalingen en procedures uit het WSCS-OCE in acht genomen door de CKI.

De door de CKI te volgen werkwijzen met betrekking tot schorsing of intrekking van een systeemcertificaat OCE of beperking van het werkterrein (scope) van een systeemcertificaat OCE, dienen in overeenstemming te zij met de eisen van paragraaf 9.6.1 tot en met 9.6.7 van ISO 17021. Aanvullend hierop worden, ingeval van schorsing of intrekking van een systeemcertificaat OCE of beperking van het werkterrein (scope) van een systeemcertificaat OCE, de bepalingen en procedures uit het WSCS-OCE in acht genomen door de CKI.

Indien de CKI schriftelijk door de Inspectie SZW, dan wel door een andere overheidsinstantie, wordt geïnformeerd over een door deze instantie opgelegde sanctie (stillegging, proces verbaal of zware boete) bij een certificaathouder of aanvrager, dient de CKI als volgt te handelen:

Indien door de CKI bij het uitvoeren van beoordelingen situaties worden aangetroffen waarin de veiligheid of gezondheid van werknemers of derden door de organisatie in gevaar is of wordt gebracht, wordt de Inspectie SZW hiervan op de hoogte gesteld. Daarbij wordt tevens medegedeeld welke maatregelen door de CKI worden genomen. De CKI stelt de organisatie op de hoogte van het feit dat de Inspectie SZW is geïnformeerd.

De CKI wordt in het kader van haar aanwijzing op grond van de artikelen 1.5a t/m 1.5d Arbobesluit op de volgende criteria getoetst:

In verband met de verplichtingen in het kader van toezicht zijn de volgende artikelen van toepassing; artikelen 1.5b en 1.5c Arbobesluit en artikel 1.1a Arboregeling.

Ten behoeve van de informatieverzameling dient de CKI kosteloos:

Indien de aangewezen instelling niet meer voldoet aan de eisen in dit schema kan dit gevolgen hebben voor de aanwijzing. Zie beleidsmaatregel maatregelenbeleid certificering Arbeidsomstandighedenwet en Warenwet, Scrt. 2010, nr. 10839 van 14 juli 2010.

Document: WSCS-OCE: 2012, versie 1

Onder beheer van:

Stichting Certificatie Vuurwerk & Explosieven (SCVE)

Het werkveldspecifieke certificatieschema WSCS-OCE heeft betrekking op het opsporen van Conventionele Explosieven die in de (water)bodem zijn achtergebleven tijdens de Eerste en Tweede Wereldoorlog. Dit werkveldspecifieke certificatieschema is opgesteld door de Stichting Certificatie Vuurwerk & Explosieven (SCVE). Door het Ministerie van SZW zal dit certificatieschema worden vastgesteld.

Dit Certificatieschema voor het systeemcertificaat Opsporen Conventionele Explosieven (WSCS-OCE) vervangt de Beoordelingsrichtlijn voor het Procescertificaat Opsporen Conventionele Explosieven (BRL-OCE). De doelstelling van dit certificatieschema is drieledig:

Het toepassingsgebied van het Certificatieschema voor het systeemcertificaat Opsporen Conventionele Explosieven is verdeeld in twee deelgebieden, te weten:

De volgende paragrafen zijn niet van toepassing voor deelgebied A: 6.6.11. De volgende paragrafen zijn niet van toepassing voor deelgebied B: 6.1.2, 6.3.3, 6.5, 6.6.3, 6.6.4, 6.6.7, 6.6.8, 6.6.9, 6.6.10, en 6.6.12.

Het staat organisaties vrij zich te bekwamen en in te richten voor één of beide deelgebieden en vervolgens voor één of beide certificaten aan te vragen. Op het certificaat wordt aangegeven voor welk(e) deelgebied(en) het certificaat is afgegeven.

Dit certificatieschema is opgebouwd uit twee delen, namelijk Deel I met algemene bepalingen en Deel II met normen. De normen waaraan de certificatie-instelling(en) dienen te voldoen om door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen te worden voor het certificeren van bedrijven volgens dit certificatieschema, zijn opgenomen in het Werkveldspecifiek document voor aanwijzing en toezicht behorend bij het WSCS-OCE.

Om het maatschappelijk belang – veiligheid en gezondheid van en rondom de arbeid – te waarborgen, is door de overheid gekozen voor een wettelijk verplichte certificatieregeling voor de borging van de kwaliteit/veiligheid van het opsporen van conventionele explosieven.

Het werkveldspecifieke certificatieschema WSCS-OCE heeft betrekking op het opsporen van Conventionele Explosieven die in de (water)bodem zijn achtergebleven tijdens de Eerste en Tweede Wereldoorlog. Het werkveldspecifieke document is door de minister van SZW vastgesteld. De minister van SZW kan na overleg met het werkveld wijzigingen aanbrengen in de vastgestelde schema. Dit vastgestelde schema vervangt eerdere versies. Op- en of aanmerkingen over het certificatieschema kunnen worden ingediend bij het College van Deskundigen OCE.

Binnen het kader van dit certificatieschema zijn in hoofdzaak de volgende soorten partijen actief:

Hoofdrisico van het werkveld van het opsporen van conventionele explosieven is het onverhoeds aantreffen van CE bij het uitvoeren van werkzaamheden in de (water)bodem en/of de ondeskundige en onzorgvuldige omgang met aangetroffen CE. Hierdoor bestaat het gevaar op het ongewenst tot (uit)werking komen van CE en dat kan grote uitwerkingsgevolgen teweegbrengen. De belangrijkste daarvan zijn luchtdruk, schokgolf en scherfwerking, welke een groot gevaar vormen voor de veiligheid en gezondheid van bij het opsporen van CE betrokken werknemers en andere personen.

Het voornoemde risico doet zich voor indien voorafgaand aan (bouw)projecten geen/onvoldoende onderzoek wordt gedaan naar de mogelijke aanwezigheid van CE en/of het opsporen van CE op een onzorgvuldige en/of ondeskundige wijze plaatsvindt. In het laatstgenoemde geval doet het risico van het onverhoeds aantreffen van CE zich ook voor zodra na een opsporingsproject met de reguliere (bouw)werkzaamheden wordt gestart. In dit verband wordt ook verwezen naar de doelstellingen van dit certificatieschema zoals genoemd hoofdstuk 1.

Om de risico’s van het ongewenst tot uitwerking komen van CE zoveel mogelijk te beperken, dient het vooronderzoek en het opsporen van CE, inclusief de civieltechnische ondersteuning, op een deskundige, zorgvuldige en gestructureerde wijze plaats te vinden. Ten behoeve daarvan worden in deel II van dit certificatieschema eisen gesteld aan:

Het hoofdrisico van het onverhoeds aantreffen van CE bij het uitvoeren van werkzaamheden in de (water)bodem en/of de ondeskundige en onzorgvuldige omgang met aangetroffen CE, worden in tabel 3.1 uitgewerkt in afbreukcriteria. Per afbreukcriterium wordt de uitwerking daarvan in werkveldspecifieke eisen weergegeven, met een verwijzing naar de relevante normparagrafen in dit certificatieschema.

Dit deel van het schema omschrijft de procedures die relevant zijn voor het juist toepassen van het specifieke schema. Hierbij moet onder meer gedacht worden aan:

De organisatie dient bij een CKI, in overeenstemming met de certificatieprocedure, een aanvraag in voor het systeemcertificaat Opsporen Conventionele Explosieven. Deze paragraaf is van toepassing op aanvragen om initiële certificatie (organisatie beschikt nog niet over een certificaat) en op aanvragen om hercertificatie (hercertificatie voorafgaand aan het verstrijken van de geldigheidsduur van het certificaat). De frequentie van toezicht en de wijze van tussentijdse beoordeling door de certificatie-instelling staat beschreven in hoofdstuk 5.

De CKI dient de aanvraag voor een certificaat in overeenstemming met het binnen deze CKI geldende reglement te behandelen. De CKI is verplicht om de organisatie over dit reglement te informeren.

De aanvrager van het certificaat stelt ten behoeve van het certificatieonderzoek aan de certificerende instelling de systeemdocumentatie ter beschikking, inclusief een matrix waarin een relatie wordt gelegd tussen het eigen managementsysteem en de corresponderende normelementen uit het WSCS-OCE. Het certificatieonderzoek wordt uitgevoerd volgens het certificatiereglement van de CKI en bestaat uit twee fasen, namelijk een vooronderzoek en een implementatieonderzoek.

De certificerende instelling stelt een onderzoek in naar:

Een certificaat kan worden afgegeven indien wordt voldaan aan de eisen van dit certificatieschema.

Het certificaat wordt afgegeven aan de juridische entiteit, welke de contracten vallend onder dit schema aangaat, conform het algemeen reglement van de CKI. Het certificaat wordt afgegeven wanneer de beoordeling van het managementsysteem van de aanvrager in positieve zin is afgerond. De beslissing van certificatie zal openbaar worden gemaakt volgens paragraaf 4.8.

Om in aanmerking te komen voor certificatie dient aan de onderstaande criteria te worden voldaan:

De beoordeling van dossiers van uitgevoerde vooronderzoeken in het kader van de initiële beoordeling door de CKI volgens paragraaf 5.2 vindt plaats nadat de documentbeoordeling met positief resultaat is afgerond.

Het uitvoeren van opsporingsprojecten in het kader van de initiële beoordeling door de CKI volgens paragraaf 5.2 vindt plaats nadat de documentbeoordeling door de CKI met positief resultaat is afgerond. De aanvrager meldt deze projecten conform paragraaf 5.1 aan de CKI en de projecten worden pas uitgevoerd nadat de CKI daarmee heeft ingestemd. Indien één van beide projecten niet positief beoordeeld wordt, wordt dezelfde procedure gevolgd voor het uitvoeren en beoordelen van een derde project.

Een certificaat wordt geweigerd,, geschorst of ingetrokken indien:

Zie hierbij ook paragraaf 5.4.

Na de certificatieperiode van drie jaar dient een complete beoordeling van de certificatie-eisen/normelementen (zie deel II) uitgevoerd te worden. Hierbij wordt mede gebruik gemaakt van de resultaten van voorgaande beoordelingen. Hercertificatie dient plaats te vinden voorafgaand aan het verstrijken van de geldigheidsduur van het certificaat. Zie verder hoofdstuk 5 van dit certificatieschema.

Indien een organisatie na een intrekking opnieuw gecertificeerd wil worden, dient dezelfde procedure doorlopen te worden als bij initiële certificatie. Na intrekking mag een nieuw verzoek tot certificatie pas worden ingediend na het verstrijken van een periode van minimaal 12 maanden (zie WDAT-OCE). De CKI zorgt voor registratie van deze periode.

De certificatiebeslissing wordt genomen in overeenstemming met de eisen uit het certificatieschema door een functionaris van de certificatie-instelling die is gekwalificeerd en aangesteld conform het kwaliteitssysteem van de CKI en die volgens de procedure onder 4.2 niet betrokken is geweest bij de beoordeling van het systeem.

De maximale geldigheidsduur van het systeemcertificaat is 3 jaar.

Het systeemcertificaat dient minimaal de navolgende gegevens te bevatten:

Een adequate behandeling van klachten is belangrijk voor het creëren van vertrouwen in certificatie en belangrijk voor de bescherming van zowel de certificaathouders als de gebruikers van certificaten.

Aan een CKI worden onder meer de volgende eisen gesteld:

Indien de CKI klachten van derden, zoals een opdrachtgever, ontvangt over het voldoen aan dit schema door het bedrijf of de persoon die een aanvraag voor het certificaat heeft ingediend of certificaathouder is, dient de CKI de klager te verwijzen naar het bedrijf of de persoon. De CKI dient de klacht te betrekken bij de eerstvolgende beoordeling bij het betreffende bedrijf of de betreffende persoon. Echter, indien het naar de mening van de CKI een ernstige klacht betreft, dient de CKI, naast de behandeling door het bedrijf of de persoon, zelf ook direct te beoordelen of de klacht gevolgen dient te hebben voor de beslissing m.b.t. certificatie. In dat geval dient de CKI af te wegen of het gewenst is een extra beoordeling uit te voeren. De kosten van deze extra beoordeling komen in beginsel voor rekening van de certificaathouder.

In deze werkinstructie wordt de afhandeling van een klacht besproken. De cki dient te beschikken over een formulier voor de registratie van klachten.

Wanneer iemand probeert een klacht telefonisch of mondeling te melden, wordt aan hem/haar gevraagd deze schriftelijk te verwoorden. Als een klacht schriftelijk binnenkomt wordt deze meteen naar de kwaliteitsmanager gebracht en indien de klachtafhandelaar duidelijk is krijgt hij/zij meteen een kopie van de klacht.

De kwaliteitsmanager registreert de klacht op een klachtenformulier en stelt de directeur CKI op de hoogte van de klacht. De directeur van de CKI wijst de klachtafhandelaar aan. De kwaliteitsmanager vermeldt de klachtafhandelaar op het klachtenformulier en brengt de klachtafhandelaar schriftelijk op de hoogte van de klacht. De klachtafhandelaar informeert de indiener van de klacht schriftelijk over de ontvangst van de klacht

Klachtafhandelaar stuurt klacht door naar betrokken bedrijf/persoon; stelt indiener op de hoogte;

legt dossier aan ten behoeve van de voortgangsbewaking en meenemen afhandeling klacht door bedrijf/persoon bij eerstvolgende beoordeling.

Klachtafhandelaar beoordeelt de klacht en stelt vast of de klacht een incident betreft of dat de klacht moet leiden tot een aanpassing in de werkwijze.

Indien het een incident betreft, wordt de indiener daarvan op de hoogte gesteld. De klachtafhandelaar bedenkt samen met de indiener binnen drie weken na het indienen van de klacht een oplossing voor de afhandeling en betrekt bedrijf/persoon hierbij.

De oplossing zoals die met de indiener is besproken wordt vastgelegd op het klachtenformulier. Hier wordt tevens vermeld dat het gaat om een incident.

Indien de klacht een aanpassing van de werkwijze vergt bedenkt de klachtafhandelaar binnen 10 dagen een verbetervoorstel en bespreekt dit met de kwaliteitsmanager en betrekt bedrijf/persoon hierbij. Het verbetervoorstel moet een structurele verbetering inhouden van de werkwijze. Het verbetervoorstel wordt ingevuld op het klachtenformulier.

De klachtafhandelaar stelt de indiener op de hoogte van de afhandeling van de klacht.

De kwaliteitsmanager maakt de gewijzigde werkwijze bekend.

De kwaliteitsmanager start, indien nodig, een vervolgonderzoek naar de invoering van het verbetervoorstel. De bevindingen worden vastgelegd op het klachtenformulier. Er vindt deugdelijke archivering plaats van ontvangen en behandelde klachten.

Onderstaand worden de stappen beschreven die nodig zijn voor het afhandelen van een bezwaarschrift. Een dergelijk bezwaarschrift kan bijvoorbeeld ingediend worden tegen besluiten van de CKI inzake het niet (opnieuw) verlenen, schorsen of intrekken van een certificaat.

Het bezwaar wordt niet-ontvankelijk verklaard:

Het bezwaar wordt verder niet-ontvankelijk verklaard als het, bij het niet van toepassing zijn van een termijn, onredelijk laat wordt ingediend. Dit geldt uitsluitend wanneer het bezwaar betrekking heeft op het niet tijdig nemen van een besluit

Het bezwaarschrift schort de werking van het besluit niet op

Procedure

De CKI registreert de actuele gegevens van certificaathouders. Conform de overeenkomst met de SCVE worden de gegevens elektronisch verzonden aan SCVE ten behoeve van het SCVE Certificaatregister. Weigeren, opschorten of intrekken van certificaten dienen door de CKI onmiddellijk te worden doorgegeven aan SCVE en de andere CKI’s. Dit register wordt via internet toegankelijk gemaakt, binnen de wettelijke kaders.

Het CCvD OCE dient te zorgen voor eenduidige norminterpretatie van de eisen in het werkveldspecifieke certificatieschema. Toch kan het voorkomen dat er in de operationele fase verschillende interpretaties bestaan van één of meerdere in werkveldspecifieke certificatieschema’s gehanteerde begrippen. Mocht het gebeuren dat organisaties, aanvragers van diensten en CKI’s uiteenlopende definities hanteren en hierover meningsverschillen bestaan, dan dienen afwijkende interpretaties te worden voorgelegd aan het CCvD OCE.

Het CCvD OCE neemt binnen een periode van maximaal 8 weken een besluit over de aan haar voorgelegde interpretatievraag.

De CKI is verplicht de organisatie blijvend te toetsen aan de eisen in dit werkveldspecifieke certificatieschema. In dit hoofdstuk staat de wijze waarop dat toezicht door de CKI dient te worden ingericht beschreven.

De organisatie is verplicht medewerking te verlenen aan beoordelingen op zowel kantoor als projectlocaties door of vanwege de certificatie-instelling. Tevens is de organisatie verplicht de voor deze beoordelingen noodzakelijke gegevens te verschaffen.

De organisatie is verplicht om wijzigingen in zijn omstandigheden, die voor het certificaat van belang kunnen zijn, aan de certificatie-instelling door te geven. Bij wijziging in rechtspersoon dient de organisatie de CKI te verwittigen. In dergelijke gevallen vervalt het certificaat en de overeenkomst.

De certificaathouder dient de CKI schriftelijk op de hoogte te stellen van uit te voeren projecten zoals bedoeld in paragraaf 6.6 van dit certificatieschema. Deze melding geschiedt per e-mail en uiterlijk 72 uur voor aanvang van de werkzaamheden binnen het OCE werkgebied. Wijzigingen in de planning van deze werkzaamheden dienen eveneens zo spoedig mogelijk te worden gemeld. Indien voor het melden van projecten aan de CKI een automatiseringssysteem beschikbaar is en dite is goedgekeurd door het CCvD OCE, geschiedt de melding via dit systeem. Een kopie van de bevestiging dat de melding bij de CKI is ontvangen wordt door de organisatie opgenomen in het projectdossier. Projecten zoals bedoeld in paragraaf 6.5 behoeven niet te worden gemeld.

Meldingen inzake spoedwerkzaamheden (o.a. onverwacht aantreffen munitie) dienen zo spoedig mogelijk aan de CKI te worden gericht. Bij de eerstvolgende (periodieke) audit zal de documentatie van deze werkzaamheden worden geverifieerd.

Het onderzoek ten behoeve van de verlening en verlenging van het systeemcertificaat vindt plaats conform paragraaf 4.2. Na de verlening/verlenging van het systeemcertificaat, wordt door de certificerende instelling een beoordelingsprogramma uitgevoerd dat als volgt is opgebouwd.

Voor de minimale frequentie en tijdsbesteding van initiële beoordeling, herbeoordeling en periodieke beoordelingen gelden onderstaande tabellen.

5.2.2. Tussentijdse steekproef (onaangekondigde projectbezoeken)

Tijdens de looptijd van het certificaat vinden periodieke beoordelingen op projectlocaties plaats door de CKI, volgens de onderstaande tabel. Deze projectbeoordelingen vinden onaangekondigd plaats.

Bij vastgestelde tekortkomingen wordt de certificaathouder daarvan op de hoogte worden gesteld.

De tijdsbesteding voor de beoordeling van een projectlocatie bedraagt tenminste 4 uur (inclusief rapportage). Het aantal projectbezoeken wordt dus als volgt bepaald: tijdsbesteding werkplekinspectie gedeeld door 4.

Indien het aantal onaangekondigde projectbeoordelingen in een certificatiejaar niet is uitgevoerd doordat de certificaathouder te weinig projecten in uitvoering heeft c.q. bij de CKI heeft aangemeld, dient het ontbrekend aantal in het daarop volgende certificatiejaar alsnog te worden uitgevoerd. De CKI legt een dergelijke maatregel schriftelijk in het dossier vast. Deze maatregel kan slechts één keer in een certificatieperiode worden toegepast. Als hier niet aan kan worden voldaan, dient de CKI het certificaat in te trekken. Hierop is paragraaf 4.2.6 en 5.4 niet van toepassing.

De resultaten van beoordelingen worden tussentijds aan de organisatie gerapporteerd. Indien noodzakelijk wordt de organisatie door de certificerende instelling verplicht tot de uitvoering van corrigerende maatregelen. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 5.4 van dit certificatieschema.

Wanneer de tussentijdse beoordelingsresultaten niet acceptabel zijn of wanneer de tekortkomingen onvoldoende worden gecorrigeerd, kan de certificerende instelling overgaan tot schorsing of in het uiterste geval tot het intrekken van het certificaat. Hierop is hoofdstuk 4 van dit certificatieschema van toepassing, waarin tevens de procedure voor klachten en een herzieningsverzoek staat beschreven.

Indien blijkt dat een certificaathouder niet of niet meer voldoet aan de eisen of normen in dit certificatieschema, worden door de CKI afwijkingen uitgeschreven. Zie hiervoor paragraaf 5.4.3 van dit certificatieschema. Indien naar aanleiding daarvan geen/onvoldoende corrigerende maatregelen worden genomen, neemt de CKI maatregelen. Mogelijke maatregelen zijn het weigeren, schorsen of intrekken van het certificaat. Door de CKI uitgeschreven afwijkingen en opgelegde maatregelen worden geregistreerd in een centraal registratiesysteem. Deze informatie wordt door de CKI vertrouwelijk behandeld.

Indien door de CKI bij het uitvoeren van beoordelingen situaties betreffende het uitvoeren van werkzaamheden zoals bedoeld in dit certificatieschema worden aangetroffen waarin naar het oordeel van de CKI significant onveilige situaties worden gecreëerd en/of relevante wet- en regelgeving wordt overtreden, wordt de Inspectie SZW hiervan op de hoogte gesteld. Daarbij wordt tevens medegedeeld welke maatregelen door de CKI worden genomen. De CKI stelt de organisatie op de hoogte van het feit dat de Inspectie SZW is geïnformeerd.

Eventuele tekortkomingen worden beoordeeld op basis van belangrijkheid. In onderstaande matrix wordt aangegeven op welke wijze de beoordeling plaatsvindt. De waardering is als volgt onderverdeeld:

De opvolging van afwijkingen door de organisatie dient als volgt plaats te vinden:

Een schorsingsprocedure kan worden gestart indien:

De schorsingsprocedure houdt in dat het betreffende bedrijf wordt verzocht om binnen vijf werkdagen een concreet actieplan in te dienen ter opheffing van de tekortkoming. Dit plan dient concrete acties te bevatten, inclusief de datum waarop de acties gereed zijn. Deze datum dient zo ambitieus mogelijk te zijn. Indien de tekortkoming binnen de voornoemde termijn niet wordt opgeheven, wordt het certificaat geschorst gedurende een periode van maximaal 6 weken. Gedurende deze termijn wordt de organisatie alsnog in de gelegenheid gesteld de tekortkoming op te heffen. Indien dat gedurende deze termijn niet of onvoldoende plaatsvindt, volgt intrekking van het certificaat volgens paragraaf 5.4

Gedurende de schorsing is de certificaathouder niet bevoegd tot het uitvoeren van de werkzaamheden zoals bedoeld in dit certificatieschema.

Het systeemcertificaat zal worden ingetrokken indien het resultaat van de schorsingsprocedure niet leidt tot een positieve beslissing inzake voortzetting van het certificatietraject. De beslissing tot intrekking wordt met redenen omkleed kenbaar gemaakt aan de organisatie. Indien een certificaat wordt ingetrokken is de certificaathouder niet langer bevoegd tot het uitvoeren van de werkzaamheden zoals bedoeld in dit certificatieschema.

Na intrekking mag een nieuw verzoek tot certificatie pas worden ingediend na het verstrijken van een periode van minimaal 12 maanden (zie WDAT-OCE). De CKI zorgt voor registratie van deze periode.

Dit hoofdstuk bevat de werkveldspecifieke normen/eisen waaraan het te certificeren systeem dient te voldoen om voor certificatie in aanmerking te komen. De eisen in dit hoofdstuk vallen uiteen in: algemene eisen, eisen gesteld aan personeel en middelen, eisen gesteld aan het managementsysteem en proceseisen.

De organisatie dient te voldoen aan de volgende algemene eisen.

De organisatie dient een schriftelijke procedure vast te stellen en bij te houden om de eisen van wet- en regelgeving en andere door haar onderschreven eisen, die van toepassing zijn op de verschillende aspecten van haar activiteiten, te identificeren en daar toegang toe te hebben. Voorts dient de organisatie het belang van deze eisen binnen de organisatie kenbaar te maken en de naleving er van te verzekeren.

De organisatie die is gecertificeerd conform deelgebied A dient te beschikken over een ontheffing krachtens artikel 4 van de Wet wapens en munitie. Er dient aantoonbaar te worden voldaan aan de in deze ontheffing opgenomen eisen.

De organisatie dient te beschikken over een risico-inventarisatie & -evaluatie (RI&E), welke voldoet aan de vigerende arboregelgeving. In aanvulling daarop dient de organisatie te beschikken over specifieke taak risico analyses (TRA’s) voor risicovolle handelingen en activiteiten tijdens de procesgang. Voor het opstellen en onderhouden van deze TRA’s dient de organisatie te beschikken over een procedure voor de identificatie en evaluatie van de kwaliteits- en veiligheidsaspecten voor en tijdens de activiteiten, alsmede de daaraan gekoppelde effecten op werknemers en omgeving. Indien men hiervan afwijkt dient men minimaal de gelijkwaardigheid aan te kunnen tonen. Het gaat hierbij om aspecten, inclusief invloeden van buitenaf, die beheerst kunnen worden en waarvan mag worden aangenomen dat de organisatie hierop invloed uit kan oefenen.

In een projectplan (zie paragraaf 6.6.2) dienen de nodige maatregelen, gekoppeld aan de inventarisatie, te worden beschreven.

De organisatie dient minimaal te beschikken over de volgende verzekeringen (de overheid verzekert geen werkzaamheden die door haar diensten worden uitgevoerd, waardoor deze paragraaf niet van toepassing is op de EODD):

Het management van de organisatie dient jaarlijks de verzekeringsstatus te beoordelen. De resultaten van deze beoordeling worden geregistreerd. Per project dienen de verantwoordelijkheden en aansprakelijkheden van de verschillende partijen te worden vastgelegd. Voor aanvang van het project dient in overleg met de opdrachtgever te worden vastgesteld of het pakket aan afgesloten verzekering(en), eventueel in combinatie met de verzekeringen van de opdrachtgever, voldoende dekkend is voor het project. De resultaten van deze beoordeling worden opgenomen in het projectdossier.

De organisatie dient te beschikken over een systeem waarmee de inzet van adequaat personeel kan worden afgestemd op de verschillende typen en technieken van opsporing en benadering. Al de in te zetten mensen dienen minimaal te voldoen aan de eisen in dit certificatieschema.

De organisatie dient er zorg voor te dragen dat personeel (eigen en van derden) dat werkzaamheden uitvoert in het kader van dit certificatieschema:

De organisatie die gecertificeerd is conform deelgebied A dient minimaal een Senior OCE-deskundige in vaste dienst te hebben (arbeidsovereenkomst) voor ten minste 32 uur per week.

De organisatie dient te waarborgen dat deskundig personeel (eigen en van derden) dat werkzaamheden verricht binnen het kader van dit certificatieschema (zie paragraaf 6.6.1), voldoet aan de eindtermen zoals opgenomen in bijlage 2.

Aantonen dat deskundig personeel voldoet aan de eindtermen kan op de volgende wijzen plaatsvinden.

Voorwaarden voor examinering:

Een certificaat is drie jaar geldig. Na die periode dient opnieuw een examen te worden afgelegd volgens de bovengenoemde voorwaarden, waarbij alle toepasselijke eindtermen worden afgetoetst.

De organisatie dient:

Om de gezondheid en veiligheid van medewerkers bij uitoefening van hun werkzaamheden te beheersen dient de organisatie te borgen dat deze medisch en psychisch voldoende geschikt zijn. Overeenkomstig de Arbowet stelt de organisatie de medewerkers periodiek in de gelegenheid een Preventief Medisch Onderzoek te ondergaan.

Overeenkomstig de Wet op de medische keuringen dient te worden geïnventariseerd welke functies/taken specifieke risico’s met zich meebrengen en welke keuringen/onderzoeken hiertoe dienen te worden aangeboden. Op basis van deze inventarisatie dient een overzicht van deze functies te worden opgesteld. De te stellen eisen, het doel van de keuring of het onderzoek, de te stellen gezondheidsvragen en het uit te voeren medisch onderzoek worden overeenkomstig het Besluit aanstellingskeuringen schriftelijk vastgelegd na schriftelijke advisering daarover door een gecertificeerde bedrijfsarts of arbodienst.

Wanneer de risico’s van werkzaamheden niet kunnen worden weggenomen of onvoldoende acceptabel kunnen worden gereduceerd, dient de organisatie de medewerkers (vast en tijdelijk) te voorzien van de noodzakelijke persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM).

Overeenkomstig de arbeidsomstandighedenwetgeving dient de organisatie op basis van de resultaten uit risico-inventarisaties en taakrisicoanalyses te identificeren welke PBM noodzakelijk zijn voor de uitvoering van werkzaamheden. Voor het verstrekken, het onderhoud en de vervanging van PBM’s, dient een systeem te worden ingericht. Het projectplan dient bepalingen te bevatten ten aanzien van de toepassing van PBM. De PBM dienen afgestemd te zijn op de voorkomende activiteiten en de geïdentificeerde risico's.

De organisatie dient te beschikken over een systeem waarmee de inzet van adequaat materieel en middelen kan worden afgestemd op de verschillende typen en technieken van opsporing en benadering. Al het in te zetten materieel en middelen dient minimaal te voldoen aan de eisen uit dit certificatie schema.

De organisatie dient het binnen de organisatie aanwezige materieel en middelen te inventariseren inclusief onderhoud- en keuringstermijnen. Het overzicht dient actueel te zijn en daarom periodiek te worden bijgewerkt. Voor al het materieel en de middelen dient de keurende instantie te zijn vastgelegd inclusief aantoonbare deskundigheid.

Materieel en middelen dienen te voldoen aan de eisen uit dit certificatieschema (inclusief bijlagen), alsmede de eigen gedocumenteerde eisen. Zowel de organisatie als de werknemer dienen zich hiervan te overtuigen. Middels een inkoopprocedure dient de organisatie te borgen dat alleen materieel en middelen worden aangeschaft welke aan de eisen voldoen.

De organisatie dient te beschikken over een systeem van identificatie en beheer van alle in te zetten middelen op een project. Van al het ingezette materiaal tijdens een project dient een registratie te worden bijgehouden op de projectlocatie, waarmee kan worden aangetoond dat wordt voldaan aan de veiligheidseisen zoals beschreven in de bijlagen behorende bij dit certificatieschema.

De organisatie dient door middel van registraties van keuring en onderhoud aan te tonen dat materieel en middelen voldoen aan de bijlagen van dit certificatieschema. Binnen het beheersingssysteem dient te zijn geborgd dat voor werkzaamheden geen ongekeurd of afgekeurd materieel wordt ingezet.

Bij inhuur van materieel en middelen wordt door de organisatie vooraf vastgesteld dat

De resultaten van deze beoordeling worden geregistreerd. Derden betrokken bij het project worden vooraf op de hoogte gesteld van de relevante projectinformatie. De inhuur ten behoeve van de opsporing vindt plaats door en onder verantwoordelijkheid van een organisatie die (mede) is gecertificeerd conform deelgebied A. Inhuur ten behoeve van het civieltechnisch opsporingsproces vindt plaats door en onder verantwoordelijkheid van een organisatie die (mede) is gecertificeerd conform deelgebied B.

Detectieapparatuur dient initieel (typekeuring) en vervolgens jaarlijks te worden gevalideerd. Doelstelling hiervan is om vast te stellen of het detectieapparaat geschikt is voor het opsporen van CE, en zo ja, in welke situaties en omstandigheden dit apparaat toepasbaar is.

Ten behoeve van de (initiële en jaarlijkse) validatie wordt door de organisatie een validatieprotocol vastgesteld, waarin ten minste de volgende zaken aan de orde komen:

De resultaten van de validatie worden gerapporteerd, waarin tevens een vergelijking plaatsvindt met de specificaties van de gebruikershandleiding en/of de resultaten van vorige validaties.

De organisatie dient een overzicht van alle binnen de organisatie gebruikte detectieapparaten op te stellen en actueel te houden. Voor elke detector dient een werkinstructie te worden opgesteld. De bediening van detectieapparatuur dient te geschieden door een persoon die aantoonbaar deskundig is voor het werken met het desbetreffende detectieapparaat. De organisatie dient een procedure op te stellen hoe deze deskundigheid wordt gewaarborgd en geregistreerd.

Het onderhoud en kalibreren van meet- en detectieapparatuur dient plaats te vinden op basis van een kalibratie- en onderhoudssysteem. Bij het onderhoud en kalibreren van meet- en detectieapparatuur dient rekening te worden gehouden met de richtlijnen van de fabrikant/leverancier en de resultaten van de initiële en jaarlijkse validatie.

Meet- en detectieapparatuur dient te worden beveiligd tegen oneigenlijke justering of andere invloeden die de resultaten negatief kunnen beïnvloeden. Registraties van validatie, kalibratie, keuringen en onderhoud dienen tenminste voor een periode van 5 jaar te worden bewaard, tenzij een wettelijke regeling een langere termijn voorschrijft.

De organisatie dient, in overeenstemming met de eisen uit dit certificatieschema, het eigen managementsysteem op te zetten, te documenteren, in te voeren en te onderhouden.

De organisatie dient te beschikken over een gedocumenteerd managementsysteem, waarvan het systeemhandboek ten minste de volgende aspecten dient te bevatten:

Het staat de organisatie vrij om de verschijningsvorm (bijv. elektronisch, hardcopy) van het systeem af te stemmen op de bedrijfsorganisatie. Uitsluitingen van normparagrafen zijn slechts mogelijk op basis van de deelgebieden zoals toegelicht in hoofdstuk 1.

De organisatie dient te beschikken over een gedocumenteerde procedure waarmee de beheersing van door dit schema vereiste documenten is geregeld. Dit dient ten minste te omvatten:

De in dit certificatieschema genoemde projectdocumenten worden minimaal 5 jaar bewaard, tenzij een wettelijke regeling een langere bewaartermijn vereist.

Registraties moeten worden vastgesteld en bijgehouden om het bewijs te leveren van het voldoen aan de eisen en van de doeltreffende werking van het managementsysteem. De organisatie dient alle voor dit doel noodzakelijke registraties alsmede de in dit schema voorgeschreven registraties te identificeren en door middel van een gedocumenteerde procedure te beheersen, inclusief een opgave van de bewaartermijn en de wijze van vernietiging. Registraties moeten leesbaar, herkenbaar en terug te vinden zijn.

De organisatie moet haar operationele organisatiestructuur vastleggen in een organisatieschema. Uit dit schema moeten de operationele relaties tussen de vermelde functies blijken. Het management van de organisatie moet bewerkstelligen dat de verantwoordelijkheden en bevoegdheden zijn gedefinieerd, vastgelegd en kenbaar gemaakt in de organisatie.

De organisatie dient een lid van het management te benoemen die, ongeacht overige verantwoordelijkheden, de verantwoordelijkheid en bevoegdheid moet hebben om:

De directie moet het bewijs leveren van haar betrokkenheid bij het ontwikkelen, invoeren en functioneren van het beleid van de organisatie oor:

De organisatie dient in haar managementsysteem de interne communicatieprocessen vast te leggen voor zover deze betrekking hebben op de werkzaamheden binnen de werkingssfeer van dit certificatieschema. Geïdentificeerd dient te worden:

Voorts dient de organisatie te beschikken over procedures/instructies voor het betrekken van werknemers bij de ontwikkeling en invoering van veiligheidsprocedures.

De organisatie dient vast te leggen op welke wijze de communicatie met belanghebbende partijen wordt georganiseerd. Hiertoe dient de organisatie per project te identificeren welke belanghebbende partijen dit betreft en hoe deze worden geïnformeerd, hieronder vallen minimaal:

De organisatie moet de benodigde bewaking-, meet- en analyseprocessen bepalen, plannen en invoeren om:

De organisatie dient binnen haar managementsysteem te voorzien in periodieke werkplekinspecties om tijdig te signaleren of werkplekcondities en gedrag of handelingen van medewerkers en derden leiden tot onveilige situaties die resulteren in afwijkingen, incidenten of ongevallen.

Daartoe dient in het managementsysteem ten minste het volgende te zijn vastgelegd:

De organisatie moet met geplande tussenpozen interne audits uitvoeren om vast te stellen of het managementsysteem:

Middels een gedocumenteerde auditplanning dient de organisatie aan te tonen dat jaarlijks alle elementen van dit schema ten minste eenmaal worden getoetst. Het gewogen belang van processen, geïdentificeerde risicogebieden en resultaten van eerdere audits dient hierin tot uiting te komen. Tijdens de interne auditcyclus dient ook het bezoek aan ten minste één projectlocatie te worden opgenomen, waarbij de aandacht ligt op systeemaspecten welke niet tijdens de werkplekinspecties zijn meegenomen.

Ten aanzien van de bekwaamheid en beoordeling van auditors dient de organisatie een procedure in te richten welke aansluit op de eisen van de NEN-EN-ISO 19011:2002 Richtlijnen voor het uitvoeren van kwaliteits – en/of milieumanagementsysteemaudits. Door de keuze van auditors en het uitvoeren van audits moeten de objectiviteit en onpartijdigheid van het auditproces gegarandeerd worden. De auditors mogen geen audit uitvoeren over hun eigen werk en dienen voldoende gekwalificeerd te zijn.

Er dient een gedocumenteerde procedure te zijn waarin is vastgelegd hoe:

De organisatie dient te beschikken over een schriftelijke procedure en deze op peil te houden ten aanzien van de behandeling van klachten en tekortkomingen in relatie tot het geleverde werk en het managementsysteem. Door middel van de procedure dient o.a. geregeld te zijn:

Verder dient de organisatie in het projectplan aan te geven welke functionarissen aanspreekbaar zijn ingeval er tijdens of na de uitvoering van het werk problemen geconstateerd worden. Deze functionarissen dienen bevoegd te zijn om corrigerende maatregelen te nemen om de problemen op te heffen. Dit dient in de functiebeschrijving te worden vastgelegd.

De organisatie dient te beschikken over een schriftelijke procedure, en deze op peil te houden, voor het melden, registreren, onderzoeken en beheersen van (bijna) ongevallen en incidenten met en zonder verzuim, brand en schade aan mens, materieel en omgeving.

Deze procedure dient ten minste te bevatten:

De organisatie dient procedures en beheersmaatregelen vast te stellen en te documenteren waarmee de waarschijnlijkheid van en reactie op mogelijke incidenten en noodsituaties kan worden beheerst ten einde de situaties te voorkomen of uitbreiding hiervan te beperken. Deze procedure dient ten minste de volgende taken te bevatten:

De organisatie dient haar noodplannen periodiek (minimaal jaarlijks) te evalueren en bij te stellen op basis van de eigen evaluaties. Het noodplan dient onderdeel uit te maken van het projectplan.

Deze paragraaf is van toepassing op het uitvoeren van vooronderzoek. Het vooronderzoek heeft tot doel om te beoordelen of er indicaties zijn dat binnen het onderzoeksgebied CE aanwezig zijn, en zo ja, om het verdachte gebied af te bakenen. Het vooronderzoek bestaat uit zowel het inventariseren als beoordelen (analyseren) van bronnenmateriaal. Eindresultaat is een rapportage en een bijbehorende CE bodembelastingkaart.

De organisatie dient bij aanvang van het onderzoek na te gaan of er in het verleden onderzoek is uitgevoerd naar de aanwezigheid van CE, en zo ja, te rapporteren op welke wijze deze informatie is betrokken bij het onderzoek.

Het bronnenonderzoek vindt plaats op basis van een inventarisatie van:

De organisatie dient ten minste de in de onderstaande tabel weergegeven verplichte bronnen te raadplegen. Aanvullende bronnen worden in ieder geval geraadpleegd indien sprake is van de onder de toelichting op de aanvullende bronnen beschreven situatie. In de rapportage wordt gemotiveerd waarom een aanvullende bron wel/niet geraadpleegd is. Eventuele leemten in kennis dienen te worden gespecificeerd in de rapportage.

Tabel: overzicht verplichte en aanvullende bronnen

Het inventariseren van bronnenmateriaal dient op een eenduidige wijze te worden gedocumenteerd, zodanig dat gebruikte bronnen te herleiden zijn door een derde partij. De organisatie dient te beschikken over een schriftelijke procedure waarin de methodiek van het onderzoek is vastgelegd, waarin herleidbaarheid en volledigheid van feiten worden geborgd en waarin de archivering van gegevens die bruikbaar kunnen zijn voor een vervolgstap in het proces opsporen van CE is geregeld.

Literatuur

Aan de start van het bronnenonderzoek wordt op basis van literatuuronderzoek een lijst opgesteld met oorlogshandelingen die relevant zijn voor de mogelijke aanwezigheid van CE in het onderzoeksgebied (indicaties). Deze lijst bevat tevens een verwijzing naar de datums waarop de oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden.

Gemeentelijk en provinciaal archief

Bij het raadplegen van het gemeentelijke en provinciaal archief dienen ten minste de stukken van de luchtbeschermingsdienst, de stukken over aangetroffen/geruimde CE en de oorlogsschaderapporten te worden geraadpleegd. Indien deze stukken niet aanwezig zijn, dient dit te worden vermeld in de rapportage.

Indien er indicaties zijn voor de aanwezigheid van CE dient in het gemeentelijke en provinciaal archief voorts te worden gezocht naar gegevens over relevante naoorlogse ontwikkelingen (contra indicaties), tenzij andere bronnen hierover reeds voldoende informatie hebben opgeleverd. Indien deze gegevens niet aanwezig zijn, dient dit te worden vermeld in de rapportage.

Explosieven Opruimings Dienst Defensie

Bij het raadplegen van het archief van de Explosieven Opruimings Dienst Defensie dient als eerste de database met meldingen van aangetroffen CE en de collectie mijnenveldkaarten te worden geraadpleegd. Indien in de database met meldingen van aangetroffen CE indicaties voor de aanwezigheid van CE worden aangetroffen, dient de collectie MORA’s/UO’ste worden geraadpleegd. Indien in de collectie mijnenveldkaarten indicaties voor de aanwezigheid van CE worden aangetroffen, dient de collectie mijnenveld ruimrapporten te worden geraadpleegd.

Luchtfotocollectie Wageningen Universiteit en Topografische Dienst

De organisatie dient beschikbare luchtfoto’s betreffende de datum waarop de oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden te inventariseren. Daaruit worden de bruikbare luchtfoto’s geselecteerd. Bij de selectie van luchtfoto’s dient rekening te worden gehouden met: opnamedatum in relatie tot oorlogshandelingen, kwaliteit van het fotobeeld en de schaal. De organisatie interpreteert de geselecteerde luchtfoto’s ten minste op schade aan het landschap als gevolg van oorlogshandelingen en de aanwezigheid van militaire werken. De interpretatie van luchtfoto’s dient te geschieden door een deskundige met ervaring in de interpretatie van luchtfoto’s uit het tijdvak 1940-1945. De organisatie dient de beschikbare luchtfoto’s te rapporteren en daarin tevens de selectie te motiveren.

Indien er indicaties zijn voor de aanwezigheid van CE, dient de organisatie de luchtfoto’s en/of satellietbeelden te verzamelen met dekking van het onderzoeksgebied uit de naoorlogse periode. De organisatie vergelijkt de luchtfoto’s/satellietbeelden met luchtfoto’s uit het tijdvak 1940-1945, met als doel te inventariseren welke naoorlogse ontwikkelingen in het onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden waarbij grond is geroerd of verzet. De organisatie dient de selectie van luchtfoto’s/satellietbeelden te motiveren in het rapport.

Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie

De organisatie raadpleegt de literatuurcollectie van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie indien onvoldoende informatie aanwezig is om een totaalbeeld te vormen van oorlogshandelingen in het onderzoeksgebied.

Nederlands Instituut voor Militaire Historie

De collectie ‘Duitse verdedigingswerken in Nederland en rapporten van het Bureau Inlichtingen te Londen (1940–1945)’ met collectienummer 575 van het Nederlands Instituut voor Militaire Historie dient ten minste te worden geraadpleegd indien uit raadpleging van de verplichte bronnen blijkt dat er indicaties zijn dat Duitse militaire werken in het onderzoeksgebied aanwezig waren tijdens de Tweede Wereldoorlog.

De collectie ‘gevechtsverslagen en rapporten mei 1940’ met collectienummer 409 van het Nederlands Instituut voor Militaire Historie dient ten minste te worden geraadpleegd indien uit raadpleging van de verplichte bronnen blijkt dat er indicaties zijn dat grondgevechten hebben plaatsgevonden in de periode mei 1940.

The National Archives Londen/Bundesarchiv-Militararchiv/The National Archives Washington DC

Er dient aanvullend bronnenonderzoek plaats te vinden indien uit raadpleging van de verplichte bronnen blijkt dat er indicaties zijn dat oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden, waarbij mogelijk CE in het onderzoeksgebied terecht zijn gekomen, maar er onvoldoende informatie aanwezig is in de Nederlandse archieven en op de geraadpleegde luchtfoto’s over:

Aanvullend onderzoek omvat één of meerdere van de onderstaande buitenlandse archieven:

De organisatie dient de keuze voor het te raadplegen archief/de te raadplegen archieven te motiveren in het rapport op basis van het reeds verzamelde bronnenmateriaal.

Luchtfotocollectie The Aerial Reconnaissance Archives

Indien de verplichte luchtfotoarchieven onvoldoende resultaat opleveren, wordt aanvullend de Luchtfotocollectie The Aerial Reconnaissance Archives geraadpleegd. Op de inventarisatie en selectie van luchtfoto’s is hetgeen bepaald onder verplichte bronnen van toepassing.

Getuigenverklaringen

In overleg met de opdrachtgever wordt bepaald of getuigen worden gehoord. Dit wordt gerapporteerd. Indien getuigen worden gehoord, dient een schriftelijke getuigenverklaring te worden opgesteld en getekend door de getuige en/of door een vertegenwoordiger van de opdrachtgever die bij het horen van de getuige aanwezig is. De getuigenverklaring wordt opgenomen als bijlage bij het rapport.

De indicaties en contra-indicaties uit het bronnenonderzoek worden beoordeeld en op basis daarvan wordt gemotiveerd vastgesteld:

Bij de beoordeling en evalueren van het bronnenmateriaal worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:

In overleg met de opdrachtgever kan worden besloten om de verticale afbakening van het verdachte gebied en/of de inventarisatie van de hoeveelheid van vermoedelijke CE uit te sluiten van het vooronderzoek. Deze keuze kan samenhangen met de aard van het onderzoek en/of de grootte van het onderzoeksgebied en wordt gemotiveerd in de rapportage. De verticale afbakening is in ieder geval vereist voor het uitvoeren van een risicoanalyse voor het toekomstige gebruik van het verdachte gebied en deze maakt daar dan onderdeel van uit. Tevens is de verticale afbakening vereist indien het de bedoeling is om, na opsporing, in het proces-verbaal van oplevering een uitspraak te kunnen doen over de aanwezigheid van CE zonder beperking in het verticale vlak.

In overleg met de opdrachtgever kan voorts worden besloten om het vooronderzoek (eerst) uitsluitend te richten op de indicaties die wijzen op de vermoedelijke aanwezigheid van CE en geen onderzoek te doen naar mogelijke contra-indicaties over de periode 1945 – heden. In dat geval wordt (in eerste instantie) geen onderzoek gedaan naar bijvoorbeeld naoorlogse ontwikkelingen in het onderzoeksgebied, die relevante contra-indicaties kunnen opleveren. Deze onderzoeksbeperking wordt onder opgave van reden in het rapport beschreven.

Het resultaat van het vooronderzoek omvat een rapportage en een daarbij behorende digitale CE bodembelastingkaart.

De rapportage omvat, naast de in de voorgaande subparagraaf genoemde zaken, ten minste:

De bronverwijzingen in het rapport bevatten minimaal een collectie-, archief- en/of inventarisnummer. Indien luchtfoto’s zijn geraadpleegd, dienen aanvullend het sortienummer en het luchtfotonummer te worden vermeld.

Op de CE bodembelastingkaart wordt het verdachte en niet-verdachte gebied (horizontaal) binnen het onderzoeksgebied weergegeven. De kaart dient te zijn geprojecteerd in het Rijksdriehoekstelsel. De kaart bevat ten minste een titel, auteur, noordpijl, schaal, datum van opmaak/versie/kenmerk en legenda. De cartografische weergave van analoge reproducties van de kaart(en) dient te waarborgen dat de coördinaten van ingetekende geometrische objecten nauwkeurig kunnen worden afgelezen.

Het rapport en de CE bodembelastingkaart dienen te worden geaccordeerd door een door het management bevoegd persoon.

Deze paragraaf is van toepassing op het opsporen van CE. De organisatie moet de processen die nodig zijn voor het realiseren van de opsporing plannen, voorbereiden en uitvoeren conform de eisen als gesteld in deze paragraaf. De organisatie dient voor de beheersing van processen werkinstructies op te stellen waarmee wordt geborgd dat deze worden uitgevoerd op een manier die overeenkomt met de daartoe gestelde eisen (normatief of door de opdrachtgever vastgesteld).

Opsporing dient te gebeuren door deskundige personen. Opsporing omvat binnen het opsporingsgebied het geheel van:

De handelingen genoemd onder punt 2 t/m 4 kunnen cyclisch worden verricht. Dit wordt aangeduid als benaderen. In plaats van benaderen kan er voor worden gekozen om munitiescheiding toe te passen. In dat geval is paragraaf 6.6.6 van toepassing.

In paragraaf 6.2.1 en bijlage 2zijn eisen betreffende de personele deskundigheid opgenomen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in de volgende deskundigheidsniveaus: Assistent OCE-deskundige, OCE-deskundige en Senior OCE-deskundige, waarvoor in bijlage 2 eindtermen zijn gesteld. Tevens zijn eindtermen vastgesteld voor Basiskennis OCE (overige functionarissen in het OCE werkgebied).

Bij de uitvoering van de werkzaamheden zoals beschreven in dit hoofdstuk, dienen de volgende regels in acht te worden genomen:

Op de algemene regel zoals hierboven genoemd onder punt 1, gelden de volgende uitzonderingen:

De organisatie moet de processen die nodig zijn voor een veilige, deskundige en juiste uitvoering van het project identificeren en plannen. Ten behoeve daarvan dient te worden voorzien in een schriftelijke procedure voor de werkvoorbereiding, waarin ten minste aandacht wordt besteedt aan:

De werkvoorbereiding dient ten minste te resulteren in een projectplan. De organisatie dient te beschikken over een procedure inzake hoe te handelen bij het spontaan aantreffen van CE.

Ten behoeve van de opsporing wordt een projectplan opgesteld. Het projectplan omvat ten minste de volgende onderdelen:

Een projectplan voor uitsluitend een detectieonderzoek omvat in ieder geval de onderdelen genoemd onder punt 1 t/m 6.

Het projectplan en de beschrijving van de werkmethoden dienen te borgen dat alle geïdentificeerde risico’s op adequate wijzen worden vermeden of beheerst. In het projectplan dient te worden beschreven welke personen hebben meegewerkt aan de werkvoorbereiding. De Senior OCE-deskundige en een bevoegd lid van het management van de organisatie dienen aantoonbaar te hebben ingestemd met de inhoud van het projectplan.

Het projectplan dient aantoonbaar te zijn goedgekeurd door de opdrachtgever en de gemeente(n) waarbinnen het opsporingsgebied is gelegen. Goedkeuring door de gemeente dient plaats te vinden door of namens de verantwoordelijke voor openbare orde en publieke veiligheid. Indien de uitvoering van het project ook van invloed kan zijn op de openbare orde en publieke veiligheid in (een) omliggende gemeente(e), wordt ook aan deze gemeente(n) om goedkeuring van het projectplan gevraagd. De goedkeuring van het projectplan door gemeente(n) en opdrachtgever wordt opgenomen in het projectdossier, evenals de ontvangstbevestiging van de melding aan de CKI (paragraaf 5.1).

Goedkeuring van het projectplan door de gemeente is niet vereist ingeval het project uitsluitend een detectieonderzoek bestaande uit computerondersteunde detectie betreft. In dat geval kan worden volstaan met een kennisgeving van de uitvoering van het project aan de gemeente.

Bij aanpassing van de navolgende onderdelen van het projectplan dient aan de gemeente en de opdrachtgever opnieuw om goedkeuring te worden gevraagd: projectgebonden risico-evaluatie, de beschrijving van de te treffen veiligheidsmaatregelen en het VGM-plan.

De projectgebonden risico-evaluatie bestaat uit een adequate risico-inventarisatie en -evaluatie voor de opsporing. Hieruit volgen ten minste de benodigde acties gericht op:

De organisatie dient te beschikken over een schriftelijke procedure voor de uitvoering van de projectgebonden risico-evaluatie, met expliciet daarin opgenomen de herleidbaarheid en volledigheid van de evaluatie. Tevens dienen de verantwoordelijkheden van de Senior OCE-deskundige te worden omschreven. De resultaten worden opgenomen in het projectdossier.

Detecteren omvat het vaststellen van de aanwezigheid van (mogelijke) CE door het met behulp van detectieapparatuur uitvoeren van een meting en de beoordeling van de meetgegevens. Voor het uitvoeren van het detectieonderzoek kunnen uiteenlopende methoden en technieken worden ingezet. Er wordt onderscheid gemaakt in analoge detectie en computerondersteunde detectie.

Voorafgaand aan de detectiewerkzaamheden dient de organisatie de in te zetten detectieapparatuur te selecteren. De selectie van detectiemethoden vindt plaats op basis van de resultaten van de validatie (paragraaf 7.3.3) en de resultaten van het vooronderzoek. De keuze van de detectoren dient te worden beargumenteerd in het projectplan, waarin tevens de relevante apparaatinstellingen worden beschreven. Er worden uitsluitend detectieapparaten ingezet die voldoen aan paragraaf 6.3.3.

Bij aanvang van de detectiewerkzaamheden dienen de projectgegevens zoals opgenomen in het projectplan te worden geverifieerd. De verificatie wordt aangetekend op de veldwerkregistraties. Ingeval van afwijkende omstandigheden die van invloed zijn op de kwaliteit van de detectie, dient terugkoppeling plaats te vinden met de werkvoorbereiding. De bediening van detectieapparatuur dient te voldoen aan paragraaf 6.3.3.

De resultaten van het detectieonderzoek dienen te worden geregistreerd, waarbij in ieder geval wordt aangegeven:

De veldwerkregistraties worden ingevuld door of onder verantwoordelijkheid van de OCE-deskundige.

Bij analoge detectie vindt de beoordeling van de meetgegevens direct tijdens de uitvoering van de meting plaats door de OCE-deskundige. Van de aangetroffen CE worden in ieder geval de volgende gegevens geregistreerd:

De computerondersteunde detectie resulteert in een objectenlijst met ten minste:

Ten behoeve van het opstellen van een objectenlijst vindt na uitvoering van de meting een beoordeling van de meetgegevens plaats door of onder verantwoordelijkheid van de Senior OCE-deskundige. Dit dient aantoonbaar te worden gemaakt in de rapportage van de detectie. In deze rapportage wordt duidelijk aangegeven en beargumenteerd op welke wijze de meetgegevens zijn gemodelleerd, mede in relatie tot de resultaten van het vooronderzoek. In de rapportage van de detectie worden aanbevelingen gedaan voor de verdere aanpak van benaderen.

Door middel van het lokaliseren wordt de ligplaats van de gedetecteerde objecten vastgesteld. Het lokaliseren bestaat uit het:

De definitieve lokalisatiegegevens worden op de objectenlijst vastgelegd. Door middel van het lokaliseren wordt een ontgravingsdiepte vastgesteld die vervolgens wordt ontgraven.

Door het laagsgewijs ontgraven wordt het object blootgelegd, waardoor deze kan worden waargenomen. In het projectplan wordt aangegeven op welke wijze het laagsgewijs ontgraven plaatsvindt en welke middelen er worden ingezet. Het projectplan wordt hiertoe zo nodig aangevuld op basis van de resultaten van het detectieonderzoek. Alle betrokken partijen worden over de aanpassingen geïnformeerd. De organisatie dient te beschikken over de noodzakelijke werkinstructies voor activiteiten die in het kader van het laagsgewijs ontgraven worden uitgevoerd. Voor de eisen aan civieltechnische activiteiten wordt verwezen naar paragraaf 6.6.11.

De organisatie dient het werkingsprincipe en het scheidingsbereik (welke CE) van gebruikte munitiescheidingsinstallatie(s) te documenteren en ten minste jaarlijks te valideren. Tevens dient een risico-inventarisatie & -evaluatie te worden uitgevoerd en gedocumenteerd, op basis waarvan de te treffen veiligheidsmaatregelen en persoonlijke beschermingsmiddelen worden bepaald en uitgevoerd.

Bij toepassing van munitiescheiding dient in het projectplan te worden gemotiveerd waarom munitiescheiding wordt toegepast en of deze, gegeven de aanwezige CE en de toegepaste munitiesheidingsinstallatie, het vereiste resultaat oplevert. Bij deze motivatie worden in ieder geval de resultaten van het vooronderzoek en/of detectieonderzoek betrokken. Bij het toepassen van munitiescheiding vindt de identificatie van CE en het tijdelijk veilig stellen van de situatie en de overdracht van CE en schroot plaats volgens de toepasselijke paragrafen.

De identificatie volgt op het aantreffen van het object en heeft tot doel om vast te stellen of sprake is van een CE, en zo ja, om de soort, subsoort en wapeningstoestand (gewapende of ongewapende CE) van eventueel geplaatste ontstekers te bepalen. Van de identificatie wordt het volgende geregistreerd:

De geregistreerde gegevens vormen een onderdeel van het projectdossier en worden als zodanig gearchiveerd.

Het tijdelijk veiligstellen van de situatie omvat alle activiteiten na de benadering en identificatie die benodigd zijn om de uitwerkingsrisico’s van het CE in relatie tot de omgeving te beheersen tot aan het tijdstip van overdracht van het explosief aan EODD. Er worden bij het tijdelijk veiligstellen van de situatie geen demontagehandelingen aan het CE zelf verricht. De wijze van tijdelijk veiligstellen en de getroffen beschermende maatregelen worden geregistreerd.

De voorziening voor het tijdelijk veiligstellen van de situatie van CE dient te voldoen aan bijlage 6. Transport van CE dient te voldoen aan de daarvoor geldende regelgeving.

Het ruimen van aangetroffen CE tijdens opsporingswerkzaamheden wordt uitgevoerd door de EODD. Voor aanvang van een opsporingproject, met uitzondering van een project dat alleen een detectieonderzoek omvat, wordt de EODD geïnformeerd overeenkomstig bijlage 1.

De overdracht van CE aan de EODD vindt plaats in aanwezigheid van Senior OCE-deskundige volgens het protocol in bijlage 1. Voorgeschreven registraties in het protocol dienen te worden opgenomen in het projectdossier. Voorafgaand aan afvoer van schroot vindt een eindcontrole plaats door de Senior OCE-deskundige. Deze eindcontrole wordt geregistreerd.

De civieltechnische ondersteuning omvat het geheel van organisatie en uitvoering van civieltechnische activiteiten die de opsporing mogelijk maken. Indien voor de opsporing gebruik wordt gemaakt van civieltechnisch materieel, wordt het project uitgevoerd door een organisatie die beschikt, dan wel een combinatie van twee organisaties die gezamenlijk beschikken, over een certificaat conform deelgebied A en B.

Indien een project in een combinatie wordt uitgevoerd, dienen de verantwoordelijkheden en aansprakelijkheden tussen de combinanten te zijn vastgelegd in een samenwerking-/combinatieovereenkomst. Dit wordt, met inachtneming van de bepalingen in dit certificatieschema, nader uitgewerkt in het projectplan. Bij uitvoering van het project ligt de eindverantwoordelijkheid voor de opsporing bij de organisatie die is gecertificeerd conform deelgebied A. Dit laat onverlet dat elke combinant verantwoordelijk is voor de kwaliteit van haar eigen werkzaamheden.

De organisatie dient de civieltechnische activiteiten die vallen onder werking van dit certificatieschema en een directe invloed hebben op de (systeem)veiligheid of een belangrijke interactie kennen met betrokkenen of gerelateerde activiteiten, te identificeren en te plannen. Daarmee dient te worden geborgd dat de activiteiten beheerst worden uitgevoerd en omvat:

Indien de organisatie haar diensten verleent aan derden dient men actief bij te dragen aan de veiligheidsbeheersing van de civieltechnische activiteiten. Eventuele adviezen dienen te worden geregistreerd in het projectdossier.

Na uitvoering van het project dient het terrein conform afspraak te worden opgeleverd. De wijze van opleveren staat vermeld in het projectplan. Indien daarin niets is vermeld, dient het terrein in de oorspronkelijke staat te zijn teruggebracht. Deze oorspronkelijke staat dient in dat geval te zijn beschreven en opgenomen in het projectdossier.

Indien na het oordeel van de Senior OCE-deskundige de locatie voldoet aan de vastgelegde afspraak, vraagt de organisatie opname van het werk aan bij de opdrachtgever. Voor opneming, goedkeuring en oplevering geldt de toepasselijke versie van de U.A.V. (Uniforme administratieve voorwaarden voor de uitvoering van werken).

Een proces-verbaal van oplevering wordt opgesteld door of namens de opdrachtgever en bevat ten minste de volgende gegevens:

In het proces-verbaal van oplevering wordt de volgende aanbeveling opgenomen: de opdrachtgever wordt aanbevolen om een afschrift van dit proces-verbaal van oplevering toe te zenden aan de gemeente(n) waarbinnen het opsporingsgebied is gelegen.

De organisatie dient ten behoeve van de procesbeheersing aan het eind van ieder project een evaluatie op te stellen. Deze evaluatie kan een gezamenlijk document betreffen van de verschillende partijen, welke in de afzonderlijke projectdossiers dient te worden opgenomen.

Er dient ten minste aandacht te worden besteed aan:

De evaluaties dienen als belangrijke input voor de jaarlijkse beoordeling door de directie zoals bedoeld in paragraaf 6.4.6.

Deze paragraaf is van toepassing op de begeleiding van onderzoekswerkzaamheden in OCE verdacht gebied door een organisatie die gecertificeerd is volgens deelgebied A (hierna organisatie).

Concreet betreft het de begeleiding van onderzoeksbureaus die milieukundig, archeologisch en of geofysisch veldwerk in OCE verdacht gebied verrichten en in het kader daarvan boringen, peilbuizen en/of sonderingen (hierna tezamen aangeduid als boring) plaatsen.

De begeleiding heeft tot doel om de onderzoekswerkzaamheden veilig te verrichten, inhoudende dat wordt geborgd dat geen boringen/sonderingen worden geplaatst op plaatsen waar mogelijk een CE ligt. De organisatie dient te beschikken over een procedure waarmee wordt geborgd dat bij de begeleiding van onderzoekswerkzaamheden wordt voldaan aan de eisen in deze paragraaf.

Het opsporingsbedrijf dient de EODD voorafgaand aan het opsporingsproject en bij het aantreffen van CE te informeren overeenkomstig deze bijlage.

In dit certificatieschema zijn deskundigheidsniveaus opgenomen inzake personen die werkzaamheden samenhangende met het opsporen van conventionele explosieven uitvoeren. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in de volgende deskundigheidsniveaus: Assistent OCE-deskundige, OCE-deskundige en Senior OCE-deskundige. Personen die werkzaam zijn binnen het OCE werkgebied dienen te voldoen aan de eindtermen voor Basiskennis OCE.

De eindtermen voor deze deskundigheidsniveaus zijn opgenomen in deze bijlage. De wijze waarop het voldoen aan de toepasselijke eindtermen moet worden aangetoond staat beschreven in paragraaf 6.2.1 van dit certificatieschema.

De opbouw van deze bijlage is als volgt:

Bijlage 2A: eindtermen Assistent OCE-deskundige

Bijlage 2B: eindtermen OCE-deskundige

Bijlage 2C: eindtermen Senior OCE-deskundige

Bijlage 2D: eindtermen Basiskennis OCE

1 Deze eis geldt niet indien een kandidaat opgaat voor hercertificatie (kandidaat beschikt of heeft beschikt over een certificaat voor dit deskundigheidsniveau, afgegeven conform dit WSCS-OCE) en als onderdeel daarvan ook de eindtermen op de onderliggende deskundigheidsniveaus worden afgetoetst.

2 Gezien de bijzondere positie van de EODD (Circulaire nr 17961), de daarbij gepaard gaande verantwoordelijkheid, de intensieve EODD opleiding en begeleiding en de daaraan gekoppelde systematiek van examinering en kwalificering en de combinatie van opsporingswerkzaamheden en ruimwerkzaamheden, wordt voor personen die binnen de EODD opsporingswerkzaamheden volgens het WSCS-OCE verrichten een afwijkende ervaringseis van 1 jaar gehanteerd. Bovendien verricht de EODD met name opsporingswerkzaamheden op (voormalige) Defensieterreinen.

1 Deze eis geldt niet indien een kandidaat opgaat voor hercertificatie (kandidaat beschikt of heeft beschikt over een certificaat voor dit deskundigheidsniveau, afgegeven conform dit WSCS-OCE) en als onderdeel daarvan ook de eindtermen op de onderliggende deskundigheidsniveaus worden afgetoetst.

2 Gezien de bijzondere positie van de EODD (Circulaire nr. 17961), de daarbij gepaard gaande verantwoordelijkheid, de intensieve EODD opleiding en begeleiding en de daaraan gekoppelde systematiek van examinering en kwalificering en de combinatie van opsporingswerkzaamheden en ruimwerkzaamheden, wordt voor personen die binnen de EODD opsporingswerkzaamheden volgens het WSCS-OCE verrichten een afwijkende ervaringseis van 1,5 jaar gehanteerd. Bovendien verricht de EODD met name opsporingswerkzaamheden op (voormalige) Defensieterreinen.

Deze bijlage maakt onderdeel uit van paragraaf 6.5 van het WSCS-OCE en wordt gebruikt om te beoordelen of bepaalde oorlogshandelingen een indicatie vormen voor de aanwezigheid van CE (verdacht of onverdacht) en voor de horizontale afbakening van het verdachte gebied. Hiervan mag alleen gemotiveerd worden afgeweken.

1 Verzameling van de locaties van inslagen van één bepaald toestel of één bepaald bombardement.

2 Afstanden zijn afkomstig van een Britse studie (empirisch onderzoek) naar de accuratesse bij aanvallen door eenmotorige duikbommenwerpers gedurende de periode oktober 1944 – april 1945 (AIR 55/322). Eventueel effect van vijandelijk luchtafweer tijdens deze duikbombardementen is niet in de studie meegenomen.

3 De genoemde afstand is de gemiddelde afstand t.o.v. het doel waarbij opgemerkt moet worden dat 50% van de vliegtuigbommen binnen 119 meter neer is gekomen en de maximaal gemeten afstand t.o.v. het doel 181 meter was.

4 De genoemde afstand is de gemiddelde afstand t.o.v. het doel waarbij opgemerkt moet worden dat 50 % van de vliegtuigbommen binnen 46 meter neer is gekomen en de maximaal afstand t.o.v. het doel 91 meter was.

5 De genoemde afstand is de gemiddelde afstand t.o.v. het doel (gebouwen) waarbij opgemerkt moet worden dat de gemiddelde spreiding van de raketten t.o.v. het middelpunt van een salvo 69 meter was, en dat de gemiddelde afstand van het middelpunt van een salvo t.o.v. het doel 39 meter was.

6 De genoemde afstand is de maximale afstand gemeten n.a.v. luchtfoto-interpretatie.

Indien bij het benaderen van CE gebruik wordt gemaakt van materieel dient deze te voldoen aan de onderstaande eisen:

In het projectplan wordt beschreven welke beschermende maatregelen in welke projectfasen worden getroffen. De te nemen beschermende maatregelen worden goedgekeurd door de gemeente(n) waarbinnen de werkzaamheden plaatsvinden. Deze goedkeuring wordt geregistreerd in het projectdossier.

Er is geen norm beschikbaar voor het treffen van beschermende maatregelen voor de omgeving bij het benaderen van CE. Momenteel worden beschermende maatregelen op projectniveau vastgesteld in overleg met de gemeente(n), de opdrachtgever, het EODD en andere betrokkenen. Daarbij wordt onder andere gebruik gemaakt van richtlijnen die worden gehanteerd door het Ministerie van Defensie.

De voorziening voor het tijdelijk veiligstellen van de situatie (VTVS) dient te voldoen aan de onderstaande voorwaarden.

Additieregel bij het risico van blootstelling aan een mengsel van gevaarlijke stoffen

De grenswaarde voor een gevaarlijke stof geldt in beginsel alleen voor blootstelling aan de stof in zuivere vorm en is niet zonder meer van toepassing indien de stof een bestanddeel is van een mengsel van stoffen, waaraan blootstelling plaatsvindt of kan plaatsvinden.

Het is mogelijk dat het gezondheidkundige gevolg van een dergelijk mengsel de som is van de afzonderlijke stoffen. Hiervan is sprake bij een mengsel van verschillende organische oplosmiddelen. Het is ook mogelijk dat bij een gecombineerde blootstelling het gezondheidkundige gevolg van de afzonderlijke stoffen aanzienlijk worden versterkt of verminderd.

Indien de verschillende stoffen in een mengsel afzonderlijk hetzelfde gezondheidkundige gevolg hebben op hetzelfde orgaansysteem, wordt de beoordeling van het risico van blootstelling aan de voor elk van die stoffen vastgestelde grenswaarde als volgt uitgevoerd:

De som van alle afzonderlijke blootstellingconcentraties als fractie van de afzonderlijke grenswaarden, is kleiner dan één. Of te wel:

Treedt op een later tijdstip in werking.

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Treedt op een later tijdstip in werking.

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Verklaring van de gebruikte letters en aanduidingen

a Tot 1 april 2010 is de wettelijke grenswaarde 3,5 mg/m3

¹ Tijdens de blootstellingsmonitoring voor kwik en zijn tweewaardige anorganische verbindingen wordt rekening gehouden met relevante biologische monitoringtechnieken in aanvulling op de luchtgrenswaarde

B. Lijst met wettelijke grenswaarden voor kankerverwekkende stoffen

8 Voor respirabel stof

¹ microgram/m3

² Als brandstof voor verbrandingsmotoren. Dit mengsel wordt als kankerverwekkend ingedeeld indien het benzeengehalte groter is dan 0,1%.

³ Definitie van hardhout volgens de International Agency for Research on Cancer (IARC) van hout op basis van botanische karakteristiek: hout van bedektzadigen = hardhout.

4 Respirabele vezels per cm3 lucht, TGG 8 uur.

7 Nanogr/m3

Om eenduidige identificatie te vergemakkelijken is bij elke stof het zogenoemde CAS-nummer opgenomen, dat wil zeggen het nummer waaronder de stof door de ‘Chemical Abstract’ Service is geregistreerd.

TGG

Tijdgewogen gemiddelde. Voor een aantal stoffen is naast de maximale aanvaarde concentratie bij een blootstellingduur tot 8 uur per dag tevens een grenswaarde vastgesteld voor een kortdurende blootstelling van ten hoogste 15 minuten.

C

Deze aanduiding is toegepast bij stoffen waarvan de grenswaarde een ceilingwaarde of plafondwaarde is. Een dergelijke waarde geeft aan dat overschrijding van deze concentratie in alle gevallen moet worden voorkomen.

Stoffen die relatief gemakkelijk door de huid kunnen worden opgenomen, hetgeen een substantiële bijdrage kan betekenen aan de totale inwendige blootstelling, hebben in de lijst een H-aanduiding. Bij deze stoffen moeten naast maatregelen tegen inademing ook adequate maatregelen ter voorkoming van huidcontact worden genomen.

Voor stoffen die ook als deeltjes/aërosolen kunnen voorkomen geldt dat de grenswaarde betrekking heeft op de deeltjes bemonsterd als ‘inhaleerbaar stof’, tenzij anders vermeld. Voor nadere definiëring van inhaleerbaar en respirabel stof en meetaspecten hiervan wordt verwezen naar NEN-norm NEN-EN 481:1994 ‘Werkplekatmosfeer. Definitie van de deeltjesgrootteverdeling voor het meten van in de lucht zwevende deeltjes’.

Respirabele vezels worden als volgt gedefinieerd: vezels die langer zijn dan 5 micrometer, met een diameter kleiner dan 3 micrometer en die een lengte/breedteverhouding hebben van meer dan 3/1. Voor minerale wolvezels geldt nog het extra criterium dat de vezels korter moeten zijn dan 200 micrometer.

De hierna vermelde grenswaarden gelden bij een temperatuur van 20 °C en een druk van 101,3 kPa.

voor de inventarisatie van aanwezige asbest, asbesthoudende producten en asbestbesmet materiaal of asbestbesmette constructieonderdelen in een bouwwerk of object voorafgaand aan

vast te leggen in een asbestinventarisatierapport inclusief risicoklassificaties

Document: SC-540: 2011, versie 02

Onder beheer van:

Stichting Ascert

www.Ascert.nl

Deel 1 van dit certificatieschema bevat algemene uitgangspunten en bepalingen voor certificatie door CI’s en voorwaarden waaronder de afgifte van certificaten dient te gebeuren. Beschreven wordt achtereenvolgens:

In de tekst van dit certificatieschema is ter ondersteuning en verduidelijking aanvullende informatie gegeven in de vorm van Toelichting, Opmerking en Appendix. Deze hebben een informatief karakter.

Dit werkveldspecifieke certificatieschema SC-540 voor de inventarisatie van aanwezig asbest, asbesthoudende producten en asbestbesmet materiaal of asbestbesmette constructieonderdelen in een bouwwerk of object voorafgaand aan en ten behoeve van

is door Ascert opgesteld en door de minister van SZW vastgesteld.

Het vormt de basis voor het Ascert Procescertificaat Asbestinventarisatie. Dit vastgestelde schema vervangt eerdere versies.

SC-540 Deel III Bijlage B bevat een lijst met werkveldspecifieke definities.

In de tekst van dit certificatieschema vervullen de onderstaande documenten een rol.

Om het maatschappelijk belang – veiligheid en gezondheid van en rondom de arbeid – te waarborgen, is door het Ministerie van SZW gekozen voor een wettelijk verplichte certificatieregeling voor de borging van de kwaliteit/veiligheid bij de inventarisatie van asbest, asbesthoudende producten en asbestbesmet materiaal of asbestbesmette constructieonderdelen voorafgaand aan sloop, renovatie of onderhoud in bouwwerken en objecten en na een incident.

Voorafgaande aan het opruimen van asbestbevattend materiaal na een incident (brand / storm) dient het aangegeven stappenplan te worden doorlopen (zie Bijlage G). Zie bijvoorbeeld Informatieblad Plan van Aanpak Asbestbrand 2006.

Het werkveldspecifieke certificatieschema voor het zorgvuldig, arbeids- en milieuhygiënisch inventariseren van asbest, etc., SC-540, is door Ascert voorgesteld en door het ministerie van SZW vastgesteld middels een statische verwijzing in de Arboregeling. Dit vastgestelde schema vervangt daarmee eerdere versies. Op- en of aanmerkingen over dit document kunnen worden ingediend bij het CCvD, info@ascert.nl.

Binnen de Stichting Certificatie Asbest zijn met name actief:

Vanwege de goede eigenschappen is asbest in het verleden veel gebruikt, bijvoorbeeld in gebouwen en woningen. Asbestvezels kunnen bij inademing echter diep in de longen doordringen en op termijn buikvlieskanker, longvlieskanker en asbestose (stoflongen) veroorzaken. Hieraan sterven jaarlijks in Nederland naar schatting zo'n 700 mensen. De termijn tussen blootstelling en ziek worden kan tientallen jaren duren. IenM is samen met SZW, en VWS verantwoordelijk voor regelgeving over asbest. Bij activiteiten in het kader van de verwijdering van asbest is er een risico dat er asbestvezels in de ademzone van werknemers komen. Het aantal vezels tijdens de activiteiten is onderscheiden in drie afzonderlijke risicoklassen:

Conform het Arbeidsomstandighedenbesluit (AB)is aan deze drie risicoklassen (onderstaande tabel) een eigen specifiek veiligheidsregime gekoppeld.

Om het verstrekken c.q. onderhouden van een certificaat op onterechte gronden te voorkomen is het noodzakelijk om risico’s te definiëren en maatregelen te nemen. Deze beogen de risico’s m.b.t. onvolledige en/of onjuiste asbestinventarisatie uit te bannen. De maatregelen zijn er in twee vormen en kunnen bestaan uit afstand tot de bron of uit technische maatregelen, zoals directe maatregelen om de risico’s m.b.t. het optreden van de centrale gebeurtenis uit te bannen en daarmee asbestvezelbesmetting te voorkomen. Behalve de maatregelen bestaan er ook de zogenaamde managementfactoren. Deze managementfactoren kunnen op zichzelf de centrale gebeurtenis niet uitbannen, maar beïnvloeden de kwaliteit van de maatregelen.

Als de maatregelen zijn gedefinieerd dan dienen deze ingericht en onderhouden te worden. Dit laatste stelt eisen aan het asbestinventarisatiebedrijf en haar medewerkers. Als de maatregelen zijn geplaatst, dan is de inspectie en het onderhoud van de maatregelen noodzakelijk. De directe oorzaak van asbestvezelbesmetting is per definitie één of meerdere falende maatregelen. Zie SC-540 par. 5.5.1 met betrekking tot de waardering van risicovolle omstandigheden in de zin van formele afwijking van de eisen aangeduid met afwijking Cat I, II, III en Cat IV. Wanneer meerdere werknemers betrokken zijn bij werkzaamheden, dan speelt communicatie altijd een belangrijke rol.

Door het Centraal College van Deskundigen is de volgende keuze gemaakt voor een duiding van alle asbesttoepassingen in een bouwwerk, constructie of object:

Het onderzoek naar alle asbesttoepassingen kan in de volgende fasen worden uitgevoerd.

Direct waarneembare asbest, asbesthoudende producten, asbestbesmet materiaal of asbestbesmette constructie-onderdelen.

Het systematisch en volledig inventariseren van alle waarneembare asbest, asbesthoudende producten, asbestbesmet materiaal of asbestbesmette constructieonderdelen in een bouwwerk of object, voor zover deze asbestbronnen direct waarneembaar zijn of kunnen worden waargenomen met behulp van licht-destructief onderzoek. Licht destructief onderzoek tast de bouwkundige integriteit van het bouwwerk of object niet aan. Voor de uitvoering van een asbestinventarisatie type-A dient door de opdrachtgever van de inventarisatie een onbelemmerde en passende toegang tot alle ruimten te worden verschaft behorende bij het doel en omvang van het onderzoek. Dit is een noodzakelijke voorwaarde. Deze inventarisatie leidt tot een asbestinventarisatierapport type A (zie SC-540 par. 7.17.2).

Overzicht van redelijke vermoedelijk aanwezige asbestbronnen

Indien tijdens de asbestinventarisatie het redelijke vermoeden ontstaat, of niet kan worden uitgesloten, dat in de bouwconstructie of het object asbestbronnen aanwezig kunnen zijn die alleen met behulp van destructief onderzoek kunnen worden gedetecteerd, dient er een overzicht opgesteld te worden van deze asbestbronnen. Dit overzicht van redelijke vermoedelijk aanwezige asbestbronnen is de basis voor het opvolgende inventarisatieonderzoek Type-B. Aangezien een dergelijk onderzoek door het asbestinventarisatiebedrijf niet kan worden afgedwongen bij diens opdrachtgever, dient het bureau zich te beperken tot een nadrukkelijke aanbeveling in de samenvatting om een type-B onderzoek te laten uitvoeren.

Voor de vergunningverlener is deze aanbeveling aanleiding om een dergelijk type-B onderzoek, als aanvulling op het type-A rapport verplicht te stellen in de vergunningvoorwaarden.

Het asbestinventarisatierapport Type-A dient een volledige inventarisatie te zijn van alle ruimten van een bouwwerk, of het gedeelte van dit bouwwerk dat bestemd is voor sloop, zoals: vloeren, wanden, plafonds, leidingen, technische installaties, gevels (binnen en buiten), kruipruimte(n), kelders en daken.

Een volledig asbestinventarisatierapport Type-A dient als basis voor de aanvraag van een omgevingsvergunnning voor het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen van een bouwwerk. Een asbestinventarisatierapport Type-A dat niet volledig is, is niet geschikt voor een aanvraag omgevingsvergunning.

Uitwerking:

In de praktijk is het denkbaar, dat in de rapportage van een Type-A onderzoek uitsluitingen zijn opgenomen omdat bijvoorbeeld sommige ruimten niet konden worden onderzocht, of dat het bouwwerk nog in gebruik was ten tijde van de asbestinventarisatie (het gebouw was niet onbelemmerd en passend toegankelijk).

In al deze gevallen is er sprake van een onvolledig Type-A onderzoek. Deze uitsluitingen kunnen alleen door middel van een aanvullend Type-A onderzoek worden opgeheven. In het rapport dient duidelijk en onmiskenbaar te worden aangegeven, of het om een ‘volledig’ Type-A onderzoek gaat, of om een ‘onvolledig’ Type-A onderzoek (vermelden in titelblad en samenvatting). Een onvolledig Type-A onderzoek is niet geschikt ter indiening van een aanvraag van een omgevingsvergunning.

Niet-direct waarneembare asbest, asbesthoudende producten, asbestbesmet materiaal of asbestbesmette constructie-onderdelen.

Een type-B onderzoek is een onderzoek, dat vooraf of tijdens de bouwkundige sloop van een bouwwerk object of constructie wordt uitgevoerd door een gecertificeerd inventarisatiebedrijf op basis van een overzicht van redelijke vermoedelijk aanwezige asbestbronnen. Bij dit onderzoek kan de bouwkundige integriteit van het bouwwerk worden aangetast.

Het resultaat leidt tot een asbestinventarisatierapport type-B als aanvulling op het asbestinventarisatierapport type-A (zie SC-540 par. 7.17.3). Dit wordt door het asbestinventarisatiebedrijf ter beschikking gesteld aan de eigenaar / opdrachtgever c.q. de houder van de omgevingsvergunning.

Toelichting:

De opdrachtgever dient aan het bevoegde gezag, de vergunningverlener (gemeente) de aanvullende asbestinventarisatie type-B ter beschikking stellen.

De uitvoering van een risicobeoordeling conform NEN 2991: 2005 valt buiten het kader van SC-540.

Ter informatie wordt hier melding gemaakt van ‘Beperkte inventarisatie voorafgaand aan een risicobeoordeling conform NEN 2991: 2005 Type 0 (nul)’.

Voorafgaand aan uit te voeren risicobeoordelingen, conform NEN 2991: 2005, in gebouwen, constructies of objecten in bewoonde/gebruikte staat die niet zullen worden gesloopt, kan worden volstaan met een beperkte inventarisatie van asbesthoudende materialen, zonder gebruik te maken van destructieve onderzoeksmethoden. Deze inventarisatie dient vastgelegd te worden in een rapport.

Het resultaat van een type 0 inventarisatie kan dan als startpunt dienen. Uiteraard wordt een type 0 inventarisatie uitsluitend uitgevoerd indien er voor het betreffende bouwwerk of object geen type A inventarisatie beschikbaar is, terwijl er redenen zijn om op korte termijn een NEN 2991: 2005 risicobeoordeling uit te voeren.

Uitwerking:

Voorwaarde voor het uitvoeren van een NEN 2991: 2005 onderzoek is dat er voorafgaand aan het NEN 2991: 2005 onderzoek altijd een asbestinventarisatierapport type 0 is opgesteld. Indien de resultaten van een NEN 2991: 2005 onderzoek naar een asbestsanering leiden dienen de resultaten van het type 0 en het NEN 2991: 2005 onderzoek als basis (deskresearch) voor het opstellen van het Type-A onderzoek. Uitsluitend met een Type A onderzoek kan worden gesaneerd.

Toelichting:

Het type 0 inventarisatierapport is het minimale uitgangspunt voor het NEN 2991: 2005 onderzoek.

Een asbestinventarisatie type-G is een uitbreiding op een volledige asbestinventarisatie type-A. Eigenaren of beheerders van gebouwen kunnen vrijwillig opdracht geven tot dit type asbestinventarisatie. Het betreft een type asbestinventarisatie waarvan gebruik kan worden gemaakt in het kader van dit schema. Dit laat onverlet dat de inventariseerder gehouden is de werkzaamheden uit te voeren conform de eisen in dit schema.

De indeling van bij asbestverwijdering vrijkomende asbestvezels in een risicoklasse is in een geautomatiseerd internetsysteem (SMA-rt) opgenomen. Ascert beheert en onderhoudt SMA-rt. Dit systeem dient gebruikt te worden voor de inventarisatie. Een voorwaarde voor een bruikbaar SMA-rt systeem is dat het asbestinventarisatiebedrijf, dat gegevens invoert, onafhankelijk, deskundig en integer is (zie SC-540 par. 7.6 en SC-560: versie 01, datum 15-11-2011).

SMA-rt bevat een zeer groot aantal bronsituaties die direct passen op werkelijke bronsituaties. Daarnaast is er een grote verscheidenheid aan acties/omgevingsfactoren, die bepalend zijn voor het actuele blootstellingrisico. Om het effect van deze verscheidenheid goed te kunnen inschatten en in te brengen in SMA-rt, is een deskundig, onafhankelijk en integer oordeel van de inventariseerder vereist.

Een betrouwbare risicoklassificatie – vastgelegd in het inventarisatierapport – is dus altijd gebaseerd op het gebruik van SMA-rt in combinatie met de argumenten van een deskundige, onafhankelijke en integere inventariseerder, wanneer hij afwijkt van de uitkomst van SMA-rt (zie SC-540 par 7.17.2.6).

Dit reglement omschrijft de procedures die relevant zijn voor het juist toepassen van het werkveldspecifieke schema. Hierbij moet gedacht worden aan onder meer procedure van aanvraag, de condities met betrekking tot de certificatie, de afgifte en intrekking van certificaten, procedures bij het uitvoeren van initiële en periodieke beoordelingen, afhandeling van klachten en het eventuele verzoek tot herziening daarvan.

De kandidaat certificaathouder dient bij een CKI in overeenstemming met dit certificatiereglement, een aanvraag in tot het uitvoeren van de certificatieprocedure.

Vervolgens verstrekt de CKI informatie over de gang van zaken bij de afhandeling van de aanvraag.

In het kader van de initiële certificatie van het asbestinventarisatiebedrijf worden verschillende processen

doorlopen. De CKI dient:

Daarnaast is de CKI verplicht de aanvrager schriftelijk te informeren over de regels, voorwaarden en procedures die verband houden met het afgeven, intrekken, etc. van het certificaat. zonder enige vorm van discriminatie jegens de aanvrager. In het kader van het certificatieproces worden de volgende procedures doorlopen:.

Onderstaand wordt dit nader uitgewerkt.

Een CKI dient een aanvraag voor het certificaat in overeenstemming met een door hem opgesteld reglement te behandelen. De CKI is verplicht de kandidaat schriftelijk te informeren over de daarin vastgestelde regels, voorwaarden en procedures die verband houden met de behandeling van de aanvraag voor het certificaat.

Bij de aanvraag gelden de volgende eisen:

Indien een certificaathouder mededeelt zijn certificaat in te leveren, is dit een aanvraag om het certificaat in te trekken. Het certificaat is pas ingetrokken als de CKI per besluit op de aanvraag heeft beslist (en het certificaat heeft ingetrokken). De mededeling (aanvraag) moet schriftelijk of elektronisch gebeuren. De aanvraag om een certificaat in te trekken, kan niet mondeling gedaan worden. De termijn van 12 maanden van sub c en d loopt vanaf de dagtekening van het besluit van de CKI waarbij het certificaat is ingetrokken.

Het verloop van de toelatingsbeoordeling, vanaf de eerste beoordeling op projectlocatie tot de beslissing over al dan niet verlening van het certificaat, is gemaximeerd op 4 maanden. Als de overschrijding is te wijten aan de aanvrager vervallen de beoordelingsresultaten van de kandidaat.

Onderscheid wordt gemaakt in:

Het doel van de door de CKI uit te voeren beoordeling is om vast te stellen of aan alle eisen in SC-540 wordt voldaan. De beoordeling bestaat uit:

Een kandidaat wordt voor de duur van de beoordeling op twee projectlocaties waar de beoordeling door de CKI plaatsvindt, gelijkgesteld aan een gecertificeerd asbestinventarisatiebedrijf, òf in geval van een extra beoordeling op drie projectlocaties. De daarbij geldende voorwaarden zijn:

Na blijk van het voldoen aan genoemde voorwaarden stelt de CKI een aanvraag op voor elke projectlocatie die in de beoordeling van de kandidaat zal worden betrokken. Op grond van de volgende criteria dient Ascert schriftelijke toestemming op de aanvraag gegeven te hebben:

De beoordeling kan slechts worden afgerond, indien de kandidaat minimaal 2 volledige inventarisatierapporten heeft opgesteld die aan de eisen van de SC-540 voldoen. De resultaten van de asbestinventarisaties, waaronder de betreffende rapportages, maken deel uit van de beoordeling.

De beoordeling wordt zonder verlening van het certificaat afgebroken indien:

Indien de kandidaat waarvan de beoordeling is afgebroken opnieuw het certificaat wil verwerven, dient de CKI alle stappen van de beoordeling opnieuw te doorlopen.

De CKI ziet erop toe dat de status van de tijdens de beoordeling van een kandidaat opgestelde inventarisatierapporten een voorlopige is en deze rapporten nog geen rechtsgeldige basis vormen voor het uitvoeren van asbestverwijdering. Deze voorlopige inventarisatierapporten dienen gedateerd te zijn, en op een in het oog lopende plaats te zijn voorzien van de tekst ‘Niet geschikt voor de aanvraag van een omgevingsvergunning’. De vervaldatum van deze rapporten is gelijk aan vier maanden na de datum waarop de inventarisatieactiviteiten op de eerste projectlocatie zijn gestart. Deze vervaldatum dient duidelijk op het rapport te zijn aangebracht. Op basis van de ‘aanvraag van toestemming voor werkzaamheden op projectlocatie’ bedoeld in par. 4.3.6 en na de verleende schriftelijke toestemming door Ascert, worden deze inventarisatieprojecten met de gegevens over de kandidaat aan Ascert toegezonden, met het oog op registratie.

De hier aangegeven tijdsbesteding voor een reguliere beoordeling is een richtlijn, tijdseenheden zijn inclusief rapportage:

De resultaten van ieder onderdeel van de beoordeling worden aan de kandidaat gerapporteerd conform de richtlijnen in de vigerende versie van NEN-EN-ISO/IEC 19011: 2002.

De certificatiebeslissing wordt genomen door de certificaatbeslisser. De beslissing wordt genomen op basis van de beoordelingsrapportage en een bijbehorend schriftelijk advies van de auditor. De CKI draagt er zorg voor dat het schriftelijke besluit, inclusief eventueel certificaat, binnen 10 werkdagen na de laatste beoordeling, dan wel na een tussen CKI en kandidaat overeengekomen andere termijn, aan de kandidaat wordt toegezonden.

Indien de CKI het asbestinventarisatiebedrijf een certificaat heeft verleend, ziet de CKI er uiterlijk bij de eerstvolgende controle op toe dat het asbestinventarisatiebedrijf, binnen een termijn van maximaal vier maanden na de eerste beoordeling op locatie, een voorlopig inventarisatierapport, zoals bedoeld in par. 4.3.7.1, heeft omgezet in een definitieve versie conform alle eisen van de SC-540.

Bij het omzetten naar een definitief rapport dient de uitgiftedatum daarvan gelijk te zijn aan de datum van verlening van het certificaat. Indien de kandidaat geen certificaat kan worden verleend, vervalt de waarde van een rapport bedoeld in par. 4.3.7.1 automatisch. De CKI deelt dit schriftelijk aan aanvrager mede en wijst erop dat op basis van dat rapport ook in de toekomst geen asbestverwijdering mag worden uitgevoerd.

Het certificaat is, behoudens tussentijdse intrekking, drie jaar geldig.

Tenzij de certificaathouder schriftelijk te kennen heeft gegeven het certificaat niet te willen voortzetten, zal de CKI in het laatste jaar van de lopende certificatieperiode de jaarlijkse beoordelingen bij de filialen/vestigingen in het algemeen drie maanden voor vervaldatum van het certificaat dienen te hebben afgerond. Daarbij wordt zoveel mogelijk de procedure gevolgd omschreven in par. 4.3.5.

Indien een certificaathouder na een intrekking opnieuw gecertificeerd wil worden, dient dezelfde procedure doorlopen te worden als bij initiële certificatie. De termijn tussen intrekken en het aanvragen van het nieuwe certificaat is 12 maanden.

Met betrekking tot de geldigheid van het certificaat worden de volgende condities gesteld.

Een adequate behandeling van klachten is belangrijk voor het creëren van vertrouwen in certificatie en belangrijk voor de bescherming van zowel de gecertificeerde bedrijven als de gebruikers van certificaten. Aan een CI worden onder meer de volgende eisen gesteld:

Indien de CI klachten van derden, zoals een opdrachtgever, ontvangt over het voldoen aan dit schema door het bedrijf of de persoon die een aanvraag voor het certificaat heeft ingediend of certificaathouder is, dient de CI de klager te verwijzen naar het bedrijf of de persoon. De CI dient de klacht te betrekken bij de eerstvolgende beoordeling bij het betreffende bedrijf of de betreffende persoon. Echter, indien het naar de mening van de CI een ernstige klacht betreft, dient de CI, naast de behandeling door het bedrijf of de persoon, zelf ook direct te beoordelen of de klacht gevolgen dient te hebben voor de beslissing m.b.t. certificatie. In dat geval dient de CI af te wegen of het gewenst is een extra beoordeling uit te voeren. Het reglement van de CI is bepalend voor de verdere afhandeling van deze klachten.

Indien uit de extra beoordeling blijkt dat de klacht terecht is, wordt deze als extra beoordeling in rekening gebracht. Indien blijkt dat de klacht onterecht is, wordt de extra beoordeling beschouwd als een reguliere (project)beoordeling, die de eerstvolgende, in de toekomst geplande beoordeling vervangt.

In deze werkinstructie wordt de afhandeling van een klacht besproken. Voor elke klacht (tekortkoming, verbetervoorstel) wordt een apart klachtenformulier ingevuld.

Wanneer iemand probeert een klacht telefonisch of mondeling te melden, wordt aan hem/haar gevraagd deze in een brief, fax of e-mail te verwoorden. Als een klacht in de vorm van een brief, fax of e-mail binnenkomt wordt deze meteen (direct na het inschrijven in binnengekomen post) naar de kwaliteitsmanager gebracht en indien de klachtafhandelaar duidelijk is krijgt hij/zij meteen een kopie van de klacht. De kwaliteitsmanager registreert de klacht, neemt deze over op het klachtenformulier en stelt de directeur CI op de hoogte van de klacht. De directeur van de CI wijst de klachtafhandelaar aan. De kwaliteitsmanager vermeldt de klachtafhandelaar op het formulier tekortkoming in het vak eigenaar en brengt de klachtafhandelaar schriftelijk op de hoogte van de klacht. De klachtafhandelaar informeert de indiener van de klacht schriftelijk (brief, e-mail, fax) over de ontvangst van de klacht.

Klachtafhandelaar stuurt klacht door naar betrokken bedrijf/persoon; stelt indiener op de hoogte; legt dossier aan tbv voortgangsbewaking en meenemen afhandeling klacht door bedrijf/persoon bij eerstvolgende beoordeling.

Klachtafhandelaar beoordeelt de klacht en stelt vast of de klacht een incident betreft of dat de klacht moet leiden tot een aanpassing in de werkwijze. Indien het een incident betreft, wordt de indiener daarvan op de hoogte gesteld. De klachtafhandelaar bedenkt samen met de indiener binnen drie weken na het indienen van de klacht een oplossing voor de afhandeling en betrekt bedrijf/persoon hierbij. De oplossing zoals die met de indiener is besproken wordt vastgelegd op het klachtenformulier in het vak verbetervoorstel. Hier wordt tevens vermeld dat het gaat om een incident.

Indien de klacht een aanpassing van de werkwijze vergt bedenkt de klachtafhandelaar binnen 10 dagen een verbetervoorstel en bespreekt dit met de kwaliteitsmanager en betrekt bedrijf/persoon hierbij. Het verbetervoorstel moet een structurele verbetering inhouden van de werkwijze. Het verbetervoorstel wordt ingevuld op het klachtenformulier in het daarvoor bestemde vak. De klachtafhandelaar stelt de indiener op de hoogte van de afhandeling van de klacht. De kwaliteitsmanager maakt de gewijzigde werkwijze bekend. De kwaliteitsmanager start, indien nodig, een vervolgonderzoek naar de invoering van het verbetervoorstel. De bevindingen worden vastgelegd op het klachtenformulier in het vak bevindingen vervolgonderzoek. De kwaliteitsmanager archiveert de documenten van de klachtafhandeling.

Onderstaand worden de stappen beschreven die nodig zijn voor het afhandelen van een bezwaarschrift. Een dergelijk bezwaarschrift kan bijvoorbeeld ingediend worden tegen beslissingen van de CKI inzake het niet (opnieuw) verlenen, schorsen of intrekken van een certificaat.

Het CCvD zorgt voor eenduidige norminterpretatie. Toch kan het voorkomen dat er in de operationele fase verschillende interpretaties bestaan van één of meerdere in werkveldspecifieke certificatieschema’s gehanteerde begrippen. Mocht het gebeuren dat certificaathouders, CKI’s of andere belanghebbenden uiteenlopende definities hanteren en hierover meningsverschillen bestaan, dan dienen afwijkende interpretaties te worden voorgelegd aan het CCvD.

De CKI is verplicht de certificaathouder blijvend te toetsen aan de eisen in het werkveldspecifieke certificatieschema. Het CCvD bepaalt in dit hoofdstuk van het certificatieschema hoe het toezicht door de CKI dient te worden ingericht.

Onderstaand wordt aangegeven op welke wijze de certificaathouder toegang dient te verlenen en/of informatie ter beschikking dient te stellen om toezicht door de toezichthoudende en handhavende (overheids-)instellingen, waaronder de certificatie-instelling, de nationale accreditatie-instantie en de Arbeidsinspectie, mogelijk te maken (zie ook de certificatieovereenkomst CKI-Certificaathouder):

Nadat het certificaat is verleend, voert de CKI gedurende de certificatieperiode periodieke beoordelingen bij de certificaathouder uit.

Er vindt tenminste één beoordeling op de vestiging per jaar plaats. Onderdeel van deze beoordeling is het dossier van tenminste vier inventarisatieprojecten.

Wanneer een asbestinventarisatiebedrijf, naast de hoofdvestiging, beschikt over één of meer filialen/vestigingen zoals bedoeld in 4.3.4, vindt tevens, naast de ene beoordeling per jaar op de hoofdvestiging, per filiaal/vestiging tenminste één beoordeling per jaar plaats.

Tijdens de looptijd van het certificaat vindt o.a. periodieke beoordeling op projectlocaties plaats per filiaal/vestiging, op grond van de aantallen genoemd in tabel 5.2.2. Daarin is het volgende onderscheid opgenomen:

Op een gemotiveerd verzoek van het asbestinventarisatiebedrijf kan de CKI besluiten dat een grote inventarisatieopdracht met een aantal deelprojecten / locaties, voor wat betreft de vereiste aantallen in tabel 5.2.2, als meerdere opdrachten beschouwd kunnen worden. De CKI weegt hierbij af of, gezien de grootte en complexiteit van de opdracht, alle uitvoeringsaspecten uit SC-540 goed kunnen worden beoordeeld.

In dat geval vereist de CKI van het asbestinventarisatiebedrijf een per deelproject / locatie aparte melding met apart meldingsformulier, en dat elk deelproject / locatie via een aparte procedure wordt behandeld, inclusief rapportage en besluitvorming.

A Reguliere implementatiebeoordeling op locatie

De reguliere implementatiebeoordeling vindt onaangekondigd plaats. Locaties worden geselecteerd op basis van de reguliere systematiek die de CKI hiervoor hanteert. Het is bedoeld om de implementatie van het gedocumenteerde systeem te beoordelen.

B Resultaatgerichte implementatiebeoordeling op locatie

Na uitvoering van een inventarisatie en opmaak van het inventarisatierapport vindt, voorafgaand aan asbestverwijdering, de geplande en aangekondigde resultaatgerichte beoordeling plaats. De CKI gaat daarbij samen met de verantwoordelijke DIA terug naar de projectlocatie met het afgeronde en afgetekende inventarisatierapport als leidraad. De projectlocatie voor deze beoordeling wordt op basis van een steekproef gekozen uit inventarisatieprojecten die nog niet op asbest gesaneerd of gesloopt zijn. Op locatie wordt, naast een overzicht van het project, steekproefsgewijs delen uit het inventarisatierapport met de DIA nagelopen, mede aan de hand van een toelichting door de DIA.

Tijdelijk geen periodieke beoordeling op locatie mogelijk

Indien in een periode van 12 maanden het aantal beoordelingen op locatie, genoemd in tabel 1, niet mogelijk is, stelt de CKI het asbestinventarisatiebedrijf in de gelegenheid, in de volgende periode van 12 maanden, naast het aantal voor deze periode, tevens het ontbrekende aantal uit de vorige periode van 12 maanden te beoordelen. De CKI legt een dergelijke maatregel schriftelijk in het dossier vast. Deze maatregel kan slechts één keer in 4 opeenvolgende perioden van 12 maanden worden toegepast.

Toelichting bij tabel 5.2.2:

Het aantal beoordelingen wordt bepaald door het criterium (aantal DIA of aantal inventarisatierapporten) dat tot het hoogste aantal beoordelingen op locatie leidt. Het begrip ‘jaarlijks’ slaat niet op kalenderjaren, maar op periodes van telkens 12 maanden na de verlening van het certificaat.

De resultaten van beoordelingen door de CKI worden tussentijds aan het asbestinventarisatiebedrijf gerapporteerd.

In deze paragraaf wordt aangegeven op welke wijze de CKI verwacht wordt audits in te vullen..

De aangegeven tijdsbesteding is een richtlijn; de tijdseenheden zijn inclusief rapportage.

De CKI dient, in geval van het combineren van beoordelingen, met de beoordelingsrapportage aannemelijk en aantoonbaar te kunnen maken dat bij beoordeling per vestiging de minimale vereisten van SC-540 gedurende de certificatieperiode worden onderzocht. Beoordelingen op projectlocaties staan op zich zelf en dienen conform het bepaalde in 5.2.2 uitgevoerd te worden.

De CKI stelt conform de richtlijnen in de vigerende versie van ISO 19011 een verslag op van haar bevindingen tijdens de tussentijdse audit. Dit verslag wordt ter beschikking gesteld aan de certificaathouder. Deze kan hiertegen een klacht en evt. een verzoek tot herziening van de afhandeling van de klacht indienen, zie hiervoor paragraaf 4.7 en 4.8.

Indien naar het oordeel van de CKI-proces de geconstateerde afwijkingen (zie SC-540 par. 5.5.3) toe te schrijven zijn aan medewerkers met een persoonscertificaat DIA zal de CKI-proces het desbetreffende afwijkingsrapport direct en rechtstreeks melden en rapporteren aan de persoonscertificaat verlenende instelling (zie verder SC-560 par. 6).

Indien blijkt dat een certificaathouder en de onder zijn verantwoordelijkheid voor te bereiden en uit te voeren processen niet of niet meer voldoen aan de eisen of normen in het werkveldspecifieke certificatieschema, dient de CKI de sancties die zijn voorgeschreven in dit schema op te leggen. Bij de constatering van de afwijkingen en de toepassing van sancties dient de CKI dwingend tabel 5.5.3 (Bijlage H) toe te passen.

Voor het algemene kader van sancties bij geconstateerde afwijkingen wordt verwezen naar Bijlage J.

Indien door een door de minister van SZW aangewezen certificatie-instelling wordt geconstateerd dat een certificaathoudend asbestinventarisatiebedrijf een overtreding begaat volgens de in tabel 5.5.3 (Bijlage H) opgenomen bepalingen, dan wordt door de certificatie-instelling het certificaat van de certificaathouder (on-) voorwaardelijk ingetrokken of geschorst, of ontvangt de certificaathouder een waarschuwing. Na intrekken van het certificaat kan de gewezen certificaathouder pas na 12 maanden een aanvraag indienen voor een nieuw certificaat. Ook voor het bedrijf kan pas na 12 maanden een aanvraag worden ingediend voor een nieuw certificaat. De periode van 12 maanden begint met ingang van de dag volgend op de dag waarop het besluit in werking treedt waarbij het certificaat is ingetrokken.

Na de constatering van een Cat III afwijking dient de certificaathouder binnen 2 maanden een interne corrigerende maatregel te hebben ingevoerd, waarna de CKI binnen een maand deze maatregel definitief moet hebben beoordeeld.

Toelichting:

Binnen de termijn van 3 maanden kan de afwijking, in positieve zin ( Cat III opgeheven) dan wel negatieve zin (verzwaring van Cat III naar Cat I) afgesloten zijn.

Indien in een concernsituatie met meerdere zelfstandige ondernemingen, die bij eenzelfde CKI onder procescertificaat staan, van een onderneming het certificaat (on)voorwaardelijk wordt ingetrokken of geschorst zal de CKI alle andere gecertificeerde ondernemingen per direct onderwerpen aan een controle op die onderwerpen waarop een afwijking is geconstateerd die heeft geleid tot de sanctie.

Voor de onderbouwing van de onderverdeling van de sanctie per afwijking wordt verwezen naar Bijlage K.

Bij de toepassing van het hierboven onder par. 5.5.2.1 en 5.5.2.2 bedoelde, worden de volgende verzwaringen toegepast:

De vier categorieën waarop bij initiële en/of periodieke beoordeling van de (kandidaat-)certificaathouder sanctiemaatregelen worden opgelegd zijn inclusief de onderverdeling in de afwijkingen uitgewerkt en opgenomen in tabel 5.5.3 (Bijlage H).

Het besluit inzake een sanctie met betrekking tot het procescertificaat asbestinventarisatie vanwege geconstateerde afwijkingen door de CKI is gebaseerd op eigen onderzoek of op onderzoek door toezichthoudende en handhavende overheidsinstellingen (Arbeidsinspectie, VROM-Inspectie, (Milieu)politie, Gemeenten).

De CKI zal moeten vaststellen of er sprake is van een Categorie I, II, III of IV afwijking of dat er geen afwijking is. Hiervoor moet zij feiten vaststellen. De kaders daarvoor zijn:

Indien bij een Categorie I of II afwijking wordt geconcludeerd dat een gecertificeerde DTA/DAV niet competent is, maakt de CKI-proces hier een afwijkingsrapport van op met zijn bevindingen en conclusie. De CKI-proces stuurt hiervan een afschrift aan de betreffende CKI-persoon.

Indien onderzoeken door toezichthoudende overheidsinstellingen leiden tot proces-verbaal, rapport van bevindingen of een boeterapport kan direct op bovenvermelde stukken aan de hand van Bijlage H worden bepaald of sprake is van een afwijking. Desnoods wordt nader onderzoek verricht door de CKI.

Het is ook mogelijk dat de CKI alleen een melding krijgt van de toezichthoudende overheidsinstellingen. In dat geval zal de CKI (bij een voldoende duidelijk en onderbouwde melding) zelf onderzoek moeten doen.

Bij meldingen door overheidsinstellingen dient de CKI de betreffende overheidsinstelling te berichten wat met de melding is gedaan.

Nadat de CKI vast heeft gesteld, op basis van de vaststaande feiten door eigen onderzoek of dat van een toezichthoudende overheidsinstelling, dat er sprake is van een afwijking Categorie I, II of III is de volgende gang van zaken aan de orde.

Indien er een afwijking Categorie I, II, III of IV is vastgesteld stuurt de CKI een kennisgeving van (on)voorwaardelijke intrekking of schorsing aan de certificaathouder. In deze kennisgeving wordt medegedeeld dat de CKI voornemens is om het certificaat (on)voorwaardelijk in te trekken te schorsen dan wel een waarschuwing te geven. Zij motiveert waarom, hetgeen neerkomt op het motiveren waarom er sprake is van een categorie I , II, IIIof IV afwijking. Verder stelt zij de certificaathouder in de gelegenheid om binnen twee weken op dit voornemen te reageren via een zogenaamde zienswijze.

Nadat de CKI de zienswijze heeft ontvangen of de twee weken zijn verstreken zonder dat er een zienswijze is ontvangen, beoordeelt de CKI binnen één week of zij het voornemen moet doorzetten. Als nog steeds is aangetoond dat er sprake is van een afwijking, zal de CKI de sanctie opleggen. Het kan zijn dat de feiten dermate bestreden zijn dat niet langer vaststaat dat er sprake is van een categorie I, II, III of IV afwijking of dat nader onderzoek nodig is. Dit nadere onderzoek dient binnen 4 weken te zijn afgerond. De certificaathouder wordt hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.

Als de CKI van oordeel is dat er nog steeds sprake is van een categorie I, II, III of IV afwijking, trekt zij het certificaat (on)voorwaardelijk in respectievelijk schorst zij het certificaat dan wel geeft zij een waarschuwing. Ook hierin wordt opgenomen waarom er sprake is van een Categorie I, II of III afwijking.

De CKI meldt categorie I, II en III afwijkingen aan de Arbeidsinspectie.

Bij Categorie II of Categorie III afwijkingen volgt altijd een extra beoordeling door de CKI op kantoor of projectlocatie.

De kosten die voortvloeien uit onderzoek dat wordt verricht naar aanleiding van een melding of naar aanleiding van de mogelijkheid van een afwijking komen voor rekening van de certificaathouder.

De kosten van extra toezicht dat moet worden gehouden, omdat een afwijking is geconstateerd, komt voor rekening van de certificaathouder.

De bij initiële certificatie en vervolgcertificatie gehanteerde criteria zijn in Deel II Normen vermeld.

Deel II van dit certificatieschema bevat de normen die gelden voor een procescertificaat voor Asbestinventarisatie. Beschreven worden achtereenvolgens:

In de tekst van dit certificatieschema is ter ondersteuning en verduidelijking aanvullende informatie gegeven in de vorm van Toelichting, Opmerking en Appendix. Deze hebben een informatief karakter.

Het werkveldspecifieke certificatieschema ‘SC-540’ is door het CCvD Asbest voorgesteld en door het ministerie van SZW – inclusief eventuele aanpassingen – vastgesteld middels een statische verwijzing in de Arboregeling. Dit vastgestelde schema vervangt daarmee eerdere versies.

Het onderwerp van certificatie betreft het proces van inventariseren van aanwezig asbest, asbesthoudende producten en asbestbesmet materiaal of asbestbesmette constructieonderdelen in een bouwwerk of object voorafgaand aan

inclusief de oplevering van het asbestinventarisatierapport inclusief de risicoclassificaties volgens de eisen van het certificatieschema.

Bij het inventariseren van het asbest in een bouwwerk en of object, wordt de gezondheid van de direct betrokkenen niet in gevaar gebracht wanneer deze inventarisatie wordt uitgevoerd conform de, in het bovengenoemde certificatieschema, vastgelegde eisen ten aanzien van zorgvuldigheid, arbeidsveiligheid en het voorkomen van verspreiding van asbest naar mens en milieu. Het op de bovenbedoelde inventarisatie gebaseerde asbestinventarisatierapport is alleen beschikbaar voor uitvoering van een asbestverwijderingswerk wanneer dit volledig is en voorzien is van risicoclassificaties conform de, in het bovengenoemde certificatieschema, vastgelegde eisen ten aanzien van inhoud en vorm van het asbestinventarisatierapport.

Het asbestinventarisatiebedrijf dient de volledige groeps/holdingstructuur, bestuurlijke verhoudingen, eigendomsverhoudingen, aanwezige certificaten op het gebied van asbest zowel bedrijfsmatig als persoonlijk, de personele invulling van de managementstructuur, doel en aard van de onderneming en haar dienstverlening volledig, actueel en schriftelijk te hebben vastgelegd en getekend door alle bestuurders van het bedrijf (conform KvK) te hebben voorgelegd aan de CKI. De CKI legt dit vast in het dossier van de certificaathouder. Het asbestverwijderingsbedrijf dient ingeschreven te zijn bij de Kamer van Koophandel of zusterorganisaties binnen de Europese Unie.

Opmerking:

Overheidsorganen, zoals gemeenten, politie en defensie, kunnen wel in het bezit zijn van een procescertificaat, maar behoeven niet ingeschreven te zijn bij de Kamer van Koophandel. Het inventarisatiebureau moet onafhankelijk zijn, dat wil zeggen dat zij geen belang bij het eindresultaat van haar inventarisatie mag hebben (zie ook par. 7.2.).

Bedrijfsniveau

Een overtreding door het bedrijf aan wie is uitbesteed, wordt beschouwd als een overtreding van het bedrijf dat heeft uitbesteed. In de sanctieprocedure tegen het uitbestedende bedrijf wordt de overtreding behandeld als ware zij door het uitbestedende bedrijf begaan.

Projectniveau

Toelichting:

Alleen een gecertificeerd bedrijf mag het project en de werkzaamheden doen. Als het hiervoor mensen wil inlenen, kan dat. Maar het gecertificeerde bedrijf blijft verantwoordelijk.

Het asbestinventarisatiebedrijf, of de organisatie waarvan zij deel uitmaakt, dient haar juridische status schriftelijk te hebben vastgelegd. Het inventarisatiebureau dient ingeschreven te zijn bij de Kamer van Koophandel of zusterorganisaties binnen de Europese Unie.

Toelichting:

Voor overheidsinstellingen en enkele researchorganisaties gelden andere wettelijk vastgelegde regelingen waarin de legitimiteit van deze organisaties/instellingen is vastgelegd. Het inventarisatiebureau moet onafhankelijk zijn, dat wil zeggen dat zij geen belang bij het eindresultaat van haar inventarisatie mag hebben (zie ook par. 7.1.2).

Een inventarisatiebureau dat deel uitmaakt van een grotere organisatie die ook nog andere dan inventarisatiewerkzaamheden uitvoert, moet duidelijk als zelfstandige eenheid binnen een dergelijke organisatie te onderscheiden zijn, waaraan de verantwoordelijkheden met betrekking tot SC-540 eenduidig kunnen worden toegerekend. Binnen eenzelfde moederorganisatie dient de asbestinventarisatie onder één procescertificaat te worden uitgevoerd.

Het inventarisatiebureau moet beschikken over beheerde documentatie waarin doel, onderzoeksgebied en het technisch kunnen van het bedrijf zijn vastgelegd.

Het bedrijf dient voor haar dienstverlening adequaat verzekerd te zijn.

Het inventarisatiebureau moet beschikken over beschreven actuele leverings-/contractvoorwaarden.

Het personeel van het inventarisatiebureau moet worden gevrijwaard van alle commerciële, financiële of andere vormen van druk die hun oordeel zou kunnen beïnvloeden. Er moeten procedures bestaan om te voorkomen dat externe partijen het resultaat van de asbestinventarisatie kunnen beïnvloeden.

Toelichting:

Preventieve maatregelen ter voorkoming van oneigenlijke druk worden vastgelegd in het kwaliteitshandboek van het bedrijf/de instelling alsook in de gedragscode voor individuele inventariseerders.

Het inventarisatiebureau moet aan haar opdrachtgever geheimhouding garanderen van alle gegevens die bij de inventarisatie verkregen zijn. In gevallen waarin het inventarisatiebureau door de overheid daartoe wordt verplicht, is deze geheimhouding niet aan de orde. Eigendomsrechten moeten worden beschermd. Hoe dit wordt bereikt moet beschreven zijn in het Kwaliteitshandboek.

Wanneer tijdens de inventarisatie asbest, asbesthoudende producten, asbestbesmet materiaal of asbestbesmette constructieonderdelen worden aangetroffen die in redelijk vermoeden kunnen leiden tot een directe normoverschrijdende blootstelling aan asbestvezels in de lucht, wordt dit terstond, vertrouwelijk, aan de opdrachtgever gemeld met de dringende aanbeveling een aanvullende risicobeoordeling conform NEN-EN-ISO/IEC 2991: 2005 te doen uitvoeren.

Toelichting:

Het inventarisatiebureau moet voldoende faciliteiten bieden om de technische competentie op peil te houden en haar werkzaamheden op het vereiste niveau te kunnen uitvoeren. Hiertoe moeten dus voldoende mensen en middelen ter beschikking worden gesteld. Waarborgen en randvoorwaarden worden vastgelegd.

Het inventarisatiebureau moet de structuur van de organisatie vastleggen, alsmede de verantwoordelijkheden van haar medewerkers.

Het inventarisatiebedrijf moet een medewerker aanstellen die eindverantwoordelijk is voor het conform dit certificatieschema uitvoeren van de inventarisatiewerkzaamheden, het opstellen van het inventarisatierapport en de verwerking van de ontvangen evaluatieformulieren. Deze medewerker dient ervaren te zijn in de bedrijfsvoering en tevens gekwalificeerd en ervaren te zijn bij de voorbereiding, uitvoering en rapportages van asbestinventarisaties. De volgende minimale eisen ten aanzien van ervaring en kennis zijn daarbij van toepassing:

Toelichting

Bij met name inventarisatiebedrijven met kleine bezetting kan deze functie een combinatiefunctie zijn.

Het inventarisatiebureau moet zorgdragen voor effectief toezicht door deskundige medewerkers op het inventarisatieproces, in het bijzonder de visuele inspectie, de gehanteerde inventarisatietechnieken, de te inventariseren objecten, de risicoclassificatie en de in het inventarisatierapport opgenomen conclusies en aanbevelingen voor de asbestinventarisatie.

Voor elke in dit schema genoemde functionaris moet een gekwalificeerde plaatsvervanging schriftelijk geregeld zijn.

Van alle ingezette medewerkers voor asbestinventarisatie, of direct daaraan gerelateerde onderwerpen, moet een functieomschrijving beschikbaar zijn.

Het management van het inventarisatiebureau moet haar visie en doelstellingen inzake kwaliteit onderschrijven en vastleggen in een kwaliteitssysteem. Zij dient tevens zorg te dragen dat dit beleid algemeen bekend is en tot op alle niveaus in het beleid van de organisatie is verankerd.

Het inventarisatiebureau moet over een effectief kwaliteitssysteem beschikken dat is toegesneden op de aard van het werkgebied, de omvang van de uit te voeren inventarisatiewerkzaamheden en het asbestinventarisatierapport, conform hoofdstuk 7.17.

Het kwaliteitssysteem moet zijn beschreven in een KHB, waarin alle informatie die conform dit certificatieschema is vereist, is opgenomen. Een voorbeeld van onderwerpen die in het KHB opgenomen worden zijn:

Het management van de organisatie moet een functionaris aanwijzen die bevoegd en verantwoordelijk is voor de kwaliteitsborging binnen het inventarisatiebureau. Deze functionaris moet directe toegang hebben tot de hoogste leiding van de organisatie.

Het kwaliteitssysteem moet onder verantwoordelijkheid van deze functionaris up-to-date gehouden worden.

Het inventarisatiebureau moet een systeem bijhouden voor het beheersen van alle documentatie in relatie tot haar activiteiten. Dit dient om te verzekeren dat:

Het inventarisatiebureau moet beschikken over een beschreven systeem van geplande interne kwaliteitsbeoordelingen om vast te stellen of aan de in dit certificatieschema gestelde eisen wordt voldaan en om de effectiviteit van het eigen kwaliteitssysteem te toetsen. Het personeel dat de beoordelingen uitvoert moet voldoende gekwalificeerd zijn en een onafhankelijke positie hebben t.o.v. de beoordeelde onderdelen en/of personen.

Toelichting:

Met betrekking tot de beheersing en borging van de totstandkoming van het asbestinventarisatierapport zijn collegiale toetsingen een mogelijkheid. Deze zouden als volgt kunnen worden uitgevoerd. Een tweede (doorgaans meer ervaren senior-) inspecteur voert, zonder voorkennis van de resultaten van de eerste inspecteur, op hetzelfde bouwwerk of object een inventarisatie uit. Door vergelijking van de werkwijze en resultaten kan een oordeel worden gevormd over de inventarisatie en de volledigheid waarmee een inventarisatie wordt uitgevoerd. Met name voor kleine inventarisatiebureaus is het ook mogelijk collega-bedrijven in te schakelen voor dergelijke intercollegiale toetsingen.

De interne beoordelaar moet aantoonbaar beschikken over:

Het inventarisatiebureau moet beschikken over een beschreven procedure voor het terugkoppelen van de resultaten van interne audits en het nemen van corrigerende maatregelen voor alle mogelijke afwijkingen die in het kwaliteitssysteem en/of de uitvoering van de inspecties worden gevonden.

Voor met name de afhandeling van het evaluatieformulier dient het inventarisatiebureau over een vrijgegeven procedure te beschikken.

Toelichting:

Indien het asbestverwijderingsbedrijf (buiten de verstrekte opsomming in het asbestinventarisatierapport) onvoorzien asbest, asbesthoudende producten etc aantreft, wordt dit met het evaluatieformulier (zie SC-540 par. 7.17.4) gemeld aan het inventarisatiebureau.

De directie van het inventarisatiebureau moet tenminste éénmaal per jaar het kwaliteitssysteem beoordelen op haar effectiviteit. De resultaten van de directiebeoordeling moeten worden vastgelegd en gedocumenteerd.

Het inventarisatiebureau moet over voldoende personeel in vaste dienst beschikken, waarmee alle expertise gebieden die nodig zijn voor de normale bedrijfsvoering met betrekking tot de asbestinventarisatie bestreken worden. Tijdelijk personeel moet voldoen aan alle eisen die in dit hoofdstuk zijn omschreven.

Het inventarisatiebureau zal de aan haar opgedragen inventarisaties zelf uitvoeren.

Toelichting:

Het inventarisatierapport blijft de verantwoordelijkheid van het asbestinventarisatiebedrijf.

Het personeel dat de inventarisaties uitvoert dient in het bezit te zijn van een geldig Ascert Persoonscertificaat Deskundig Inventariseerder Asbest (DIA) conform SC-560.

Het inventarisatiebureau moet beschikken over een beschreven opleidingsplan. Dit is om te verzekeren dat de vakbekwaamheid van haar personeel in zowel de technische, als de administratieve aspecten van de uit te voeren werkzaamheden, up-to-date en op niveau gehouden wordt. Dit plan dient te staan in relatie tot de doelstellingen van het inventarisatiebureau. De vereiste opleiding zal afhangen van de capaciteiten, vooropleiding en ervaring van de betrokkenen personen.

Door het inventarisatiebureau moet een passende gedetailleerde registratie van het personeel, van de gevolgde en nog te volgen opleidingen en werkervaringsgegevens worden bijgehouden.

Het inventarisatiebureau moet over gedragsrichtlijnen beschikken en het personeel periodiek beoordelen op het kennen en toepassen daarvan. Integriteit, onafhankelijkheid en beroepshouding dienen daarin als belangrijkste aan de orde te komen. In deze gedragscode dienen tenminste de volgende aspecten aan de orde te komen:

De beloning van inventarisatiepersoneel mag niet afhankelijk zijn van het aantal uit te voeren inventarisaties en mag nimmer afhankelijk zijn van het resultaat van een inventarisatie.

Toelichting:

Met deze maatregel is beoogd het ongewenst ‘kopen’ van incorrecte inventarisatierapporten zoveel mogelijk te beperken.

De werknemers die blootstelling aan asbest riskeren, moeten in de gelegenheid worden gesteld om arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan:

De werkgever of de werknemer dient daar zelf om te verzoeken. De individuele arbeidsgezondheidskundige gegevens van de werknemers moeten in persoonlijke dossiers worden opgeslagen. De dossiers moeten tenminste 40 jaar na het eind van de blootstelling worden bewaard.

De werkgever is verplicht de bovengenoemde arbeidsgezondheidskundige onderzoeken aan de werknemers aan te bieden. Werknemers hebben echter het recht te weigeren een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan. Dit dient uit een eigen schriftelijke verklaring te blijken. Schriftelijk bewijs van medische geschiktheid (of afstandsverklaring) moet aantoonbaar zijn op de projectlocatie.

Het inventarisatiebureau moet beschikken over passende faciliteiten en uitrusting voor alle uit te voeren inventarisatiewerkzaamheden. De voor asbestinventarisaties benodigde voorzieningen en uitrusting zijn vermeld in par. 7.14.4.

Toelichting:

Deze verplichting past in de algemene wettelijke verplichting van de werkgever met betrekking tot voorlichting, instructie, risico-inventarisatie en -evaluatie etc. (zie Arbowet art 3).

Het inventarisatiebureau moet beschikken over duidelijke regels voor toegang en gebruik van genoemde faciliteiten en uitrusting.

Het inventarisatiebureau moet zorgdragen dat de in SC-540 par. 7.14.4 vermelde uitrusting altijd in goede staat en gebruiksgereed is.

Alle kwaliteitsbepalende uitrusting en materieel moeten gekenmerkt zijn.

Het inventarisatiebureau moet zorgdragen dat alle uitrusting naar behoren wordt onderhouden conform de daartoe opgestelde procedures en werkinstructies.

Toelichting:

Zie de normatieve invulling van uitbesteding van onderhoud bij par. 7.12.

Het inventarisatiebureau zorgt ervoor dat alle in te zetten apparatuur, voor zover van toepassing, voorafgaand aan gebruik herleidbaar is gekalibreerd volgens een tevoren opgesteld kalibratieschema.

Wanneer relevant moet apparatuur, afgezien van het reguliere kalibratieprogramma, ook voorafgaand aan gebruik worden gecontroleerd.

Wanneer dit relevant is voor de te leveren diensten, moet het inventarisatiebureau over procedures beschikken voor:

Toelichting:

Voor een inventarisatie zijn o.a. een asbeststofzuiger en persoonlijke beschermingsmiddelen als kwaliteitsbepalende apparatuur aanwezig. Deze worden zorgvuldig onderhouden, gecontroleerd en jaarlijks gekeurd. Leveranciers die dergelijke apparatuur leveren, worden tevoren op kwaliteit getoetst. Het artikel geldt ook voor de aankoop van diensten, zoals laboratoriumonderzoek, servicediensten etc. Tijdelijk personeel wordt bij voorkeur betrokken van gecertificeerde collega-bedrijven en moet voldoen aan alle eisen zoals gesteld in dit certificatieschema par 7.12. Laboratoriumdiensten en kalibraties worden uitsluitend uitbesteed aan instellingen die voor de betreffende verrichting(en) zijn geaccrediteerd. Uitbesteding van het onderhoud aan kwaliteitsbepalende apparatuur geschiedt, indien voorhanden, aan een daartoe gecertificeerde leverancier of onderhoudsdienst. Criteria voor het tijdelijk inhuren van personeel zijn beschreven in par 7.12.

Wanneer de instelling bij de uitvoering van inspecties gebruik maakt van computers en/of geautomatiseerde apparatuur, dan dient men ervoor te zorgen dat:

Toelichting:

Bij inventarisatie zijn computers belangrijk voor het systematisch vastleggen van o.a.:

Het inventarisatiebureau moet beschikken over een beschreven procedure voor de behandeling van defecte apparatuur. Defecte apparatuur moet buiten bedrijf worden gesteld door afscheiding en/of duidelijke labeling. De instelling moet nagaan of het werken met defecte apparatuur van invloed is geweest op uitgevoerde inventarisaties.

Relevante gegevens van gebruikte apparatuur (zoals identificatie, kalibratie en onderhoud) moeten worden vastgelegd.

Een volledige asbestinventarisatie conform SC-540 kan gefaseerd worden uitgevoerd conform par.

7.14.

Het eindproduct is een inventarisatierapport conform par. 7.17. Het asbestinventarisatierapport en overige documenten betreffende het asbestinventarisatiewerk dienen te zijn voorzien van een projectidentificatiecode. Met de Ascert-code van het gecertificeerde, uitvoerende asbestinventarisatiebedrijf vormt de projectidentifcatiecode een uniek identificatie van het asbestinventarisatiewerk en het daarop gebaseerde asbestinventarisatierapport. De beperkingen van een asbestinventarisatierapport moeten met argumenten onderbouwd expliciet in het rapport worden opgenomen.

Het bedrijf dient vóór begin van de uitvoering de periode van het asbestinventarisatiewerk melden aan de CKI (zie Bijlage A).

Een inventarisatiebureau moet haar methoden en procedures toepassen conform par. 7.14.5.

Het inventarisatiebureau dient per inventarisatieproject te beschikken over een werkvoorschrift dat leidt tot een passend inventarisatieplan inclusief checklijst (zie par. 7.14). Wanneer van toepassing, vereist dit een voldoende kennis van technieken om een representatieve monsterneming te bewerkstelligen en om meetgegevens op de juiste wijze te verwerken en te interpreteren.

Toelichting:

Onder dit punt valt dus de technische beschrijving van het eigenlijke inventarisatieproces, de gebruikte technieken, etc.

Wanneer het inventarisatiebureau genoodzaakt is om af te wijken van dit certificatieschema, dan moet de alternatieve methode voor het doel geschikt zijn en volledig zijn beschreven.

Toelichting:

In principe wordt altijd SC-540 gevolgd. In uitzonderlijke situaties kan het voorkomen dat hiervan afgeweken moet worden. In dat geval geldt dat deze afwijking volledig gemotiveerd en beschreven moet zijn.

Alle werkinstructies, normen of beschreven procedures, registratieformulieren, checklists en referentiegegevens die van belang zijn voor het werk van het inventarisatiebureau, moeten up-to-date gehouden worden en direct toegankelijk zijn voor het personeel.

Het inventarisatiebureau moet beschikken over een systeem om contracten of opdrachten te beoordelen en garandeert dat:

Toelichting:

De formulering van de opdracht door de klant (b) c.q. de formulering van de offerte door het bedrijf en het akkoord daarop van de klant kan niet strijdig zijn met SC-540. Denk daarbij aan toegang tot ruimten, opgelegde beperkingen m.b.t. destructief onderzoek, goedkopere varianten, etc.

Waarnemingen en andere bij de inventarisatie verkregen gegevens moeten op een daartoe geschikte manier worden opgeslagen om te voorkomen dat belangrijke gegevens verloren kunnen gaan.

Zie voor specifieke eisen aan vastlegging en rapportage par. 7.17. Registratie, archivering en afhandeling van retour ontvangen evaluatieformulieren dienen zorgvuldig te geschieden.

Alle berekeningen en punten waarbij overdracht van gegevens plaatsvindt, moeten naar behoren gecontroleerd worden.

Het inventarisatiebureau moet beschikken over beschreven veiligheidsinstructies voor het uitvoeren van inventarisaties, waarbij tevens voldaan moet worden aan de eisen in wet- en regelgeving.

Het inventarisatiebureau draagt zorg voor een unieke codering van te inventariseren objecten en genomen monsters, zodat hierover geen misverstanden kunnen ontstaan.

Toelichting:

De unieke codering geldt voor de gebouwen, constructies en objecten en alle onderverdelingen naar verdiepingen, bouw- of constructiedelen en materialen. Vastlegging op (digitale) foto’s kan daarbij een nuttig hulpmiddel zijn. Het is van belang dat deze eis ook duidelijk wordt overgebracht aan b.v. laboratoria die in opdracht van het inventarisatiebureau monsters nemen van asbestverdachte materialen en die veelal een eigen systematiek hanteren. Voorkom dat beide systemen conflicteren waardoor de traceerbaarheid van monsters nadelig wordt beïnvloed.

Elke duidelijke afwijking of onregelmatigheid die onder de aandacht van de inventariseerder wordt gebracht of door de inventariseerder zelf wordt opgemerkt, moet voorafgaand of tijdens de inventarisatie worden vastgelegd. Wanneer er twijfel bestaat over de geschiktheid van het object voor inspectie, of wanneer het object niet voldoet aan de vooraf opgegeven kenmerken, wordt eerst contact opgenomen met de klant alvorens tot inventarisatie over te gaan.

Toelichting:

Dit geldt bijvoorbeeld bij het inventariseren van ruimten die wel op tekening staan, maar op locatie niet voor inventarisatie toegankelijk blijken te zijn en/of als er omstandigheden zijn waardoor de inventariseerder niet ongestoord zijn werk kan doen.

Het inventarisatiebureau moet vaststellen of alle noodzakelijke voorbereidingen aan het te inventariseren object zijn getroffen.

Toelichting:

In het kader van een asbestinventarisatie worden het historisch onderzoek, het verzamelen van bouwtekeningen en plattegronden en overige voorbereidende werkzaamheden als ‘voorbereiding’ beschouwd.

Het inventarisatiebureau moet over een procedure beschikken en maatregelen nemen om te voorkomen dat het inspectieobject tijdens de inventarisatie wordt aangetast of beschadigd.

Het inventarisatiebureau moet alle voor het doel relevante waarnemingsresultaten vastleggen, in overeenstemming met de geldende regels en voorschriften.

De werkgever moet de blootstellingsgegevens van blootgestelde werknemers registreren door vermelding van de aard, de mate en de duur van de blootstelling. Deze gegevens moeten ter kennis gebracht worden van de werknemer. De gegevens moeten in niet op individuen herleidbare vorm ter kennis worden gebracht van de ondernemingsraad of bij het ontbreken daarvan aan de betrokken werknemers. Het register moet minstens 40 jaar na de laatste blootstelling worden bewaard.

De gegevens, vastgelegd in het kader van de uitgevoerde inventarisaties, moeten voldoende informatie bevatten om hieruit eenduidige inventarisatieresultaten te kunnen afleiden.

Alle inventarisatierapporten moeten gedurende tenminste 10 jaar op een veilige plaats worden bewaard met inachtneming van de met de klant overeengekomen geheimhouding, tenzij de wet anders voorschrijft.

Indien het bedrijf wordt beëindigd dienen de gegevens op een passende wijze met effectieve terugvindbaarheid te worden opgeslagen.

Toelichting:

Informatie met belangrijke gezondheidsaspecten dient, conform de wet, minstens 40 jaar bewaard te blijven.

Het werk dat door het inventarisatiebureau is uitgevoerd moet zijn vastgelegd in een inventarisatierapport, dat vervolgens aan de opdrachtgever wordt verstuurd. De aard van de inventarisatie, onderscheiden naar het rapport Type-A of Type-B moet expliciet in het rapport worden opgenomen.

In het asbestinventarisatierapport dient het toelichtende document: Verplichtingen Opdrachtgever (SC-540 Bijlage G) opgenomen te zijn.

Het inventarisatierapport moet alle resultaten van het inventarisatieonderzoek bevatten en de (eventuele) conclusies die uit deze resultaten worden afgeleid, inclusief alle voor een juist begrip of interpretatie benodigde gegevens. Al deze informatie moet eenduidig, correct en accuraat worden gerapporteerd conform het in par. 7.17 opgestelde format. Eventueel door onderaannemers aangeleverde gegevens moeten in het rapport duidelijk als zodanig gekenmerkt zijn.

Inventarisatierapporten moeten door een daartoe bevoegde persoon worden ondertekend of op andere wijze van een goedkeuring worden voorzien. De direct bij de inventarisatie betrokken medewerkers dienen betrokken te zijn bij de vrijgavecontrole van het inventarisatierapport.

Toelichting:

In de meeste gevallen zal dit de technische verantwoordelijke zijn (zie par. 7.4.2). De ondertekenaar moet het resultaat dus vakinhoudelijk kunnen beoordelen.

Correcties of toevoegingen aan een rapport moeten worden vastgelegd en onderbouwd met inachtneming van de in dit hoofdstuk omschreven eisen.

Zie par. 7.17.

Het inventarisatiebureau moet alle gegevens betreffende competentie, certificatie/accreditatie etc. van haar toeleveranciers bijhouden in een register.

Wanneer een inventarisatiebureau bepaalde specialistische taken uitbesteedt, moet zij toegang hebben tot een ter zake kundig en ervaren persoon die een onafhankelijke beoordeling van de door deze toeleverancier verkregen resultaten kan geven. De eindverantwoordelijkheid voor het uit te brengen inventarisatierapport berust bij het inventarisatiebureau.

Van een inventarisatiebureau wordt verwacht dat zij aantoonbaar actief participeert in het uitwisselen van ervaringen met collega-bedrijven en dat zij een bijdrage levert aan het proces van verbetering en standaardisatie.

Het doel van een asbestinventarisatie is het volledig in kaart brengen, identificeren en kwantificeren van alle van asbest, asbesthoudende producten, asbestbesmet materiaal of asbestbesmette constructieonderdelen (asbest, asbesthoudende producten, etc.) die aanwezig zijn in een bouwwerk, object of plaats waar een incident heeft plaatsgevonden en asbest is vrijgekomen. Het inventariseren van asbest, asbesthoudende producten etc. in een bouwwerk of object gaat vooraf aan het geheel of gedeeltelijk afbreken ervan, aan het verwijderen van asbest, of aan het opruimen van asbest na een incident. Tevens wordt op grond van de aard van het aangetroffen asbest en/of de asbesthoudende producten, de wijze waarop deze in de constructie zijn bevestigd en de omgevingsomstandigheden, een indeling in één van de drie risicoklassen voor verwijdering gemaakt, zoals beschreven in SC-540 deel I par. 3.3.

Indien bij de voorbereiding van het daadwerkelijk verwijderen het inventarisatierapport ouder is dan drie jaar, dan dient het inventarisatierapport getoetst te worden op de actualiteit. Veranderingen in het bouwwerk of object dienen dan te zijn beoordeeld op gevolgen voor de aanwezigheid van asbest, asbesthoudende producten etc. Deze dienen te zijn geregistreerd en te zijn toegevoegd aan het inventarisatierapport voordat verwijdering kan plaats vinden. In geval er geen veranderingen zijn, of veranderingen zonder gevolgen, dient dit eveneens te worden geregistreerd en te zijn toegevoegd aan het inventarisatierapport voordat verwijdering kan plaats vinden.

Toelichting:

Deze termijn van drie jaar is ingevoerd om de opdrachtgever er op te duiden, dat veranderingen in de aard van gebouw door verbouwingen e.d. gevolgen kunnen hebben op de aanwezigheid van asbest, asbesthoudende producten, asbestbesmet materiaal of asbestbesmette constructieonderdelen in bouwwerken en objecten. In SC-530 par 7.14.1 is aangegeven dat het opdrachtwervende asbestverwijderingsbedrijf de opdrachtgever dient te wijzen op de actualiteit van het asbestinventarisatierapport.

Na een incident, zoals brand of explosie, kan de inventarisatie van het daarbij resterende bouwwerk of object conform dit certificatieschema worden uitgevoerd. Zie ook SC-540 Bijlage H.

Is er echter bij brand en/of explosie sprake van verspreiding van asbest naar verharde of onverharde bodem (toplaag), dan valt het in kaart brengen van de verspreiding in de bodem niet onder het toepassingsgebied van de SC-540. Details daaromtrent zijn beschreven in [lit.10]. Bij de inventarisatie van een dergelijk terrein wordt informatief gebruik gemaakt van de meetstrategie en onderzoekmethode zoals omschreven in de norm NEN 5707.

Inventarisatie Type A

De werkgever is conform de Arbowet [lit.1.] verplicht zorg te dragen voor arbeidsveilige werkomstandigheden van zijn werknemers.

Voor een grondig en effectief uit te voeren asbestinventarisatie zijn afhankelijk van de omstandigheden de hieronder opgesomde materialen en hulpmiddelen nodig. Voor bepaalde uitrustingsstukken is periodiek onderhoud en/of kalibratie vereist.

De keus van gereedschap en materieel hangt af van de te onderzoeken objecten. In bijzondere gevallen en/of voor het uitvoeren van destructief onderzoek kan ander gereedschap en/of materieel nodig zijn. In het inventarisatieplan dient een lijst opgenomen te worden van te gebruiken uitrusting en materialen.

Inventarisatie Type-B

Bij inventarisatie type B wordt het bouwwerk/object, wel of niet in samenwerking met een gecertificeerde asbestverwijderingsbedrijf (zie par. 3.4.2), zodanig selectief gesloopt / destructief onderzocht dat de aanwezigheid van nog resterende asbesthoudende materialen moet kunnen worden vastgesteld. De sloop- / onderzoekmethode en uitrusting dienen daarbij zodanig te zijn dat er geen asbestblootstelling optreedt.

Asbestinventarisatie geschiedt veelal in fasen, omdat vanwege gebruik of andere oorzaken, niet in één gang een allesomvattend onderzoek in het bouwwerk of object kan plaats vinden. Uiteindelijk dient alle aanwezige asbest, asbesthoudende producten, asbestbesmet materiaal of asbestbesmette constructieonderdelen in een bouwwerk of object volledig in kaart te zijn gebracht, geïdentificeerd en gekwantificeerd.

Opmerking:

Een onderzoeker heeft een inspanningsverplichting, afhankelijk van de mate waarin een pand in gebruik is, en de vrijheid die een opdrachtgever bij een inventarisatie Type-A kan bieden. Verlaagde plafonds, lambrisering, spouwmuren, koven etc. kunnen in veel gevallen zonder problemen met opdrachtgevers of risico op emissie worden open gemaakt, dit geldt ook voor vaste vloerbedekkingen. In overeenstemming met de typering in SC-540 par. 3.4. is het volgende onderscheid aangebracht.

De belangrijkste activiteit c.q. onderwerp van dit certificatieschema is het systematisch en volledig inventariseren van alle direct waarneembare asbest, asbesthoudende producten, asbestbesmet materiaal of asbestbesmette constructieonderdelen in een bouwwerk of object met gebruik van handgereedschap (zonder of met licht destructief onderzoek). Daarbij is onbelemmerde en passende toegang tot de ruimten een voorwaarde voor het kunnen uitvoeren van de inventarisatie. Deze inventarisatie leidt tot een asbestinventarisatierapport Type-A (zie par. 7.17.2.).

Als deze inventarisatie leidt tot ‘een redelijk vermoeden’ op niet-direct waarneembare aanwezigheid van asbest, asbesthoudende producten, asbestbesmet materiaal of asbestbesmette constructieonderdelen in een bouwwerk of object, dan dient er een aanvullende inventarisatie (Type-B) te worden uitgevoerd.

Toelichting:

De inventariseerder komt op basis van zijn deskundigheid in het herkennen en benoemen van asbesttoepassingen tot de veronderstelling dat er asbesthoudende materialen aanwezig zouden kunnen zijn, die slechts met destructief onderzoek bereikbaar zijn. Deze bevinding wordt aangeduid met ‘een redelijk vermoeden’. De bevinding van ‘een redelijk vermoeden’ dient in de samenvatting van het rapport te worden aangegeven (zie ook par. 7.17.2.2). In de samenvatting van het rapport dient in dat geval over de werkwijze van de vergunningverlener bovendien en aansluitend de volgende zin te worden opgenomen:

‘De vergunningverlener verplicht in de omgevingsvergunning tot de aanvullende inventarisatie (Type B)’.

Het asbestinventarisatierapport type-A zal kunnen dienen als basis voor de aanvraag van een omgevingsvergunning.

Eigenaren of beheerders van gebouwen kunnen vrijwillig opdracht geven tot asbestinventarisatie van een gebouw of object, gericht op het beheersen van asbest in het gebouw. Een dergelijke inventarisatie heeft tot doel de gebruiksintegriteit van het gehele gebouw vast te stellen en wordt aangeduid als asbestinventarisatie Type-G. Een asbestinventarisatie Type-G is een uitbreiding op een volledige asbestinventarisatie Type-A. Het volledig inventariseren van alle direct waarneembare asbest, etc. in een bouwwerk of object betekent dat alle ruimten worden onderzocht.

Toelichting:

Van elke ruimte dienen de vloer, wanden en plafond onderzocht te worden. Is sprake van een kruipruimte en deze is betreedbaar voor de onderzoeker, dan dient deze onderzocht te worden. Daarnaast dienen de buitengevels, het dak en schoorstenen alsook de gebouwinstallaties onderzocht te worden.

Naast het in kaart brengen van de asbesthoudende toepassingen omvat een asbestinventarisatie Type G een risicobeoordeling met betrekking tot de gebruikssituatie en het opstellen van een asbestbeheersplan.

De risicobeoordeling en het asbestbeheersplan dienen te voldoen aan de NEN-EN-ISO/IEC 2991: 2005. In het asbestbeheersplan dienen ook de asbesthoudende toepassingen worden beschreven waarvan een ‘redelijk vermoeden’ bestaat, maar welke niet zonder destructief onderzoek vast te stellen zijn. Het asbestbeheersplan dient periodiek beoordeeld te worden op actualiteit. De frequentie daarvan dient omschreven te zijn in het asbestbeheersplan, waarbij voldaan wordt aan de eisen zoals gesteld in bijlage D van NEN-EN-ISO/IEC 2991: 2005. De normverwijzing BRL 5052 in de versie van 2005 moet gelezen worden als SC-540 en BRL 5050 als SC-530.

Toelichting:

Door het in het beheerplan opnemen van asbesthoudende toepassingen waarvan een ‘een redelijk vermoeden’ bestaat, zijn de risico’s van deze mogelijk toepassingen tot op zekere hoogte beheerd (de conditie is niet bekend). Hiermee wordt voorkomen dan (licht) destructief onderzoek nodig is, wat in gebruikssituaties vaak ongewenst is. Een volledige risicobeoordeling van deze toepassingen conform de NEN-EN-ISO/IEC 2991: 2005 is niet mogelijk. Indien uit de risicobeoordeling blijkt dat er sprake is van blootstelling aan asbestvezels dient dit direct gemeld te worden aan de opdrachtgever en dient de ruimte waar de besmetting heerst afgesloten en voor gebruik verboden te worden. Het asbesthoudende materiaal of asbeststof, dat de besmetting veroorzaakt, dient verwijderd te worden en de ruimte te worden schoongemaakt van asbestvezels.

Het redelijke vermoeden van niet-direct waarneembare aanwezigheid van asbest, asbesthoudende producten etc in een bouwwerk of object, vermeld in asbestinventarisatierapport Type-A, leidt tot een aanvullende inventarisatie.

Niet-direct waarneembare asbest, asbesthoudende producten etc. worden in dat geval voorafgaand aan de bouwkundige sloop, wel of niet in samenwerking met het gecertificeerde asbestverwijderingsbedrijf (conform SC-530), met destructief onderzoek opgespoord (zie 3.4.3), waarbij de bouwkundige integriteit van een gebouw of constructie wordt aangetast (voorbeeld: in de fundering gegoten asbestcement leidingwerk). Het destructief onderzoek daarbij dient te geschieden onder het regime van SC-530. Het resultaat leidt tot een asbestinventarisatierapport Type-B als aanvulling op het asbestinventarisatierapport Type-A. Dit wordt door het asbestinventarisatiebedrijf ter beschikking gesteld via de opdrachtgever c.q. de houder van de omgevingsvergunning aan de vergunningverlener (gemeente).

Buiten het kader van SC-540 kan voorafgaand aan uit te voeren risicobeoordelingen, conform NEN 2991, in gebouwen, constructies of objecten in bewoonde/gebruikte staat die niet zullen worden gesloopt, worden volstaan met een beperkte, uitsluitend op visueel onderzoek gebaseerde, inventarisatie van asbesthoudende materialen. Deze inventarisatie dient gerapporteerd te worden.

Toelichting:

De uitvoering van een risicobeoordeling conform NEN 2991 valt, behoudens het bepaalde in 7.14.6.1 buiten het kader van deze SC-540. Het resultaat van een type 0 inventarisatie kan dan als startpunt dienen. Uiteraard wordt een Type-O inventarisatie uitsluitend uitgevoerd indien er voor het betreffende gebouw, constructie of object geen Type-A inventarisatie beschikbaar is, terwijl er redenen zijn om op korte termijn een NEN 2991 risicobeoordeling uit te voeren.

De inventarisatie van asbest, asbesthoudende producten, asbestbesmet materiaal of asbestbesmette constructieonderdelen in een bouwwerk of object is gericht op het vaststellen van de blootstellingrisico's bij het verwijderen ervan. De bepalende factoren daarbij zijn o.a. de aard van het asbest, asbesthoudende product, asbestbesmet materiaal of asbestbesmet constructieonderdeel, de wijze waarop het is aangebracht en daarmee de methode van verwijderen en de beschermingsmaatregelen. De vaststelling van de risicoklasse dient aantoonbaar gedocumenteerd uitgevoerd te zijn op basis van de resultaten van de inventarisatie.

De indeling in risicoklassen is gebaseerd op het Arbobesluit. Er zijn drie risicoklassen gedefinieerd, elk met een eigen specifiek veiligheidsregime. Deze risicoklassen zijn volgens het volgende globale model ingedeeld:

Om een juiste indeling te kunnen maken zijn niet alleen gegevens nodig over het asbesthoudende materiaal (aard, samenstelling, asbestgehalte, graad van verwering/aantasting, wijze van bevestiging etc.). De inventariseerder moet óók op de hoogte zijn van de verwijderingstechnieken en -methoden die beschikbaar zijn. Immers, de combinatie van materiaaleigenschappen en de bij demontage of sloop gebruikte technieken bepalen uiteindelijke het concentratieniveau aan asbest in de lucht tijdens de asbestinventarisatie.

Opmerkingen

Voor plaatmaterialen en golfplaat dient de hoeveelheid weergegeven te worden in m2. Desgewenst kan naar massa-eenheden (kg, ton) worden omgerekend. Bulktoepassingen, zoals spuitasbest, leidingisolatie etc. dienen altijd omgerekend te worden naar volume en/of massa-eenheden. Daarnaast dienen de afmetingen van alle asbesthoudende bouw- of constructiedelen zorgvuldig op een plattegrond te worden aangegeven en geregistreerd.

Van elk type als asbestverdacht aangemerkt materiaal dient per onderzoeksproject door de inventariseerder tenminste één representatief monster te worden genomen. Ook indien het materiaal visueel als asbesthoudend wordt herkend. De monsterneming dient te voldoen aan de betreffende eisen uit NEN 5896: 2003.

Van materialen waarin het asbest inhomogeen aanwezig is zoals vinyl vloerbedekkingtypen, Internitplaat, beglazingskit etc., dienen meerdere monsters op selectief verschillende toepassingslocaties te worden genomen. Zie ook par. 7.16.3.2: Eisen te stellen aan monsterneming. De genomen monsters dienen geanalyseerd te worden door een voor deze verrichting door de RvA geaccrediteerd laboratorium dat werkt conform NEN 5896: 2003 (zie www.rva.nl).

Het is van belang dat de omvang van het project eenduidig wordt vastgelegd. In principe geldt een inventarisatie voor het gehele te onderzoeken gebouw/object, tenzij slechts opdracht is gegeven om een deel van het gebouw en/of object te inventariseren, bijvoorbeeld een bepaalde vleugel of verdieping. Het inventarisatiebureau bepaalt of een dergelijke opsplitsing niet in strijd is met de uitgangspunten van dit certificatieschema.

Het inventariseren van een als zelfstandig te beschouwen bouwkundige eenheid is toegestaan. Bij de indeling is het van belang dat de eenheden zodanig groot zijn, dat alle asbesthoudende bronnen binnen de bouwkundige of installatietechnische eenheid worden meegenomen. Het in één keer inventariseren van zeer grote bouwkundige eenheden kan tot bezwaren leiden en nadelen hebben. De oplossing ligt dan vrijwel altijd in het later samenbundelen van de deelinventarisaties tot een overzichtelijk geheel.

De asbestinventarisatie van de zelfstandig bouwkundige eenheid dient volledig in kaart gebracht, geïdentificeerd en gekwalificeerd te worden.

Voor de vraag of er een deelinventarisatie gemaakt kan worden, dient niet alleen gekeken te worden naar de mate waarin de ruimte bouwkundig zelfstandig is. Ook dient gekeken te worden of de betreffende asbestbron zich beperkt tot die ruimte.

Voorbeelden:

Het inventariseren van afzonderlijke bronnen of constructiedelen is niet acceptabel. Opsplitsing in te kleine eenheden stuit vrijwel altijd op bezwaren. Het is bijvoorbeeld niet toegestaan om uitsluitend een gevelconstructie, vensterbanken of technische ruimten te inventariseren en daarbij geen aandacht te besteden aan de overige bronnen binnen de bouwkundige eenheid.

Voorbeeld:

In een grote hal met een staalconstructie waarop spuitasbest is aangebracht, bevinden zich winkels die afzonderlijk zijn verhuurd. Wanneer slechts een deel van de huurders opdracht geeft tot inventarisatie van de door hen gehuurde winkel, leidt dit tot een onvolledige inventarisatie die bovendien een onbetrouwbare basis vormt voor een omgevingsvergunning of een eventueel aansluitend uit te voeren risicobeoordeling conform NEN 2991. In dergelijke gevallen zal dus de eigenaar van het bouwwerk als (hoofd)opdrachtgever moeten optreden.

Wanneer een inventarisatiebureau niet een volledig bouwwerk, object of constructie onderzoekt, moet de gekozen indeling van het te onderzoeken bouwdeel gemotiveerd worden vastgelegd in het op te stellen asbestinventarisatieplan en het asbestinventarisatierapport.

Het asbestinventarisatiebedrijf dient de opdrachtgever te verzoeken de relevante documenten en archieven beschikbaar te stellen waarin de toepassing van asbest en asbesthoudende producten is beschreven.

Toelichting:

Dit kan omvatten bouwtekeningen, archieven van verbouwingen of renovaties, beschrijving van calamiteiten of incidenten, eerder uitgevoerde (deel)saneringen etc.

Daarnaast dient de opdrachtgever te worden verzocht de mogelijkheid te bieden (ex)werknemers te laten interviewen voor zover dat relevant is voor het onderzoek.

Het bedrijf dient te werken met een checklist toegespitst op het te inventariseren bouwwerk of object. Tevoren dient deskresearch te zijn uitgevoerd, gebruikmakend van bestek, tekeningen, bouwaanvragen of vergelijkbare informatie. Resultaten van deskresearch dienen op de onderzoekslocatie tijdens het onderzoek aanwezig te zijn. Bij het inventariseren dienen alle ruimten en constructiedelen, met inbegrip van bijvoorbeeld kanalen en kokers, schoorstenen, kruipruimten, ruimten boven het plafond etc. onderzocht te worden. In het bouwwerk en/of object dienen de te onderzoeken materialen in hoofdgroepen te worden ingedeeld.

Toelichting:

Voorbeelden van een indeling in hoofdgroepen zijn onderstaand gegeven:

De inventariseerder beschikt bij de inventarisaties over de vereiste PBM’s.

Ter voorkoming van blootstelling of besmetting van de omgeving dienen bij de monsterneming de volgende voorzorgsmaatregelen in acht genomen te worden:

Bij het inventariseren van niet-hechtgebonden asbest of asbesthoudende materialen is er een reële kans op blootstelling. Dit geldt met name voor situaties waarbij het evenwicht wordt verstoord, bijvoorbeeld het openen van plafonds, het betreden van kruipkelders of technische ruimten. In dat geval dienen er adequate beschermingsmaatregelen te worden genomen en de besmetting van aangrenzende bouwdelen te worden voorkomen. Bij (vermoeden van) zwaar met niet-hechtgebonden asbesthoudende materialen vervuilde ruimten dient de inventarisatie in containment te worden uitgevoerd.

Indien tijdens de inventarisatie een ernstige besmetting met niet-hechtgebonden asbesthoudende materialen wordt aangetroffen, die een direct risico opleveren voor bewoners / gebruikers van een gebouw of constructie, dient de opdrachtgever hierover terstond ingelicht te worden. Dit leidt tot een onvolledige rapportage en tot het dringend advies per direct organisatorische (voorzorgs)maatregelen te treffen en een risicobeoordeling conform NEN 2991 te laten uitvoeren. Weigert een opdrachtgever om maatregelen te nemen om bewoners/gebruikers tegen de blootstelling aan asbest te beschermen, dan kunnen in uiterste consequentie andere stappen worden ondernomen.

De belangrijkste activiteit van het asbestinventarisatiebedrijf is het inventariseren van asbesthoudende materialen en/of secundaire bronnen in een gebouw, constructie of object. Met behulp van de verkregen informatie kunnen de asbesthoudende materialen worden verwijderd. Het asbestinventarisatierapport is daarom van groot belang voor het zorgvuldig en hygiënisch verantwoord verwijderen van asbest. In deze paragraaf wordt aangegeven op welke wijze de resultaten van de asbestinventarisatie dienen te worden gerapporteerd. Voor minder omvangrijke asbestinventarisaties dient eenzelfde model te worden gehanteerd.

Par. 7.17.4 geeft een evaluatieformulier dat altijd in het inventarisatierapport dient te worden opgenomen.

Het is gebruikelijk om behalve een schriftelijke versie, ook een digitale versie van het rapport aan de opdrachtgever aan te bieden. De digitale kopie is beveiligd, zodat daarin geen veranderingen aangebracht kunnen worden (doorgaans een PDF-file). Desgewenst kunnen tabellen, tekeningen en andere bijlagen in het oorspronkelijke format (b.v. Word of Excel) worden meegeleverd, zodat een opdrachtgever deze kan gebruiken als basis voor een asbestbeheersplan. Wel moet daarbij duidelijk aan de opdrachtgever worden vermeld dat alle door hem aangebrachte veranderingen en/of toevoegingen niet meer onder verantwoordingen van het inventarisatiebureau vallen, tenzij deze gegevens door het inventarisatiebureau zijn gevalideerd. Dit geldt ook voor via het Internet werkende systemen van gegevensuitwisseling. Voor alle digitale systemen geldt dat deze afdoende beveiligd moeten zijn.

Dit omvat de inventarisatie van direct waarneembaar asbest, asbesthoudende producten, asbestbesmet materiaal of asbestbesmette constructieonderdelen in een bouwwerk of object. Bij de inventarisatie kan gebruik worden gemaakt van handgereedschap (zonder of met licht destructief onderzoek).

De rapportage Asbestinventarisatie Type-G dient naast hetgeen is aangegeven bij Asbestinventarisatie Type-A, de volgende onderdelen te bevatten:

Indien relevant voor het bouwwerk of object wordt tevens een opsomming gegeven van de vermoedelijk niet-direct waarneembare aanwezigheid van asbest, asbesthoudende producten, asbestbesmet materiaal of asbestbesmette constructieonderdelen in het bouwwerk of object, waarop in tweede instantie een aanvullende inventarisatie (Type B) uitgevoerd zal moeten worden. Deze bevinding dient in de samenvatting van het rapport te worden aangegeven. Het inventarisatierapport Type-A zal kunnen dienen als basis voor de aanvraag van een omgevingsvergunning. Dit rapport dient tenminste de volgende elementen te bevatten:

Waarop is vermeld:

Verplicht is onderstaande classificatie aanvullend op de titelpagina op te nemen.

Omvang onderzoek

Soort onderzoek

Risicobeoordeling

Hierin zijn alle relevante uitkomsten van het onderzoek bondig samengevat. Tevens dient hier aangegeven te worden:

Een omschrijving van de gebruikte onderzoeksmethoden.

Het asbestinventarisatierapport Type-B is het resultaat van de aanvullende inventarisatie van alle redelijk veronderstelde niet-direct-waarneembare asbest en asbesthoudende producten etc. die direct voorafgaand aan de bouwkundige sloop met destructief onderzoek zijn opgespoord en waarbij de bouwkundige integriteit van een gebouw of constructie is aangetast (voorbeeld: in de fundering gegoten asbestcement leidingwerk).

De directe aanleiding tot een dergelijke inventarisatie is de vaststelling, tijdens inventarisatie Type-A (zie par. 3.4), van het redelijke vermoeden van in het bouwwerk of object niet-direct-waarneembare asbest en asbesthoudende producten.

Het asbestinventarisatierapport Type-B vormt een aanvulling op het asbestinventarisatierapport Type-A.

De auteurs van de elkaar opvolgende versies van het inventarisatierapport

De wijze waarop de certificatie-instelling de beoordelingen en controles uitvoert is als volgt elders in certificatieschema vastgelegd:

Deel I Algemene bepalingen Hoofdstuk 4 Certificatiereglement:

In het certificatiereglement is aangegeven op welke wijze een kandidaat een procescertificaat kan verwerven. Naast de procedurele gang van zaken zijn dat de vorm, aard en frequentie van de beoordelingen en rapportage daarvan op zowel de kantoorlocatie(s) als de projectlocaties. De besluitvorming het certificaat wel / niet te verlenen in combinatie met de publicatie van het certificaat met opname in het Ascert Register.

Deel I Algemene bepalingen Hoofdstuk 6 Toezicht

In dit gedeelte is aangegeven hoe de certificatie-instelling gedurende de looptijd van het certificaat toegang heeft tot de werkzaamheden van de certificaathouder. Vermeld zijn de vorm, aard en frequentie van de beoordelingen op zowel de kantoorlocatie(s) als de projectlocaties. Voor de projectbeoordelingen is een controlelijst beschikbaar.

Tenslotte is aangegeven welke maatregelen de certificatie-instelling neemt in reactie op de geconstateerde bevindingen en de afhandeling daarvan door de certificaathouder. Daarin is voorzien de mogelijkheid van voortijdige intrekking van een procescertificaat na herhaald onvoldoende reageren van de certificaathouder binnen de certificatieperiode.

Tenslotte is vermeld de besluitvorming het certificaat wel / niet opnieuw te verlenen in combinatie met de eventuele publicatie van het certificaat met opname in het Ascert Register.

De aangegeven tijdsbesteding is een richtlijn; de tijdseenheden zijn inclusief rapportage.

De CKI dient in geval van het combineren van beoordelingen, met de beoordelingsrapportage aannemelijk en aantoonbaar te kunnen maken, dat bij beoordeling per vestiging de minimale vereisten van SC-540 gedurende de certificatieperiode worden onderzocht. Beoordelingen op projectlocaties staan op zichzelf en dienen conform het bepaalde in par. 5.2.2 uitgevoerd te worden.

Het certificaat dient minimaal de navolgende gegevens te bevatten (zie SC-530 Bijlage E).

Gegevens van de certificaathouder:

Gegevens van de CKI:

Overige gegevens certificaat:

Het gebruik van het certificaat is gebonden aan het Ascert Beeldmerk.

De CKI registreert maandelijks de actuele gegevens in het systeemcertificaat. Conform de overeenkomst met Ascert worden de gegevens elektronisch verzonden aan Bureau Ascert ten behoeve van het Ascert Certificaatregister. Het intrekken van certificaten dient door de CKI onmiddellijk te worden doorgegeven aan Ascert. Dit register wordt via internet toegankelijk gemaakt, binnen de wettelijke kaders.

Deel III van dit certificatieschema bevat de bijlagen, waarnaar in de delen I en II verwezen wordt.

Het nog niet gecertificeerde asbestverwijdering bedrijf dient bij een bevoegde certificatie-instelling (CKI) een aanvraag te doen voor een toelatingsonderzoek voor het Ascert-Procescertificaat Asbestverinventarisatie conform SC-540. Nadat de CKI heeft vastgesteld dat het bedrijf voldoet aan de eisen volgens het certificatieschema SC-540, exclusief de praktijkeisen, kan toestemming worden gevraagd voor de uitvoering van twee asbestverinventarisatieprojecten.

Motivatie voor deze regeling is dat het bedrijf alleen asbesthoudende producten mag inventariseren, indien het bedrijf in het bezit is van het Ascert-Procescertificaat Asbestinventarisatie. Namens het bedrijf verzoekt de CKI hiervoor bij Ascert schriftelijk om toestemming. Bij dit verzoek wordt overlegd:

Op grond van de volgende criteria dient Ascert schriftelijke toestemming op de aanvraag gegeven te hebben:

Indien de overlegde omschrijvingen aan de voorwaarden voldoen, verstrekt Ascert schriftelijk toestemming voor het uitvoeren van omschreven projecten. Ascert zendt de toestemming rechtstreeks naar de certificatie-instelling, die dit vervolgens doorzendt naar het asbestverwijderingsbedrijf.Het asbestinventarisatiebedrijf zorgt dat de Ascert-toestemming op het werk aanwezig is, zodat die op eerste verzoek kan worden getoond.

Indien de CKI op één van de twee projecten tot het oordeel komt dat het asbestinventarisatiebedrijf niet voldoet aan de criteria die voor de praktijktoets gelden, kan Ascert, op schriftelijk verzoek van de CKI, voor de uitvoering van één extra te beoordelen project (met vergelijkbaar werk) schriftelijk toestemming geven.

De verdere afhandeling van het certificatietraject is beschreven in SC-540 par 4.3.7

NB

De certificatie-instelling dient bij de opdracht tot initiële certificatie duidelijke, bindende afspraken te maken met het asbestinventarisatiebedrijf, in het geval het bedrijf niet blijkt te kunnen voldoen aan de praktijkeisen en de bedoelde projecten niet conform SC-540 afgehandeld kunnen worden.

Afhandeling door Ascert:

Akkoord met uitvoering:

Heden, ....., is het origineel in pdf-bestand per e-mail door Ascert verzonden aan de Certificatie-instelling.

Hoogachtend,

Stichting Certificatie Asbest

Bureau Ascert

..... [Naam]

De certificatie-instelling ..... gevestigd te ....., ten deze vertegenwoordigd door ....., directeur, hierna te noemen de instelling en de houder van het procescertificaat conform SC-540, in beheer bij Stichting Ascert:

hierna te noemen certificaathouder verklaren het volgende te zijn overeengekomen:

Aldus in tweevoud opgemaakt en ondertekend,

Certificaathouder

Certificatie-instelling

De certificatieovereenkomst zal door de certificatie-instelling beëindigd worden, met tegelijkertijd intrekking van het certificaat, indien:

Klachten en de eventuele verzoeken tot herziening dienen te worden worden afgehandeld conform SC-540 par. 4.3 en par.4.4.

De certificatie-instelling is niet aansprakelijk voor schade als gevolg van het gebruik van het procescertificaat.

Dit procescertificaat bestaat uit twee bladzijden.

Nadruk verboden Blad 1 van 2

Dit procescertificaat bestaat uit twee bladzijden.

Nadruk verboden Blad 1 van 2

De opdrachtgever heeft een wettelijke informatieplicht daar waar het gaat over de aanwezigheid van asbest in zijn bouwwerk/object, dat hij in eigendom / beheer heeft. Deze plicht heeft hij naar de gebruiker van het bouwwerk/object en zij die het bouwwerk/object respectievelijk onderhouden, renoveren, slopen of werkzaamheden erin uitvoeren.

Asbestverwijdering is onderhevig aan een gemeentelijke vergunning. Aan de vergunning ligt een asbestinventarisatierapport ten grondslag. Wie kan een vergunning aanvragen en wordt daarmee de houder van de vergunning?

De onder de punten 1 t/m 3 genoemde personen kunnen opdrachtgever zijn voor zowel de asbestinventarisatie, de asbestverwijdering, als de eindbeoordeling. Hij hoeft niet perse opdrachtgever te zijn voor de eindbeoordeling. Dit kan hij overlaten aan het verwijderingsbedrijf, hetgeen ook logisch is.

De opdrachtgever is degene die:

De opdrachtgever kan de zaken genoemd onder 1, 2, 3, 5 en 7 delegeren aan bijvoorbeeld het asbestverwijderingsbedrijf, doch blijft verantwoordelijk voor de aanwezigheid van de juiste papieren (inventarisatierapport en omgevingsvergunning) op het werk.

De verantwoordelijkheid van de opdrachtgever voor de juiste papieren (inventarisatierapport en omgevingsvergunning) op het werk vindt zijn wettelijke basis in Par. 2, Artikel 3 en 5 en Par. 4, Artikel 10 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. De door de opdrachtgever in te schakelen bedrijven voor asbestinventarisatie, asbestverwijdering en eindbeoordeling kunnen het werk alleen verrichten, wanneer zij in het bezit zijn van de wettelijk verplichte certificatie, respectievelijk accreditatie, vermeld in art. 4.54a, 4.54d en 4.55a van het Arbobesluit / Asbestverwijderingsbesluit 2005.’

Ontleend aan Asbestverwijderingsbesluit 2005, Stb. 704 d.d. 16-12-2005 en Stb. 87 d.d. 20-02-2006

Paragraaf 2 – Asbestinventarisatie

Art. 3-1-b:

lid b: degene die geheel of gedeeltelijk doet (laat) afbreken of uit elkaar nemen (= dus de opdrachtgever)

.... beschikt over een asbestinventarisatierapport.

Art. 3-2-b:

ook hier wordt weer gesproken over degene die asbest doet (laat) verwijderen (= dus de opdrachtgever)

.... beschikt over een asbestinventarisatierapport.

Art. 5

Degene die de handelingen van par. 3 doet / laat verrichten (= dus de opdrachtgever), verstrekt vóórdat de handeling wordt verricht, een afschrift van het inventarisatierapport aan degene die de handeling verricht (= dus het asbestverwijderingsbedrijf).

Conclusie:

Art. 3 en 5 zijn heel duidelijk: De opdrachtgever beschikt over een inventarisatierapport en geeft een afschrift van dat rapport aan degene die het asbest verwijdert. Hoe de opdrachtgever aan dat rapport komt, staat niet vermeld. Hij moet er gewoon over beschikken, dus het zelf regelen. Zie ook art. 4.54a-1 t/m 5 en 4.54d-5 (toevoeging aan Arbo-besluit).

Aanvulling Arbeidsomstandighedenbesluit

Artikel 4.54a. Asbestinventarisatie

Artikel 4.54d. Asbestverwijdering

Par. 4 – Bouwwerken

Art. 10:

Het is verboden om een bouwwerk te slopen zonder of in afwijking van de vergunning van B&W. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning moet een inventarisatierapport worden overlegd (art. 10j).

De houder van de omgevingsvergunning moet een afschrift van die vergunning ter hand stellen aan het bedrijf dat de sloop uitvoert.

Vaste deel van de aarde, grond en grondwater, met minder dan 20% puin. Ophooglagen en (half)verhardingslagen behoren niet tot de bodem.

Alleen de verdachte bodemlaag hoeft niet te worden onderzocht.

Op het verrichten van onderzoek naar asbest in de bodem is het Besluit bodemkwaliteit en de onderliggende Regeling bodemkwaliteit van toepassing. Daaruit volgt dat bodemonderzoek in de meeste gevallen dient plaats te vinden door een erkende bodemintermediair volgens de BRL SIKB 2000 en bij asbest het onderzoek volgens protocol 2018 wordt uitgevoerd. Daarin is de NEN 5707 overigens verwerkt. Indien uit een dergelijk onderzoek blijkt dat sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging (asbestconcentratie in de bodem boven de restconcentratienorm / interventiewaarde bodem), dient de bodemsanering plaats te vinden door een erkende bodemintermediair volgens de BRL SIKB 7000.

(niet-geautoriseerde gebruiker)

NB. Er kunnen geen rechten ontleend worden

(geautoriseerde gebruiker)

Het is algemeen bekend dat blootstelling aan asbestvezels zeer gevaarlijk is. Asbestvezels kunnen leiden tot schade aan de gezondheid en tot de dood. Kerngedachte bij de regels omtrent asbest is dat het hier gaat om het leven en de gezondheid van mensen. Dit gevaar van blootstelling betekent dat als het op handelingen met asbest aankomt zeer zorgvuldige gehandeld dient te worden. De overheid moet er op kunnen vertrouwen dat bedrijven en personen die betrokken zijn bij het werken met asbest zeer zorgvuldig handelen en het risico van blootstelling tot het laagst mogelijk beperken. Dit betekent dat geëist wordt dat zij zich aan de regels houden die gelden voor werken met en rondom asbest. Indien het risico van blootstelling niet zo laag mogelijk is gehouden of een persoon zich niet aan de regels houdt, moet de overheid streng optreden ter bescherming van de gezondheid en het leven van mensen.

De overheid heeft ervoor gekozen om de zorgvuldigheid van asbestinventarisatiebedrijven en asbestverwijderingsbedrijven en de in deze bedrijven werkzame personen te borgen door een certificatiestelsel. Alleen die bedrijven en personen die een certificaat hebben, mogen handelingen met asbest verrichten (voor zover de wet een dergelijk certificaat verplicht stelt).

Essentieel is dat de overheid er op moet kunnen vertrouwen dat certificaathouders zich aan de regels zullen houden en het risico van blootstelling zullen minimaliseren. Een certificaathouder die niet conform de regels handelt, beschaamt dat vertrouwen en dient in beginsel zijn certificaat te verliezen. Er kan niet meer op vertrouwd worden dat dit bedrijf zorgvuldig zal handelen. Derhalve verliest hij zijn certificaat. Een certificaathouder die het risico van asbestemissie niet minimaliseert of zelfs een asbestbesmetting veroorzaakt, heeft niet voldoende zorgvuldig gehandeld en dient ook in beginsel zijn certificaat te verliezen.

Het is niet een daadwerkelijke blootstelling alleen die reden is voor onvoorwaardelijke intrekking. Enkel het risico van asbestemissie of het verhogen van dit risico betekent al dat een certificaathouder die een dergelijk risico laat ontstaan, de werkzaamheden niet meer mag te verrichten. Het doel van de regelgeving is immers emissie en blootstelling te voorkomen. Om dit doel te bereiken moet het risico van emissie en blootstelling geminimaliseerd worden. Het is niet aanvaardbaar dat een certificaathouder die risico’s verhoogd pas zijn certificaat verliest als het risico wordt verwezenlijkt en er mensen zijn blootgesteld.

De intrekking van het certificaat is bij een afweging van de betrokken belangen al snel gerechtvaardigd. Bij een afweging van de belangen van mensen dat hun gezondheid en leven niet in gevaar wordt gebracht door blootstelling aan asbestvezels en het belang van het bedrijf om zijn werkzaamheden te kunnen verrichten, wegen de belangen van de gezondheid en het leven van mensen altijd zwaarder. Het feit dat het intrekken van het certificaat zal leiden tot het einde van de activiteiten is, gezien de belangen, proportioneel. Het einde van de activiteiten is dan ook een aanvaard gevolg en geen reden om het certificaat niet in te trekken. Ook niet in die beperkte gevallen dat dit leidt tot het einde van het bedrijf. Van de mogelijkheid van herkansing of zonder voorwaarden verder te mogen werken, zal slechts gebruik gemaakt mogen worden als dit aanvaardbaar is dat wil zeggen dat de overtreding niet tot een hoog risico voor blootstelling heeft geleid én voldoende gegarandeerd is dat het leven en de gezondheid van mensen voortaan niet meer in gevaar komt. Herhaling van het overtreden van regels en het laten ontstaan van (het risico van) een asbestemissie zal zeker dienen te leiden tot intrekking van het certificaat.

Het voorgaande betekent dat de kern van het sanctiestelsel is dat een (rechts)persoon die niet conform de regels werkt het werk niet meer mag verrichten. Uitgangspunt is dat een dergelijke (rechts)persoon het certificaat verliest. Er is voor gekozen om bij een eerste afwijking niet direct tot intrekking van het certificaat over te gaan. De certificaathouder krijgt een herkansing. De herkansing bestaat er uit dat het certificaat wordt geschorst waardoor het certificaat zijn geldigheid verliest . Als de certificaathouder voldoende maatregelen heeft getroffen wordt de schorsing ingetrokken.

Er is echter een verschil in ernst van afwijkingen waardoor er afwijkingen zijn waarbij het aanvaardbaar is dat het certificaat zijn geldigheid behoudt terwijl de certificaathouder de maatregelen treft. Het certificaat wordt ingetrokken als de certificaathouder niet binnen de termijn voldoende maatregelen treft. Zoals gezegd zal een certificaathouder die overtredingen blijft begaan zijn certificaat verliezen ongeacht de ernst van de overtredingen.

In het sanctiestelsel wordt een onderscheid gemaakt tussen vier herstelsancties:

Verder is in paragraaf 5.5.2.3 een beschreven hoe bij herhaalde afwijkingen de herstelsancties in ernst toenemen tot aan het intrekken van het certificaat. In bijlage I is opgenomen tot welke herstelsanctie een bepaalde afwijking leidt.

Naast de herstelsancties is voorzien in schorsing als een ordemaatregel waarbij het certificaat wordt geschorst met betrekking tot een locatie, een project of werkzaamheden. Hier wordt schorsing niet opgelegd als herstelsanctie, maar wordt voorkomen dat de certificaathouder verder werkt terwijl de sanctieprocedure loopt.

De onvoorwaardelijke intrekking en schorsing (herstelsanctie) worden niet direct opgelegd als de afwijking wordt geconstateerd. Eerst wordt een procedure doorlopen. Pas aan het einde van deze procedure neemt de CKI zijn beslissing en verliest het certificaat haar geldigheid (of niet). In beginsel is het certificaat tijdens deze procedure geldig en mag de certificaathouder de betreffende werkzaamheden verrichten.

Door de schorsing als herstelmaatregel mag de certificaathouder niet verder werken op de betreffende locatie, project of werk tijdens de procedure.

Van de ordemaatregel schorsing moet gebruik gemaakt worden wanneer doorwerken door de certificaathouder niet aanvaardbaar is. Schorsing is bijvoorbeeld aangewezen als er een asbestemissie heeft plaatsgevonden of het risico op een emissie sterk is toegenomen. Hierdoor heeft de certificaathouder het leven en gezondheid van mensen in gevaar gebracht.

Ook in die gevallen dat er mogelijk sprake is van dergelijke situatie, maar dit nog volledig moet worden uitgezocht, kan er grond zijn om te schorsen. Als de CKI in redelijkheid kan oordelen dat er sprake is geweest van gevaar voor het leven en de gezondheid van mensen, en dat het certificaat onvoorwaardelijk zal worden ingetrokken dan wel worden geschorst (herstelsanctie), is schorsing (ordemaatregel) aangewezen. Het risico dat de certificaathouder het leven en gezondheid van mensen in gevaar heeft gebracht, is te groot om de certificaathouder door te laten werken. In het geval dat na verloop van de procedure blijkt dat de situatie niet zo ernstig was of dat er toch geen onvoorwaardelijke intrekking of schorsing (herstelsanctie) wordt opgelegd, is de schorsing (ordemaatregel) toch terecht opgelegd. Het feit dat in redelijkheid door de CKI geoordeeld kon worden dat het leven en gezondheid in gevaar werd gebracht, betekent dat de schorsing als ordemaatregel terecht was.

Bij de vraag of schorsing als ordemaatregel moet worden gebruikt, zal de CKI moeten afwegen of het laten doorwerken door deze certificaathouder verantwoord is gezien het belang van mensen (werknemers en anderen) om niet blootgesteld te worden aan asbestvezels. Bij de onderverdeling van de afwijkingen wordt aangegeven wanneer schorsing (ordemaatregel) in ieder geval moet worden toegepast.

Het tijdens een schorsing verrichten van werkzaamheden op de betreffende locatie of het betreffende project, of het verrichten van de betreffende werkzaamheden waarvoor een certificaat is vereist die is geschorst, leidt tot onvoorwaardelijke intrekking.

De schorsing dient wel de mogelijkheid te geven dat de certificaathouder het eventuele gevaar dat is ontstaan kan opheffen en de situatie kan veiligstellen.

In de certificatieschema’s zijn afwijkingen ingedeeld in categorieën waaraan een van de genoemde herstelsancties is verbonden.

Categorie I – onvoorwaardelijke intrekking

Categorie II – schorsing

Categorie III – voorwaardelijke intrekking

Categorie IV – waarschuwing

Uitgangspunt bij de indeling van de afwijkingen is dat overtredingen die leiden tot blootstelling dan wel het risico op blootstelling verhogen, vallen onder categorie II. Andere afwijkingen zullen onder categorie III vallen, met uitzonderingen naar categorie II en IV. Als de certificaathouder de gecertificeerde werkzaamheden (of daarmee verbonden werkzaamheden) verricht terwijl het certificaat is geschorst (zowel herstelsanctie als ordemaatregel), zal het certificaat onvoorwaardelijk worden ingetrokken.

Een norm beschermt bepaalde belangen. Het wordt soms gesteld dat op een andere wijze dat belang beschermd kan worden. Dit is niet van belang. De bevoegde autoriteit heeft bepaalt dat op de voorgeschreven wijze het belang wordt behartigd. Het is niet aan een certificaathouder om dit naast zich neer te leggen en eigen maatregelen te gaan bepalen. Er is een afwijking en deze leidt tot het opleggen van de herstelsanctie. Deze niveaus zijn nader uitgewerkt in de zogenaamde escalatieladder.

De afwijkingen kunnen verdeeld worden in een aantal typen of clusters van afwijkingen. Hieronder wordt in algemene zin de cluster van overtredingen beschreven en tot welke sanctie deze dienen te leiden. Wat bij open begrippen als ‘voldoende’ of ‘deugdelijk’ wordt beschouwd, is ingevuld in bijvoorbeeld de regelgeving, de schema’s of in de lijst met afwijkingen. Binnen de clusters zal van een aantal normen worden gemotiveerd waarom overtreding van deze normen leidt tot een bepaalde sanctie. Hieronder worden de clusters benoemd. Binnen deze clusters worden een aantal type afwijkingen besproken met de voorgeschreven sanctie en motivering daarvan.

Ook wordt voorgeschreven wanneer schorsing (ordemaatregel) in ieder geval opgelegd moet worden.

Het feit dat schorsing (ordemaatregel) niet is voorgeschreven wil niet zeggen dat niet geschorst (ordemaatregel) moet worden. De CKI zal in elk concreet geval moeten beoordelen of schorsing (ordemaatregel) aangewezen is. Het is mogelijk dat de certificaathouder dermate snel is met zijn herstelmaatregelen dat al aan de voorwaarden voor het intrekken van de schorsing (herstelsanctie) is voldaan nog voordat deze sanctie is opgelegd. In dat geval wordt een schorsing met een termijn van 0 uur opgelegd.

Bij dit type gaat het om bepalingen die de onafhankelijkheid en objectiviteit van de verschillende actoren binnen het proces bewaken. Bij asbestwerkzaamheden worden de volgende fasen doorlopen:

Er zijn derhalve verschillende (rechts)personen: opdrachtgever, het asbestinventarisatiebedrijf, het asbestverwijderingsbedrijf en de eindbeoordelaar. Binnen en achter de rechtspersonen en bedrijven zijn verschillende mensen actief. Indien een (rechts)persoon een rol speelt in verschillende fases in het proces komen de onafhankelijkheid en de objectiviteit in de verschillende fases in het gedrang. De praktijk heeft geleerd dat een belangrijke factor achter overtredingen ligt in het feit dat dezelfde (rechts)personen voorkomen in verschillende fases van asbestwerkzaamheden. In de schema’s zijn bepalingen opgenomen die ‘schotten’ plaatsen tussen deze actoren, door dubbele rollen van de verschillende actoren (en hun mensen) te verbieden. Deze schotten zijn gebaseerd op situaties die in de praktijk door bijvoorbeeld de Arbeidsinspectie en CKI’s zijn aangetroffen.

Een overtreding van een dergelijke bepaling leidt niet direct tot blootstelling of het verhogen van het risico. Afwijkingen die behoren tot dit cluster zullen in beginsel worden ingedeeld in categorie III.

Schending van deze kan wel een factor zijn die heeft bijgedragen aan een andere overtreding die heeft geleid tot blootstelling dan wel dit risico heeft verhoogd. Indien dit het geval is, zal deze andere overtreding al leiden tot een zwaardere sanctie.

Zonder deze inzichtelijkheid kan immers niet beoordeeld worden of aan de bepalingen inzake onafhankelijkheid en objectiviteit is voldaan. Indien de certificaathouder het deugdelijk controleren van een bepaling onmogelijk maakt, leidt dit tot dezelfde sanctie als die staat op het overtreden van de te controleren norm.

Deze groep bepalingen ziet op het voorkomen dat werknemers worden blootgesteld aan asbestvezels. Bij het verwijderen van asbest komen bij risicoklasse 2 en 3 asbestvezels vrij. Dit volgt uit de aard van deze risicoklasse. Ook degene die daadwerkelijk inventariseert zal vaak blootgesteld worden aan asbestvezels, bijvoorbeeld als het gaat om het inventariseren bij niet-hechtgebonden asbest of bij asbesthoudend materiaal dat beschadigd of verweerd is. De werknemer zal derhalve worden blootsgesteld aan asbestvezels en moet hiertegen beschermd worden. Het gaat dan bijvoorbeeld om maatregelen zoals:

Het bedrijf is overgegaan tot het inventariseren of verwijderen van asbest, terwijl zij niet aan de normering kan voldoen. Indien de middelen er niet zijn, is het leven en de gezondheid doorslaggevend: er mag niet worden gewerkt.

Het maakt voor de werknemer immers weinig uit of het bedrijf niet over de pbm’s beschikt of dat ze niet op de werkplek zijn. In beide gevallen kan hij ze niet gebruiken. De werkgever dient de werkzaamheden dan niet te laten aanvangen. Doet hij dat toch en werkt de werknemer zonder pbm, dan geldt hetzelfde als bij de vorige categorie.

De werkgever heeft op zich de middelen verschaft. Het probleem zit in de toepassing. De werkgever dient uit te zoeken hoe de overtreding is ontstaan (waarom droegen de werknemers de pbm’s niet) en maatregelen te treffen om herhaling te voorkomen. Welke maatregelen dit zijn, is afhankelijk van de situatie en van de reden dat de pbm’s niet gedragen werden. Slechts de werknemers/toezichthouders aanspreken zal in het algemeen onvoldoende zijn. Ook vanuit de werkgever zullen maatregelen getroffen moeten worden.

De werknemers worden onbeveiligd te werk gesteld, terwijl ze denken veilig te zijn.

De werknemers zijn beschermd, maar het risico dat de pbm’s ophouden te functioneren door gebrekkig onderhoud brengt ze in gevaar. Indien het gebrekkige onderhoud of gebrek aan controle ertoe leidt dat de pbm’s niet meer veilig werken, zal op grond van deze overtreding het certificaat voorwaardelijk worden ingetrokken.

Deze groep bepalingen ziet er op dat wordt voorkomen dat asbestvezels buiten de directe ruimte/plek komen waar het asbest wordt verwijderd of de inventarisatie plaatsvindt. De wijze waarop de verspreiding van asbestvezels voorkomen moet worden, is afhankelijk van de werkwijze om het asbest te inventariseren of te verwijderen. Deze wijze wordt bepaald door de wet, de schema’s en de invulling in het werkplan.

Ook bij het inventariseren van asbest bestaat de mogelijkheid dat er asbestvezels vrijkomen, bijvoorbeeld bij niet-hechtgebonden asbest of door monsterneming. Hier moet de verspreiding van asbest ook voorkomen worden. Voorbeelden van dergelijke verplichtingen zijn:

Indien bepalingen van dit type wordt overtreden ontstaat het risico van een asbestemissie. Niet alleen werknemers, maar ook derden, zoals omwonenden en passanten, kunnen worden blootgesteld. Verder is het moeilijk om bij een asbestemissie het besmette gebied te bepalen en volledig te zuiveren.

Hier geldt hetzelfde als in het geval het bedrijf niet beschikt over voldoende pbm’s. De certificaathouder is met asbestwerkzaamheden bezig waarbij hij niet aan de wet kan voldoen. Hij heeft zeker niet alles gedaan om het risico van een asbestemissie te minimaliseren. Indien de middelen er niet zijn, is het leven en de gezondheid doorslaggevend: er wordt niet gewerkt. Dit geldt hier nog meer, aangezien hier ook anderen dan de werknemers het risico aan blootstelling lopen.

Ook hier geldt dat het voor personen niet uitmaakt of het bedrijf over de middelen beschikt of niet. Als de middelen niet op de werkplek zijn, worden ze niet gebruikt.

Een containment dat niet contained, voorkomt verspreiding van asbestvezels niet. Hierdoor kunnen niet alleen werknemers, maar ook anderen worden blootgesteld.

Door te meten wordt gecontroleerd of de containment werkt. Als dit niet gemeten wordt, bestaat het risico dat (door onvoorziene omstandigheden) de onderdruk te laag wordt. Het risico van emissie ontstaat dan. Het feit dat niet gemeten wordt, betekent echter niet dat er ook direct sprake is van blootstelling. Voorwaardelijke intrekking is aanvaardbaar.

Deze groep bepalingen ziet er op dat de plek waar asbestvezels zijn gekomen onbesmet wordt achtergelaten. In essentie: opruimen; zorg dat er geen asbestvezels overblijven. Voorbeelden van dergelijke verplichtingen zijn:

De certificaathouder heeft een bron van besmetting naar buiten gebracht. Het gaat hier om zowel onverpakt materiaal als materiaal in open/beschadigde verpakking.

Er is nog geen bron van besmetting en het risico van besmetting is niet groot genoeg zodat deze lagere sanctie aanvaardbaar is.

Bij beschadiging van de verpakking is er direct een bron van besmetting. Als niet is aangegeven dat het om asbest gaat, zal er minder zorgvuldig met het materiaal worden omgegaan. Hiertoe neemt de kans op beschadiging toe. Verder bestaat het risico dat het materiaal op onjuiste wijze verwerkt wordt waardoor het in de leefomgeving komt. De certificaathouder dient uit te zoeken hoe deze overtreding is ontstaan, deze op te heffen en maatregelen te treffen dat de overtreding zich niet zal herhalen. Dan kan de schorsing (herstelsanctie) worden ingetrokken.

Indien er materiaal niet vezeldicht was afgeschermd in een ruimte waar asbestvezels konden vrijkomen bestaat er een groot risico dat dit materiaalbesmet is . Indien het vervolgens buiten de beschermde plek wordt gebracht, worden de asbestvezels naar buiten gebracht en ontstaat een emissie of in ieder geval een risico van blootstelling. Ook zaken zoals filters en water kunnen besmet raken en dienen zodanig te worden afgevoerd dat er geen vezelemissie mogelijk is.

Op grond van de arbeidsomstandighedenwetgeving dient het asbest verwijderd te worden in de risicoklasse van het inventarisatierapport en dienen de bijbehorende maatregelen te worden getroffen. De werkzaamheden dienen echter in een hogere klasse te worden uitgevoerd als de feitelijke aard van de werkzaamheden of de staat van het asbest hiertoe verplicht.

Deze uitzondering van de feitelijke situatie geldt niet als de risicoklasse-indeling in het rapport te hoog is. De risicoklasse indeling in het asbestinventarisatierapport vormt de ondergrens. Indien de werkzaamheden volgens het asbestinventarisatierapport bijvoorbeeld in risicoklasse 2 dienen te worden uitgevoerd, dienen zij in risicoklasse 2 te worden uitgevoerd. Ook als de werkzaamheden feitelijk in risicoklasse 1 kunnen worden uitgevoerd.

Het feit dat een asbestinventarisatierapport onduidelijk of onvoldoende is, betekent niet dat de verwijderaar dit moet compenseren. Hij dient te weigeren het werk uit te voeren totdat er een deugdelijk rapport ligt. Een verwijderaar zal altijd op basis van de aangetroffen situatie moeten beoordelen of hij toch niet in een hogere klasse zouden moeten werken dan in het rapport is aangegeven. In dat geval zal een aanvullend en opnieuw goedgekeurd inventarisatierapport noodzakelijk zijn.

De risicoklasse ligt ten grondslag aan de te nemen maatregelen. De wet is duidelijk wat betreft in welke risicoklasse gewerkt moet worden. Indien de certificaathouder niet de maatregelen treft die behoren tot deze risicoklasse, dient het certificaat geschorst te worden .

Een asbestverwijderaar mag niet aan zijn werkzaamheden beginnen zonder een deugdelijk asbestinventarisatierapport. Een verwijderaar die zonder deugdelijk rapport te werk gaat, riskeert blootstelling en emissie. Het is zijn keuze om met een ondeugdelijk rapport te gaan werken en voor zijn risico als hij daardoor overtredingen begaat. Bij een ondeugdelijk rapport moet de verwijderaar zijn werkzaamheden staken en wachten tot de opdrachtgever voor een deugdelijk rapport zorgt. Begint hij toch met het verwijderen van asbest dan dient dit te leiden tot schorsing (herstelsanctie en ordemaatregel).

De informatie die het asbestinventarisatierapport geeft, is nodig op de werkplek. De informatie uit het rapport dient ook betrokken te worden bij de werkzaamheden. Indien deze informatie er niet is, leidt dit tot een verhoging van het risico van blootstelling. Echter, het is voor de beschikbaarheid van de informatie op de werkplek niet altijd nodig dat het asbestinventarisatierapport op de werkplek is. De afwezigheid van het rapport hoeft op zich niet tot een blootstelling of verhoging van het risico te leiden. Het is aanvaardbaar dat deze afwijking leidt tot voorwaardelijke intrekking. Ook bij deze overtreding geldt dat het gebrek aan informatie dat is ontstaan doordat het rapport niet op de werkplek is, al geleid kan hebben tot een overtreding die leidt tot voorwaardelijke intrekking. Voor een onduidelijke kopie van het rapport geldt het voorgaande ook.

De basis voor veilig verwijderen van asbest is de asbestinventarisatie. Hierdoor weet de verwijderaar wat hij tegen zal komen en kan hij de verwijdering plannen en uitvoeren. Verder zal de verwijderaar het bouwwerk of het betreffende deel daarvan asbestvrij opleveren, zodat de aannemer geen asbest zal aantreffen bij zijn werkzaamheden en de gebruiker geen asbest aantreft bij het gebruik.

In een inventarisatie dient al het aanwezige asbest geïnventariseerd te worden. De asbestinventariseerder zal niet zonder reden zijn onderzoek mogen beperken. Indien werkzaamheden op een bepaalde plek verricht moeten worden, zal de inventariseerder daar moeten inventariseren. Indien de inventarisatie niet volledig is, bestaat het risico dat de verwijderaar of de aannemer tijdens zijn werkzaamheden onverwacht asbest tegenkomt. Vaak is dit al beschadigd tegen de tijd dat wordt ontdekt dat het om asbest gaat, zodat er al asbestemissie en blootstelling aan asbestvezels heeft plaatsgevonden. Het is nu juist de bedoeling dat dit soort verrassingen worden voorkomen door een volledig en diepgaand onderzoek door de inventariseerder.

In het rapport moeten alle relevante gegevens over het asbest aangegeven worden, zoals de aard van het asbest, de concentratie asbest in het materiaal en de staat van het materiaal. Elk stuk asbest moet ook uniek worden aangegeven in de zin dat de verwijderaar de gegevens in het rapport kan koppelen aan de situatie die hij aantreft. De verwijderaar moet de asbest immers kunnen vinden en weten waar hij mee te maken heeft.

Indien het rapport niet volledig is of niet alle gegevens bevat, voldoet het niet aan zijn primaire functie. Daarbij leidt een onvolledig rapport tot een risico van blootstelling aan asbestvezels. De asbestverwijderaar moet op de volledigheid en juistheid van het rapport kunnen vertrouwen.

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen een type A asbestinventarisatie (direct waarneembare asbest) en een type B asbestinventarisatie (niet-direct waarneembare asbest). Er kan pas gesproken worden van een volledig asbestinventarisatierapport als alle asbest op de locatie, in het bouwwerk of object is geïnventariseerd (voor zover daar gewerkt zal worden). Indien bij de inventarisatie alleen naar het waarneembare asbest is gekeken, kan veelal niet gesproken worden van een volledig asbestinventarisatierapport. Een dergelijk onvolledig rapport kan niet als overtreding door de certificaathouder worden beschouwd indien het slechts zijn opdracht was om een type A onderzoek te doen. De certificaathouder zal wel duidelijk de beperkingen van het onderzoek in het rapport moeten aangeven. Verder zal hij in het rapport moeten wijzen op de risico’s van een dergelijk beperkt rapport.

De inventariseerder dient op basis van zijn onderzoek de risicoklasse te bepalen. De risicoklasse-indeling wordt vaak al bepaald door de aard en staat van het aangetroffen asbest. De asbestverwijderaar en andere werkgevers moeten kunnen vertrouwen op het inventarisatierapport. De praktijk leert dat veel verwijderaars en andere werkgevers afgaan op de indeling in het rapport. Daarmee leidt een te lage indeling tot het treffen van onvoldoende maatregelen. Dit speelt met name als ten onrechte risicoklasse 1 is aangegeven.

Aangezien een verkeerde risicoklasse indeling het risico op asbestemissie en blootstelling verhoogt, is een lagere sanctie niet aanvaardbaar.

Indien de verwijderaar afwijkt van de werkwijze die in het rapport wordt omschreven, zal hij zelf moeten bepalen of dit gevolgen heeft voor de risicoklasse-indeling. Hierbij geldt de risicoklasse-indeling uit het rapport nog steeds als ondergrens.

Op grond van de arbeidsomstandighedenwetgeving dienen de werkzaamheden te worden verricht onder voortdurend toezicht van een DTA-er. De werkzaamheden dienen te worden verricht door personen met een DAV-certificaat. Door middel van deze certificaten wordt geborgd dat asbestverwijderingswerkzaamheden worden verricht door personen met voldoende deskundigheid en kennis van zaken. Bij onvoldoende kennis en deskundigheid bestaat het risico dat door (onbedoelde) fouten asbestvezels vrijkomen en zich verspreiden.

DTA-er

De rol van de DTA-er is om continu toezicht te houden op de asbestverwijderingswerkzaamheden. De DTA-er is de vertegenwoordiger van de werkgever op de arbeidsplaats. Hij dient opkomende problemen te signaleren, op te lossen of terug te koppelen naar de werkgever. Verder dient hij te voorkomen dat onvoorziene situaties tot problemen leiden. Hij moet er ook voor zorgen dat de werknemers de regels naleven en de veiligheid van henzelf, hun collega’s en andere personen niet in gevaar brengen. Bij alle werkzaamheden bestaat het gevaar dat door bv. routine, menselijke gemakzucht, het verkeerd inschatten van de risico’s of het ‘even snel’-denken de werknemers onveilig handelen. Het is dan cruciaal dat de DTA-er er is en hen hiervan weerhoudt.

Consequentie van deze rol is dat als hij er niet is de werkzaamheden tijdens zijn afwezigheid niet worden uitgevoerd. Als de werkzaamheden dermate omvangrijk zijn dat één DTA-er niet overal toezicht kan houden, moeten er meerdere op het werk aanwezig zijn.

Het feit dat er geen gecertificeerde DTA-er is geregeld, betekent dat de werkgever de werkzaamheden in strijd met de wet en schema’s heeft gepland. Gezien het belang van de DTA-er om toezicht te houden op de werknemers en op te treden bij (onvoorziene) problemen, betekent dit dat het certificaat geschorst (herstelsanctie en ordemaatregel) te worden.

De DTA-er dient continu toezicht te houden. Als de werkzaamheden plaatsvinden zonder DTA-er ontbreekt een belangrijke schakel in de veiligheid. Het werken zonder deze schakel dient te leiden tot het schorsen van het certificaat. Verschil met de vorige categorie is dat er een DTA-er was geregeld, maar deze niet bij de werkzaamheden aanwezig was. Dit is niet van belang. Als er geen DTA-er bij de asbestverwijderingswerkzaamheden is, maakt het niet uit of er wel of niet een DTA-er was geregeld. Hij is er niet, zodat hij geen toezicht kan houden. Indien de asbestverwijderingswerkzaamheden dermate omvangrijk zijn dat één DTA-er niet bij alle werkzaamheden kan zijn, is er niet een DTA-er aanwezig bij alle asbestverwijderingswerkzaamheden. Ook dan is er sprake van deze overtreding. De certificaathouder dient voldoende DTA-ers te regelen, zodat bij alle asbestverwijderingswerkzaamheden een DTA-er aanwezig is.

Het feit dat de werkgever geen DTA-er in dienst heeft, wil niet zeggen dat er geen DTA-er toezicht houdt bij de werkzaamheden. Voorwaardelijke intrekking is aanvaardbaar. Indien het feit dat er geen DTA-er in dienst is ertoe leidt dat er geen of onvoldoende DTA-ers bij de werkzaamheden zijn, zal het certificaat geschorst worden (herstelsanctie en ordemaatregel). Er zijn immers onvoldoende DTA-ers aanwezig.

DAV-er

Asbest is dermate gevaarlijk voor werknemers en anderen dat iedere persoon die feitelijk asbestverwijderingswerkzaamheden verricht een minimale opleiding moet hebben en moet onderhouden. Dit wordt geborgd via het DAV-certificaat. De DAV-er moet weten wat de risico’s zijn, wat de rol is van de veiligheidsmaatregelen, wanneer hij de DTA-er moet inschakelen. In het kort: hij moet weten waar hij mee bezig is. De consequentie van het verrichten van asbestwerkzaamheden door ongecertificeerde personen moet zijn dat dit wordt beëindigd en dat er maatregelen worden getroffen om herhaling te voorkomen. Tot dan mag niet gewerkt worden. Dit betekent dat zowel geschorst moet worden als ordemaatregel als dat de sanctie van schorsing moet worden opgelegd totdat voldoende is gewaarborgd dat er niet weer een ongecertificeerd persoon asbestwerkzaamheden verricht.

DIA-er

Gezien het belang van een deugdelijk asbestinventarisatierapport dient de inventariseerder voldoende kennis en deskundigheid te hebben.

Leerling DAV-er

In SC-520 is de mogelijkheid opgenomen dat asbestwerkzaamheden worden verricht door een Leerling-Deskundig Asbestverwijderaar (LDAV). Deze personen mogen onder strikte begeleiding asbestwerkzaamheden verrichten vooruitlopend op het halen van het DAV-certificaat. Aan het werken als LDAV zijn voorwaarden verbonden. Hier worden werkzaamheden verricht door iemand die nog niet voldoende kennis en deskundigheid heeft. Dit risico wordt afgedekt door de voorwaarden waaronder deze persoon mag werken en de beperkte duur van de periode dat deze persoon nog niet gecertificeerd is.

Iemand is pas LDAV als hij als zodanig staat ingeschreven in het register van ASCERT.

Indien de LDAV werkt buiten de toegestane periode is er sprake van dezelfde situatie dat er iemand werkt die niet gecertificeerd is. Deze reactie hierop is dan van toepassing.

De voorwaarden voor de LDAV zijn er op gericht om te compenseren voor het gebrek aan zijn kennis en deskundigheid. In zoverre is deze positie te vergelijken met de persoon die in het geheel niet is gecertificeerd. Dezelfde sanctie is derhalve aanvaardbaar. Overigens kan het feit dat er LDAV-ers zijn betekenen dat er meer DTA-ers bij het werk moeten zijn, omdat het werk te omvangrijk is voor één DTA-er die ook één of twee LDAV-ers moet begeleiden.

Het is belangrijk om te leren van afwijkingen en incidenten en bijna-afwijkingen en -incidenten. Het is een continu proces om op basis van ervaring de veiligheid te blijven waarborgen. Hierdoor worden afwijkingen en incidenten voorkomen, waardoor de veiligheid en naleving van de regels toenemen.

Ook dient de certificaathouder met regelmaat haar bedrijfsvoering te analyseren om te bezien of dit voldoende functioneert en of er geen verbeteringen aangebracht kunnen worden.

Indien er een structuur is waarbinnen geleerd wordt, is het leren reëel. Hierdoor wordt continu de vraag gesteld of er geleerd kan worden. Bij een ad hoc leersysteem verwatert het leren en worden momenten waarvan geleerd kan worden niet gesignaleerd. Het gaat bijvoorbeeld om de volgende type normeringen:

Deze regels staan los van de verplichting om een afwijking en incident zo spoedig mogelijk ongedaan te maken. Dit leren ziet op de toekomst.

Het overtreden van deze bepalingen verhoogt in lichtere mate het risico op emissie en blootstelling bij concrete werkzaamheden. Het is aanvaardbaar om de certificaathouder tijd te geven om de overtreding ongedaan te maken door bijvoorbeeld een leersysteem op te zetten en toe te gaan passen of een opgezet leersysteem toe te gaan passen.

De regelgeving kent een aantal verplichtingen om werkzaamheden te melden. De achtergrond van deze meldingsplichten is dat de betreffende instantie een inspectie kan uitvoeren. Een dergelijke inspectie kan bestaan uit het ter plekke een onderzoek verrichten, maar bijvoorbeeld ook gaan om het opvragen van stukken, zoals het asbestinventarisatierapport, om te de juistheid en volledigheid hiervan te controleren. Het doel is om tot effectief toezicht te komen. Indien de werkzaamheden niet tijdig worden gemeld, kan de certificaathouder een controle voorkomen en hierdoor overtredingen verbergen.

Een eerste overtreding hiervan is niet dermate ernstig dat het niet aanvaardbaar is dat de certificaathouder een herkansing krijgt. In de periode van de voorwaardelijke intrekking dient de certificaathouder maatregelen te treffen om te voorkomen dat weer niet of te laat wordt gemeld. Uiteraard dienen in deze periode alle werkzaamheden wel tijdig gemeld te worden. Het is mogelijk dat pas na het verlopen van de gestelde periode blijkt dat in deze periode werkzaamheden niet zijn gemeld. Dit wordt dan behandeld als een tweede overtreding in de escalatieladder.

Het komt voor dat een asbest- inventariseerder of verwijderaar de inventarisatie- of verwijderingswerkzaamheden geheel of gedeeltelijk uitbesteed. Het probleem hierbij is dat het vaak onduidelijk wordt wie waarvoor verantwoordelijk is. Door deze onduidelijkheid wordt het risico verhoogd dat maatregelen niet genomen worden, omdat betrokken personen menen dat een ander de maatregelen zal treffen.

Het niet zelf uitvoeren van de werkzaamheden leidt niet direct tot blootstelling of het verhogen van het risico. Voorwaardelijke intrekking is aanvaardbaar. Het bedrijf dat uitbesteedt, blijft bij inlenen of uitbesteden ten volle zelf verantwoordelijk. Zij zal (mede) worden aangesproken als een bedrijf aan wie (een deel van) de werkzaamheden zijn uitbesteed een fout maakt. Indien er sprake is van een overtreding door het bedrijf aan wie werkzaamheden zijn uitbesteed, wordt dit beschouwd als een overtreding door de uitbestedende certificaathouder. Dit ongeacht of degene aan wie is uitbesteed gecertificeerd is.

Dit kan er toe leiden dat het uibestedende bedrijf zwaarder wordt gestraft dan het bedrijf aan wie is uitbesteedt, omdat er bij de uitbesteder sprake is van herhaling. Bij verdere uitbesteding geldt het voorgaande voor de hele keten. Stel dat asbestverwijderaar A een deel van de werkzaamheden uitbesteed aan asbestverwijderaar B die op zijn beurt weer een deel uitbesteed aan asbestverwijderaar C. Indien C een overtreding begaat, wordt dit beschouwd als een overtreding van zowel A, B als C.

Indien het zo is dat door omstandigheden de certificaathouder de werkzaamheden niet kan uitvoeren, kan hij dit ook oplossen door de opdracht terug te geven. Hij kan ook werknemers inlenen of middelen inhuren om het werk toch te kunnen verrichten.

De regelgeving kent vele bepalingen omtrent de organisatie van het bedrijf. In het bedrijf dienen bijvoorbeeld bepaalde functionarissen benoemd te zijn, bepaalde procedures dienen opgesteld te zijn en er dienteen kwaliteitsysteem te zijn. Het belang van dergelijke regels wordt vaak ten onrechte onderschat en beschouwd als onnodige bureaucratie. Een goed organisatie leidt echter tot een beter borging van kwaliteit, het voorkomen van ad hoc oplossingen zoeken en het voorkomen van afwijkingen.

De meeste regels zijn duidelijk en kunnen eenvoudig worden nageleefd. Het feit dat de certificaathouder de regels niet heeft nageleegd, betekent dat de overheid niet op deze persoon/bedrijf kan vertrouwen. Gezien het feit dat het niet bestaan of niet deugdelijk zijn van deze elementen niet direct leidt tot blootstelling, kan volstaan worden met voorwaardelijke intrekking.

Onder dit type vallen de normen die zien op de voorbereiding van de werkzaamheden. Het gaat hier om het opstellen van een werkplan, het overleggen met andere bedrijven op de arbeidsplaats, de instructie van de werknemers, de keuring van de werknemers etc. De variatie onder dit type is groot ook wat betreft de ernst van de overtreding gezien het risico van blootstelling aan asbest. Hier wordt slechts bij een aantal onderwerpen een toelichting gegeven.

a) Werkplan

In het werkplan wordt vastgelegd hoe het verwijderen van asbest aangepakt zal worden. Hierdoor wordt de verwijderaar gedwongen om na te denken over de werkzaamheden en de mogelijke problemen. De werkwijze hoeft niet gaandeweg te worden uitgevonden, maar is van tevoren bedacht en vastgelegd. Aangezien duidelijk is hoe er gewerkt zal worden, kan er ook voor gezorgd worden dat de benodigde middelen aanwezig zijn. Indien deze voorbereiding wordt overgeslagen neemt het risico op asbestemissie en blootstelling toe. De praktijk heeft geleerd dat als er geen plan is of als dit onvoldoende is, de werknemers zelf oplossingen gaan bedenken of doorwerken zonder de benodigde maatregelen te nemen. Dit leidt vaak tot het vrijkomen van asbestvezels dan wel blootstelling.

Een asbestverwijderaar die geen deugdelijk plan opstelt, kiest er voor om dit niet te doen. Op een dergelijk persoon/bedrijf kan de overheid niet vertrouwen. Voorwaardelijke intrekking volstaat, omdat het gebrek aan een plan nog niet tot blootstelling of een verhoging van het risico hoeft te leiden.

Indien het werkplan niet op de werkplek is geldt hetzelfde. Immers, een plan dat niet aanwezig is op de plek waar het uitgevoerd dient te worden, kan net zo goed niet zijn opgesteld.

Een werkplan dat niet wordt gevolgd, kan net zo goed niet zijn opgemaakt.

b) Inventarisatieplan

In het asbestinventarisatieplan legt de inventariseerder vast wat geïnventariseerd moeten worden en hoe dit gedaan moet worden. Hierdoor wordt voorkomen dat de inventarisatie onvolledig is.

Een asbestinventariseerder die geen inventarisatieplan opstelt, kiest er voor om dit niet te doen.

Voorwaardelijke intrekking volstaat, omdat het gebrek aan een plan nog niet tot blootstelling of een verhoging van het risico hoeft te leiden.

Indien het plan niet op de werkplek is geldt hetzelfde. Immers, een plan dat niet aanwezig is op de plek waar het uitgevoerd dient te worden, kan net zo goed niet zijn opgesteld.

Een plan dat niet wordt gevolgd, kan net zo goed niet zijn opgemaakt.

c) Instructie

De opleiding die de werknemers krijgen is per definitie algemeen. Over de concrete werkwijze in het bedrijf zullen zij geïnstrueerd moeten worden. De onderwerpen waarover de werknemers instructie moeten krijgen zijn veel en gevarieerd. De werknemers moeten in ieder geval het werkplan kennen. Verder moeten zij instructies krijgen over het gebruik van de concrete middelen waarmee zij werken. Ook moet duidelijk zijn met wie zij contact moeten opnemen bij problemen.

Overlap

Het is mogelijk dat een norm onder meerdere cluster valt. In dat geval zal voor de meest vergaande sanctie gekozen worden. Dit volgt immers uit de ernst van de overtreding.

Het is mogelijk dat zich in een concreet geval bijzondere omstandigheden voordoen die reden zijn om van de lijsten af te wijken, omdat in het concrete geval toepassing van de lijst tot onevenredige gevolgen leidt. Bijzondere omstandigheden zijn omstandigheden die niet veel voorkomend zijn.

Indien er al sprake is van bijzondere omstandigheden, zal dit niet snel leiden tot onevenredigheid. Het belang van het leven en de gezondheid van mensen en dat de overheid moet kunnen vertrouwen op de certificaathouder maakt dat in verreweg de meeste gevallen de gevolgen van de sancties evenredig zijn. Het belang van het bedrijf om ongestoord actief te zijn, geld te verdienen of zijn activiteiten voort te zetten is niet een belang dat afwijken van de lijst rechtvaardigt.

voor het verwijderen van asbest, asbesthoudende producten en asbestbesmet materiaal of asbestbesmette constructieonderdelen voorafgaand aan sloop, renovatie of onderhoud in bouwwerken en objecten en na een incident

Document: SC-530: 2011, versie 02

Onder beheer van:

StichtingAscert

www.Ascert.nl

Deel I van dit certificatieschema bevat algemene uitgangspunten en bepalingen voor certificatie door CKI ’s en voorwaarden waaronder de afgifte van certificaten dient te gebeuren. In de tekst is ter ondersteuning en verduidelijking aanvullende informatie gegeven in de vorm van Toelichting, Opmerking en Appendix.

Dit werkveldspecifieke certificatieschema SC-530 is door Centraal College van Deskundigen Asbest opgesteld. Het betreft het zorgvuldig, arbeids- en milieuhygiënisch verwijderen van:

Vastgelegd in een asbestinventarisatierapport cf SC-540

Voorafgaand aan

Met als resultaat een locatie waar het asbest volgens de eisen is verwijderd.

Het betreft het Ascert Procescertificaat Asbestverwijdering. Deze is door de minister van SZW vastgesteld. Dit vastgestelde schema vervangt eerdere versies.

SC-530 Deel III Bijlage B bevat een aanvullende lijst met werkveldspecifieke definities.

In de tekst van dit certificatieschema vervullen de onderstaande documenten een rol.

Om het maatschappelijk belang – veiligheid en gezondheid van en rondom de arbeid – te waarborgen, is door de overheid gekozen voor een wettelijk verplichte certificatieregeling voor de borging van de kwaliteit/veiligheid bij de verwijdering van asbest, asbesthoudende producten en asbestbesmet materiaal of asbestbesmette constructieonderdelen voorafgaand aan sloop, renovatie of onderhoud in bouwwerken en objecten en na een incident met als resultaat een locatie, waar de aanwezigheid van asbest voldoet aan het wettelijk vastgelegde acceptatieniveau.

Voorafgaande aan het opruimen van asbestbevattende materiaal na een incident (brand / storm) dient het aangegeven stappenplan te worden doorlopen. Zie bijvoorbeeld het Informatieblad Plan van Aanpak Asbestbrand 2006.

SC-530 is niet van toepassing op asbest in bodem.

Het werkveldspecifieke certificatieschema voor het zorgvuldig, arbeids- en milieuhygiënisch verwijderen van asbest, ‘SC-530’ is door Ascert voorgesteld en door het ministerie van SZW – inclusief de aanpassingen in het kader van de aanscherping van de eisen1 – vastgesteld middels een statische verwijzing in het Arbobesluit of Arboregeling. Dit vastgestelde schema vervangt daarmee eerdere versies. Op- en of aanmerkingen over dit document kunnen worden ingediend bij het CCvD Asbest p/a Stichting Ascert, info@ascert.nl.

Binnen de Stichting Certificatie Asbest zijn met name actief:

Vanwege de goede eigenschappen is Asbest in het verleden veel gebruikt, bijvoorbeeld in gebouwen en woningen. Asbestvezels kunnen bij inademing echter diep in de longen doordringen en op termijn buikvlieskanker, longvlieskanker en asbestose (stoflongen) veroorzaken. Hieraan sterven jaarlijks in Nederland naar schatting zo'n 700 mensen. De termijn tussen blootstelling en ziek worden kan tientallen jaren duren. IenM is samen met SZW en VWS verantwoordelijk voor regelgeving over asbest. Bij activiteiten in het kader van de verwijdering van asbest is er een risico dat er asbestvezels in de ademzone van werknemers komen. Het aantal vezels tijdens de activiteiten is onderscheiden in drie afzonderlijke risicoklassen:

Conform het Arbeidsomstandighedenbesluit is aan deze drie risicoklassen (onderstaande tabel) een eigen specifiek veiligheidsregime gekoppeld.

Om het verstrekken c.q. onderhouden van een certificaat op onterechte gronden te voorkomen is het noodzakelijk om risico’s te definiëren en maatregelen te nemen. Deze beogen de risico’s m.b.t. asbestvezelemissie/besmetting uit te bannen. De maatregelen zijn er in twee vormen en kunnen bestaan uit afstand tot de bron of uit technische maatregelen, zoals directe maatregelen om de risico’s uit te bannen en daarmee asbestvezelbesmetting te voorkomen. Behalve de maatregelen bestaan er ook de zogenaamde managementfactoren. Deze managementfactoren kunnen op zichzelf de centrale gebeurtenis niet uitbannen, maar beïnvloeden de kwaliteit van de maatregelen.

Als de maatregelen zijn gedefinieerd dan dienen deze ingericht en onderhouden te worden. Dit laatste stelt eisen aan het asbestverwijderingsbedrijf en haar medewerkers. Als de maatregelen zijn geplaatst, dan is de inspectie en het onderhoud van de maatregelen noodzakelijk. De directe oorzaak van asbestvezelbesmetting is per definitie één of meerdere falende maatregelen.

Dit reglement omschrijft de procedures die relevant zijn voor het juist toepassen van het werkveldspecifieke schema. Hierbij moet gedacht worden aan onder meer procedure van aanvraag, de condities met betrekking tot de certificatie, de afgifte en intrekking van certificaten, procedures bij het uitvoeren van initiële en periodieke beoordelingen, afhandeling van klachten en het eventuele verzoek tot herziening daarvan.

De kandidaat certificaathouder dient bij een CKI (zie www.ascert.nl), in overeenstemming met dit certificatiereglement, een aanvraag in tot het uitvoeren van de certificatieprocedure.

Vervolgens verstrekt de CKI informatie over de gang van zaken bij de afhandeling van de aanvraag.

In het kader van de initiële certificatie van het asbestverwijderingsbedrijf worden verschillende processen doorlopen.

De CKI dient:

Daarnaast is de CKI verplicht de aanvrager schriftelijk te informeren over de regels, voorwaarden en procedures die verband houden met het afgeven, intrekken, etc. van het certificaat. Zonder enige vorm van discriminatie jegens de aanvrager. In het kader van het certificatieproces worden de volgende procedures doorlopen:

Onderstaand wordt dit nader uitgewerkt.

Een CKI dient een aanvraag voor het certificaat in overeenstemming met een door hem opgesteld reglement te behandelen. De CKI is verplicht de kandidaat schriftelijk te informeren over de daarin vastgestelde regels, voorwaarden en procedures die verband houden met de behandeling van de aanvraag voor het certificaat.

Bij de aanvraag gelden de volgende voorwaarden:

Indien een certificaathouder meedeelt zijn certificaat in te leveren, is dit een aanvraag om het certificaat in te trekken. Het certificaat is pas ingetrokken als de CKI per besluit op de aanvraag heeft beslist (en het certificaat heeft ingetrokken). De mededeling (aanvraag) moet schriftelijk of elektronisch gebeuren. De aanvraag om een certificaat in te trekken, kan niet mondeling gedaan worden. De termijn van 12 maanden van sub c en d loopt vanaf de dagtekening van het besluit van de CKI waarbij het certificaat is ingetrokken.

Het verloop van de toelatingsbeoordeling, vanaf de eerste beoordeling op projectlocatie tot de beslissing over al dan niet verlening van het certificaat, is gemaximeerd op 4 maanden. Als de overschrijding is te wijten aan de aanvrager, vervallen de beoordelingsresultaten van de kandidaat.

Onderscheid wordt gemaakt in:

Het procescertificaat wordt op de naam van de onderneming gesteld. Alleen de onderneming wordt opgenomen in het Ascert-register. De vestigingen/filialen worden op het procescertificaat vermeld. Elk filiaal/vestiging dient een succesvolle vestigingsbeoordeling, bedoeld in par. 4.3.5.B.1, en twee bijbehorende succesvolle beoordelingen op projectlocaties, bedoeld in par. 4.3.5.B.2 te hebben ondergaan.

Het doel van het door de CKI uit te voeren beoordeling is om vast te stellen of aan alle eisen in de SC-530 wordt voldaan. De beoordeling bestaat uit:

Een kandidaat wordt voor de duur van de beoordeling op twee projectlocaties waar de beoordeling door de CKI plaatsvindt, gelijkgesteld aan een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf, òf in geval van een extra beoordeling op drie projectlocaties. De daarbij geldende voorwaarden zijn dat:

Na blijk van het voldoen aan genoemde voorwaarden stelt de CKI de aanvraag op voor elke projectlocatie die in de beoordeling van de kandidaat zal worden betrokken. Op grond van de volgende criteria dient Ascert schriftelijke toestemming op de aanvraag gegeven te hebben:

De beoordeling kan slechts worden afgerond, indien de kandidaat minimaal 2 volledige asbestverwijderingswerken heeft uitgevoerd, die aan de eisen van de SC-530 voldoen.

Daarbij dient onderscheid te zijn in werk in containment en openlucht

De beoordeling wordt zonder verlening van het certificaat afgebroken indien:

Indien de kandidaat wiens beoordeling is afgebroken opnieuw het certificaat wil verwerven, dienen alle stappen van de beoordeling opnieuw te worden doorlopen.

De aangegeven tijdsbesteding is een richtlijn. De tijdseenheden zijn inclusief rapportage.

De geregistreerde waarnemingen en bevindingen met dekking op alle eisen bij initiële beoordeling en op alle eisen over de certificatieperiode worden aan de kandidaat gerapporteerd conform de richtlijnen in de vigerende versie van ISO 19011. Op basis van SC-530 Bijlage C ‘Aanvraag van toestemming voor werkzaamheden op projectlocatie’ worden de asbestverwijderingswerken met de gegevens over de kandidaat bij Ascert geregistreerd.

Het gebruik van het certificaat is gebonden aan een door Ascert verleend gebruiksrecht op het Ascert Beeldmerk

De beslissing inzake de afgifte van het certificaat wordt genomen door een functionaris van de CKI die is gekwalificeerd en aangesteld conform het kwaliteitssysteem van de CKI, als certificaatbeslisser, en de procedures conform par. 4.3 en die niet betrokken is geweest bij de initiële beoordeling.

Aan de hand van de uitkomst van de initiële beoordelingen zal de auditor binnen de gestelde termijn een rapport opmaken en een advies opstellen betreffende het al dan niet afgeven van het certificaat. Dit advies wordt binnen de gestelde termijn samen met de vastgelegde resultaten van de beoordeling voorgelegd aan de certificaatbeslisser.

Het certificaat is, behoudens tussentijdse intrekking, maximaal drie jaar geldig.

Tenzij de certificaathouder schriftelijk te kennen heeft gegeven het certificaat niet te willen voortzetten, zal de CKI in het laatste jaar van de lopende certificatieperiode de jaarlijkse beoordelingen bij de filialen/vestigingen uiterlijk drie maanden voor vervaldatum van het certificaat dienen te hebben afgerond.

Indien een certificaathouder na een intrekking (zie par. 5.5.4) opnieuw gecertificeerd wil worden, dient dezelfde procedure doorlopen te worden als bij initiële certificatie. De termijn tussen intrekken en het indienen van de aanvraag voor een nieuw certificaat is 12 maanden. De intrekking is niet van toepassing bij 5.2.3.

Ook voor een bedrijf waarvan het certificaat is ingetrokken, dient dezelfde procedure doorlopen te worden als bij initiële certificatie. De termijn tussen intrekken en het indienen van de aanvraag voor een nieuw certificaat is 12 maanden.

Met betrekking tot de geldigheid van het certificaat worden de volgende condities gesteld.

Een adequate behandeling van klachten is belangrijk voor het creëren van vertrouwen in certificatie en belangrijk voor de bescherming van zowel de gecertificeerde bedrijven als de gebruikers van certificaten. Aan een CKI worden onder meer de volgende eisen gesteld:

Indien de CKI klachten van derden, zoals een opdrachtgever, ontvangt over het voldoen aan dit schema door het bedrijf of de persoon die een aanvraag voor het certificaat heeft ingediend of certificaathouder is, dient de CKI de klager te verwijzen naar het bedrijf of de persoon. De CKI dient de klacht te betrekken bij de eerstvolgende beoordeling bij het betreffende bedrijf of de betreffende persoon.

Echter, indien het naar de mening van de CKI een ernstige klacht betreft, dient de CKI, naast de behandeling door het bedrijf of de persoon, zelf ook direct te beoordelen of de klacht gevolgen dient te hebben voor de beslissing m.b.t. certificatie. In dat geval dient de CKI af te wegen of het gewenst is een extra beoordeling uit te voeren. Het reglement van de CKI is bepalend voor de verdere afhandeling van deze klachten. Indien uit de extra beoordeling blijkt dat de klacht terecht is, wordt deze als extra beoordeling in rekening gebracht. Indien blijkt dat de klacht onterecht is, wordt de extra beoordeling beschouwd als een reguliere (project) beoordeling, die de eerstvolgende, in de toekomst geplande beoordeling vervangt.

In deze werkinstructie wordt de afhandeling van een klacht besproken. Voor elke klacht (tekortkoming, verbetervoorstel) wordt een apart klachtenformulier ingevuld.

Wanneer iemand probeert een klacht telefonisch of mondeling te melden, wordt aan hem/haar gevraagd deze in een brief, fax of e-mail te verwoorden. Als een klacht in de vorm van een brief, fax of e-mail binnenkomt wordt deze meteen (direct na het inschrijven in binnengekomen post) naar de kwaliteitsmanager gebracht en indien de klachtafhandelaar duidelijk is krijgt hij/zij meteen een kopie van de klacht. De kwaliteitsmanager registreert de klacht, neemt deze over op het klachtenformulier en stelt de directeur CKI op de hoogte van de klacht. De directeur van de CKI wijst de klachtafhandelaar aan. De kwaliteitsmanager vermeldt de klachtafhandelaar op het formulier tekortkoming in het vak eigenaar en brengt de klachtafhandelaar schriftelijk op de hoogte van de klacht. De klachtafhandelaar informeert de indiener van de klacht schriftelijk (brief, e-mail, fax) over de ontvangst van de klacht.

Klachtafhandelaar stuurt klacht door naar betrokken bedrijf/persoon; stelt indiener op de hoogte; legt dossier aan tbv voortgangsbewaking en meenemen afhandeling klacht door bedrijf/persoon bij eerstvolgende beoordeling.

Klachtafhandelaar beoordeelt de klacht en stelt vast of de klacht een incident betreft of dat de klacht moet leiden tot een aanpassing in de werkwijze.Indien het een incident betreft, wordt de indiener daarvan op de hoogte gesteld. De klachtafhandelaar bedenkt samen met de indiener binnen drie weken na het indienen van de klacht een oplossing voor de afhandeling en betrekt bedrijf/persoon hierbij. De oplossing zoals die met de indiener is besproken wordt vastgelegd op het klachtenformulier in het vak verbetervoorstel. Hier wordt tevens vermeld dat het gaat om een incident.

Indien de klacht een aanpassing van de werkwijze vergt bedenkt de klachtafhandelaar binnen 10 dagen een verbetervoorstel en bespreekt dit met de kwaliteitsmanager en betrekt bedrijf/persoon hierbij. Het verbetervoorstel moet een structurele verbetering inhouden van de werkwijze. Het verbetervoorstel wordt ingevuld op het klachtenformulier in het daarvoor bestemde vak. De klachtafhandelaar stelt de indiener op de hoogte van de afhandeling van de klacht. De kwaliteitsmanager maakt de gewijzigde werkwijze bekend.

De kwaliteitsmanager start, indien nodig, een vervolgonderzoek naar de invoering van het verbetervoorstel. De bevindingen worden vastgelegd op het klachtenformulier in het vak bevindingen vervolgonderzoek. De kwaliteitsmanager archiveert de documenten van de klachtafhandeling.

Onderstaand worden de stappen beschreven die nodig zijn voor het afhandelen van een bezwaarschrift. Een dergelijk bezwaarschrift kan bijvoorbeeld ingediend worden tegen beslissingen van de CKI inzake het niet (opnieuw) verlenen, schorsen of intrekken van een certificaat.

Het CCvD zorgt voor eenduidige norminterpretatie. Toch kan het voorkomen dat er in de operationele fase verschillende interpretaties bestaan van één of meerdere in werkveldspecifieke certificatieschema’s gehanteerde begrippen. Mocht het gebeuren dat certificaathouders, CKI’s of andere belanghebbenden uiteenlopende definities hanteren en hierover meningsverschillen bestaan, dan dienen afwijkende interpretaties te worden voorgelegd aan het CCvD.

Het asbestverwijderingsbedrijf is onder dit certificatieregime wettelijk verplicht periodieke controles te ondergaan. Het doel van de periodieke controle is om de blijvende veiligheid bij asbestverwijdering en het bijbehorende kwaliteitsmanagement systeem van het asbestverwijderingsbedrijf zoveel mogelijk te waarborgen.

Het melden van een asbestverwijderingswerk en daarmee de overdracht van de relevante gegevens ervan, dient te geschieden met behulp van het Landelijk Asbestvolgsysteem (LAVS) vanaf het moment van inwerkingtreding.

Onderstaand wordt aangegeven op welke wijze de certificaathouder toegang dient te verlenen en/of informatie ter beschikking dient te stellen om toezicht door de toezichthoudende en handhavende (overheids-)instellingen, waaronder de CKI, de RvA en de Arbeidsinspectie, mogelijk te maken.

Nadat het certificaat is verleend, voert de CKI gedurende de certificatieperiode onderstaande periodieke beoordelingen bij de certificaathouder uit.

Er vindt tenminste één beoordeling op de vestiging per jaar plaats. Onderdeel van deze beoordeling is de dossierbeoordeling van tenminste vier asbestverwijderingsprojecten. Wanneer een asbestverwijderingsbedrijf, naast de hoofdvestiging, beschikt over één of meer filialen/vestigingen, vindt tevens naast de ene beoordeling per jaar op de hoofdvestiging, per filiaal/vestiging één beoordeling per jaar plaats.

Tijdens de looptijd van het certificaat vinden periodieke beoordelingen op projectlocaties plaats. De frequentie van de periodieke beoordelingen op de projectlocatie wordt vastgesteld op basis van het aantal projectdagen uit het voorgaande jaar (zie tabel 5.2.2). Daarbij geldt het volgende:

Toelichting op tabel

Indien door omstandigheden het in tabel 5.2.2 aangegeven aantal beoordelingen op projectlocatie over een periode van 12 maanden niet kan worden uitgevoerd, dienen de ontbrekende aantallen in de direct daaropvolgende periode van 12 maanden alsnog te worden uitgevoerd. De CKI legt een dergelijke maatregel schriftelijk in het dossier vast. Deze maatregel kan slechts één keer in 4 opeenvolgende perioden van 12 maanden worden toegepast.

De resultaten van de beoordelingen door de CKI worden tussentijds aan het asbestverwijderingsbedrijf gerapporteerd conform de richtlijnen in NEN-EN-ISO/IEC 19011: 2002.

In deze paragraaf is aangegeven op welke wijze de CKI de beoordelingen invult. De wijze waarop is afgeleid van de opgestelde risicoanalyse.

De aangegeven tijdsbesteding is een richtlijn; de tijdseenheden zijn inclusief rapportage.

De CKI dient, in geval van het combineren van beoordelingen, met de beoordelingsrapportage aannemelijk en aantoonbaar te kunnen maken dat bij beoordeling per vestiging de minimale vereisten van SC-530 gedurende de certificatieperiode worden onderzocht. Beoordelingen op projectlocaties staan op zich zelf en dienen conform het bepaalde in 5.2.2 uitgevoerd te worden.

De CKI stelt conform de richtlijnen in de vigerende versie van NEN-EN-ISO/IEC 19011: 2002 een verslag op van haar bevindingen tijdens de tussentijdse audit. Dit verslag wordt ter beschikking gesteld aan de certificaathouder. Deze kan hiertegen een klacht indienen (zie hiervoor par. 4.7).

Indien naar het oordeel van de CKI-proces de onder SC-530 par. 5.5.2 geconstateerde afwijkingen toe te schrijven aan medewerkers met een persoonscertificaat DTA/DAV zal de CKI-proces het desbetreffende afwijkingsrapport direct en rechtstreeks melden en rapporteren aan de persoonscertificaat verlenende instelling.

Indien blijkt dat een certificaathouder en de onder zijn verantwoordelijkheid voor te bereiden en uit te voeren processen niet of niet meer voldoen aan de eisen of normen in het werkveldspecifieke certificatieschema, , dient de CKI de sancties die zijn voorgeschreven in dit schema op te leggen. Bij de constatering van de afwijkingen en de toepassing van sancties dient de CKI dwingend tabel 5.5.3 (Bijlage H) toe te passen.

Voor het algemene kader van sancties bij geconstateerde afwijkingen wordt verwezen naar Bijlage I.

Indien door een door de minister van SZW aangewezen certificatie-instelling wordt geconstateerd dat een certificaathoudend asbestverwijderingsbedrijf een afwijking begaat volgens de in tabel 5.5.3 (Bijlage H) opgenomen bepalingen, dan wordt door de certificatie-instelling het certificaat van de certificaathouder (on-) voorwaardelijk ingetrokken of geschorst of ontvangt de certificaathouder een waarschuwing. Na intrekken van het certificaat kan de gewezen certificaathouder pas na 12 maanden een aanvraag indienen voor een nieuw certificaat. Ook voor het bedrijf kan pas na 12 maanden een aanvraag worden ingediend voor een nieuw certificaat. De periode van 12 maanden begint met ingang van de dag volgend op de dag waarop het besluit in werking treedt waarbij het certificaat is ingetrokken. Na de constatering van een Cat III afwijking dient de certificaathouder binnen 2 maanden een interne corrigerende maatregel te hebben ingevoerd, waarna de CKI binnen een maand deze maatregel definitief moet hebben beoordeeld. Binnen de termijn van 3 maanden kan de afwijking, in positieve zin ( Cat III opgeheven) dan wel negatieve zin (verzwaring van Cat III naar Cat I) afgesloten zijn.

Indien in een concernsituatie met meerdere zelfstandige ondernemingen, die bij eenzelfde CKI onder procescertificaat staan, van een onderneming het certificaat (on)voorwaardelijk wordt ingetrokken of geschorst zal de CKI alle andere gecertificeerde ondernemingen per direct onderwerpen aan een controle op die onderwerpen waarop een afwijking is geconstateerd die heeft geleid tot de sanctie.

Voor de onderbouwing van de onderverdeling van de sanctie per afwijking wordt verwezen naar Bijlage J.

Bij de toepassing van het hierboven onder par. 5.5.2.1 en 5.5.2.2 bedoelde, worden de volgende verzwaringen toegepast:

De vier categorieën waarop bij initiële en/of periodieke beoordeling van de (kandidaat-)certificaathouder sancties worden opgelegd zijn inclusief de onderverdeling in de afwijkingen uitgewerkt en opgenomen in tabel 5.5.3 (Bijlage H)

Het besluit inzake een sanctie met betrekking tot het procescertificaat asbestverwijdering vanwege geconstateerde afwijkingen door de CKI is gebaseerd op eigen onderzoek of op onderzoek door toezichthoudende en handhavende overheidsinstellingen (Arbeidsinspectie, VROM-Inspectie, (Milieu)politie, Gemeenten).

De CKI zal moeten vaststellen of er sprake is van een Categorie I, II, III of IV afwijking of dat er geen afwijking is. Hiervoor moet zij feiten vaststellen. De kaders daarvoor zijn:

Indien bij een Categorie I of II afwijking wordt geconcludeerd dat een gecertificeerde DTA/DAV niet competent is, maakt de CKI-proces hier een afwijkingsrapport van op met zijn bevindingen en conclusie. De CKI-proces stuurt hiervan een afschrift aan de betreffende CKI-persoon.

Indien onderzoeken door toezichthoudende overheidsinstellingen leiden tot proces-verbaal, rapport van bevindingen of een boeterapport kan direct aan de hand van Bijlage H worden bepaald of sprake is van een of meer afwijkingen. Desnoods wordt nader onderzoek verricht door de CKI.

Het is ook mogelijk dat de CKI alleen een melding krijgt van de toezichthoudende overheidsinstellingen. In dat geval zal de CKI (bij een voldoende duidelijk en onderbouwde melding) zelf onderzoek moeten doen.

Bij meldingen door overheidsinstellingen dient de CKI de betreffende overheidsinstelling te berichten wat met de melding is gedaan.

Nadat de CKI heeft vastgesteld, op basis van de vaststaande feiten door eigen onderzoek of dat van een toezichthoudende overheidsinstelling, dat er sprake is van een afwijking van categorie I, II of III is de gang van zaken aan de orde als beschreven in par. 5.5.4.4.

Indien er een afwijking Categorie I, II, III of IV is vastgesteld stuurt de CKI een kennisgeving van (on)voorwaardelijke intrekking of schorsing aan de certificaathouder. In deze kennisgeving wordt medegedeeld dat de CKI voornemens is om het certificaat (on)voorwaardelijk in te trekken, te schorsen dan wel een waarschuwing te geven. Zij motiveert waarom, hetgeen neerkomt op het motiveren waarom er sprake is van een categorie I , II, III of IV afwijking. Verder stelt zij de certificaathouder in de gelegenheid om binnen twee weken op dit voornemen te reageren via een zogenaamde zienswijze.

Nadat de CKI de zienswijze heeft ontvangen of de twee weken zijn verstreken zonder dat er een zienswijze is ontvangen, beoordeelt de CKI binnen één week of zij het voornemen moet doorzetten. Als nog steeds is aangetoond dat er sprake is van een afwijking, zal de CKI de sanctie opleggen. Het kan zijn dat de feiten dermate bestreden zijn dat niet langer vaststaat dat er sprake is van een categorie I, II, III of IV afwijking of dat nader onderzoek nodig is. Dit nadere onderzoek dient binnen 4 weken te zijn afgerond. De certificaathouder wordt hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.

Als de CKI van oordeel is dat er nog steeds sprake is van een categorie I, II, III of IV afwijking, trekt zij het certificaat (on)voorwaardelijk in respectievelijk schorst zij het certificaat, dan wel geeft zij een waarschuwing.. Ook hierin wordt opgenomen waarom er sprake is van een Categorie I, II, III of IV afwijking. De CKI meldt categorie I, II en III afwijkingen aan de Arbeidsinspectie.

Bij Categorie II of Categorie III afwijkingen volgt altijd een extra beoordeling door de CKI op kantoor of projectlocatie.

De kosten die voortvloeien uit onderzoek dat wordt verricht naar aanleiding van een melding of naar aanleiding van de mogelijkheid van een afwijking komen voor rekening van de certificaathouder. Dat geldt eveneens voor de kosten van extra toezicht dat moet worden gehouden, omdat een afwijking is geconstateerd.

Deel II van dit certificatieschema bevat de normen die gelden voor een certificaat of verklaring voor producten in een werkveld. Beschreven wordt achtereenvolgens:

In de tekst is ter ondersteuning en verduidelijking aanvullende informatie gegeven in de vorm van Toelichting, Opmerking en Uitwerking. Deze toevoegingen hebben een informatief karakter.

Dit werkveldspecifieke certificatieschema SC-530 is door SCA voorgesteld en door het ministerie van SZW – inclusief eventuele aanpassingen vastgesteld middels een statische verwijzing in de Arbeidsomstandighedenregeling. Dit vastgestelde schema vervangt daarmee eerdere versies.

Het onderwerp van certificatie betreft het proces van het verwijderen van asbest, asbesthoudende producten en asbestbesmet materiaal of asbestbesmette constructieonderdelen voorafgaand aan sloop, renovatie of onderhoud in bouwwerken en objecten en na een incident incl. de oplevering van het asbestverwijderingswerk volgens de eisen van het certificatieschema. met als resultaat een locatie vrij van bronnen met secundaire asbestvezelemissie

De gezondheid van de direct betrokkenen bij een asbestverwijderingswerk wordt niet in gevaar gebracht wanneer conform de opdracht van de beheerder/eigenaar van het bouwwerk/object, tot gehele of gedeeltelijke verwijdering, wordt voldaan aan de, in dit certificatieschema vastgelegde eisen.

Administratieve eisen

Het asbestverwijderingsbedrijf dient de volledige groeps/holdingstructuur, bestuurlijke verhoudingen, eigendomsverhoudingen, aanwezige certificaten op het gebied van asbest zowel bedrijfsmatig als persoonlijk, de personele invulling van de managementstructuur, doel en aard van de onderneming en haar dienstverlening volledig, actueel en schriftelijk te hebben vastgelegd en getekend door alle bestuurders van het bedrijf (conform KvK) te hebben voorgelegd aan de CKI. Het asbestverwijderingsbedrijf dient ingeschreven te zijn bij de Kamer van Koophandel of zusterorganisaties binnen de Europese Unie. Overheidsorganen, zoals gemeenten, politie en defensie, kunnen wel in het bezit zijn van een procescertificaat, maar behoeven niet ingeschreven te zijn bij de Kamer van Koophandel.

Een overtreding door het bedrijf aan wie is uitbesteed, wordt beschouwd als een overtreding van het bedrijf dat heeft uitbesteed. In de sanctieprocedure tegen het uitbestedende bedrijf wordt de overtreding behandeld als ware zij door het uitbestedende bedrijf begaan.

Alleen een gecertificeerd bedrijf mag het project en de werkzaamheden doen. Als het hiervoor mensen wil inlenen, kan dat. Maar het gecertificeerde bedrijf blijft verantwoordelijk.

Het asbestverwijderingsbedrijf moet beschikken over beheerde documentatie waarin doel en aard van de dienstverlening van het bedrijf zijn vastgelegd.

Het bedrijf dient voor haar dienstverlening adequaat verzekerd te zijn.

Het asbestverwijderingsbedrijf moet beschikken over beschreven actuele leverings-/contractvoorwaarden.

Eisen aan de beheersing en borging asbestverwijdering

In overeenstemming met de eisen van dit certificatieschema moet het asbestverwijderingsbedrijf de beheersing en borging van het asbestverwijderen opzetten, documenteren, invoeren en onderhouden, alsmede de doeltreffendheid ervan continu verbeteren. Deze processen moeten worden bestuurd door het asbestverwijderingsbedrijf, in overeenstemming met de eisen in dit certificatieschema.

Het verwijderen van asbest, asbesthoudende producten en asbestbesmet materiaal of asbestbesmette constructieonderdelen uit een bouwwerk of object of na een incident is onderwerp van dit certificatieschema. Een verplichting daarbij is de aanwezigheid van een inventarisatierapport (zie SC-540). Dit is ter beschikking gesteld door de opdrachtgever, met een daarop gebaseerde omgevingsvergunning voor het slopen conform het Asbestverwijderingsbesluit.

Het gecertificeerde asbestverwijderingsbedrijf blijft als werkgever te allen tijde verantwoordelijk voor de risicobeheersing en daarmee voor de veilige arbeidsomstandigheden.

Het inventarisatierapport geeft de risicoklasse bij het verwijderen in combinatie met de verwijderingsmethoden, de verwijderingsmiddelen en de beschermingsmaatregelen. Het asbestverwijderingsbedrijf dient conform het inventarisatierapport te handelen (zie ook SC-530 par. 7.12.4.1 2e en 3e bullet)

Conform het Arbeidsomstandighedenbesluit art. 4.54d lid 5 en 6 dienen asbestverwijderingswerkzaamheden te worden verricht door, of onder voortdurend toezicht van, een persoon die in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid voor het toezicht houden op het werken met asbest: Ascert-Persoonscertificaat DTA conform SC-510.

Conform het Arbeidsomstandighedenbesluit art 4.54d lid 7 dienen asbestverwijderingswerkzaamheden te worden verricht door een persoon die aantoonbaar in het bezit is van een certificaat vakbekwaamheid voor het verwijderen van asbest: Ascert Persoonscertificaat DAV conform SC-520.

Het bedrijf moet over procedures beschikken en deze op peil houden voor de beheersing van alle documenten die betrekking hebben op de in dit certificatieschema gestelde eisen voor de borging en beheersing van het asbestverwijderingsproces. Alle operationele documenten zijn door een daartoe aangewezen en bevoegd persoon beoordeeld op geschiktheid en doelmatigheid en vervolgens voor uitgifte vrijgegeven. Dit heeft betrekking op zowel nieuwe als gewijzigde documenten. De beheersing van documenten moet resulteren in:

Bewaarperiode

Op de vestigingslocatie van het bedrijf dient SC-530 aanwezig te zijn.

Vastgesteld moet worden welke registraties er bijgehouden moeten worden om het bewijs te leveren van een doeltreffende werking van de beheersing en borging van het asbestverwijderen.

Registraties moeten leesbaar, gemakkelijk herkenbaar en terugvindbaar blijven. Een gedocumenteerde procedure moet worden vastgesteld om de beheersing te definiëren die nodig is voor de identificatie, het opslaan, de bescherming, het terugvinden, de bewaartermijn en de vernietiging van registraties.

De directie moet het bewijs leveren betrokken te zijn bij de beheersing en borging van het zorgvuldig, arbeidshygiënisch en milieuhygiënisch asbestverwijderen en bij het continu verbeteren van de doeltreffendheid ervan door:

Om de tevredenheid van de opdrachtgever te verhogen moet de directie er voor zorgen dat:

Met betrekking tot het zorgvuldig, arbeidshygiënisch en milieuhygiënisch asbestverwijderen dient de directie ervoor te zorgen dat het beleid:

De directie moet bewerkstelligen dat de verantwoordelijkheden en bevoegdheden zijn gedefinieerd en kenbaar gemaakt binnen het asbestverwijderingsbedrijf.

De directie moet een lid van het management benoemen dat, ongeacht overige verantwoordelijkheden, de verantwoordelijkheid en bevoegdheid moet hebben om:

Opmerking:

De verantwoordelijkheid van een directievertegenwoordiger kan inhouden dat hij/zij samenwerkt met externe partijen voor zaken die betrekking hebben op de beheersing en borging van het asbestverwijderen.

Voor elk asbestverwijderingswerk dient de directie de DTA te benoemen, die verantwoordelijk is voor de totstandkoming van een correct vrijgegeven en opgeleverde locatie na uitvoering van het asbestverwijderingswerk.

De directie moet er voor zorgen dat passende communicatie plaatsvindt met betrekking tot de geschiktheid en doeltreffendheid van de beheersing en borging van het asbestverwijderen.

De directie moet de beheersing en borging van het asbestverwijderen minimaal een maal per jaar (laten) beoordelen. Het resultaat dient door de directie te worden ingezet om haar zorg en betrokkenheid bij de beheersing en borging tot uitdrukking te brengen, zodat deze bij voortduring geschikt, passend en doeltreffend is. Deze beoordeling moet tevens het onderzoeken van kansen voor verbetering omvatten, alsmede de noodzaak van wijzigingen in de beheersing en borging van het asbestverwijderen, met inbegrip van het beleid en de doelstellingen met betrekking tot het zorgvuldig, arbeidshygiënisch en milieuhygiënisch asbestverwijderen. Registraties van directiebeoordelingen moeten worden bijgehouden.

De input voor de directiebeoordeling moet informatie bevatten over:

De output van de directiebeoordeling moet bestaan uit de besluiten en maatregelen met betrekking tot:

Het asbestverwijderingsbedrijf moet vaststellen welke middelen nodig zijn en er voor zorgen dat deze middelen aanwezig zijn om:

Het asbestverwijderingsbedrijf moet:

De werknemers die blootstelling aan asbest riskeren, moeten in de gelegenheid worden gesteld om arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan:

De individuele arbeidsgezondheidskundige gegevens van de werknemers moeten in persoonlijke dossiers worden opgeslagen. De dossiers moeten tenminste 40 jaar na het eind van de blootstelling worden bewaard.

De werkgever is verplicht de bovengenoemde arbeidsgezondheidskundige onderzoeken aan de werknemers aan te bieden. Werknemers hebben echter het recht te weigeren een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan. Dit dient uit een eigen schriftelijke verklaring te blijken. Schriftelijk bewijs medische geschiktheid (of afstandverklaring) moet aantoonbaar zijn op de projectlocatie.

De interne beoordelaar moet aantoonbaar beschikken over:

Het asbestverwijderingsbedrijf moet de bedrijfsinrichting en bedrijfsmiddelen bepalen, beschikbaar stellen en onderhouden die nodig zijn om het zorgvuldig, arbeidshygiënisch en milieuhygiënisch asbestverwijderen mogelijk te maken. Dit conform de eisen van de opdrachtgever.

Bedrijfsinrichting en bedrijfsmiddelen omvatten voor zover van toepassing:

Het asbestverwijderingsbedrijf dient de middelen die zijn ingezet bij het verwijderen en transporteren van asbestbevattend materiaal na gebruik zodanig te reinigen dat er geen bronnen zijn met secundaire asbestvezelemissie c.q te verpakken en af te voeren (zie ook SC-530 par. 7.15.10 t/m 7.15.12).

De bedrijfsprocessen, benodigd voor de uitvoering van een specifiek asbestverwijderingswerk, moeten door het asbestverwijderingsbedrijf zijn ingericht in samenhang met de beheersing en borging van het zorgvuldig, arbeidshygiënisch en milieuhygiënisch asbestverwijderen. Bij het plannen van een asbestverwijderingswerk moet het asbestverwijderingsbedrijf, voor zover van toepassing, voor het volgende zorgdragen:

De output van deze planning moet passen op de manier van werken in het asbestverwijderingsbedrijf.

Opmerking:

Een document dat de beheersing en borging van het asbestverwijderen en de toe te passen middelen voor een gegeven asbestverwijderingswerk specificeert, kan worden aangeduid als een kwaliteitsplan.

Het asbestverwijderingsbedrijf moet het volgende bepalen:

Het asbestverwijderingsbedrijf moet de eisen te stellen aan een asbestverwijderingswerk beoordelen. Deze beoordeling moet worden uitgevoerd voordat het asbestverwijderingsbedrijf zich voor de uitvoering van een asbestverwijderingswerk aan de opdrachtgever verbindt (bijv. aanbesteding, aanvaarding van opdrachten, aanvaarding van wijzigingen van opdrachten). Registraties van de resultaten van de beoordeling en maatregelen die voortvloeien uit de beoordeling moeten worden bijgehouden (zie SC-530 par.7.8). Wanneer de eisen te stellen aan het asbestverwijderingswerk worden gewijzigd, dan moet het asbestverwijderingsbedrijf bewerkstelligen dat relevante documenten worden gewijzigd en dat direct betrokkenen op de hoogte wordt gesteld omtrent de gewijzigde eisen.

Het asbestverwijderingsbedrijf moet een doeltreffende communicatie inrichten met opdrachtgevers met betrekking tot:

Het asbestverwijderingsbedrijf moet bewerkstelligen dat ingekochte producten en/of diensten voldoen aan de gespecificeerde inkoopeisen. Het asbestverwijderingsbedrijf moet leveranciers beoordelen en kiezen op basis van hun vermogen om een product en/of dienst te leveren overeenkomstig de eisen van het asbestverwijderingsbedrijf. Criteria voor keuze, beoordeling en herbeoordeling moeten worden vastgesteld. Registraties van de resultaten van beoordelingen en eventueel noodzakelijke maatregelen die voortvloeien uit de beoordeling, moeten worden bijgehouden.

Inkoopgegevens moeten het in te kopen product en/of dienst beschrijven, waaronder:

Het asbestverwijderingsbedrijf moet de geschiktheid van gespecificeerde inkoopeisen garanderen alvorens deze kenbaar te maken aan de leverancier.

Het personeel dat is ingeleend staat geheel onder verantwoordelijkheid van de certificaathouder conform het kwaliteitssysteem. Met name dient te worden voldaan aan dit certificatieschema met betrekking tot:

De verantwoordelijkheid voor het ingeleende personeel met betrekking tot RI&E en de gezondheidsaspecten ligt bij de certificaathouder. Indien van toepassing dienen de overeenkomsten met betrekking tot ingeleend personeel ten behoeve van het asbestverwijderingswerk op de projectlocatie aanwezig te zijn.

Hoofdstuk 7.14 van dit certificatieschema bevat de eisen te stellen aan het asbestverwijderingsproces.

Naast het werkplan moet conform het Arbeidsomstandighedenbesluit een V&G-plan voor de uitvoeringsfase zijn opgesteld. Het bedrijf moet bewerkstelligen dat de werkzaamheden, vermeld in het werkplan, onder beheerste omstandigheden plaatsvinden. Onder beheerste omstandigheden wordt verstaan:

Een passende registratie van asbestverwijderingswerkzaamheden (conform de werkvoorschriften), van de gebruikte middelen, van de uitrusting en van alle betrokken personen, moet zorgvuldig worden bijgehouden in een projectgebonden logboek.

Het asbestverwijderingsbedrijf moet zorgvuldig omgaan met eigendom van de opdrachtgever wanneer dit door het asbestverwijderingsbedrijf wordt beheerd of gebruikt. Het asbestverwijderingsbedrijf moet eigendom van de opdrachtgever dat deel uit maakt van het asbestverwijderingswerk identificeren, verifiëren, beschermen en bewaren. Indien enig eigendom van de opdrachtgever verloren gaat, beschadigd wordt of anderszins ongeschikt geacht wordt voor gebruik, dan moet dit worden gerapporteerd aan de opdrachtgever en moeten registraties daarvan worden bijgehouden.

Het asbestverwijderingsbedrijf moet voor de bewaking en meting van de onderdrukwaarden in het containment bepalen welke bewakings- en meetapparatuur nodig zijn om het bewijs te kunnen leveren dat asbest wordt verwijderd conform de eisen in dit schema.

Het asbestverwijderingsbedrijf moet passende maatregelen treffen indien blijkt dat bij het asbestverwijderen de vereiste waarden niet zijn gehanteerd. Registraties van de resultaten van verificatie moeten worden bijgehouden.

Het asbestverwijderingsbedrijf moet over passende middelen beschikken om aan te tonen dat:

Met behulp van een klanttevredenheidsformulier dient het asbestverwijderingsbedrijf per asbestverwijderingswerk de opdrachtgever in de gelegenheid te stellen zijn ervaringen kenbaar te maken met de werkwijze van het asbestverwijderingsbedrijf. En of zij volgens de opdrachtgever heeft voldaan aan de eisen van opdrachtgever en het certificatieschema SC-530 incl. de bijbehorende wet- en regelgeving.

Het asbestverwijderingsbedrijf moet minimaal één maal per jaar interne beoordelingen uitvoeren om vast te stellen of de beheersing en borging van het asbestverwijderen:

Er moet een beoordelingsprogramma worden gepland, waarbij rekening moet worden gehouden met de resultaten van vorige beoordelingen. De beoordelingscriteria, de reikwijdte, de frequentie en methoden moeten worden gedefinieerd. Door de keuze van de beoordelaars en het uitvoeren van beoordelingen moeten de objectiviteit en onpartijdigheid van het beoordelingsproces gegarandeerd worden. Beoordelaars mogen geen beoordeling uitvoeren over hun eigen werk. Het management dat verantwoordelijk is voor de beoordeling moet bewerkstelligen dat, zonder onnodig uitstel, maatregelen worden getroffen om ontdekte afwijkingen en hun oorzaken weg te werken. Vervolgactiviteiten moeten bestaan uit de verificatie van de genomen maatregelen en de rapportage van verificatieresultaten.

Het asbestverwijderingsbedrijf moet bewerkstelligen dat, wanneer niet conform de eisen van zorgvuldigheid, arbeidshygiëne en milieuhygiëne wordt gewerkt, dit wordt vastgesteld en onder controle wordt gebracht om asbestblootstelling te voorkomen. De beheersing en hiermee samenhangende verantwoordelijkheden en bevoegdheden om om te gaan met mogelijke asbestblootstelling door afwijkingen, moet worden vastgelegd in een gedocumenteerde procedure. Het asbestverwijderingsbedrijf moet met afwijkingen bij het asbestverwijderen omgaan op één of meer van de volgende manieren:

Registraties van de aard van afwijkingen en eventueel later getroffen maatregelen, waaronder verkregen goedkeuringen, moeten worden bijgehouden. Wanneer er afwijkingen worden gecorrigeerd, moet het opnieuw worden geverifieerd om aan te tonen dat het voldoet aan de eisen. Wanneer er afwijkingen worden ontdekt na oplevering, moet het asbestverwijderingsbedrijf maatregelen treffen die gericht zijn op de gevolgen of mogelijke gevolgen van de afwijking.

Het asbestverwijderingsbedrijf moet geschikte gegevens bepalen, verzamelen en analyseren om de geschiktheid en doeltreffendheid van de beheersing en borging van het asbestverwijderen aan te tonen. En om te beoordelen waar continue verbetering van de doeltreffendheid van de beheersing en borging van het asbestverwijderen haalbaar is. Dit moet gegevens omvatten die afkomstig zijn uit bewaking en meting en uit andere relevante bronnen. De analyse van gegevens moet informatie opleveren met betrekking tot:

Het asbestverwijderingsbedrijf moet continu de doeltreffendheid van de beheersing en borging van het asbestverwijderen verbeteren door gebruikmaking van:

Het asbestverwijderingsbedrijf moet maatregelen treffen om de oorzaak van afwijkingen op te heffen om herhaling te voorkomen. Corrigerende maatregelen moeten afgestemd zijn op de gevolgen van de afwijkingen die zich voordoen. Er moet een gedocumenteerde procedure worden vastgesteld om de eisen te definiëren voor:

Het asbestverwijderingsbedrijf moet maatregelen vaststellen om de oorzaken van mogelijke toekomstige afwijkingen op te heffen, om zo het ontstaan ervan te voorkomen. Preventieve maatregelen moeten afgestemd zijn op de gevolgen van de mogelijke toekomstige problemen.

Er moet een gedocumenteerde procedure worden vastgesteld om de eisen te definiëren voor:

Eisen te stellen aan asbestverwijdering

Bij de opdrachtverwerving dient het asbestverwijderingsbedrijf de opdrachtgever erop te wijzen:

Ingeval de opdrachtgever het verwijderingsbedrijf daartoe verzoekt, dient het bedrijf ten behoeve van het verrichten van de eindcontrole, namens de opdrachtgever, opdracht te geven aan een hiervoor RvA-geaccrediteerde eindcontrole instelling.

Toelichting:

Het (na)sturen aan de opdrachtgever van het rapport van de eindmeting van eindbeoordelingsinstelling geschiedt door het asbestverwijderingsbedrijf.

Het bedrijf dient voor de uitvoering van het werk de volgende relevante externe documenten te verwerven:

In geval er sprake is van een opdragende woningcorporatie in het kader van mutatie- en klachtenonderhoud, dient het bedrijf te beschikken over kopieën van de parapluvergunning dan wel een omgevingsvergunning voor het slopen en daaraan gekoppelde meldingen conform het ‘Protocol Verwijdering Asbesthoudende materialen bij mutatie- en klachtenonderhoud’.

Toelichting:

Woningcorporaties kunnen als opdrachtgever voor veel voorkomende werkzaamheden in de gemeentes waar zij werken een parapluvergunning aanvragen. In de parapluvergunning geeft de gemeente de woningcorporatie vergunning tot het verwijderen van asbesthoudende materialen uit haar woningbezit bij mutatie- en klachtenonderhoud, onder voorwaarde dat de woningcorporatie zich houdt aan de werkwijze die in het Protocol Verwijdering Asbesthoudende materialen bij mutatie- en klachtenonderhoud staat beschreven en onder voorwaarde dat de woningcorporatie de adresgegevens van de betreffende woningen tijdig voor aanvang van de verwijdering aan de gemeente meldt. Een kopie van de parapluvergunning met de melding zijn gelijk te stellen met een omgevingsvergunning. De eis dat er een asbestinventarisatie van alle direct en niet-direct waarneembare asbest of asbesthoudende producten etc. is uitgevoerd, blijft onverkort van toepassing. De woningcorporaties handelen in deze niet anders dan in het geval van een omgevingsvergunning voor het slopen.

Het bedrijf dient een compleet werkplan op te stellen en intern te controleren met als resultaat een werkplan met de status ''geschikt voor uitvoering''. Daarbij zijn de volgende uitgangspunten van toepassing:

Het bedrijf dient vóór begin van de uitvoering de periode van het asbestverwijderingswerk (zie SC-530 Bijlage A) in te voeren in het registratiesysteem Webportaal Arbeidsinspectie.

De melding wordt via het Webportaal Arbeidsinspectie automatisch doorgezonden aan:

Toelichting:

Als op te geven begintijd geldt het tijdstip waarop met de asbestverwijdering wordt begonnen. Als op te geven eindtijd geldt het te verwachten moment van oplevering van het werkgebied conform NEN2990.

Wijzigingen in data en/of tijdstippen (zowel van de aanvang als van de beëindiging van de werkzaamheden) dienen direct te worden gemeld aan genoemde instanties.

Is er sprake van een calamiteit dan mag het werk onmiddellijk worden verricht. De melding dient binnen 24 uur na aanvang van het werk te zijn gedaan. Op het meldingsformulier (SC-530 bijlage A) dient te worden aangegeven wat de reden (met feiten onderbouwd) is van de spoedsanering naar aanleiding van de calamiteit.

Indien er sprake is van een hoofdaannemer en een onderaannemer wordt door de uitvoerende partij het asbestverwijderingswerk gemeld. Als voor het asbestverwijderingswerk geen omgevingsvergunning voor het slopen door de desbetreffende gemeente is afgegeven en het bedrijf voert toch de asbestwerkzaamheden uit, dan kan het werk door die gemeente worden stilgelegd. Naar aanlelding van Arbobesluit artikel 14.47c, eerste lid.

Indien de melding als bedoeld in artikel 4.47c, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit schriftelijk wordt verricht, wordt hij als tijdig beschouwd als de melding van de in dit artikel genoemde gegevens schriftelijk wordt gedaan, uiterlijk vijf werkdagen voor het tijdstip dat met de werkzaamheden wordt begonnen. In afwijking daarvan kan bij spoedgevallen worden volstaan met een melding met een uiterste termijn van twee werkdagen voor het tijdstip dat met de werkzaamheden wordt begonnen. Indien de melding elektronisch wordt verricht, wordt hij als tijdig beschouwd, als de melding wordt gedaan uiterlijk twee werkdagen voor het tijdstip dat met de werkzaamheden wordt begonnen. Als asbest onverwacht wordt aangetroffen tijdens een sloop of bij calamiteiten, kan worden volstaan met een onmiddellijke melding. Indien dit laatste betekent dat de melding buiten kantooruren zou moeten plaatsvinden, dient deze te geschieden direct bij het begin van de eerstvolgende werkdag.

Het benodigde personeel, DTA’(s) en DAV’(s) dient in het bezit te zijn van een op de werkplek aantoonbaar geldig persoonscertificaat, opgenomen in het Ascert-register.

Het bedrijf dient de DTA het voorbereide project, gedocumenteerd in het werkplan, te laten controleren en accepteren. Deze DTA is belast met de uitvoering en/of oplevering van het project (zie par. 7.9.4.3) Indien van toepassing dienen de overeenkomsten met betrekking tot ingeleend personeel ten behoeve van het asbestverwijderingswerk op de projectlocatie aanwezig te zijn.

De DTA dient vóór de daadwerkelijke start van het asbestverwijderingswerk op de projectlocatie de volgende controle uit te voeren:

Bij het in de buitenlucht bij lage temperaturen verrichten van asbestverwijderingswerk waarbij met buitenlucht-aangedreven volgelaatsmaskers worden gebruikt moeten ook met andere Arbo-factoren rekening worden gehouden dan alleen met de factor 'blootstelling aan asbestvezels'.

Uit de, voor het specifieke werk op te stellen risico-inventarisatie en -evaluatie moet het volgende duidelijk worden:

Het personeel dient tevoren duidelijke instructies te ontvangen en kan het werk beëindigen wanneer daartoe gezondheidsredenen en/of veiligheid aanleiding geven.

De DTA dient tijdens de asbestverwijdering aantoonbaar en voortdurend toezicht te houden. Dit toezicht omvat ondermeer dat de DTA:

De resultaten van deze controles dienen in het logboek te zijn geregistreerd.

Het bedrijf dient onmiddellijk te melden wanneer asbest moet worden verwijderd waarvoor geen omgevingsvergunning voor het slopen is verleend. De melding dient plaats te vinden aan:

In geval er bij verwijdering/sloop verborgen asbesthoudende materialen worden aangetroffen die niet in het inventarisatierapport type A zijn vermeld en waarvoor dus ook geen omgevingsvergunning voor het slopen verleend is, dient dit gemeld te worden.

De opdrachtgever is in een dergelijke situatie verplicht een aanvullende inventarisatie te doen uitvoeren. Het resultaat leidt tot een asbestinventarisatierapport Type-B dat als bijlage wordt toegevoegd aan het asbestinventarisatierapport type-A en wordt ter beschikking gesteld aan de houder van de omgevingsvergunning voor het slopen en de vergunningverlener (gemeente). In geval er bij verwijdering/ sloop, ondanks de aanwezigheid van een inventarisatierapport Type-A met aanvulling Type-B, onvoorzien asbesthoudende materialen worden aangetroffen en waarvoor dus ook geen omgevingsvergunning voor het slopen verleend is, dient dit gemeld te worden en te worden geregistreerd in het evaluatieformulier dat is opgenomen in het asbestinventarisatierapport (zie SC-540)..

Bij aanvang van het werk dienen de volgende logistieke zaken geregeld te zijn:

Indien van toepassing dienen een of meerdere afgeschermde ruimtes beschikbaar te zijn waarbinnen de asbestverwijdering veilig kan plaatsvinden.

Indien van toepassing dienen de besloten en afgeschermde ruimte(s) op de juiste onderdruk te zijn beproefd. (Zie ook SC-530 par. 7.14.4 13e gedachtestreepje).

Het uitvoeringsproces op de projectlocatie dient continu bewaakt te worden met registraties daarvan in het logboek.

Het in het containment of op de werklocatie vrijkomende asbestmateriaal dient in combinatie met het met het aldaar, eventueel met asbest, verontreinigde uitrusting en gereedschap dubbel én lucht- en vezeldicht te worden verpakt en uit het containment of werklocatie te worden gebracht.

Het verwijderen en verpakken van het asbestmateriaal en het (indien van toepassing) afvoeren naar een verzamelpunt op de projectlocatie dient volgens het geaccepteerde werkplan als volgt plaats te vinden:

Het asbestverwijderingsbedrijf dient volgens het geaccepteerde werkplan de projectlocatie, inclusief de gebruikte uitrusting en middelen (o.a. besmette folie- en taperesten) ingezet voor het verwijderen en transporteren vrij te maken van stof en vuil gevolgd door een visuele afnamecontrole op het ontbreken van bronnen met secundaire asbestvezelemissie.

De gebruikte gereedschappen dienen na afloop van de sanering te worden vrijgemaakt van bronnen met secundaire asbestvezelemissie of indien dit niet mogelijk is luchtdicht te worden verpakt in een deugdelijke stoot- en scheurvaste verpakking voorzien van een asbestgevarensticker (A-label Productenbesluit Asbest).

In Asbestverwijderingsbesluit 2005, Staatsblad 2005, 704 wordt de term eindbeoordeling gehanteerd. De werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd door een NEN-EN-ISO/IEC 17020: 2004 geaccrediteerd eindbeoordelingsinstelling.

Het saneringsgebied dient, tot en met de eindbeoordeling, alleen door bevoegde personen te worden betreden die zich houden aan de hiervoor geldende procedures.

De DTA dient op de projectlocatie te controleren of het werk is uitgevoerd conform het werkplan en in aanmerking komt voor de eindcontrole. Dit dient geregistreerd te worden in het logboek.

De DTA dient er op toe te zien dat door of namens de opdrachtgever de eindbeoordelingsinstelling wordt opgeroepen voor het verrichten van de eindbeoordeling op de projectlocatie conform NEN 2990 (inclusief decontaminatie-unit bij een containment en/ of transitroute) en op basis van een projectgebonden asbestinventarisatierapport. In geval van een negatieve eindbeoordeling kan niet worden uitgeweken naar een andere eindbeoordelingsinstelling. Voor risicoklasse 3 is bovendien NEN 2939 van toepassing.

Deze eindbeoordeling omvat zowel eigen als ingehuurde middelen.

Zie ook Risicoanalyse en afbreukcriteria SC-530 par 3.3.2

De DTA, verantwoordelijk voor de uitvoering en de oplevering (zie SC-530 par. 7.9.4.3), dient namens het asbestverwijderingsbedrijf bij de eindbeoordeling aanwezig zijn. De afhandeling van eventuele vervolgacties dienen te worden geregistreerd en gevoegd bij de certificaten van de eindbeoordeling

De bevindingen van de eindbeoordeling dienen gemeld te worden aan de opdrachtgever, inclusief een afschrift van de certificaten van de eindbeoordeling, met tevens een kopie naar het locale bevoegd gezag.

Vervolgens dient de op de projectlocatie geplaatste inrichting verwijderd te worden, waarna ten behoeve van de eindoplevering een laatste controle van de ‘ontruimde projectlocatie’ dient te worden uitgevoerd. Deze actie dient door het asbestverwijderingsbedrijf te worden geregistreerd in het eindopleveringsrapport.

Ter afronding van het asbestverwijderingswerk dienen minimaal de volgende acties te worden uitgevoerd:

De afvoer van het vrijkomende afval dient als volgt plaats te vinden:

De aangegeven tijdsbesteding is een richtlijn voor reguliere beoordelingen; de tijdseenheden zijn inclusief rapportage.

Jaarlijkse beoordeling en hercertificatie op vestiging: 1 mandag;

Beoordeling op projectlocatie: 0,5 mandag per beoordeling; maximaal 2 beoordelingen per dag.

De CKI dient in geval van het combineren van beoordelingen, met de beoordelingsrapportage aannemelijk en aantoonbaar te kunnen maken dat bij beoordeling per vestiging de minimale vereisten van SC-530 gedurende de certificatieperiode worden onderzocht.

Beoordelingen op projectlocaties staan op zich zelf en dienen conform het bepaalde in 8.1 uitgevoerd te worden.

Het certificaat dient minimaal de navolgende gegevens te bevatten (zie Bijlage E).

Gegevens van de certificaathouder:

Gegevens van de CKI:

Overige gegevens certificaat:

Het gebruik van het certificaat en het daarop aangegeven Ascert Beeldmerk is gebonden aan SC-800: versie 01, 15-09-2011 Reglement Gebruik Ascert-beeldmerk en SC-810: versie 01, datum 15-09-2011 Certificaatmodellen.

De CKI registreert maandelijks de actuele gegevens in het systeemcertificaat. Conform de overeenkomst met Ascert worden de gegevens elektronisch verzonden aan Bureau Ascert ten behoeve van het Ascert Certificaatregister. Het intrekken van certificaten dient door de CKI onmiddellijk te worden doorgegeven aan Ascert. Dit register wordt via internet toegankelijk gemaakt, binnen de wettelijke kaders.

Ten behoeve van de informatie aan de certificaathouder is per bijlage aangegeven het verplichtend karakter (v = verplichtend) of het voorlichtende karakter (i = informatief).

Deze gegevens worden volgtijdig door deelnemers aan het proces in het Webportaal Arbeidinspectie ingevoerd.

Het nog niet gecertificeerde asbestverwijdering bedrijf dient bij een bevoegde certificatie-instelling (CKI) een aanvraag te doen voor een toelatingsonderzoek voor het Ascert-Procescertificaat Asbestverwijdering conform SC-530. par. 4.3.6. Nadat de CKI heeft vastgesteld dat het bedrijf voldoet aan de eisen volgens het certificatieschema SC-530, exclusief de praktijkeisen, kan toestemming worden gevraagd voor de uitvoering van twee asbestverwijderingsprojecten. Namens het bedrijf verzoekt de CKI hiervoor bij Ascert schriftelijk om toestemming.

Een kandidaat wordt voor de duur van de beoordeling op twee projectlocaties waar de beoordeling door de CKI plaatsvindt, gelijkgesteld aan een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf, òf in geval van een extra beoordeling op drie projectlocaties. De daarbij geldende voorwaarden zijn dat:

Na blijk van het voldoen aan genoemde voorwaarden stelt de CKI de aanvraag op voor elke projectlocatie die in de beoordeling van de kandidaat zal worden betrokken. Op grond van de volgende criteria dient Ascert schriftelijke toestemming op de aanvraag gegeven te hebben:

Indien de overlegde omschrijvingen aan de voorwaarden voldoen, verstrekt Ascert schriftelijk toestemming voor het uitvoeren van omschreven projecten. Ascert zendt de toestemming (in pdf) rechtstreeks naar de certificatie-instelling, die dit vervolgens doorzendt naar het asbestverwijderingsbedrijf. Het asbestverwijderingsbedrijf zorgt dat de Ascert-toestemming op het werk aanwezig is, zodat die op eerste verzoek kan worden getoond.

Indien de CKI op één van de twee projecten tot het oordeel komt dat het asbestverwijderingsbedrijf niet voldoet aan de criteria die voor de praktijktoets gelden, kan Ascert, op schriftelijk verzoek van de CKI, voor de uitvoering van één extra te beoordelen project (met vergelijkbaar werk) schriftelijk toestemming geven.

De verdere afhandeling van het certificatietraject is beschreven in het Certificatiereglement Asbestverwijdering SC-530 par. 4.3.6. De certificatie-instelling dient bij de opdracht tot initiële certificatie duidelijke, bindende afspraken te maken met het asbestverwijderingsbedrijf, in het geval het bedrijf niet blijkt te kunnen voldoen aan de praktijkeisen en de bedoelde projecten niet conform SC-530 afgehandeld kunnen worden.

Afhandeling door Ascert:

Akkoord met uitvoering:

Heden, ....., is het origineel in pdf-bestand per e-mail door Ascert verzonden aan de Certificatie-instelling en het asbestverwijderingsbedrijf.

Stichting Certificatie Asbest

Bureau Ascert

..... [Naam]

De certificatie-instelling ..... gevestigd te ....., ten deze vertegenwoordigd door ....., directeur, hierna te noemen de instelling en de houder van het procescertificaat conform het Ascert-Certificatieschema Asbestverwijdering, in beheer bij Stichting Ascert:

hierna te noemen certificaathouder

verklaren het volgende te zijn overeengekomen:

Aldus in tweevoud opgemaakt en ondertekend,

Certificaathouder

Certificatie-instelling

De certificatieovereenkomst zal door de certificatie-instelling beëindigd worden indien:

De certificatie-instelling is niet aansprakelijk voor schade als gevolg van het gebruik van het procescertificaat.

Dit procescertificaat bestaat uit twee bladzijden.

Nadruk verboden Blad 1 van 2

Dit procescertificaat bestaat uit twee bladzijden.

Nadruk verboden Blad 2 van 2

Protocol Informatieuitwisseling ASBEST

Arbeidsinspectie – Certificerende Instellingen

Ondergetekenden,

OVERWEGENDE DAT:

KOMEN HET VOLGENDE OVEREEN:

In dit protocol wordt een aantal begrippen met een beginhoofdletter gebruikt. Aan deze begrippen komt de betekenis toe die hieraan wordt gegeven in het hierna volgende artikel 1

Dit Protocol is overeengekomen en ondertekend

Namens de Arbeidsinspectie te Den Haag

op de datum:

Namens de Certificerende Instelling

op de datum:

Partijen zullen elkaar geen kosten in rekening brengen voor het doen van meldingen en/of voor de afhandeling van die meldingen en/of voor andere activiteiten die voortvloeien uit dit Protocol.

Wijzigingen in het Protocol behoeven de schriftelijke instemming van alle bij het protocol betrokken partijen.

Participanten zullen in geval van problemen of geschillen bij de uitleg of uitvoering van dezeovereenkomst zich tot het uiterste inspannen om in goed overleg tot overeenstemming terzake te komen.

Jaarlijks vindt een evaluatiebijeenkomst plaats waarbij partijen de resultaten

Van het protocol evalueren en bekijken of gemaakte afspraken worden nageleefd. Indien gewenst wordt het protocol en/of de bij het protocol behorende bijlage aangepast.

Dit protocol treedt inwerking op 1 maart 2009 en heeft een looptijd van twee jaar.

Onderstaande lijst is gebaseerd op de SC 532: versie 01, 15-09-2011, Project-checklijst uitgegeven door Ascert en op de Lijsten van ernstige feiten behorende bij beleidsregel 33 van de Arbeidsomstandighedenwet.

Op grond van het Arbeidsomstandighedenbesluit dient het schriftelijke werkplan een beschrijving te zijn van het conform SC-530 par 7.14 uit te voeren asbestverwijderingswerk en doeltreffende maatregelen te bevatten ter bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de betrokken werknemers. Daarbij geldt het volgende:

Korte omschrijving van de aard van de werkzaamheden

Korte omschrijving van de basisgegevens

Gegevens over het gebouw / object

Gegevens over het bedrijf en de werknemers

Tijdsplanning en werk- en rusttijdenregeling

Gegevens over de aanwezigheid van andere bedrijven op de locatie

Gegevens over het afschermen en afbakenen van de locatie

Beschrijving van de persoonlijke beschermingsmiddelen en apparatuur

Arbeidshygiënische maatregelen

N.B. Hier alleen de wijzigingen op de algemene beschrijving van het kwaliteitshandboek opnemen.

Beschrijving van de afvoer van het asbesthoudend materiaal

Informatie over de eindcontrole

Opleidingsplan – voorlichting aan derden

Arbeidsgezondheidskundige begeleiding

Registratie (wordt in het logboek bijgehouden)

Afwijkingen op het werkplan, die overigens binnen de regels van SC-530 vallen, dienen vóór uitvoering, met redenen omkleed, in het werkplan en /of op het logboekformulier te worden vermeld.

Voor een uitvoeringswijze die afwijkt van de regels van SC-530 dient tevoren een schriftelijke goedkeuring op basis van een Plan van aanpak (risico-inventarisatie) te worden verkregen van een Arbokerndeskundige. Het door die deskundige getoetste Plan van aanpak dient als bijlage aan het werkplan te worden toegevoegd.

Het is algemeen bekend dat blootstelling aan asbestvezels zeer gevaarlijk is. Asbestvezels kunnen leiden tot schade aan de gezondheid en tot de dood. Kerngedachte bij de regels omtrent asbest is dat het hier gaat om het leven en de gezondheid van mensen. Dit gevaar van blootstelling betekent dat als het op handelingen met asbest aankomt zeer zorgvuldige gehandeld dient te worden. De overheid moet er op kunnen vertrouwen dat bedrijven en personen die betrokken zijn bij het werken met asbest zeer zorgvuldig handelen en het risico van blootstelling tot het laagst mogelijk beperken. Dit betekent dat geëist wordt dat zij zich aan de regels houden die gelden voor werken met en rondom asbest. Indien het risico van blootstelling niet zo laag mogelijk is gehouden of een persoon zich niet aan de regels houdt, moet de overheid streng optreden ter bescherming van de gezondheid en het leven van mensen.

De overheid heeft ervoor gekozen om de zorgvuldigheid van asbestinventarisatiebedrijven en asbestverwijderingsbedrijven en de in deze bedrijven werkzame personen te borgen door een certificatiestelsel. Alleen die bedrijven en personen die een certificaat hebben, mogen handelingen met asbest verrichten (voor zover de wet een dergelijk certificaat verplicht stelt). Essentieel is dat de overheid er op moet kunnen vertrouwen dat certificaathouders zich aan de regels zullen houden en het risico van blootstelling zullen minimaliseren. Een certificaathouder die niet conform de regels handelt, beschaamt dat vertrouwen en dient in beginsel zijn certificaat te verliezen. Er kan niet meer op vertrouwd worden dat dit bedrijf zorgvuldig zal handelen. Derhalve verliest hij zijn certificaat. Een certificaathouder die het risico van asbestemissie niet minimaliseert of zelfs een asbestbesmetting veroorzaakt, heeft niet voldoende zorgvuldig gehandeld en dient ook in beginsel zijn certificaat te verliezen. Het is niet een daadwerkelijke blootstelling alleen die reden is voor onvoorwaardelijke intrekking. Enkel het risico van asbestemissie of het verhogen van dit risico betekent al dat een certificaathouder die een dergelijk risico laat ontstaan, de werkzaamheden niet meer mag verrichten. Het doel van de regelgeving is immers emissie en blootstelling te voorkomen. Om dit doel te bereiken moet het risico van emissie en blootstelling geminimaliseerd worden. Het is niet aanvaardbaar dat een certificaathouder die risico’s verhoogd pas zijn certificaat verliest als het risico wordt verwezenlijkt en er mensen zijn blootgesteld.

De intrekking van het certificaat is bij een afweging van de betrokken belangen al snel gerechtvaardigd. Bij een afweging van de belangen van mensen dat hun gezondheid en leven niet in gevaar wordt gebracht door blootstelling aan asbestvezels en het belang van het bedrijf om zijn werkzaamheden te kunnen verrichten, wegen de belangen van de gezondheid en het leven van mensen altijd zwaarder. Het feit dat het intrekken van het certificaat zal leiden tot het einde van de activiteiten is, gezien de belangen, proportioneel. Het einde van de activiteiten is dan ook een aanvaard gevolg en geen reden om het certificaat niet in te trekken. Ook niet in die beperkte gevallen dat dit leidt tot het einde van het bedrijf. Van de mogelijkheid van herkansing of zonder voorwaarden verder te mogen werken, zal slechts gebruik gemaakt mogen worden als dit aanvaardbaar is. Dat wil zeggen dat de afwijking niet tot een hoog risico voor blootstelling heeft geleid én voldoende gegarandeerd is dat het leven en de gezondheid van mensen voortaan niet meer in gevaar komt.

Herhaling van het overtreden van regels en het laten ontstaan van (het risico van) een asbestemissie zal zeker dienen te leiden tot intrekking van het certificaat.

Het voorgaande betekent dat de kern van het sanctiestelsel is dat een (rechts)persoon die niet conform de regels werkt het werk niet meer mag verrichten. Uitgangspunt is dat een dergelijke (rechts)persoon het certificaat verliest. Er is voor gekozen om bij een eerste afwijking niet direct tot intrekking van het certificaat over te gaan. De certificaathouder krijgt een herkansing. De herkansing bestaat er uit dat het certificaat wordt geschorst waardoor het certificaat zijn geldigheid verliest . Als de certificaathouder voldoende maatregelen heeft getroffen wordt de schorsing ingetrokken.

Er is echter een verschil in ernst van afwijkingen waardoor er afwijkingen zijn waarbij het aanvaardbaar is dat het certificaat zijn geldigheid behoudt terwijl de certificaathouder de maatregelen treft. Het certificaat wordt ingetrokken als de certificaathouder niet binnen de termijn voldoende maatregelen treft.

Zoals gezegd zal een certificaathouder die overtredingen blijft begaan zijn certificaat verliezen ongeacht de ernst van de overtredingen.

In het sanctiestelsel wordt een onderscheid gemaakt tussen vier herstelsancties:

Verder is er een verzwaring die tot gevolg heeft dat een certificaathouder die overtredingen blijft begaan, zijn certificaat verliest. In bijlagen in SC-530 en SC-540 is opgenomen tot welke herstelsanctie een bepaalde afwijking leidt.

Naast de herstelsancties is voorzien in schorsing als een ordemaatregel waarbij het certificaat wordt geschorst met betrekking tot een locatie, een project of werkzaamheden. Hier wordt schorsing niet opgelegd als herstelsanctie, maar wordt voorkomen dat de certificaathouder verder werkt terwijl de sanctieprocedure loopt.

De onvoorwaardelijke intrekking en schorsing (herstelsanctie) worden niet direct opgelegd als de afwijking wordt geconstateerd. Eerst wordt een procedure doorlopen. Pas aan het einde van deze procedure neemt de CKI zijn beslissing en verliest het certificaat haar geldigheid (of niet). In beginsel is het certificaat tijdens deze procedure geldig en mag de certificaathouder de betreffende werkzaamheden verrichten.

Door de schorsing als herstelmaatregel mag de certificaathouder niet verder werken op de betreffende locatie, project of werk tijdens de procedure.

Van de ordemaatregel schorsing moet gebruik gemaakt worden wanneer doorwerken door de certificaathouder niet aanvaardbaar is. Schorsing is bijvoorbeeld aangewezen als er een asbestemissie heeft plaatsgevonden of het risico op een emissie sterk is toegenomen. Hierdoor heeft de certificaathouder het leven en gezondheid van mensen in gevaar gebracht.

Ook in die gevallen dat er mogelijk sprake is van dergelijke situatie, maar dit nog volledig moet worden uitgezocht, kan er grond zijn om te schorsen. Als de CKI in redelijkheid kan oordelen dat er sprake is geweest van gevaar voor het leven en de gezondheid van mensen, en dat het certificaat onvoorwaardelijk zal worden ingetrokken dan wel worden geschorst (herstelsanctie), is schorsing (ordemaatregel) aangewezen. Het risico dat de certificaathouder het leven en gezondheid van mensen in gevaar heeft gebracht, is te groot om de certificaathouder door te laten werken. In het geval dat na verloop van de procedure blijkt dat de situatie niet zo ernstig was of dat er toch geen onvoorwaardelijke intrekking of schorsing (herstelsanctie) wordt opgelegd, is de schorsing (ordemaatregel) toch terecht opgelegd. Het feit dat in redelijkheid door de CKI geoordeeld kon worden dat het leven en gezondheid in gevaar werd gebracht, betekent dat de schorsing als ordemaatregel terecht was.

Bij de vraag of schorsing als ordemaatregel moet worden gebruikt, zal de CKI moeten afwegen of het laten doorwerken door deze certificaathouder verantwoord is gezien het belang van mensen (werknemers en anderen) om niet blootgesteld te worden aan asbestvezels. In de bespreking van afwijkingen hieronder zal worden aangegeven wanneer schorsing (ordemaatregel) in ieder geval moet worden toegepast.

Het tijdens een schorsing verrichten van werkzaamheden op de betreffende locatie of het betreffenden project, of het verrichten van de betreffende werkzaamheden waarvoor een certificaat is vereist die is geschorst, leidt tot onvoorwaardelijke intrekking.

De schorsing dient wel de mogelijkheid te geven dat de certificaathouder het eventuele gevaar dat is ontstaan kan opheffen en de situatie kan veiligstellen.

In de certificatieschema’s zijn afwijkingen ingedeeld in categorieën waaraan een van de genoemde herstelsancties is verbonden.

Categorie I – onvoorwaardelijke intrekking

Categorie II – schorsing

Categorie III – voorwaardelijke intrekking

Categorie IV – waarschuwing

Uitgangspunt bij de indeling van de afwijkingen is dat afwijkingen die leiden tot blootstelling dan wel het risico op blootstelling verhogen, vallen onder Categorie II. Andere afwijkingen zullen onder Categorie III vallen, met uitzonderingen naar Categorie II en IV. Als de certificaathouder de gecertificeerde werkzaamheden (of daarmee verbonden werkzaamheden) verricht terwijl het certificaat is geschorst (zowel herstelsanctie als ordemaatregel), zal het certificaat onvoorwaardelijk worden ingetrokken.

Een norm beschermt bepaalde belangen. Het wordt soms gesteld dat op een andere wijze dat belang beschermd kan worden. Dit is niet van belang. De bevoegde autoriteit heeft bepaald dat op de voorgeschreven wijze het belang wordt behartigd. Het is niet aan een certificaathouder om dit naast zich neer te leggen en eigen maatregelen te gaan bepalen. Er is een afwijking en deze leidt tot het opleggen van de herstelsanctie. Deze niveaus zijn nader uitgewerkt in de zogenaamde escalatieladder.

De afwijkingen kunnen verdeeld worden in een aantal typen of clusters van afwijkingen. Hieronder wordt in algemene zin de cluster van afwijkingen beschreven en tot welke sanctie deze dienen te leiden. Wat bij open begrippen als ‘voldoende’ of ‘deugdelijk’ wordt beschouwd, is ingevuld in bijvoorbeeld de regelgeving, de schema’s of in de lijst met afwijkingen (bijlagen bij SC-530 en SC-540). Binnen de clusters zal van een aantal normen worden gemotiveerd waarom afwijking van deze normen leidt tot een bepaalde sanctie. Hieronder worden de clusters benoemd. Binnen deze clusters worden een aantal type afwijkingen besproken met de voorgeschreven sanctie en motivering daarvan.

Ook wordt voorgeschreven wanneer schorsing (ordemaatregel) in ieder geval opgelegd moet worden. Het feit dat schorsing (ordemaatregel) niet is voorgeschreven wil niet zeggen dat niet geschorst (ordemaatregel) moet worden. De CKI zal in elk concreet geval moeten beoordelen of schorsing (ordemaatregel) aangewezen is. Het is mogelijk dat de certificaathouder dermate snel is met zijn herstelmaatregelen dat al aan de voorwaarden voor het intrekken van de schorsing (herstelsanctie) is voldaan nog voordat deze sanctie is opgelegd. In dat geval wordt een schorsing met een termijn van 0 uur opgelegd.

Bij dit type gaat het om bepalingen die de onafhankelijkheid en objectiviteit van de verschillende actoren binnen het proces bewaken. Bij asbestwerkzaamheden worden de volgende fasen doorlopen:

Er zijn derhalve verschillende (rechts)personen: opdrachtgever, het asbestinventarisatiebedrijf, het asbestverwijderingsbedrijf en de eindbeoordelaar. Binnen en achter de rechtspersonen en bedrijven zijn verschillende mensen actief. Indien een (rechts)persoon een rol speelt in verschillende fases in het proces komen de onafhankelijkheid en de objectiviteit in de verschillende fases in het gedrang. De praktijk heeft geleerd dat een belangrijke factor achter overtredingen ligt in het feit dat dezelfde (rechts)personen voorkomen in verschillende fases van asbestwerkzaamheden. In de schema’s zijn bepalingen opgenomen die ‘schotten’ plaatsen tussen deze actoren, door dubbele rollen van de verschillende actoren (en hun mensen) te verbieden. Deze schotten zijn gebaseerd op situaties die in de praktijk door bijvoorbeeld de Arbeidsinspectie en CKI’s zijn aangetroffen.

Een overtreding van een dergelijke bepaling leidt niet direct tot blootstelling of het verhogen van het risico. Afwijkingen die behoren tot dit cluster zullen in beginsel worden ingedeeld in Categorie III.

Schending van deze kan wel een factor zijn die heeft bijgedragen aan een andere overtreding die heeft geleid tot blootstelling dan wel dit risico heeft verhoogd. Indien dit het geval is, zal deze andere overtreding al leiden tot een zwaardere sanctie.

Zonder deze inzichtelijkheid kan immers niet beoordeeld worden of aan de bepalingen inzake onafhankelijkheid en objectiviteit is voldaan. Indien de certificaathouder het deugdelijk controleren van een bepaling onmogelijk maakt, leidt dit tot dezelfde sanctie als die staat op het overtreden van de te controleren norm.

Deze groep bepalingen ziet op het voorkomen dat werknemers worden blootgesteld aan asbestvezels. Bij het verwijderen van asbest komen bij risicoklasse 2 en 3 asbestvezels vrij. Dit volgt uit de aard van deze risicoklasse. Ook degene die daadwerkelijk inventariseert zal vaak blootgesteld worden aan asbestvezels, bijvoorbeeld als het gaat om het inventariseren bij niet-hechtgebonden asbest of bij asbesthoudend materiaal dat beschadigd of verweerd is. De werknemer zal derhalve worden blootsgesteld aan asbestvezels en moet hiertegen beschermd worden. Het gaat dan bijvoorbeeld om maatregelen zoals:

Het bedrijf is overgegaan tot het inventariseren of verwijderen van asbest, terwijl zij niet aan de normering kan voldoen. Indien de middelen er niet zijn, is het leven en de gezondheid doorslaggevend: er mag niet worden gewerkt.

Het maakt voor de werknemer immers weinig uit of het bedrijf niet over de pbm’s beschikt of dat ze niet op de werkplek zijn. In beide gevallen kan hij ze niet gebruiken. De werkgever dient de werkzaamheden dan niet te laten aanvangen. Doet hij dat toch en werkt de werknemer zonder pbm, dan geldt hetzelfde als bij de vorige categorie.

De werkgever heeft op zich de middelen verschaft. Het probleem zit in de toepassing. De werkgever dient uit te zoeken hoe de afwijking is ontstaan (waarom droegen de werknemers de pbm’s niet) en maatregelen te treffen om herhaling te voorkomen. Welke maatregelen dit zijn, is afhankelijk van de situatie en van de reden dat de pbm’s niet gedragen werden. Slechts de werknemers/toezichthouders aanspreken zal in het algemeen onvoldoende zijn. Ook vanuit de werkgever zullen maatregelen getroffen moeten worden.

De werknemers worden onbeveiligd te werk gesteld, terwijl ze denken veilig te zijn.

De werknemers zijn beschermd, maar het risico dat de pbm’s ophouden te functioneren door gebrekkig onderhoud brengt ze in gevaar. Indien het gebrekkige onderhoud of gebrek aan controle ertoe leidt dat de pbm’s niet meer veilig werken, zal op grond van deze afwijking het certificaat voorwaardelijk worden ingetrokken.

Deze groep bepalingen ziet er op dat wordt voorkomen dat asbestvezels buiten de directe ruimte/plek komen waar het asbest wordt verwijderd of de inventarisatie plaatsvindt. De wijze waarop de verspreiding van asbestvezels voorkomen moet worden, is afhankelijk van de werkwijze om het asbest te inventariseren of te verwijderen. Deze wijze wordt bepaald door de wet, de schema’s en de invulling in het werkplan. Ook bij het inventariseren van asbest bestaat de mogelijkheid dat er asbestvezels vrijkomen, bijvoorbeeld bij niet-hechtgebonden asbest of door monsterneming. Hier moet de verspreiding van asbest ook voorkomen worden. Voorbeelden van dergelijke verplichtingen zijn:

Indien bepalingen van dit type wordt overtreden ontstaat het risico van een asbestemissie. Niet alleen werknemers, maar ook derden, zoals omwonenden en passanten, kunnen worden blootgesteld. Verder is het moeilijk om bij een asbestemissie het besmette gebied te bepalen en volledig te zuiveren.

Hier geldt hetzelfde als in het geval het bedrijf niet beschikt over voldoende pbm’s. De certificaathouder is met asbestwerkzaamheden bezig waarbij hij niet aan de wet kan voldoen. Hij heeft zeker niet alles gedaan om het risico van een asbestemissie te minimaliseren.

Indien de middelen er niet zijn, is het leven en de gezondheid doorslaggevend: er wordt niet gewerkt. Dit geldt hier nog meer, aangezien hier ook anderen dan de werknemers het risico aan blootstelling lopen.

Ook hier geldt dat het voor personen niet uitmaakt of het bedrijf over de middelen beschikt of niet. Als de middelen niet op de werkplek zijn, worden ze niet gebruikt.

Een containment dat niet contained, voorkomt verspreiding van asbestvezels niet. Hierdoor kunnen niet alleen werknemers, maar ook anderen worden blootgesteld.

Door te meten wordt gecontroleerd of de containment werkt. Als dit niet gemeten wordt, bestaat het risico dat (door onvoorziene omstandigheden) de onderdruk te laag wordt. Het risico van emissie ontstaat dan. Het feit dat niet gemeten wordt, betekent echter niet dat er ook direct sprake is van blootstelling. Voorwaardelijke intrekking is aanvaardbaar.

Deze groep bepalingen ziet er op dat de plek waar asbestvezels zijn gekomen onbesmet wordt achtergelaten. In essentie: opruimen; zorg dat er geen asbestvezels overblijven. Voorbeelden van dergelijke verplichtingen zijn:

De certificaathouder heeft een bron van besmetting naar buiten gebracht. Het gaat hier om zowel onverpakt materiaal als materiaal in open/beschadigde verpakking.

Er is nog geen bron van besmetting en het risico van besmetting is niet groot genoeg zodat deze lagere sanctie aanvaardbaar is.

Bij beschadiging van de verpakking is er direct een bron van besmetting. Als niet is aangegeven dat het om asbest gaat, zal er minder zorgvuldig met het materiaal worden omgegaan. Hiertoe neemt de kans op beschadiging toe. Verder bestaat het risico dat het materiaal op onjuiste wijze verwerkt wordt waardoor het in de leefomgeving komt. De certificaathouder dient uit te zoeken hoe deze afwijking is ontstaan, deze op te heffen en maatregelen te treffen dat de overtreding zich niet zal herhalen. Dan kan de schorsing (herstelsanctie) worden ingetrokken.

Indien er materiaal niet vezeldicht was afgeschermd in een ruimte waar asbestvezels konden vrijkomen bestaat er een groot risico dat dit materiaalbesmet is . Indien het vervolgens buiten de beschermde plek wordt gebracht, worden de asbestvezels naar buiten gebracht en ontstaat een emissie of in ieder geval een risico van blootstelling. Ook zaken zoals filters en water kunnen besmet raken en dienen zodanig te worden afgevoerd dat er geen vezelemissie mogelijk is.

Op grond van de arbeidsomstandighedenwetgeving dient het asbest verwijderd te worden in de risicoklasse van het inventarisatierapport en dienen de bijbehorende maatregelen te worden getroffen. De werkzaamheden dienen echter in een hogere klasse te worden uitgevoerd als de feitelijke aard van de werkzaamheden of de staat van het asbest hiertoe verplicht. Deze uitzondering van de feitelijke situatie geldt niet als de risicoklasse-indeling in het rapport te hoog is. De risicoklasse indeling in het asbestinventarisatierapport vormt de ondergrens. Indien de werkzaamheden volgens het asbestinventarisatierapport bijvoorbeeld in risicoklasse 2 dienen te worden uitgevoerd, dienen zij in risicoklasse 2 te worden uitgevoerd. Ook als de werkzaamheden feitelijk in risicoklasse 1 kunnen worden uitgevoerd.

Het feit dat een asbestinventarisatierapport onduidelijk of onvoldoende is, betekent niet dat de verwijderaar dit moet compenseren. Hij dient te weigeren het werk uit te voeren totdat er een deugdelijk rapport ligt.

Een verwijderaar zal altijd op basis van de aangetroffen situatie moeten beoordelen of hij toch niet in een hogere klasse zouden moeten werken dan in het rapport is aangegeven. In dat geval zal een aanvullend en opnieuw goedgekeurd inventarisatierapport noodzakelijk zijn.

De risicoklasse ligt ten grondslag aan de te nemen maatregelen. De wet is duidelijk wat betreft in welke risicoklasse gewerkt moet worden. Indien de certificaathouder niet de maatregelen treft die behoren tot deze risicoklasse, dient het certificaat geschorst te worden.

Een asbestverwijderaar mag niet aan zijn werkzaamheden beginnen zonder een deugdelijk asbestinventarisatierapport. Een verwijderaar die zonder deugdelijk rapport te werk gaat, riskeert blootstelling en emissie. Het is zijn keuze om met een ondeugdelijk rapport te gaan werken en voor zijn risico als hij daardoor overtredingen begaat. Bij een ondeugdelijk rapport moet de verwijderaar zijn werkzaamheden staken en wachten tot de opdrachtgever voor een deugdelijk rapport zorgt. Begint hij toch met het verwijderen van asbest dan dient dit te leiden tot schorsing (herstelsanctie en ordemaatregel).

De informatie die het asbestinventarisatierapport geeft, is nodig op de werkplek. De informatie uit het rapport dient ook betrokken te worden bij de werkzaamheden. Indien deze informatie er niet is, leidt dit tot een verhoging van het risico van blootstelling. Echter, het is voor de beschikbaarheid van de informatie op de werkplek niet altijd nodig dat het asbestinventarisatierapport op de werkplek is. De afwezigheid van het rapport hoeft op zich niet tot een blootstelling of verhoging van het risico te leiden. Het is aanvaardbaar dat deze afwijking leidt tot voorwaardelijke intrekking. Ook bij deze afwijking geldt dat het gebrek aan informatie dat is ontstaan doordat het rapport niet op de werkplek is, al geleid kan hebben tot een overtreding die leidt tot onvoorwaardelijke intrekking. Voor een onduidelijke kopie van het rapport geldt het voorgaande ook.

De basis voor veilig verwijderen van asbest is de asbestinventarisatie. Hierdoor weet de verwijderaar wat hij tegen zal komen en kan hij de verwijdering plannen en uitvoeren. Verder zal de verwijderaar het bouwwerk of het betreffende deel daarvan asbestvrij opleveren, zodat de aannemer geen asbest zal aantreffen bij zijn werkzaamheden en de gebruiker geen asbest aantreft bij het gebruik.

In een inventarisatie dient al het aanwezige asbest geïnventariseerd te worden. De asbestinventariseerder zal niet zonder reden zijn onderzoek mogen beperken. Indien werkzaamheden op een bepaalde plek verricht moeten worden, zal de inventariseerder daar moeten inventariseren. Indien de inventarisatie niet volledig is, bestaat het risico dat de verwijderaar of de aannemer tijdens zijn werkzaamheden onverwacht asbest tegenkomt. Vaak is dit al beschadigd tegen de tijd dat wordt ontdekt dat het om asbest gaat, zodat er al asbestemissie en blootstelling aan asbestvezels heeft plaatsgevonden. Het is nu juist de bedoeling dat dit soort verrassingen worden voorkomen door een volledig en diepgaand onderzoek door de inventariseerder.

In het rapport moeten alle relevante gegevens over het asbest aangegeven worden, zoals de aard van het asbest, de concentratie asbest in het materiaal en de staat van het materiaal. Elk stuk asbest moet ook uniek worden aangegeven in de zin dat de verwijderaar de gegevens in het rapport kan koppelen aan de situatie die hij aantreft. De verwijderaar moet de asbest immers kunnen vinden en weten waar hij mee te maken heeft.

Indien het rapport niet volledig is of niet alle gegevens bevat, voldoet het niet aan zijn primaire functie. Daarbij leidt een onvolledig rapport tot een risico van blootstelling aan asbestvezels. De asbestverwijderaar moet op de volledigheid en juistheid van het rapport kunnen vertrouwen.

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen een type-A asbestinventarisatie (direct waarneembare asbest) en een type-B asbestinventarisatie (niet-direct waarneembare asbest). Er kan pas gesproken worden van een volledig asbestinventarisatierapport als alle asbest op de locatie, in het bouwwerk of object is geïnventariseerd (voor zover daar gewerkt zal worden). Indien bij de inventarisatie alleen naar het waarneembare asbest is gekeken, kan veelal niet gesproken worden van een volledig asbestinventarisatierapport.

Een dergelijk onvolledig rapport kan niet als overtreding door de certificaathouder worden beschouwd indien het slechts zijn opdracht was om een type-A onderzoek te doen. De certificaathouder zal wel duidelijk de beperkingen van het onderzoek in het rapport moeten aangeven. Verder zal hij in het rapport moeten wijzen op de risico’s van een dergelijk beperkt rapport.

De inventariseerder dient op basis van zijn onderzoek de risicoklasse te bepalen. De risicoklasse-indeling wordt vaak al bepaald door de aard en staat van het aangetroffen asbest. De asbestverwijderaar en andere werkgevers moeten kunnen vertrouwen op het inventarisatierapport. De praktijk leert dat veel verwijderaars en andere werkgevers afgaan op de indeling in het rapport. Daarmee leidt een te lage indeling tot het treffen van onvoldoende maatregelen. Dit speelt met name als ten onrechte risicoklasse 1 is aangegeven.

Aangezien een verkeerde risicoklasse indeling het risico op asbestemissie en blootstelling verhoogt, is een lagere sanctie niet aanvaardbaar.

Indien de verwijderaar afwijkt van de werkwijze die in het rapport wordt omschreven, zal hij zelf moeten bepalen of dit gevolgen heeft voor de risicoklasse-indeling. Hierbij geldt de risicoklasse-indeling uit het rapport nog steeds als ondergrens.

Op grond van de arbeidsomstandighedenwetgeving dienen de werkzaamheden te worden verricht onder voortdurend toezicht van een DTA-er. De werkzaamheden dienen te worden verricht door personen met een DAV-certificaat. Door middel van deze certificaten wordt geborgd dat asbestverwijderingswerkzaamheden worden verricht door personen met voldoende deskundigheid en kennis van zaken. Bij onvoldoende kennis en deskundigheid bestaat het risico dat door (onbedoelde) fouten asbestvezels vrijkomen en zich verspreiden.

DTA-er

De rol van de DTA-er is om continu toezicht te houden op de asbestverwijderingswerkzaamheden. De DTA-er is de vertegenwoordiger van de werkgever op de arbeidsplaats. Hij dient opkomende problemen te signaleren, op te lossen of terug te koppelen naar de werkgever. Verder dient hij te voorkomen dat onvoorziene situaties tot problemen leiden. Hij moet er ook voor zorgen dat de werknemers de regels naleven en de veiligheid van henzelf, hun collega’s en andere personen niet in gevaar brengen. Bij alle werkzaamheden bestaat het gevaar dat door bv. routine, menselijke gemakzucht, het verkeerd inschatten van de risico’s of het ‘even snel’-denken de werknemers onveilig handelen. Het is dan cruciaal dat de DTA-er er is en hen hiervan weerhoudt. Consequentie van deze rol is dat als hij er niet is de werkzaamheden tijdens zijn afwezigheid niet worden uitgevoerd. Als de werkzaamheden dermate omvangrijk zijn dat één DTA-er niet overal toezicht kan houden, moeten er meerdere op het werk aanwezig zijn.

Het feit dat er geen gecertificeerde DTA-er is geregeld, betekent dat de werkgever de werkzaamheden in strijd met de wet en schema’s heeft gepland. Gezien het belang van de DTA-er om toezicht te houden op de werknemers en op te treden bij (onvoorziene) problemen, betekent dit dat het certificaat geschorst (herstelsanctie en ordemaatregel) te worden.

De DTA-er dient continu toezicht te houden. Als de werkzaamheden plaatsvinden zonder DTA-er ontbreekt een belangrijke schakel in de veiligheid. Het werken zonder deze schakel dient te leiden tot het schorsen van het certificaat. Verschil met de vorige categorie is dat er een DTA-er was geregeld, maar deze niet bij de werkzaamheden aanwezig was. Dit is niet van belang. Als er geen DTA-er bij de asbestverwijderingswerkzaamheden is, maakt het niet uit of er wel of niet een DTA-er was geregeld. Hij is er niet, zodat hij geen toezicht kan houden. Indien de asbestverwijderingswerkzaamheden dermate omvangrijk zijn dat één DTA-er niet bij alle werkzaamheden kan zijn, is er niet een DTA-er aanwezig bij alle asbestverwijderingswerkzaamheden. Ook dan is er sprake van deze afwijking. De certificaathouder dient voldoende DTA-ers te regelen, zodat bij alle asbestverwijderingswerkzaamheden een DTA-er aanwezig is.

Het feit dat de werkgever geen DTA-er in dienst heeft, wil niet zeggen dat er geen DTA-er toezicht houdt bij de werkzaamheden. Voorwaardelijke intrekking is aanvaardbaar.

Indien het feit dat er geen DTA-er in dienst is ertoe leidt dat er geen of onvoldoende DTA-ers bij de werkzaamheden zijn, zal het certificaat geschorst worden (herstelsanctie en ordemaatregel). Er zijn immers onvoldoende DTA-ers aanwezig.

DAV-er

Asbest is dermate gevaarlijk voor werknemers en anderen dat iedere persoon die feitelijk asbestverwijderingswerkzaamheden verricht een minimale opleiding moet hebben en moet onderhouden. Dit wordt geborgd via het DAV-certificaat. De DAV-er moet weten wat de risico’s zijn, wat de rol is van de veiligheidsmaatregelen, wanneer hij de DTA-er moet inschakelen. In het kort: hij moet weten waar hij mee bezig is. De consequentie van het verrichten van asbestwerkzaamheden door ongecertificeerde personen moet zijn dat dit wordt beëindigd en dat er maatregelen worden getroffen om herhaling te voorkomen. Tot dan mag niet gewerkt worden. Dit betekent dat zowel geschorst moet worden als ordemaatregel als dat de sanctie van schorsing moet worden opgelegd totdat voldoende is gewaarborgd dat er niet weer een ongecertificeerd persoon asbestwerkzaamheden verricht.

DIA-er

Gezien het belang van een deugdelijk asbestinventarisatierapport dient de inventariseerder voldoende kennis en deskundigheid te hebben.

Leerling DAV-er

In SC-520 is de mogelijkheid opgenomen dat asbestwerkzaamheden worden verricht door een Leerling-Deskundig Asbestverwijderaar (LDAV). Deze personen mogen onder strikte begeleiding asbestwerkzaamheden verrichten vooruitlopend op het halen van het DAV-certificaat. Aan het werken als LDAV zijn voorwaarden verbonden. Hier worden werkzaamheden verricht door iemand die nog niet voldoende kennis en deskundigheid heeft. Dit risico wordt afgedekt door de voorwaarden waaronder deze persoon mag werken en de beperkte duur van de periode dat deze persoon nog niet gecertificeerd is. Iemand is pas LDAV als hij als zodanig staat ingeschreven in het register van Ascert.

Indien de LDAV werkt buiten de toegestane periode is er sprake van dezelfde situatie dat er iemand werkt die niet gecertificeerd is. Deze reactie hierop is dan van toepassing.

De voorwaarden voor de LDAV zijn er op gericht om te compenseren voor het gebrek aan zijn kennis en deskundigheid. In zoverre is deze positie te vergelijken met de persoon die in het geheel niet is gecertificeerd. Dezelfde sanctie is derhalve aanvaardbaar. Overigens kan het feit dat er LDAV-ers zijn betekenen dat er meer DTA-ers bij het werk moeten zijn, omdat het werk te omvangrijk is voor één DTA-er die ook één of twee LDAV-ers moet begeleiden.

Het is belangrijk om te leren van afwijkingen en incidenten en bijna-afwijkingen en -incidenten. Het is een continu proces om op basis van ervaring de veiligheid te blijven waarborgen. Hierdoor worden afwijkingen en incidenten voorkomen, waardoor de veiligheid en naleving van de regels toenemen. Ook dient de certificaathouder met regelmaat haar bedrijfsvoering te analyseren om te bezien of dit voldoende functioneert en of er geen verbeteringen aangebracht kunnen worden. Indien er een structuur is waarbinnen geleerd wordt, is het leren reëel. Hierdoor wordt continu de vraag gesteld of er geleerd kan worden. Bij een ad hoc leersysteem verwatert het leren en worden momenten waarvan geleerd kan worden niet gesignaleerd. Het gaat bijvoorbeeld om de volgende type normeringen:

Deze regels staan los van de verplichting om een afwijking en incident zo spoedig mogelijk ongedaan te maken. Dit leren ziet op de toekomst.

Het overtreden van deze bepalingen verhoogt in lichtere mate het risico op emissie en blootstelling bij concrete werkzaamheden. Het is aanvaardbaar om de certificaathouder tijd te geven om de afwijking ongedaan te maken door bijvoorbeeld een leersysteem op te zetten en toe te gaan passen of een opgezet leersysteem toe te gaan passen.

De regelgeving kent een aantal verplichtingen om werkzaamheden te melden. De achtergrond van deze meldingsplichten is dat de betreffende instantie een inspectie kan uitvoeren. Een dergelijke inspectie kan bestaan uit het ter plekke een onderzoek verrichten, maar bijvoorbeeld ook gaan om het opvragen van stukken, zoals het asbestinventarisatierapport, om te de juistheid en volledigheid hiervan te controleren. Het doel is om tot effectief toezicht te komen. Indien de werkzaamheden niet tijdig worden gemeld, kan de certificaathouder een controle voorkomen en hierdoor overtredingen verbergen.

Een eerste overtreding hiervan is niet dermate ernstig dat het niet aanvaardbaar is dat de certificaathouder een herkansing krijgt. In de periode van de voorwaardelijke intrekking dient de certificaathouder maatregelen te treffen om te voorkomen dat weer niet of te laat wordt gemeld. Uiteraard dienen in deze periode alle werkzaamheden wel tijdig gemeld te worden. Het is mogelijk dat pas na het verlopen van de gestelde periode blijkt dat in deze periode werkzaamheden niet zijn gemeld. Dit wordt dan behandeld als een tweede afwijking in de escalatieladder.

Het komt voor dat een asbest- inventariseerder of verwijderaar de inventarisatie- of verwijderingswerkzaamheden geheel of gedeeltelijk uitbesteed. Het probleem hierbij is dat het vaak onduidelijk wordt wie waarvoor verantwoordelijk is. Door deze onduidelijkheid wordt het risico verhoogd dat maatregelen niet genomen worden, omdat betrokken personen menen dat een ander de maatregelen zal treffen.

Het niet zelf uitvoeren van de werkzaamheden leidt niet direct tot blootstelling of het verhogen van het risico. Voorwaardelijke intrekking is aanvaardbaar. Het bedrijf dat uitbesteedt, blijft bij inlenen of uitbesteden ten volle zelf verantwoordelijk. Zij zal (mede) worden aangesproken als een bedrijf aan wie (een deel van) de werkzaamheden zijn uitbesteed een fout maakt. Indien er sprake is van een afwijking door het bedrijf aan wie werkzaamheden zijn uitbesteed, wordt dit beschouwd als een afwijking door de uitbestedende certificaathouder. Dit ongeacht of degene aan wie is uitbesteed gecertificeerd is.

Dit kan er toe leiden dat het uibestedende bedrijf zwaarder wordt gestraft dan het bedrijf aan wie is uitbesteedt, omdat er bij de uitbesteder sprake is van herhaling. Bij verdere uitbesteding geldt het voorgaande voor de hele keten. Stel dat asbestverwijderaar A een deel van de werkzaamheden uitbesteed aan asbestverwijderaar B die op zijn beurt weer een deel uitbesteed aan asbestverwijderaar C. Indien C een overtreding begaat, wordt dit beschouwd als een afwijking van zowel A, B als C.

Indien het zo is dat door omstandigheden de certificaathouder de werkzaamheden niet kan uitvoeren, kan hij dit ook oplossen door de opdracht terug te geven. Hij kan ook werknemers inlenen of middelen inhuren om het werk toch te kunnen verrichten.

De regelgeving kent vele bepalingen omtrent de organisatie van het bedrijf. In het bedrijf dienen bijvoorbeeld bepaalde functionarissen benoemd te zijn, bepaalde procedures dienen opgesteld te zijn en er dient een kwaliteitsysteem te zijn. Het belang van dergelijke regels wordt vaak ten onrechte onderschat en beschouwd als onnodige bureaucratie. Een goede organisatie leidt echter tot een beter borging van kwaliteit, het voorkomen van ad hoc oplossingen zoeken en het voorkomen van afwijkingen.

De meeste regels zijn duidelijk en kunnen eenvoudig worden nageleefd. Het feit dat de certificaathouder de regels niet heeft nageleegd, betekent dat de overheid niet op deze persoon/bedrijf kan vertrouwen. Gezien het feit dat het niet bestaan of niet deugdelijk zijn van deze elementen niet direct leidt tot blootstelling, kan volstaan worden met voorwaardelijke intrekking.

Onder dit type vallen de normen die zien op de voorbereiding van de werkzaamheden. Het gaat hier om het opstellen van een werkplan, het overleggen met andere bedrijven op de arbeidsplaats, de instructie van de werknemers, de keuring van de werknemers etc. De variatie onder dit type is groot ook wat betreft de ernst van de afwijking, gezien het risico van blootstelling aan asbest. Hier wordt slechts bij een aantal onderwerpen een toelichting gegeven.

a) Werkplan

In het werkplan wordt vastgelegd hoe het verwijderen van asbest aangepakt zal worden. Hierdoor wordt de verwijderaar gedwongen om na te denken over de werkzaamheden en de mogelijke problemen. De werkwijze hoeft niet gaandeweg te worden uitgevonden, maar is van tevoren bedacht en vastgelegd. Aangezien duidelijk is hoe er gewerkt zal worden, kan er ook voor gezorgd worden dat de benodigde middelen aanwezig zijn.

Indien deze voorbereiding wordt overgeslagen neemt het risico op asbestemissie en blootstelling toe. De praktijk heeft geleerd dat als er geen plan is of als dit onvoldoende is, de werknemers zelf oplossingen gaan bedenken of doorwerken zonder de benodigde maatregelen te nemen. Dit leidt vaak tot het vrijkomen van asbestvezels dan wel blootstelling.

Een asbestverwijderaar die geen deugdelijk plan opstelt, kiest er voor om dit niet te doen. Op een dergelijk persoon/bedrijf kan de overheid niet vertrouwen. Voorwaardelijke intrekking volstaat, omdat het gebrek aan een plan nog niet tot blootstelling of een verhoging van het risico hoeft te leiden.

Indien het werkplan niet op de werkplek is geldt hetzelfde. Immers, een plan dat niet aanwezig is op de plek waar het uitgevoerd dient te worden, kan net zo goed niet zijn opgesteld.

Een werkplan dat niet wordt gevolgd, kan net zo goed niet zijn opgemaakt.

b) Inventarisatieplan

In het asbestinventarisatieplan legt de inventariseerder vast wat geïnventariseerd moeten worden en hoe dit gedaan moet worden. Hierdoor wordt voorkomen dat de inventarisatie onvolledig is.

Een asbestinventariseerder die geen inventarisatieplan opstelt, kiest er voor om dit niet te doen.

Voorwaardelijke intrekking volstaat, omdat het gebrek aan een plan nog niet tot blootstelling of een verhoging van het risico hoeft te leiden.

Indien het plan niet op de werkplek is geldt hetzelfde. Immers, een plan dat niet aanwezig is op de plek waar het uitgevoerd dient te worden, kan net zo goed niet zijn opgesteld.

Een plan dat niet wordt gevolgd, kan net zo goed niet zijn opgemaakt.

c) Calamiteitenplan

Het is altijd mogelijk dat zich iets onverwachts voordoet waardoor er bij de werkzaamheden een risico op emissie of blootstelling ontstaat. Er kan bijvoorbeeld brand uitbreken of onverwacht asbest worden ontdekt, een middel kan defect raken of iemand kan uitvallen. Het bedrijf dient in een calamiteitenplan vast te leggen hoe met deze situaties dient te worden omgegaan. Indien er geen calamiteitenplan is zullen werknemers ter plekke ad hoc oplossingen moeten verzinnen. Hierbij bestaat het risico dat er te lang naar een oplossing moet worden gezocht of dat een verkeerde oplossing wordt gekozen. Dit betekent dat het bedrijf geen werkzaamheden mag verrichten totdat het over een calamiteitenplan beschikt.

Het ontbreken van een calamiteitenplan leidt niet direct tot blootstelling of een verhoging van het risico. Eerst zal er een calamiteit moeten gebeuren. Ook dan hoeft het ontbreken van een plan niet tot blootstelling of verhoging van het risico te leiden. Voorwaardelijke intrekking volstaat.

Indien het plan niet op de werkplek is, is dat gelijk te stellen aan het plan dat niet is opgesteld.

Dit zal per geval beoordeeld moeten worden.

d) Instructie

De opleiding die de werknemers krijgen is per definitie algemeen. Over de concrete werkwijze in het bedrijf zullen zij geïnstrueerd moeten worden. De onderwerpen waarover de werknemers instructie moeten krijgen zijn veel en gevarieerd. De werknemers moeten in ieder geval het werkplan kennen. Verder moeten zij instructies krijgen over het gebruik van de concrete middelen waarmee zij werken. Ook moet duidelijk zijn met wie zij contact moeten opnemen bij problemen.

Overlap

Het is mogelijk dat een norm onder meerdere clusters valt. In dat geval zal voor de meest vergaande sanctie gekozen worden. Dit volgt immers uit de ernst van de overtreding.

Bijzondere omstandigheden

Het is mogelijk dat zich in een concreet geval bijzondere omstandigheden voordoen die reden zijn om van de lijsten af te wijken, omdat in het concrete geval toepassing van de lijst tot onevenredige gevolgen leidt. Bijzondere omstandigheden zijn omstandigheden die niet veel voorkomend zijn. Indien er al sprake is van bijzondere omstandigheden, zal dit niet snel leiden tot onevenredigheid. Het belang van het leven en de gezondheid van mensen en dat de overheid moet kunnen vertrouwen op de certificaathouder maakt dat in verreweg de meeste gevallen de gevolgen van de sancties evenredig zijn. Het belang van het bedrijf om ongestoord actief te zijn, geld te verdienen of zijn activiteiten voort te zetten is niet een belang dat afwijken van de lijst rechtvaardigt.

Document: SC-510: 2011, versie 02

Onder beheer van:

StichtingAscert

www.Ascert.nl

Deel I van dit certificatieschema bevat algemene uitgangspunten en bepalingen voor certificatie door CKI’s en voorwaarden waar onder de afgifte van certificaten dient te gebeuren. Beschreven wordt achtereenvolgens:

Dit werkveldspecifieke certificatieschema voor de Deskundig Toezichthouder Asbestverwijdering personen is door Ascert opgesteld en door de minister van SZW vastgesteld. Het betreft certificatie van vakbekwaamheid op het gebied van toezicht op asbestverwijdering. Dit vastgestelde schema vervangt eerdere versies.

Het certificatiesysteem van de Certificatie Instelling (CKI) moet zijn gestructureerd in overeenstemming met de eisen uit de NEN-EN-ISO/IEC 17024: 2003.

Asbest verwijderen is een risicovolle beroepsactiviteit. Om het maatschappelijke belang – veiligheid en gezondheid van en rondom de arbeid – te waarborgen, is door de overheid gekozen voor een wettelijk verplichte certificatieregeling voor de borging van de vakbekwaamheid van de Deskundige Toezichthouder Asbestverwijdering.

Dit werkveldspecifieke certificatieschema ‘SC-510’ is door Ascert voorgesteld en door de minister van SZW vastgesteld. Dit vastgestelde schema vervangt eerdere versies.

Op- en of aanmerkingen over dit document kunnen worden ingediend bij het CCvD Asbest p/a Stichting Ascert, Postbus 154, 3990 DD, Houten, info@ascert.nl.

In onderstaande afbeelding is een overzicht gegeven van de door Ascert ingerichte structuur en werkwijze van de certificatieregelingen voor de persoonscertificaten van de Deskundig Toezichthouder Asbestverwijdering (DTA).

Binnen deze structuur zijn met name actief:

Asbest is in het verleden veel gebruikt, bijvoorbeeld in gebouwen en woningen, vanwege de goede eigenschappen. Asbestvezels kunnen bij inademing echter diep in de longen doordringen en op termijn buikvlieskanker, longvlieskanker en asbestose (stoflongen) veroorzaken. Hieraan sterven jaarlijks in Nederland naar schatting zo'n 700 mensen. De termijn tussen blootstelling en ziek worden kan tientallen jaren duren. IenM is samen met SZW, en VWS verantwoordelijk voor regelgeving over asbest.

Bij activiteiten in het kader van de verwijdering van asbest is er een risico dat er asbestvezels in de ademzone van werknemers komen.

Het aantal vezels tijdens de activiteiten is onderscheiden in drie afzonderlijke risicoklassen:

Conform het Arbeidsomstandighedenbesluit is aan deze drie risicoklassen (onderstaande tabel) een eigen specifiek veiligheidsregime gekoppeld.

Om het verstrekken c.q. onderhouden van een certificaat op onterechte gronden te voorkomen is het noodzakelijk om risico’s te definiëren en maatregelen te nemen. Deze beogen de risico’s m.b.t. asbestvezelbesmetting uit te bannen.

De maatregelen zijn er in twee vormen en kunnen bestaan uit afstand tot de bron of uit technische maatregelen, zoals directe maatregelen om de risico’s m.b.t. het optreden van de centrale gebeurtenis uit te bannen en daarmee asbestvezelbesmetting het voorkomen. Behalve de maatregelen bestaan er ook de zogenaamde managementfactoren. Deze managementfactoren kunnen op zichzelf de centrale gebeurtenis niet uitbannen, maar beïnvloeden de kwaliteit van de maatregelen. Als de maatregelen zijn gedefinieerd dan dienen deze ingericht en onderhouden te worden door vakbekwame en betrokken werknemers.

Dit laatste stelt eisen aan de training en de opleiding van werknemers die deze activiteiten uitvoeren. Als de maatregelen zijn geplaatst, dan is de inspectie en het onderhoud van de maatregelen noodzakelijk. Wanneer meerdere werknemers betrokken zijn bij werkzaamheden, dan speelt communicatie altijd een belangrijke rol. De directe oorzaak van asbestvezelbesmetting is per definitie één of meerdere falende maatregelen.

Dit reglement omschrijft de procedures die relevant zijn voor het juist toepassen van het specifieke schema. Hierbij moet gedacht worden aan onder meer procedures van aanvraag, de examinering, de wijze waarop de uitslag bekend gemaakt wordt en condities met betrekking tot de certificatie, de afgifte van certificaten/verklaringen, procedures bij het uitvoeren van keuringen, klachtenafhandeling en het indienen van verzoek tot herziening.

De kandidaat DTA dient bij een CKI (zie www.ascert.nl), in overeenstemming met dit certificatiereglement, een aanvraag in voor het Persoonscertificaat DTA. Vervolgens verstrekt de CKI alle relevante informatie over de gang van zaken bij het gehele certificatieproces. De CKI moet vooraf de aanvraag controleren of de kandidaat reeds een certificaat heeft gehad bij een andere CKI en of deze is geschorst of ingetrokken. Indien het certificaat is geschorst of ingetrokken moet de CKI de aanvraag niet accepteren en de kandidaat terugverwijzen naar zijn oorspronkelijke CKI.

De certificatiebeslissing wordt genomen door een functionaris van de CKI die niet betrokken is geweest bij de beoordeling van de kandidaten en daartoe is gekwalificeerd conform het kwaliteitssysteem en de procedures die de certificatie-instelling heeft op grond van het werkveldspecifieke schema voor aanwijzing en toezicht SC-501.

De geldigheidsduur van een persoonscertificaat is 3 jaar.

Gedurende de looptijd gelden de volgende condities waar de certificaathouder zich aan moet houden. Indien niet voldaan wordt aan deze condities kan dit consequenties hebben voor het certificaat.

Een adequate behandeling van klachten is belangrijk voor het creëren van vertrouwen in certificatie en belangrijk voor de bescherming van zowel de gecertificeerde bedrijven als de gebruikers van certificaten.

Aan een CKI worden onder meer de volgende eisen gesteld:

Indien de CKI klachten van derden, zoals een opdrachtgever, ontvangt over het voldoen aan dit schema door het bedrijf of de persoon die een aanvraag voor het certificaat heeft ingediend of certificaathouder is, dient de CKI de klager te verwijzen naar het bedrijf of de persoon. De CKI dient de klacht te betrekken bij de eerstvolgende beoordeling bij het betreffende bedrijf of de betreffende persoon.

Echter, indien het naar de mening van de CKI een ernstige klacht betreft, dient de CKI, naast de behandeling door het bedrijf of de persoon, zelf ook direct te beoordelen of de klacht gevolgen dient te hebben voor de beslissing m.b.t. certificatie.

In dat geval dient de CKI af te wegen of het gewenst is een extra beoordeling uit te voeren. Het reglement van de CKI is bepalend voor de verdere afhandeling van deze klachten.

Indien uit de extra beoordeling blijkt dat de klacht terecht is, wordt deze als extra beoordeling in rekening gebracht. Indien blijkt dat de klacht onterecht is, wordt de extra beoordeling beschouwd als een reguliere (project)beoordeling, die de eerstvolgende, in de toekomst geplande beoordeling vervangt.

In deze werkinstructie wordt de afhandeling van een klacht besproken. Voor elke klacht (tekortkoming, verbetervoorstel) wordt een apart klachtenformulier ingevuld.

Wanneer iemand probeert een klacht telefonisch of mondeling te melden, wordt aan hem/haar gevraagd deze in een brief, fax of e-mail te verwoorden.

Als een klacht in de vorm van een brief, fax of e-mail binnenkomt wordt deze meteen (direct na het inschrijven in binnengekomen post) naar de kwaliteitsmanager gebracht en indien de klachtafhandelaar duidelijk is krijgt hij/zij meteen een kopie van de klacht.

De kwaliteitsmanager registreert de klacht, neemt deze over op het klachtenformulier en stelt de directeur CKI op de hoogte van de klacht.

De directeur van de CKI wijst de klachtafhandelaar aan. De kwaliteitsmanager vermeldt de klachtafhandelaar op het formulier tekortkoming in het vak eigenaar en brengt de klachtafhandelaar schriftelijk op de hoogte van de klacht.

De klachtafhandelaar informeert de indiener van de klacht schriftelijk (brief, e-mail, fax) over de ontvangst van de klacht.

Klachtafhandelaar stuurt klacht door naar betrokken bedrijf/persoon; stelt indiener op de hoogte; legt dossier aan tbv voortgangsbewaking en meenemen afhandeling klacht door bedrijf/persoon bij eerstvolgende beoordeling.

Klachtafhandelaar beoordeelt de klacht en stelt vast of de klacht een incident betreft of dat de klacht moet leiden tot een aanpassing in de werkwijze.

Indien het een incident betreft, wordt de indiener daarvan op de hoogte gesteld. De klachtafhandelaar bedenkt samen met de indiener binnen drie weken na het indienen van de klacht een oplossing voor de afhandeling en betrekt bedrijf/persoon hierbij.

De oplossing zoals die met de indiener is besproken wordt vastgelegd op het klachtenformulier in het vak verbetervoorstel. Hier wordt tevens vermeld dat het gaat om een incident.

Indien de klacht een aanpassing van de werkwijze vergt bedenkt de klachtafhandelaar binnen 10 dagen een verbetervoorstel en bespreekt dit met de kwaliteitsmanager en betrekt bedrijf/persoon hierbij. Het verbetervoorstel moet een structurele verbetering inhouden van de werkwijze. Het verbetervoorstel wordt ingevuld op het klachtenformulier in het daarvoor bestemde vak.

De klachtafhandelaar stelt de indiener op de hoogte van de afhandeling van de klacht.

De kwaliteitsmanager maakt de gewijzigde werkwijze bekend.

De kwaliteitsmanager start, indien nodig, een vervolgonderzoek naar de invoering van het verbetervoorstel. De bevindingen worden vastgelegd op het klachtenformulier in het vak bevindingen vervolgonderzoek.

De kwaliteitsmanager archiveert de documenten van de klachtafhandeling.

Onderstaand worden de stappen beschreven die nodig zijn voor het afhandelen van een bezwaarschrift. Een dergelijk bezwaarschrift kan bijvoorbeeld ingediend worden tegen beslissingen van de CKI inzake het niet (opnieuw) verlenen, schorsen of intrekken van een certificaat.

De CKI registreert de gegevens van de certificaathouder. Deze gegevens worden conform de overeenkomst met Ascert tenminste zo vaak als mutaties zich voordoen elektronisch verzonden aan Ascert ten behoeve van het Ascert Certificaatregister. Dit register is via internet toegankelijk gemaakt. Ascert is verantwoordelijk voor het beheer van het register.

In de overeenkomst Ascert-CKI is een maximale termijn vermeld tussen het tijdstip van certificatiebeslissing en vermelding in het register.

Het CCvD zorgt voor eenduidige norminterpretatie. Toch kan het voorkomen dat er in de operationele fase verschillende interpretaties bestaan van één of meerdere in werkveldspecifieke certificatieschema’s gehanteerde begrippen.

Mocht het gebeuren dat certificaathouders, CKI’s of andere belanghebbenden uiteenlopende definities hanteren en hierover meningsverschillen bestaan, dan dienen afwijkende interpretaties te worden voorgelegd aan het CCvD.

Dit reglement bevat bepalingen voor de voorbereiding, uitvoering en beoordeling van examens ten behoeve van het Persoonscertificaat Deskundig Toezichthouder Asbestverwijdering.

Dit examenreglement is onderdeel van SC-510. De examinering geschiedt onder verantwoordelijkheid van de certificatie-instelling en bestaat uit twee delen:

De certificatie-instelling is verantwoordelijk voor de afgifte van een persoonscertificaat met behulp van de volgenden acties:

Eventueel kunnen de werkzaamheden voor ‘fase 1’ worden uitbesteed aan een exameninstelling (zie SC-501 par. 4.2.5).

Het is de verantwoordelijkheid van de certificatie-instelling dat aan de onderstaande eisen van het theorie-examen en het praktijkexamen wordt voldaan.

De certificatie-instelling dient te beschikken over een handleiding voor het certificatiepersoneel belast met de uitvoering van bovengenoemde fasen 1 t/m 3. Daarin dienen o.a. de taken en bevoegdheden opgenomen te zijn.

De certificatie-instelling dient een examenreglement te hanteren waarin de volgende zaken opgenomen dienen te zijn:

Certificatiepersoneel moet voldoen aan de eisen zoals opgenomen in SC-501 par 4.2.6

De CKI dient zorg te dragen dat alleen competent personeel wordt ingezet.

Het certificatiepersoneel dient een verklaring ondertekend te hebben waarin geheimhouding en onafhankelijkheid (van opleiders en kandidaten) en de beslotenheid van de examens wordt gegarandeerd.

De certificatie-instelling dient een register bij te houden van certificatiepersoneel en hun inzet bij de examens. Tevens dient de certificatie-instelling over persoonsdossiers te beschikken waarin ten minste opgenomen een curriculum vitae, een geheimhoudingsverklaring, een informatie/bereidheidsverklaring c.q. overeenkomst, beoordelingsformulieren en andere relevante, persoonsgebonden documenten.

Algemeen

Theorie-examen

Praktijkexamen

Certificatiepersoneel verstrekt geen informatie over de inhoud van de afgenomen examens aan derden en is niet betrokken bij examinering. Certificatiepersoneel dient een verklaring van geheimhouding te hebben ondertekend.

Te stellen eisen aan de examenlocatie zijn:

Van deze alternatieve afname dient door de exameninstelling een registratie te worden bijgehouden met een (minimaal jaarlijkse) rapportage naar Ascert.

Mondelinge en schriftelijke theorie examens moeten altijd tegelijkertijd plaatsvinden.

Gebruik wordt gemaakt van een centrale itembank. Het beheer van de itembank geschiedt onder strikte geheimhouding centraal door de Centrale Examencommissie van Ascert.

De beheerder van de centrale itembank genereert examenpakketten en geeft die uit aan de CKI. De CKI vraagt examenpakketten aan bij de beheerder van de centrale itembank en de toezichthouder van de CKI zorgt er voor dat dit pakket op de examenlocatie komt en neemt na afloop de examens en de resultaten in en mee terug naar kantoor.

Door de CKI-persoon wordt toezicht op de certificaathouder gehouden.

Zowel de CKI-proces als de handhavende overheidsinstelling, de Arbeidsinspectie, zijn verplicht hun bevindingen m.b.t. tot het functioneren van een DTA voor wat betreft geconstateerde afwijkingen (zie SC-530 par 5.3.3) te melden en te rapporteren aan de CKI-persoon die het certificaat heeft uitgegeven.

Niet van toepassing.

Tijdens de projectaudits van een CKI-proces kan deze constateringen doen waaruit moet worden geconcludeerd dat de gecertificeerde DTA niet competent is. De CKI-proces maakt hier een afwijkingsrapport van op met zijn bevindingen en conclusie. De CKI-proces stuurt hiervan een afschrift aan de betreffende CKI-persoon.

Tijdens inspectiebezoeken kan de AI overtredingen vaststellen waarbij wordt vastgesteld dat een gecertificeerde DTA niet competent blijkt te zijn. De schriftelijke constatering hiervan wordt door de AI in het kader van het Uitwisselingsprotocol AI-CKI toegezonden aan de CKI-proces en aan de betreffende CKI-persoon.

Het desbetreffende afwijkingsrapport dient feitelijke informatie te bevatten opdat de CKI-persoon zich een oordeel kan vormen.

De CKI-persoon informeert de certificaathouder schriftelijk, per aangetekend schrijven van de ontvangst van de melding van de CKI-proces of van de Arbeidsinspectie. Bij dit schrijven is de melding van de CKI-proces gevoegd.

De CKI-persoon stelt in dit schrijven de certificaathouder op de hoogte van onderstaande procedure.

Procedure:

Deel II van dit certificatieschema bevat de normen die gelden voor een certificaat voor vakbekwaamheid in een werkveld. Beschreven wordt achtereenvolgens:

Voor de afgifte van het wettelijk verplichte Ascert-persoonscertificaat volgt onderstaand een opsomming van de eisen.

Profiel

De Deskundig Toezichthouder Asbest (DTA) is leidinggevend bij het uitvoeren van asbestverwijderingswerkzaamheden en uit dien hoofde verantwoordelijk voor het veilig laten verlopen van het asbestverwijderingsproces op de verwijderingslokatie. De DTA moet kennis hebben van de wet- en regelgeving omtrent asbestverwijdering en kan aan de hand van deze kennis besluitvaardig optreden binnen het asbestverwijderingsproject. Tevens dient de DTA vaardig te zijn in zijn communicatie met toezichthouders, communicatie en aansturing van DAV-ers alsmede handelend te kunnen optreden bij incidenten.

Eindtermen

Elke eindterm wordt omgezet in een aantal toetstermen. Deze toetstermen zijn in onderstaande schema’s geordend per eindterm.

De kandidaat voldoet aan de volgende eindtermen en is dientengevolge vakbekwaam:

Soorten en toepassingen:

Wettelijk kader:

Taken, verantwoordelijkheden, bevoegdheden, leidinggeven en toezicht:

Risicobeoordeling:

Asbestinventarisatie:

Risicoklassen:

Procesbeheersing:

Eindinspecties:

Betrokken partijen bij de certificatieregeling:

Toetstermen

Elke eindterm wordt omgezet in een aantal toetstermen. Deze toetstermen zijn in onderstaande schema’s geordend per eindterm.

Soorten en toepassingen:

Wettelijk kader:

Taken, verantwoordelijkheden, bevoegdheden, leidinggeven en toezicht

Risicobeoordeling:

Asbestinventarisatie:

Risicoklassen:

Procesbeheersing:

Eindinspecties:

Betrokken partijen bij de certificatieregeling

Uitvoering theorie examen

Toetsmatrijs DTA theorie deel A +B

In de bijgaande tabellen zijn de verschillende eindtermen uit het vakbekwaamheidsprofiel verdeeld over de vragen in het examen. Per afdeling is het aantal vragen vastgesteld. Daarnaast is een onderverdeling over de verschillende eindtermen vastgesteld. Deel A bestaat uit 40 meerkeuze vragen. Deel B bestaat uit 2 delen, te weten een set met een vijftal open vragen en een fotoserie t.b.v. materiaalherkenning.

Cesuur theorie-examen

De beoordeling van deel A en B van het theoretisch examen is een functie van het aantal goed beantwoorde vragen. Een kandidaat is geslaagd voor de totale theorietoets als hij/zij voor theorie A en B samen een voldoende heeft gescoord. Het cijfer voor theorie A telt 70% mee en het cijfer voor theorie B telt 30% mee voor de eindscore. Het cijfer deel B wordt bepaald uit het gemiddelde van de open vragen en het gemiddelde van de score van de materiaalherkenning.

Daarbij wordt de volgende formule toegepast:

Het eindcijfer theorie is opgebouwd uit 70% van het resultaat van deel A plus 30% van het resultaat van deel B. In formule uitgedrukt: 0,7 * cijfer van deel A (cijfer var. van 0–10) + 0,15 * cijfer van deel B1 + 0,15 * cijfer van opdracht B2.

Waarbij voor deel A de volgende staffel geldt:

Voor deel B1 (open vragen) wordt het maximaal te behalen punten aantal (500) gedeeld door 50.

Voor deel B2 (materiaalherkenning uit fotoserie) wordt het maximaal te behalen puntenaantal (100) gedeeld door 10. Er worden 10 foto’s getoond en daarvan moet de materiaalherkening goed zijn op minimal 6 foto’s (= 60 punten)

Toetstermen

De toetstermen zijn afgeleid van de eindtermen:

Uitvoering praktijkexamen

Het praktijk examen bestaat uit minimaal 6 opdrachten (zie samenstelling). Deze worden per examensessie beschikbaar gesteld door de Ascert Centrale Itembank. In deze itembank zijn per toetsterm meerdere, uniek gecodeerde, opdrachten opgeslagen. Eén opdracht kan meerdere toetstermen dekken. De opdrachten bestaan uit instructies voor de kandidaat om bepaalde vaardigheden (handelingen) uit te voeren en een bijbehorend beoordelingsprotocol voor de examinator. De examinator dient dit beoordelingsprotocol in te vullen en af te tekenen.

De specifieke eisen die gesteld zijn aan de examenplaatsen zijn opgenomen in SC-512: versie 01, datum 15-11-2011 Eisen DTA Praktijkexamenlocaties.

Samenstelling van de toets

In elke praktijktoets dienen tenminste 6 toetstermen uit groep 2 en 1 toetsterm uit groep 1 afgetoetst te worden. Het is mogelijk dat in één opdracht meerdere toetstermen worden getoetst.

Toetsmatrijs praktijkexamen

Cesuur praktijkexamen

Bij de praktijk toets dient voor alle opdrachten een voldoende gehaald te worden. Elke opdracht wordt beoordeeld aan de hand van een beoordelingsprotocol. Hierop is het algoritme van de handelingen die de kandidaat moet verrichten beschreven. Aan de verschillende handelingen zijn beoordelingscriteria toegevoegd en een puntenwaardering. Elke opdracht kent zo een puntenwaardering die is vastgelegd op het beoordelingsprotocol. Om een voldoende te halen dient minimaal 70% van de punten gescoord te worden, dan wel dient de kandidaat geen KO te hebben. KO (‘knock-out’ = fout die leidt tot onvoldoende voor het betreffende examenonderdeel).

Een kandidaat kan uiterlijk 6 maanden na het behalen van een voldoende resultaat voor zijn praktijk- of theorietoets herexamen doen voor het nog als onvoldoende gekwalificeerde examengedeelte theorie of praktijk.

In dit geval kan de kandidaat maximaal twee maal een herexamen aanvragen. Hierna, of na het verstrijken van de termijn, zal zowel het theorie- als het praktijkexamen afgelegd dienen te worden. Indien een kandidaat een onvoldoende resultaat behaalt voor het theoriegedeelte en een onvoldoende resultaat voor zijn praktijktoets, dient het gehele (her)examen te worden volbracht.

Er is geen maximum verbonden aan het aantal gecombineerde praktijk- en theorie-examens.

Een kandidaat is geslaagd als hij/zij voor de theorietoets en de praktijktoets een voldoende heeft gescoord. Kandidaten die geen voldoende hebben behaald voor het onderdeel theorie dan wel praktijk kunnen opnieuw aan het examen deelnemen, waarbij opnieuw aan de voorwaarden zoals vermeld in het examenreglement van de exameninstelling moet worden voldaan.

Ten behoeve van de beheersing en borging van de behandeling van de examenpakketten worden het examen van alle, per examensessie door de Ascert beschikbaar gestelde, examenpakketten de, per kandidaat ingevulde, originele antwoordformulieren met de (ongebruikte) examenopgaven bij Ascert Centrale Itembank bezorgd.

De examenresultaten worden op vraagniveau door Ascert Centrale Itembank opgenomen in een database ten behoeve van uit te voeren analyses en evaluatie van de Itembank.

Hercertificatie vindt plaats nadat het gehele praktijk- en theorie-examen overeenkomstig Hoofdstuk 10 met goed gevolg is doorlopen (hercertificatie is initiële certificatie). Indien de positieve certificatiebeslissing valt binnen drie maanden voor de vervaldatum dan is de vervaldatum tevens de ingangsdatum van het vervolgcertificaat. Indien de positieve certificatiebeslissing valt voor de drie maanden voorafgaand aan de vervaldatum dan is de datum van de certificatiebeslissing de ingangsdatum van het vervolgcertificaat.

Ten behoeve van de informatie aan de certificaathouder is per bijlage aangegeven het verplichtend karakter (v = verplichtend) of het voorlichtende karakter (i = informatief).

Gedurende de looptijd van 3 jaar gelden de volgende condities waar de certificaathouder zich aan moet houden. Indien niet voldaan wordt aan deze condities kan dit consequenties hebben voor het certificaat.

BANKPAS formaat

Voorzijde

Achterzijde

De certificatie-instelling ..... gevestigd te ....., ten deze vertegenwoordigd door ....., directeur, hierna te noemen de instelling en de kandidaat van het persoonscertificaat Deskundig Toezichthouder Asbestverwijdering conform Ascert-510: 2011 DTA in beheer bij Stichting Ascert:

Achternaam: ..... Voorletters: .....

Geboren op ..... 19 te ....., hierna te noemen certificaathouder verklaren het volgende te zijn overeengekomen:

Aldus in tweevoud opgemaakt en ondertekend,

Certificaathouder

Certificatie-instelling

De certificatieovereenkomst zal door de certificatie-instelling beëindigd worden indien de Certificaathouder zijn verplichtingen niet nakomt, dan wel niet (meer) voldoet aan de voorwaarden c.q. de geldigheidscondities (zie SC-510 par. 4.5 en par.13);

Over het functioneren van de certificaathouder.

Over de certificatie-instelling.

De certificatie-instelling kan niet aansprakelijk gesteld worden voor gevolgschade na intrekking of schorsing van een persoonscertificaat.

Document: SC-520: 2011, versie 02

Onder beheer van:

StichtingAscert

www.Ascert.nl

Deel I van dit certificatieschema bevat algemene uitgangspunten en bepalingen voor certificatie door CKI’s en voorwaarden waar onder de afgifte van certificaten dient te gebeuren. Beschreven wordt achtereenvolgens:

Dit werkveldspecifieke certificatieschema voor de Deskundig Asbestverwijderaar is door Ascert opgesteld en door de minister van SZW vastgesteld. Het betreft certificatie van vakbekwaamheid op het gebied van asbest verwijderen. Dit vastgestelde schema vervangt eerdere versies.

Het certificatiesysteem van de Certificatie Instelling (CKI) moet zijn gestructureerd in overeenstemming met de eisen uit de NEN-EN-ISO/IEC 17024: 2003.

Asbestverwijderen is een risicovolle beroepsactiviteit. Om het maatschappelijke belang – veiligheid en gezondheid van en rondom de arbeid – te waarborgen, is door de overheid gekozen voor een wettelijk verplichte certificatieregeling voor de borging van de vakbekwaamheid van de Deskundig Asbestverwijderaar.

Dit werkveldspecifieke certificatieschema ‘SC-520’ is door Ascert voorgesteld en door de minister van SZW vastgesteld. Dit vastgestelde schema vervangt eerdere versies.

Op- en of aanmerkingen over dit document kunnen worden ingediend bij het CCvD Asbest p/a Stichting Ascert, info@ascert.nl.

In onderstaande afbeelding is een overzicht gegeven van de door Ascert ingerichte structuur en werkwijze van de certificatieregelingen voor de persoonscertificaten van de Deskundig Asbestverwijderaar (DAV).

Binnen deze structuur zijn met name actief:

Asbest is in het verleden veel gebruikt, bijvoorbeeld in gebouwen en woningen, vanwege de goede eigenschappen. Asbestvezels kunnen bij inademing echter diep in de longen doordringen en op termijn buikvlieskanker, longvlieskanker en asbestose (stoflongen) veroorzaken. Hieraan sterven jaarlijks in Nederland naar schatting zo'n 700 mensen. De termijn tussen blootstelling en ziek worden kan tientallen jaren duren. I&M is samen met SZW, en VWS verantwoordelijk voor regelgeving over asbest.

Bij activiteiten in het kader van de verwijdering van asbest is er een risico dat er asbestvezels in de ademzone van werknemers komen.

Het aantal vezels tijdens de activiteiten is onderscheiden in drie afzonderlijke risicoklassen:

Risicoklasse 1: tijdens de werkzaamheden is de asbestvezelconcentratie in de ademzone van de betreffende werknemer(s) kleiner dan 0,01 vezel/cm3

Risicoklasse 2: tijdens de werkzaamheden is de asbestvezelconcentratie in de ademzone van de betreffende werknemer(s) tussen de 0,01 en 1 vezel/cm3

Risicoklasse 3: tijdens de werkzaamheden is de asbestvezelconcentratie in de ademzone van de betreffende werknemer(s) hoger dan 1 vezel/cm3

Conform het Arbeidsomstandighedenbesluit [lit.2] is aan deze drie risicoklassen (onderstaande tabel) een eigen specifiek veiligheidsregime gekoppeld.

Om het verstrekken c.q. onderhouden van een certificaat op onterechte gronden te voorkomen is het noodzakelijk om risico’s te definiëren en maatregelen te nemen en daartoe zogenaamde primaire barrières zeker te stellen. Deze barrières beogen de risico’s m.b.t. asbestvezelbesmetting uit te bannen.

De maatregelen zijn er in twee vormen en kunnen bestaan uit afstand tot de bron of uit technische maatregelen, zoals directe maatregelen om de risico’s m.b.t. het optreden van de centrale gebeurtenis uit te bannen en daarmee asbestvezelbesmetting het voorkomen.

Behalve de maatregelen bestaan er ook de zogenaamde managementfactoren. Deze managementfactoren kunnen op zichzelf de centrale gebeurtenis niet uitbannen, maar beïnvloeden de kwaliteit van de maatregelen. Als de maatregelen zijn gedefinieerd dan dienen deze genomen en onderhouden te worden door vakbekwame en betrokken werknemers. Dit laatste stelt eisen aan de training en de opleiding van werknemers die deze activiteiten uitvoeren. Als de maatregelen zijn getroffen, dan is de inspectie en het onderhoud van de barrières noodzakelijk. Wanneer meerdere werknemers betrokken zijn bij werkzaamheden, dan speelt communicatie altijd een belangrijke rol. De directe oorzaak van asbestvezelbesmetting is per definitie één of meerdere falende maatregelen.

Dit reglement omschrijft de procedures die relevant zijn voor het juist toepassen van het specifieke schema. Hierbij moet gedacht worden aan onder meer procedures van aanvraag, de examinering, de wijze waarop de uitslag bekend gemaakt wordt en condities met betrekking tot de certificatie, de afgifte van certificaten/verklaringen, procedures bij het uitvoeren van keuringen, klachtenafhandeling en het indienen van verzoek tot herziening.

De kandidaat DAV dient bij een CKI (zie www.ascert.nl), in overeenstemming met dit certificatiereglement, een aanvraag in voor het Persoonscertificaat DAV. Vervolgens verstrekt de CKI alle relevante informatie over de gang van zaken bij het gehele certificatieproces. De CKI moet vooraf de aanvraag controleren of de kandidaat reeds een certificaat heeft gehad bij een andere CKI en of deze is geschorst of ingetrokken. Indien het certificaat is geschorst of ingetrokken moet de CKI de aanvraag niet accepteren en de kandidaat terugverwijzen naar zijn oorspronkelijke CKI.

De certificatiebeslissing wordt genomen door een functionaris van de CKI die niet betrokken is geweest bij de beoordeling van de kandidaten en daartoe is gekwalificeerd conform het kwaliteitssysteem en de procedures die de certificatie-instelling heeft op grond van het werkveldspecifieke schema voor aanwijzing en toezicht SC-501.

De geldigheidsduur van een persoonscertificaat is 3 jaar.

Gedurende de looptijd gelden de volgende condities waar de certificaathouder zich aan moet houden. Indien niet voldaan wordt aan deze condities kan dit consequenties hebben voor het certificaat.

Een adequate behandeling van klachten is belangrijk voor het creëren van vertrouwen in certificatie en belangrijk voor de bescherming van zowel de gecertificeerde bedrijven als de gebruikers van certificaten. Aan een CKI worden onder meer de volgende eisen gesteld:

Indien de CKI klachten van derden, zoals een opdrachtgever, ontvangt over het voldoen aan dit schema door het bedrijf of de persoon die een aanvraag voor het certificaat heeft ingediend of certificaathouder is, dient de CKI de klager te verwijzen naar het bedrijf of de persoon. De CKI dient de klacht te betrekken bij de eerstvolgende beoordeling bij het betreffende bedrijf of de betreffende persoon.

Echter, indien het naar de mening van de CKI een ernstige klacht betreft, dient de CKI, naast de behandeling door het bedrijf of de persoon, zelf ook direct te beoordelen of de klacht gevolgen dient te hebben voor de beslissing m.b.t. certificatie.

In dat geval dient de CKI af te wegen of het gewenst is een extra beoordeling uit te voeren. Het reglement van de CKI is bepalend voor de verdere afhandeling van deze klachten.

Indien uit de extra beoordeling blijkt dat de klacht terecht is, wordt deze als extra beoordeling in rekening gebracht. Indien blijkt dat de klacht onterecht is, wordt de extra beoordeling beschouwd als een reguliere (project)beoordeling, die de eerstvolgende, in de toekomst geplande beoordeling vervangt.

De klachtenregeling bevat een procedure voor de afhandeling van klachten. Voor elke klacht (tekortkoming, verbetervoorstel) wordt een apart klachtenformulier ingevuld.

Wanneer iemand probeert een klacht telefonisch of mondeling te melden, wordt aan hem/haar gevraagd deze in een brief, fax of e-mail te verwoorden.

Als een klacht in de vorm van een brief, fax of e-mail binnenkomt wordt deze meteen (direct na het inschrijven in binnengekomen post) naar de kwaliteitsmanager gebracht en indien de klachtafhandelaar duidelijk is krijgt hij/zij meteen een kopie van de klacht.

De kwaliteitsmanager registreert de klacht, neemt deze over op het klachtenformulier en stelt de directeur CKI op de hoogte van de klacht.

De directeur van de CKI wijst de klachtafhandelaar aan. De kwaliteitsmanager vermeldt de klachtafhandelaar op het formulier tekortkoming in het vak eigenaar en brengt de klachtafhandelaar schriftelijk op de hoogte van de klacht.

De klachtafhandelaar informeert de indiener van de klacht schriftelijk (brief, e-mail, fax) over de ontvangst van de klacht.

Klachtafhandelaar stuurt klacht door naar betrokken bedrijf/persoon; stelt indiener op de hoogte; legt dossier aan tbv voortgangsbewaking en meenemen afhandeling klacht door bedrijf/persoon bij eerstvolgende beoordeling.

Klachtafhandelaar beoordeelt de klacht en stelt vast of de klacht een incident betreft of dat de klacht moet leiden tot een aanpassing in de werkwijze.

Indien het een incident betreft, wordt de indiener daarvan op de hoogte gesteld. De klachtafhandelaar bedenkt samen met de indiener binnen drie weken na het indienen van de klacht een oplossing voor de afhandeling en betrekt bedrijf/persoon hierbij.

De oplossing zoals die met de indiener is besproken wordt vastgelegd op het klachtenformulier in het vak verbetervoorstel. Hier wordt tevens vermeld dat het gaat om een incident.

Indien de klacht een aanpassing van de werkwijze vergt bedenkt de klachtafhandelaar binnen 10 dagen een verbetervoorstel en bespreekt dit met de kwaliteitsmanager en betrekt bedrijf/persoon hierbij. Het verbetervoorstel moet een structurele verbetering inhouden van de werkwijze. Het verbetervoorstel wordt ingevuld op het klachtenformulier in het daarvoor bestemde vak.

De klachtafhandelaar stelt de indiener op de hoogte van de afhandeling van de klacht.

De kwaliteitsmanager maakt de gewijzigde werkwijze bekend.

De kwaliteitsmanager start, indien nodig, een vervolgonderzoek naar de invoering van het verbetervoorstel. De bevindingen worden vastgelegd op het klachtenformulier in het vak bevindingen vervolgonderzoek.

De kwaliteitsmanager archiveert de documenten van de klachtafhandeling.

Onderstaand worden de stappen beschreven die nodig zijn voor het afhandelen van een bezwaarschrift. Een dergelijk bezwaarschrift kan bijvoorbeeld ingediend worden tegen beslissingen van de CKI inzake het niet (opnieuw) verlenen, schorsen of intrekken van een certificaat.

De CKI registreert de gegevens van de certificaathouder. Deze gegevens worden conform de overeenkomst met Ascert tenminste zo vaak als mutaties zich voordoen elektronisch verzonden aan Ascert ten behoeve van het Ascert Certificaatregister, dat is opgezet conform wettelijke bepalingen. Dit register is via internet toegankelijk gemaakt. Ascert is verantwoordelijk voor het beheer van het register.

In de overeenkomst Ascert-CKI is een maximale termijn vermeld tussen het tijdstip van certificatiebeslissing en vermelding in het register.

Het CCvD zorgt voor eenduidige norminterpretatie. Toch kan het voorkomen dat er in de operationele fase verschillende interpretaties bestaan van één of meerdere in werkveldspecifieke certificatieschema’s gehanteerde begrippen.

Mocht het gebeuren dat certificaathouders, CKI’s of andere belanghebbenden uiteenlopende definities hanteren of hierover meningsverschillen bestaan, dan dienen afwijkende interpretaties te worden voorgelegd aan het CCvD.

Dit reglement bevat bepalingen voor de voorbereiding, uitvoering en beoordeling van examens ten behoeve van het Persoonscertificaat Deskundig Asbest Verwijderaar.

Dit examenreglement is onderdeel van dit schema. De examinering geschiedt onder verantwoordelijkheid van de certificatie-instelling en bestaat uit twee delen:

De certificatie-instelling is verantwoordelijk voor de afgifte van een persoonscertificaat met behulp van de volgenden acties:

Eventueel kunnen de werkzaamheden voor ‘fase 1’ worden uitbesteed aan een exameninstelling (zie SC-501 4.2.5).

Het is de verantwoordelijkheid van de certificatie-instelling dat aan de onderstaande eisen van het theorie-examen en het praktijkexamen wordt voldaan.

De certificatie-instelling dient te beschikken over een handleiding voor het certificatiepersoneel belast met de uitvoering van bovengenoemde niveau’s 1 t/m 3. Daarin dienen o.a. de taken en bevoegdheden opgenomen te zijn.

De certificatie-instelling dient een examenreglement te hanteren waarin de volgende zaken opgenomen dienen te zijn:

Certificatiepersoneel moet voldoen aan de eisen zoals opgenomen in WDA&T SC-501 par 4.2.6.

De CKI dient zorg te dragen dat alleen competent personeel wordt ingezet.

Het certificatiepersoneel dient een verklaring ondertekend te hebben waarin geheimhouding en onafhankelijkheid (van opleiders en kandidaten) en de beslotenheid van de examens wordt gegarandeerd.

De certificatie-instelling dient een register bij te houden van certificatiepersoneel en hun inzet bij de examens. Tevens dient de certificatie-instelling over persoonsdossiers te beschikken waarin ten minste opgenomen een curriculum vitae, een geheimhoudingsverklaring, een informatie/bereidheidsverklaring c.q. overeenkomst, beoordelingsformulieren en andere relevante, persoonsgebonden documenten.

Algemeen

Theorie-examen

Praktijkexamen

Het certificatiepersoneel verstrekt geen informatie over de inhoud van de afgenomen examens aan derden en is niet betrokken bij examinering. Certificatiepersoneel dient een verklaring van geheimhouding te hebben ondertekend.

Te stellen eisen aan de examenlocatie zijn:

Mondelinge en schriftelijke theorie examens moeten altijd tegelijkertijd plaatsvinden.

Van deze alternatieve afname dient door de exameninstelling een registratie te worden bijgehouden met een (minimaal jaarlijkse) rapportage naar de Ascert.

Gebruik wordt gemaakt van een centrale itembank. Het beheer van de itembank geschiedt onder strikte geheimhouding centraal door de Centrale Examencommissie van Ascert.

De beheerder van de centrale itembank genereert examenpakketten en geeft die uit aan de CKI. De CKI vraagt examenpakketten aan bij de beheerder van de centrale itembank en de toezichthouder van de CKI zorgt er voor dat dit pakket op de examenlocatie komt en neemt na afloop de examens en de resultaten in en mee terug naar kantoor.

Door de CKI-persoon wordt geen direct toezicht op de certificaathouder gehouden.

Zowel de CKI-proces als een handhavende overheidsinstelling zijn verplicht hun bevindingen m.b.t. tot het functioneren van een DAV voor wat betreft geconstateerde afwijkingen (zie SC-530 par 5.3.3) te melden en te rapporteren aan de CKI-persoon die het certificaat heeft uitgegeven.

Niet van toepassing

Tijdens de projectaudits van een CKI-proces kan deze constateringen doen waaruit moet worden geconcludeerd dat de gecertificeerde DAV niet competent is. De CKI-proces maakt hier een afwijkingsrapport van op met zijn bevindingen en conclusie. De CKI-proces stuurt hiervan een afschrift aan de betreffende CKI-persoon.

Tijdens inspectiebezoeken kan de AI overtredingen vaststellen waarbij wordt vastgesteld dat een gecertificeerde DAV niet competent blijkt te zijn. De schriftelijke constatering hiervan wordt door de AI in het kader van het Uitwisselingsprotocol (zie SC-530 Bijlage G) toegezonden aan de CKI-proces en de betreffende CKI-persoon.

Het desbetreffende afwijkingsrapport dient feitelijke informatie te bevatten opdat de CKI-persoon zich een oordeel kan vormen.

De CKI-persoon informeert de certificaathouder schriftelijk, per aangetekend schrijven van de ontvangst van de melding van de CKI-proces of van de Arbeidsinspectie. Bij dit schrijven is de melding van de CKI-proces gevoegd.

De CKI-persoon stelt in dit schrijven de certificaathouder op de hoogte van onderstaande procedure.

Procedure:

Deel II van dit certificatieschema bevat de normen die gelden voor een certificaat voor vakbekwaamheid in een werkveld. Beschreven wordt achtereenvolgens:

Voor de afgifte van het wettelijk verplichte Ascert-persoonscertificaat volgt onderstaand een opsomming van de eisen.

Profiel

De Deskundig Asbest Verwijderaar (DAV) voert asbestverwijderingswerkzaamheden uit onder leiding en toezicht van de DTA. De DAV is verantwoordelijk voor het veilig uitvoeren van de aan hem opgedragen werkzaamheden. De DAV moet kennis hebben van de gezondheidsrisico’s van asbest en dient dusdanige maatregelen te nemen dat blootstelling aan asbest voor zichzelf en de omgeving wordt voorkomen. Tevens dient de DAV vaardig te zijn in het werken met apparatuur welke voor asbestverwijderingswerkzaamheden wordt gebruikt.

Gebaseerd op het veldonderzoek [lit.1] zijn de kerntaken van de asbestverwijderaar opgesteld. Vervolgens zijn hieruit de eindtermen en de toetstermen vastgesteld.

Elke eindterm wordt omgezet in een aantal toetstermen. Deze toetstermen zijn in onderstaande schema’s geordend per eindterm.

Eindterm: Heeft kennis van en kan de vakinhoudelijke werkzaamheden van het asbestsaneringsproces uitvoeren

Eindterm: Heeft kennis van en kan afvalstoffen en gebruikte materialen op een veilige wijze verpakken en afvoeren.

Eindterm: Heeft kennis van en kan werkzaamheden op een veilige manier voor hemzelf, collega’s en omgeving uitvoeren.

In deze toetsmatrijs zijn de verschillende toetstermen verdeeld over de vragen in het examen. De kolom theorievragen is het meest uitgewerkt. Per toetsterm is het aantal vragen vastgesteld. In de kolommen praktijkexamen zijn kruisjes [ X ] gezet bij de toetstermen die aan bod komen in het praktijkexamen. De theorie bestaat uit 20 meerkeuze vragen. De praktijkopdrachten gemerkt met (XXX) zijn verplicht. Aanvulling van het examen geschiedt met opdrachten gemarkeerd met een (X). Decontaminatieprocedure (6) en adembescherming (19) kunnen in 1 opdracht geëxamineerd worden.

Het theorie-examen deel A bestaat uit 20 meerkeuzevragen. In de itembank zijn per toetsterm meerdere, uniek gecodeerde vragen opgeslagen. De beoordeling van deel A van het theoretische examen is een functie van het aantal goed beantwoorde vragen.

Het praktijkexamen bestaat uit minimaal zes opdrachten. Deze worden per examensessie beschikbaar gesteld door de Ascert Centrale Itembank. In deze itembank zijn per toetsterm meerdere, uniek gecodeerde opdrachten opgeslagen. Eén opdracht kan meerdere toetstermen dekken.

De opdrachten bestaan uit instructies voor de kandidaat om bepaalde vaardigheden (handelingen) uit te voeren en desgevraagd te motiveren. Voor de examinator is er een bijbehorend beoordelingsprotocol. De examinator dient dit beoordelingsprotocol in te vullen en af te tekenen.

De specifieke eisen die gesteld zijn aan de examenplaatsen zijn opgenomen in SC-522: versie 01, datum 15-09-2011, Eisen DAV Praktijkexamenlocaties, beschikbaar op www.ascert.nl, Handboek Ascert.

Een kandidaat is geslaagd voor het theorie-examen als hij/zij tenminste 70% van de vragen (14 van de 20) goed heeft beantwoord. Daarbij wordt de volgende verdeling toegepast:

Bij de praktijktoets dient voor alle opdrachten een voldoende gehaald te worden. Elke opdracht wordt beoordeeld aan de hand van een beoordelingsprotocol. Hierop is het algoritme van de handelingen die de kandidaat moet verrichten beschreven. Aan de verschillende handelingen zijn beoordelingscriteria toegevoegd en een puntenwaardering. Elke opdracht kent zo een puntenwaardering die is vastgelegd op het beoordelingsprotocol. Om een voldoende te halen dient bij elke opdracht minimaal 70% van de punten gescoord te worden, dan wel dient de kandidaat geen KO te hebben. (KO: ‘knock-outs’ = fatale fouten in de opdrachtuitvoering).

Een kandidaat is geslaagd als hij/zij voor zowel het theorie- als het praktijkexamen een voldoende (≥ 5,5) heeft gescoord.

Vervolgafgifte van het wettelijk verplichte persoonscertificaat vindt plaats nadat het gehele praktijk- en theorie-examen conform dit certificatieschema met goed gevolg is doorlopen (hercertificatie is initiële certificatie).

Indien de positieve certificatiebeslissing valt binnen twee maanden voor de vervaldatum, dan is de vervaldatum tevens de datum van de vervolgafgifte van het wettelijk verplichte persoonscertificaat.

Indien de positieve certificatiebeslissing valt voor de drie maanden voorafgaand aan de vervaldatum, dan is de datum van de certificatiebeslissing de datum van de vervolgafgifte van het wettelijk verplichte persoonscertificaat.

BANKPAS formaat

Voorzijde

Achterzijde

De certificatie-instelling ..... gevestigd te ....., ten deze vertegenwoordigd door ....., directeur, hierna te noemen de instelling en de kandidaat van het persoonscertificaat Deskundig Asbestverwijderaar conform het Ascert-520: 2011 DAV in beheer bij Stichting Ascert:

Achternaam: ..... Voorletters: .....

Geboren op ..... 19 te ....., hierna te noemen certificaathouder verklaren het volgende te zijn overeengekomen:

Aldus in tweevoud opgemaakt en ondertekend,

Certificaathouder

Certificatie-instelling

De certificatieovereenkomst zal door de certificatie-instelling beëindigd worden indien de Certificaathouder zijn verplichtingen niet nakomt, dan wel niet (meer) voldoet aan de voorwaarden c.q. de geldigheidsscondities (zie SC-520 par. 4.5 en par.13);

Over het functioneren van de certificaathouder.

Over de certificatie-instelling:

De certificatie-instelling kan niet aansprakelijk gesteld worden voor gevolgschade na intrekking of schorsing van een persoonscertificaat.

Document: SC-502: 2011, versie 02

Onder beheer van:

StichtingAscert

www.Ascert.nl

Asbestinventarisatie en asbestverwijderen zijn risicovolle beroepsactiviteiten. Om het maatschappelijke belang – veiligheid en gezondheid in verband met de arbeid – te waarborgen, is door de overheid gekozen voor wettelijk verplichte certificatieregelingen voor procescertificatie van Asbestinventarisatie en Asbestverwijdering. Het certificaat wordt onder deze regelingen verstrekt door Certificatie-instellingen (CKI’s). Om certificaten te mogen verstrekken dient een CKI hiertoe te worden aangewezen door de minister van SZW. Dit gebeurt door een toetsing aan dit WDA&T. In dit document is aangegeven aan welke regels en procedures de betreffende CKI’s zich dienen te houden.

Werkveldspecifieke informatie

Dit werkveldspecifieke document voor aanwijzing en toezicht ‘SC-502’ is door Ascert voorgesteld en door de minister van SZW vastgesteld, zie www.ascert.nl. Op- en of aanmerkingen over dit document kunnen worden ingediend bij het CCvD Asbest, info@ascert.nl.

Binnen het kader van dit document voor aanwijzing en toezicht zijn bij de opstelling betrokken geweest:

Het verstrekken c.q. onderhouden van een certificaat op onterechte gronden wordt in het asbestveiligheidssysteem bij procescertificatie als de centrale gebeurtenis gedefinieerd. Om het verstrekken c.q. onderhouden van een certificaat op onterechte gronden te voorkomen is het noodzakelijk om maatregelen te nemen. Deze beogen de risico’s m.b.t. het niet naar behoren functioneren van de CKI bij het optreden van de centrale gebeurtenis uit te bannen.

Behalve de maatregelen bestaan er ook de zogenaamde managementfactoren. Deze managementfactoren kunnen op zichzelf niet het onterecht verstrekken c.q. onderhouden van een certificaat voorkomen, maar beïnvloeden de kwaliteit van de maatregelen.

De onderstaande managementfactoren, opgenomen in de desbetreffende documenten kunnen op zichzelf geen centrale gebeurtenis veroorzaken, maar beïnvloeden de kwaliteit van de maatregelen.

Het resultaat van het verwijderingsproces, is op te vatten als een ‘product’. Het beoordelen en aanwijzen van CKI’s voor afgifte van een certificaat vindt plaats op basis van de NEN-EN-ISO/IEC 45011: 1998 en de eisen die gesteld worden aan de CKI op grond van aanwijzing (zie 4.5).

NEN-EN-ISO/IEC 45011: 1998 par. 4.4

Aanvullend:

NEN-EN-ISO/IEC 45011: 1998 par. 4.6

Aanvullend:

Dit reglement omschrijft de procedures die relevant zijn voor het juist toepassen van het werkveldspecifieke schema. Hierbij dienen te zijn opgenomen:

NEN-EN-ISO/IEC 45011: 1998 par. 4.2.j

Aanvullend: De CKI moet beschikken over minimaal 2 medewerkers in vast dienstverband, ieder voor tenminste 0,8 fte (32 uur/week) voor alle certificatieactiviteiten betreffende asbestinventarisatie en/of asbestverwijdering.

NEN-EN-ISO/IEC 45011: 1998 par. 5.2

Aanvullend: De CKI dient voor de verificatie van de competenties (kennis, kunde, houding) van het certificatiepersoneel over een specifieke verificatiemethode te beschikken.

Met deze methode dient aan de hand van onderstaande eisen te zijn aangetoond dat het certificatiepersoneel competent is.

Algemene eisen

Kantoor auditor

Projectauditor voor asbestinventarisatie

Projectauditor voor asbestverwijdering

Certificaatbeslisser

Overgangsregeling

Degenen bedoeld in 4.3.3., die bij het van kracht worden van de SC-540 respectievelijk SC-530 in de afgelopen periode van drie jaar minimaal 50 beoordelingen heeft uitgevoerd als kantoorauditor en/of projectauditor dan wel beslisser met betrekking tot de certificatie van asbestinventarisatiebedrijven respectievelijk asbestverwijderingsbedrijven worden geacht aan bovenstaande kwalificaties te voldoen.

NEN-EN-ISO/IEC 45011: 1998 par. 6

Aanvullend: Wijzigingsvoorstellen kunnen door de CKI worden voorgelegd aan het CCvD, dat vervolgens voorstellen zal doen aan het ministerie van SZW tot aanpassing van het certificatieschema.

NEN-EN-ISO/IEC 45011: 1998 par. 8

Geen aanvullende eisen.

NEN-EN-ISO/IEC 45011: 1998 par. 10.1

Geen aanvullende eisen.

NEN-EN-ISO/IEC 45011: 1998 par. 13

Aanvullend:

Indien in een concernsituatie met meerdere zelfstandige ondernemingen, die bij eenzelfde CKI onder procescertificaat staan, van een onderneming het certificaat (on)voorwaardelijk wordt ingetrokken of geschorst zal de CKI alle andere gecertificeerde ondernemingen per direct onderwerpen aan een controle op die onderwerpen waarop een afwijking is geconstateerd die heeft geleid tot de sanctie.

Na de constatering van een afwijking Cat III dient de certificaathouder binnen 2 maanden een interne corrigerende maatregel te hebben ingevoerd, waarna de CKI binnen een maand deze maatregel definitief moet hebben beoordeeld.

NEN-EN-ISO/IEC 45011: 1998 par. 14

De CKI wordt in het kader van haar aanwijzing op grond van de artikelen 1.5a t/m 1.5d Arbobesluit op de volgende criteria getoetst:

De aangewezen CKI en de werknemers die met de keuringen of beoordelingen zijn belast, voeren deze uit met de grootste mate van beroepsintegriteit, vastgelegd in een gedragscode.

Er is een integriteitbeleid, dat in duidelijke voorschriften is uitgewerkt. Het personeel heeft zich door middel van een ondertekende en gedateerde verklaring aantoonbaar aan de gedragscode geconformeerd.

De aangewezen CKI treedt integer en niet buiten zijn bevoegdheden in de markt op.

Het personeel van de aangewezen CKI is door middel van een ondertekende en gedateerde verklaring aantoonbaar gebonden aan beroepsgeheim ten aanzien van al hetgeen het bij de uitoefening van zijn taak in het kader van het besluit ter kennis is gekomen, behalve tegenover de ter zake bevoegde overheidsinstanties.

De aangewezen CKI is bestuursorgaan in de zin van de Algemene wet bestuursrecht en dient te voldoen aan bestuurswetgeving zoals de Algemene wet bestuursrecht, de Wet openbaarheid van bestuur en de Archiefwet 1995.

De aangewezen CKI dient te beschikken over een adequate WA verzekering.

De aangewezen CKI dient een procedure te hebben waarin geregeld is dat in geval van ontdekking van een vermoeden van direct gevaar voor de veiligheid dit ogenblikkelijk door de desbetreffende medewerker gemeld wordt. Ook staat hierin beschreven dat de instelling z.s.m. de belanghebbenden informeert, waaronder indien van toepassing de betreffende overheidsinstantie.

Bij beëindiging van de activiteiten door de aangewezen CKI dient deze terstond de minister van SZW te informeren. De minister van SZW bepaalt wat de (voorheen) aangewezen CKI met de dossiers moet doen. De (voorheen) aangewezen CKI dient hieraan mee te werken. Dit vrijwaart de (voorheen) aangewezen CKI niet van eventuele aansprakelijkheid voor fouten in door haar uitgevoerde keuringen of beoordelingen.

De aangewezen CKI dient de volgende procedures op schrift te hebben gesteld: een zienswijzeprocedure (afdeling 4.1.2 Awb), een bezwaarschriftprocedure (hoofdstuk 6 en 7 Awb) en een klachtenprocedure (hoofdstuk 9 Awb).

De aangewezen CKI moet zich aantoonbaar laten vertegenwoordigen in het nationale overleg van de instellingen, georganiseerd door het CCvD. De CKI’s nemen deel aan het overleg met het CCvD. De CKI’s moeten kunnen aantonen de afspraken uit het overleg met het CCvD uit te voeren.

De CKI zal de certificaathouder van haar besluit met betrekking tot de intrekking of schorsing van het procescertificaat onverwijld, per aangetekend schrijven, informeren en haar besluit publiceren. De CKI zal per direct Ascert over het genomen besluit informeren waarna Ascert dit besluit in het Ascert Register openbaar zal maken ( zie SC-530/SC-540 par. 9.3).

De CKI houdt zich bij de op te leggen sancties/maatregelen aan het vastgestelde sanctie- en maatregelenbeleid. In geval van kennelijke onredelijkheid heeft de CKI op grond van de Awb de bevoegdheid hier van af te wijken. Afwijking geschiedt alleen op grond van door de certificaathouder aan te dragen argumenten. De onderbouwing voor de afwijking wordt opgenomen in het besluit over de opgelegde sanctie. Afwijkingen worden geregistreerd door de CKI.

Taal van de rapportages en dossiers:

Taal bij beoordelingen:

Tijdens beoordelingen wordt uitsluitend gecommuniceerd in de Nederlandse taal; hulp van vertalers en tolken is niet toegestaan.

Ter verificatie van a) en b) dient de volledige groeps-/holdingstructuur, bestuurlijke verhoudingen, eigendomsverhoudingen, personele invulling van de managementstructuur, doel en aard van de onderneming en haar dienstverlening volledig, actueel en schriftelijkte worden gedocumenteerd en voorzien van een ondertekende verklaring en getekend door alle bestuurders van de onderneming (conform KvK).

In verband met de verplichtingen in het kader van toezicht zijn van het Arbobesluit artikelen 1.5b en 1.5c en de Arboregeling artikel 1.1a van toepassing. De CKI’s dient zich te onderwerpen aan het toezicht uitgevoerd door AI/TC en RvA. De RvA doet schaduwonderzoek op dossiers van certificaathouders, controleert de CKI en woont beoordelingen op de kantoorvestiging en projectlocatie bij en heeft hiervoor een specifiek beoordelingsprotocol ( SBP).

Ten behoeve van de informatieverzameling dient de CKI kosteloos:

Indien de aangewezen instelling niet meer voldoet aan de eisen in dit schema kan dit gevolgen hebben voor de aanwijzing. Zie beleidsmaatregel maatregelenbeleid certificering Arbeidsomstandighedenwet en Warenwet, Stcrt. 2010, nr. 10839 van 14 juli 2010.

Document: SC-501: 2011, versie 02

Onder beheer van:

Stichting Ascert

www.Ascert.nl

Asbestverwijderen betreft een risicovolle beroepsactiviteit. Om het maatschappelijke belang – veiligheid en gezondheid in verband met de arbeid – te waarborgen, is door de overheid gekozen voor een wettelijk verplichte certificatieregeling voor zowel de Deskundig Asbestverwijderaar (DAV) als de Deskundig Toezichthouder Asbestverwijdering (DTA). Het persoonscertificaat wordt onder deze regeling verstrekt door CKI’s. Om certificaten te mogen verstrekken dient een CKI hiertoe te worden aangewezen door de minister van SZW. Dit gebeurt door een toetsing aan dit WDA&T. In dit document is aangegeven aan welke regels en procedures de betreffende CKI’s zich dienen te houden.

Dit werkveldspecifieke document voor aanwijzing en toezicht SC-501 is door Ascert voorgesteld en door de minister van SZW vastgesteld, zie www.ascert.nl. Dit vastgestelde document vervangt eerdere versies.

Op- en of aanmerkingen op dit document kunnen worden ingediend bij het CCvD Asbest, p/a Stichting Ascert, info@ascert.nl.

Binnen het kader van dit document voor aanwijzing en toezicht zijn bij de opstelling betrokken geweest:

Het verstrekken c.q. onderhouden van een certificaat op onterechte gronden wordt in het asbestveiligheidssysteem bij persoonscertificatie als de centrale gebeurtenis gedefinieerd. Om het verstrekken c.q. onderhouden van een certificaat op onterechte gronden te voorkomen is het noodzakelijk om maatregelen te nemen. Deze beogen de risico’s m.b.t. het niet naar behoren functioneren van de CKI bij het optreden van de centrale gebeurtenis uit te bannen.

Behalve de maatregelen bestaan er ook de zogenaamde managementfactoren. Deze managementfactoren kunnen op zichzelf niet het onterecht verstrekken c.q. onderhouden van een certificaat voorkomen, maar beïnvloeden de kwaliteit van de maatregelen.

Het beoordelen en aanwijzen van CKI’s voor persooncertificatie vindt plaats op basis van de NEN-EN-ISO/IEC 17024: 2003 en IAF-GD24: 2009 en de eisen die gesteld worden aan de CKI op grond van aanwijzing.

NEN-EN-ISO/IEC 17024: 2003 par. 4.2.3

Aanvullend: De CKI verplicht zich op grond van de overeenkomst met Ascert zich aan te sluiten bij het door Ascert ingestelde CCvD en de daaronder ressorterende Centrale Examencommissie voor DAV /DTA.

NEN-EN-ISO/IEC 17024: 2003 par. 4.2.6

Aanvullend: Zie SC-510/SC-520 par. 4.6 en 4.7.

NEN-EN-ISO/IEC 17024: 2003 par. 4.2.7

Aanvullend: De CKI dient de beoordeling van de resultaten van het theorie- en praktijkexamen en de aansluitende certificatiebeslissing uit te voeren in eigen beheer met personeel in vast dienstverband.

NEN-EN-ISO/IEC 17024: 2003 par. 4.3

Aanvullend: Wijzigingsvoorstellen kunnen door de CKI worden voorgelegd aan het CCvD, waarmee Ascert vervolgens voorstellen zal doen aan de minister van SZW tot aanpassing van het certificatieschema. Deze zal vervolgens beoordelen en bepalen of het wijzigingsvoorstel al dan niet ongewijzigd overgenomen wordt.

NEN-EN-ISO/IEC 17024: 2003 par. 4.5

Aanvullend: EenCKI is bevoegd de uitvoering van het examen (zie 4.2.6 fase 1) door anderen te doen verrichten. Hiertoe dient een schriftelijke overeenkomst tot uitbesteding te worden gesloten met Ascert, waarin in ieder geval is opgenomen:

Niet uitbesteedbaar is de afgifte van certificaten en de daaraan voorafgaande beoordeling (fase 2 )en beslissing (fase 3). De CKI mag geen werkzaamheden uitbesteden zonder Ascert daarover te informeren.

De CKI verstrekt Ascert te allen tijde een accurate lijst van onderaannemers.

NEN-EN-ISO/IEC 17024: 2003 par. 5

Certificatiepersoneel is alle personeel betrokken bij het certificatieproces.

Aanvullend: De CKI moet beschikken over medewerkers met onderstaande kwalificaties, voor de uitvoering van de volgende taken:

De CKI-persoon dient voor de verificatie van de competenties (kennis, kunde en houding) van onderstaand certificatiepersoneel, voor zover niet reeds elders in een toets opgenomen, over een specifieke verificatiemethode te beschikken. Een dergelijke toets is ten aanzien van de praktijkexaminatoren geregeld via het Reglement beheer Ascert Register Praktijkexaminatoren (SC-511: versie 01, datum 15-11-2011)).

Met de specifieke verificatiemethode dient aan de hand van onderstaande eisen te zijn aangetoond dat onderstaand certificatiepersoneel competent is.

Algemene eisen/tevens eisen toezichthouder theorie examen

Examinator DAV praktijk-examen

Examinator DTA praktijk-examen

Beoordelaar van theorie-examen en praktijkexamen

Certificaatbeslisser

Zie algemene eisen exclusief de eisen om objectief en zonder vooroordelen te kunnen examineren en om het tijdens een examen regelend en besluitvaardig op te kunnen treden;

Degene die beslist over het verlenen of intrekken van het certificaat dient niet betrokken te zijn bij de directe afname en de beoordeling van de resultaten van theorie-examen en praktijkexamen.

NEN-EN-ISO/IEC 17024: 2003 par. 6.3.3

Aanvullend: Het certificaat dient minimaal de navolgende gegevens te bevatten.

Gegevens van de certificaathouder:

Gegevens van de CI:

Overige gegevens certificaat:

Met een sterretje (*) gemerkte eisen zullen samen met de pasfoto op het Bankpas formaat moeten staan.

NEN-EN-ISO/IEC 17024: 2003 par. 6.4

Aanvullend:

Klachten van derden dienen conform SC-510/SC-520 par. 4.6 afgehandeld te worden.

Indien er door de CKI-proces bij een asbestverwijderingswerk een feitelijke Cat II afwijking (zie SC-530 par. 5.4.2. en par. 5.5.3) is geconstateerd die is toe te schrijven aan de DTA of DAV zal dit direct en rechtstreeks gemeld worden aan de CKI-persoon. Deze zal onmiddellijk maatregelen treffen conform SC-510/SC-520 par. 6.5.

Hercertificatie is geheel overeenkomstig de initiële certificatie.

De CKI is verplicht een overeenkomst te sluiten met de certificaathouder.

Het optreden en handelen dient onpartijdig en onafhankelijk te zijn. De CKI en haar personeel mag geen belang hebben bij de uitslag van het examen/verlenen van het persoonscertificaat.

Het personeel dat bij de examinering en certificaatverstrekking betrokken is mag:

Het certificatiepersoneel tekent een verklaring waarin geheimhouding en onafhankelijkheid (van opleiders en kandidaten) en de beslotenheid van de examens wordt gegarandeerd.

Mocht blijken dat er toch een relatie, van welke aard dan ook, bestaat tussen de kandidaat en de betreffende medewerker, dient deze dit tijdig aan de certificatie-/exameninstelling te melden. Het is onder geen enkele voorwaarde toegestaan dat de betreffende medewerker deze kandidaat examineert/beoordeelt/besluit tot verlenen certificaat.

De CKI wordt in het kader van haar aanwijzing op grond van de artikelen 1.5a t/m 1.5d Arbobesluit op de volgende criteria getoetst:

De aangewezen CKI en de werknemers die met de keuringen of beoordelingen zijn belast, voeren deze uit met de grootste mate van beroepsintegriteit. Dit dient te worden gedocumenteerd en voorzien te zijn van een ondertekende verklaring voor correcte weergave door alle bestuurders en betrokken werknemers.

Er is een integriteitsbeleid, dat in een gedragscode is uitgewerkt. Het personeel heeft zich aantoonbaar door middel van getekende verklaringen hieraan geconformeerd.

De aangewezen CKI treedt integer en niet buiten zijn bevoegdheden in de markt op.

Het personeel van de aangewezen CKI is door middel van getekende verklaringen aantoonbaar gebonden aan beroepsgeheim ten aanzien van al hetgeen het bij de uitoefening van zijn taak in het kader van het besluit ter kennis is gekomen, behalve tegenover de ter zake bevoegde overheidsinstanties.

De aangewezen CKI is bestuursorgaan in de zin van de Algemene wet bestuursrecht en dient te voldoen aan bestuurswetgeving zoals de Algemene wet bestuursrecht, de Wet openbaarheid van bestuur en de Archiefwet 1995.

De aangewezen CKI dient te beschikken over een WA verzekering voor risico’s van aansprakelijkheid.

De aangewezen CKI dient een procedure te hebben waarin geregeld is dat in geval van ontdekking van een vermoeden van direct gevaar voor de veiligheid dit ogenblikkelijk door de desbetreffende medewerker gemeld wordt, en waarin staat beschreven dat de instelling z.s.m. de belanghebbenden informeert, waaronder indien van toepassing de betreffende overheidsinstantie.

Bij beëindiging van de activiteiten door de aangewezen CKI dient deze terstond de minister van SZW te informeren. De minister van SZW bepaalt wat de (voorheen) aangewezen CKI met de dossiers moet doen, de (voorheen) aangewezen CKI dient hieraan mee te werken. Dit vrijwaart de (voorheen) aangewezen CKI niet van eventuele aansprakelijkheid voor fouten in door haar uitgevoerde keuringen of beoordelingen.

De aangewezen CKI dient de volgende procedures op schrift te hebben gesteld:

De aangewezen CKI moet zich aantoonbaar laten vertegenwoordigen in het Ascert CKI-overleg en de afspraken uit het overleg daadwerkelijk nakomen.

Ingeval certificaathouders en CKI’s uiteenlopende interpretaties/definities hanteren, dan dienen deze afwijkende interpretaties door de CKI’s te worden voorgelegd aan het CCvD. (zie SC-510 par. 4.9 en SC-520 par. 4.9).

De CKI zal de certificaathouder van haar besluit met betrekking tot schorsen of intrekken van het certificaat onverwijld, per aangetekend schrijven, informeren. De CKI zal per direct Ascert over het genomen besluit informeren waarna Ascert dit besluit in het Ascert Register openbaar zal maken.

De CKI zal de andere CKI’s van haar besluit met betrekking tot schorsen of intrekken van het certificaat onverwijld informeren.

De CKI houdt zich bij de op te leggen sancties/maatregelen aan het vastgestelde sanctie- en maatregelenbeleid. In geval van kennelijke onredelijkheid heeft de CKI op grond van de Awb de bevoegdheid hier van af te wijken. Afwijking geschiedt alleen op grond van door de certificaathouder aan te dragen argumenten. De onderbouwing voor de afwijking wordt opgenomen in het besluit over de opgelegde sanctie. Afwijkingen worden geregistreerd door de CKI.

Taal van de rapportages en dossiers:

Taal bij examinering:

Tijdens de examinering (theorie en praktijk) wordt uitsluitend gecommuniceerd in de Nederlandse taal;hulp van vertalers en tolken is niet toegestaan.

Verbod op onderuitbesteding op afgifte van certificaten en de daaraan voorafgaande beoordeling en beslissing.

Ter verificatie van a) en b) dient de volledige groeps/holdingstructuur, bestuurlijke verhoudingen, eigendomsverhoudingen, personele invulling van de managementstructuur, doel en aard van de onderneming en haar dienstverlening volledig, actueel en schriftelijk te worden gedocumenteerd en voorzien van een ondertekende verklaring en getekend door alle bestuurders van de onderneming (conform KvK).

Een aanvraag tot beoordeling van gelijkwaardigheid van buitenlandse getuigschriften en kwalificaties van vakbekwaamheid wordt uitgevoerd met in achtneming van het bepaalde in Bijlage 0 bij de Arboregeling.

In verband met de verplichtingen in het kader van toezicht zijn van het Arbobesluit artikelen 1.5b en 1.5c en de Arboregeling artikel 1.1a van toepassing. De CKI dient zich te onderwerpen aan het toezicht uitgevoerd door AI/TC en RvA. RvA doet bijwoningen van examens en controleert de CKI en heeft hiervoor een specifiek beoordelingsprotocol (SBP).

Ten behoeve van de informatieverzameling dient de CKI kosteloos:

Indien de aangewezen instelling niet meer voldoet aan de eisen in dit schema kan dit gevolgen hebben voor de aanwijzing. Zie beleidsmaatregel maatregelenbeleid certificering Arbeidsomstandighedenwet en Warenwet, Stcrt. 2010, nr. 10839 van 14 juli 2010.

Ondergetekenden,

Overwegende dat:

Komen het volgende overeen:

In dit Protocol wordt een aantal begrippen met een beginhoofdletter gebruikt. Aan deze begrippen komt de betekenis toe die hieraan wordt gegeven in het hierna volgende artikel 1

Inspectie SZW en Certificerende Instelling wijzen contactpersonen aan voor de uitvoering van het Protocol en brengen elkaar daarvan op de hoogte;

Een ieder die in het kader van dit Protocol bedrijfs- of persoonsgegevens dan wel andersoortige vertrouwelijke informatie ontvangt is verplicht tot geheimhouding. De gegevens die in het kader van dit Protocol verstrekt worden aan een andere partij mogen alleen gebruikt worden met het oog op het in dit Protocol omschreven doel. De Inspectie SZW behoudt wel de mogelijkheid om haar handhavingsinformatie met andere toezichthoudende instanties te delen.

Partijen zullen elkaar geen kosten in rekening brengen voor het doen van meldingen en/of voor de afhandeling van die meldingen en/of voor andere activiteiten die voortvloeien uit dit Protocol.

Wijzigingen in en opzegging van het Protocol behoeven de schriftelijke instemming van alle bij het protocol betrokken partijen.

Dit Protocol treedt in werking op de dag na ondertekening ervan.

Dit Protocol is overeengekomen en ondertekend

Namens de Inspectie SZW te Den Haag op de datum: 2 mei 2012

Namens de Certificerende Instelling op de datum: 31 mei 2012

Lijst met verklarende begrippen bij beslisschema

Document: WDAT-WOD-P: 2012, versie 1

Onder beheer van:

Stichting Werken Onder Overdruk (SWOD)

Werken onder overdruk betreft een risicovolle beroepsactiviteit. Om het maatschappelijke belang – veiligheid en gezondheid in verband met de arbeid – te waarborgen, is door de overheid gekozen voor een wettelijk verplichte certificatieregeling voor het werken onder overdruk. Onder werken onder overdruk wordt in overeenstemming met artikel 6.13 van het Arbeidsomstandighedenbesluit verstaan: duikarbeid, caissonarbeid en overige arbeid onder overdruk.

Het betreft de volgende in het Arbeidsomstandighedenbesluit genoemde activiteiten:

De certificaten voor deze werkzaamheden worden onder deze regeling verstrekt door CKI’s. Om certificaten te mogen verstrekken moet een CKI hiertoe worden aangewezen door de minister. Dit gebeurt door toetsing aan dit document betreffende aanwijzing en toezicht. In dit document is aangegeven aan welke regels en procedures de betreffende CKI’s zich moeten houden.

Het is mogelijk dat enkele gedefinieerde begrippen of afkortingen niet letterlijk in de tekst van het certificatieschema voorkomen, maar deze begrippen of afkortingen zijn toch in de definitielijst opgenomen in verband met het feit dat deze begrippen of afkortingen in direct verband tot dit certificatieschema kunnen worden gehanteerd. Indien de definities in dit document afwijken van de definities in ISO/IEC 17024, gelden de definities van dit document.

Dit werkveldspecifieke document voor aanwijzing en toezicht op CKI’s belast met persoonscertificatie op het gebied van werken onder overdruk wordt aangehaald als WDAT-WOD-P. Dit werkveldspecifieke document voor aanwijzing en toezicht binnen het werkveld Werken onder druk, is door de minister van SZW vastgesteld. De minister van SZW kan wijzigingen aanbrengen in de vastgestelde documenten. Dit vastgestelde document vervangt eerdere versies. Op- en of aanmerkingen over dit document kunnen worden ingediend bij het Centraal College van Deskundigen ‘Werken onder overdruk’.

Binnen het kader van dit document voor aanwijzing en toezicht zijn bij de opstelling betrokken geweest:

De volgende risico’s kunnen optreden, indien de CKI in het certificatieproces niet voldoende functioneert:

De vereisten in dit document ten aanzien van de CKI moeten de bovengenoemde risico’s beperken.

Het beoordelen en aanwijzen van de CKI’s voor persoonscertificatie vindt plaats op basis van de eisen die aan de certificerende instelling gesteld worden op grond van de aanwijzing (zie paragraaf 4.5 van dit document) en de ISO/IEC 17024 en IAF GD 24 behoudens de volgende aanvullingen en afwijkingen:

Onverlet de overige bepalingen van paragraaf 4.2.3 van ISO/IEC 17024 mag de CKI in afwijking van deze paragraaf het certificatieschema niet zelf ontwikkelen of wijzigen. De CKI moet het certificatieschema gebruiken dat door de minister is vastgesteld. De CKI moet een eventueel wijzigingsvoorstel indienen bij de beheerstichting. Het Centraal College van Deskundigen moet een wijzigingsvoorstel beoordelen en kan het bestuur van de beheerstichting adviseren om een wijzigingsvoorstel voor te leggen aan de minister. De minister zal het voorstel beoordelen en bepalen of het wijzigingsvoorstel overgenomen wordt.

De bepalingen van paragraaf 4.2.7 van ISO/IEC 17024 zijn onverkort van toepassing.

Onverlet de overige bepalingen van paragraaf 4.3 van ISO/IEC 17024 moet de CKI rekening houden met de procedure voor wijziging van de beoordelingseisen en beoordelingsmethodiek, indien de minister hiervoor bijzondere bepalingen in een werkveldspecifiek certificatieschema heeft vastgesteld.

In aanvulling op paragraaf 4.3.3 van ISO/IEC 17024 moet de CKI bij de communicatie over en toepassing van wijzigingen in een werkveldspecifiek certificatieschema rekeningen houden met de procedure voor vaststelling van wijzigingen overeenkomstig paragraaf 4.2.1 van dit document voor aanwijzing en toezicht.

Op grond van de aanwijzing door de minister en de overeenkomst met de beheerstichting moet de CKI de beoordelingseisen en beoordelingsmethodiek van het werkveldspecifiek certificatieschema toepassen. De beheerstichting heeft de taak om de certificatieschema’s voor de relevante werkvelden te beheren en te onderhouden. De CKI moet de verrichtingen van het door de beheerstichting ingestelde Centraal College van Deskundigen, dat belast is met de werkveldspecifieke certificatieschema’s, volgen en kan hieraan ook inhoudelijk bijdragen.

De CKI moet de uitvoering van de examinering van de kandidaten overeenkomstig paragraaf 4.3.6 van ISO/IEC 17024 zelf evalueren. Indien uit de evaluatie blijkt dat het certificatieschema aanpassingen behoeft, dan moet de CKI hiervoor een met argumenten onderbouwd voorstel aan het Centraal College van Deskundigen doen.

De bepalingen van paragraaf 4.5 van ISO/IEC 17024 zijn onverkort van toepassing.

In aanvulling op de bepalingen van paragraaf 5 van ISO/IEC 17024 moet de CKI bij de selectie van examinatoren en de overige betrokkenen bij het examen aan de onderstaande eisen toepassen. De uitwerking van de eisen ten aanzien van het examenpersoneel moeten worden opgenomen in competentieprofielen en andere relevante documenten, zoals het kwaliteitshandboek van de certificerende instelling.

A. Deskundigheidseisen aan examinatoren

Bij de selectie van examenpersoneel moet het examenpersoneel aan de hand van een portfolio ten minste worden beoordeeld op de volgende eisen:

De genoemde eisen ten aanzien van het examenpersoneel gelden volledig voor de examinator die betrokken is bij de beoordeling van het examenwerk en praktijkonderdelen. Voor het toezicht tijdens het theorie-examen mag een medewerker worden ingezet die niet beschikt over de inhoudelijke kennis zoals genoemd in punt 2.

B. Instructie van de overige betrokkenen bij het examen

De CKI moet ervoor zorgen dat de personen die bij het examen optreden als leden van de duikploeg, maar niet zelf kandidaat zijn, voldoende instructie krijgen om de veiligheid en onafhankelijkheid tijdens het examen te borgen. Indien de duikploeg uit meerdere kandidaten bestaat, moet elk van de leden van de duikploeg overeenkomstig worden geïnstrueerd. De CKI moet ervoor zorgen dat aan de briefing een heldere en eenduidige examencase ten grondslag ligt. Indien betrokkenen bij het examen duiken, dienen zij te beschikken over het persoonscertificaat duikarbeid (WSCS-WOD D of WSCS-WOD E). Indien de betrokkenen bij het examen optreden als duikploegleider dan wel deze rol overnemen dienen zij te beschikken over het persoonscertificaat duikploegleider (WSCS-WOD-F of WSCS-WOD-L)

C. Onafhankelijkheid

De examinatoren, de overige betrokkenen bij het examen en het personeel van de CKI moeten jegens de examenkandidaat onafhankelijk en onbevooroordeeld kunnen optreden. De onafhankelijkheid van alle betrokken omvat ten minste dat zij niet persoonlijk betrokken zijn geweest bij de opleiding van de kandidaat en dat zij in relatie tot de werkgever van de kandidaat aantoonbaar over voldoende onafhankelijkheid beschikken om hun optreden tijdens het examen en jegens de kandidaat hierdoor niet te laten beïnvloeden. De CKI moet ervoor zorgen dat de kandidaten tijdens het examen gelijke kansen krijgen en het examen veilig kunnen uitvoeren.

In aanvulling op de bepalingen van paragraaf 6.3.3 van ISO/IEC 17024 moet op het certificaat worden vermeld:

De bepalingen van paragraaf 6.4 van ISO/IEC 17024 zijn onverkort van toepassing, maar de CKI moet rekening houden met bijzondere voorschriften ten aanzien van het toezicht op de certificaathouder, indien de minister hiervoor bijzondere bepalingen in een werkveldspecifiek certificatieschema heeft vastgesteld.

Onverlet de overige bepalingen van paragraaf 6.5 van ISO/IEC 17024 moet de CKI rekening houden met bijzondere voorschriften ten aanzien van de hercertificatie, indien de minister hiervoor bijzondere bepalingen in een werkveldspecifiek certificatieschema heeft vastgesteld.

In aanvulling op de bepaling van paragraaf 6.6 van ISO/IEC 17024 moet de CKI zich bij het gebruik van een beeldmerk van de beheerstichting houden aan de voorschriften van de overeenkomst tussen de beheerstichting en de CKI.

De CKI wordt in het kader van haar aanwijzing op grond van de artikelen 1.5a t/m 1.5d Arbobesluit op de volgende criteria getoetst:

In verband met de verplichtingen in het kader van toezicht zijn de volgende artikelen van toepassing; artikelen 1.5b en 1.5c Arbobesluit en artikel 1.1a Arboregeling.

Ten behoeve van de informatieverzameling dient de CKI kosteloos:

Indien de aangewezen instelling niet meer voldoet aan de eisen in dit schema kan dit gevolgen hebben voor de aanwijzing. Zie beleidsmaatregel maatregelenbeleid certificering Arbeidsomstandighedenwet en Warenwet, Stcrt. 2010, nr. 10839 van 14 juli 2010.

Document: WSCS-WOD-A: 2012, versie 1

Onder beheer van:

Stichting Werken Onder Overdruk (SWOD)

Dit werkveldspecifieke certificatieschema voor personen is door het Centraal College van Deskundigen ‘Werken onder overdruk’ opgesteld. Het betreft certificatie op het gebied van arbeidsgezondheidskundig onderzoek door duikerartsen. Het bestuur van de Stichting werken onder overdruk (SWOD) heeft het schema heeft goedgekeurd. Door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is het schema vastgesteld. Dit schema vervangt eerdere versies.

De te certificeren vakbekwaamheid betreft het uitvoeren van een arbeidsgezondheidskundig onderzoek in verband bij werknemers die duikarbeid verrichten. Onder duikarbeid wordt in overeenstemming met artikel 6.13 lid 1 onder letter a van het Arbeidsomstandighedenbesluit verstaan het verrichten van duikarbeid, caissonarbeid en overige arbeid onder overdruk. Het betreffende arbeidsgezondheidskundig onderzoek wordt uitgevoerd door duikerartsen. Het persoonscertificaat duikerarts is wettelijk vereist op grond van artikel 6.14a lid 3 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Het certificatiesysteem van de certificerende instelling moet zijn gestructureerd in overeenstemming met de eisen uit de ISO/IEC 17024: 2003.

Het is mogelijk dat enkele gedefinieerde begrippen of afkortingen niet letterlijk in de tekst van het certificatieschema voorkomen, maar deze begrippen of afkortingen zijn toch in de definitielijst opgenomen in verband met het feit dat de beheerstichting en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid deze begrippen of afkortingen in direct verband tot dit certificatieschema kunnen hanteren.

Duikarbeid is een risicovolle beroepsactiviteit. Om het maatschappelijke belang – veiligheid en gezondheid van en rondom de arbeid – te waarborgen, is door de overheid gekozen voor een wettelijk verplichte certificatieregeling voor de borging van de vakbekwaamheid van duikerartsen.

Dit werkveldspecifieke certificatieschema wordt aangeduid als WSCS-WOD-A, Persoonscertificaat duikerarts. Het certificatieschema is door de Stichting werken onder overdruk (SWOD), als beheerstichting goedgekeurd en aangeboden aan het Ministerie van Sociale Zaken. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelt het schema vast. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan wijzigingen aanbrengen in de vastgestelde documenten. Dit schema vervangt eerdere versies.

Binnen het kader van dit certificatieschema zijn actief:

De risico’s bij het verrichten van duikwerkzaamheden liggen op het gebied van:

De werknemer moet over de geestelijke en lichamelijke geschiktheid beschikken om werk onder overdruk te kunnen verrichten. Deze geschiktheid kan worden vastgesteld in een onderzoek voorafgaand aan het verrichten van de werkzaamheden (inkeuring). Door de lichamelijke belasting die werk onder overdruk met zich meebrengt en door verouderingsverschijnselen, kan de geschiktheid mettertijd afnemen. Hierop wordt toegezien door jaarlijks herhaalde onderzoeken (herkeuringen).

De afzonderlijke risicofactoren treden vaak in onderlinge combinatie en per definitie in combinatie met de onderdompeling in water op. De gevolgen van een incident kunnen daarom zeer ernstig zijn en vereisen door de natuurkundige en lichamelijke verschijnselen in verband met de overdruk een specifieke behandeling. Voor de behandeling van incidenten onder overdruk is een gedegen kennis van de aard van de duikarbeid, duikerziekten en behandeling in compressiefaciliteiten noodzakelijk.

Een meer omvangrijke risicoanalyse is opgenomen in het document Werkveldspecifiek document voor aanwijzing en toezicht op de certificerende instellingen belast met persoonscertificatie op het gebied van duikarbeid (WDAT-WOD-P).

Dit reglement omschrijft de procedures die relevant zijn voor de juiste toepassing van het specifieke schema. Hierbij moet gedacht worden aan onder meer de procedures van de aanvraag, examinering, de wijze waarop de uitslag bekend gemaakt wordt en condities met betrekking tot de certificatie, afgifte van certificaten, procedures bij het uitvoeren van beoordelingen, klachtenafhandeling en het indienen van verzoeken om herziening.

De aanvrager dient in overeenstemming met dit certificatiereglement een aanvraag tot (her)certificatie in voor het persoonscertificaat duikerarts (WSCS-WOD-A) bij een CKI. Vervolgens verstrekt de certificerende instelling alle relevante informatie over de gang van zaken bij het gehele certificatieproces.

De certificatiebeslissing wordt genomen door een functionaris van de certificerende instelling die niet betrokken is geweest bij de beoordeling van de kandidaten. Hij is daartoe gekwalificeerd en aangesteld conform het kwaliteitssysteem en de procedures die de certificatie-instelling heeft op grond van het werkveldspecifieke schema voor aanwijzing en toezicht.

De geldigheidsduur van het certificaat is op grond van de risicoanalyse vier jaar. De risico’s van de werkzaamheden worden beperkt door praktische bedrevenheid in de verrichtingen en bekendheid met de technieken en de werkzaamheden bij duikarbeid. Gedurende deze periode van vier jaar is het voor de certificaathouder noodzakelijk om de doorlopende beroepservaring te onderhouden en te ontwikkelen. De geldigheidsduur van het certificaat is wettelijk vastgelegd in artikel 6.3a lid 2 van de Arbeidsomstandighedenregeling.

Met betrekking tot de geldigheid van het certificaat worden nadere condities gesteld. Als niet aan de condities wordt voldaan, dan heeft dat consequenties voor het certificaat. De condities en de wijze van toezicht daarop door de certificerende instelling worden beschreven in deel II van het certificatieschema.

Een adequate behandeling van klachten is belangrijk voor het creëren van vertrouwen in certificatie en belangrijk voor de bescherming van zowel de certificaathouders als de gebruikers van certificaten.

Aan een CKI worden onder meer de volgende eisen gesteld:

Indien de CKI klachten van derden, zoals een opdrachtgever, ontvangt over het voldoen aan dit schema door het bedrijf of de persoon die een aanvraag voor het certificaat heeft ingediend of certificaathouder is, dient de CKI de klager te verwijzen naar het bedrijf of de persoon. De CKI dient de klacht te betrekken bij de eerstvolgende beoordeling bij het betreffende bedrijf of de betreffende persoon.

Echter, indien het naar de mening van de CKI een ernstige klacht betreft, dient de CKI, naast de behandeling door het bedrijf of de persoon, zelf ook direct te beoordelen of de klacht gevolgen dient te hebben voor de beslissing m.b.t. certificatie.

In dat geval dient de CKI af te wegen of het gewenst is een extra beoordeling uit te voeren. De kosten van deze extra beoordeling komen in beginsel voor rekening van de certificaathouder.

Inleiding

In deze werkinstructie wordt de afhandeling van een klacht besproken. Voor iedere afzonderlijke klacht wordt een apart klachtenformulier ingevuld.

Werkwijze

Wanneer iemand probeert een klacht telefonisch of mondeling te melden, wordt aan hem/haar gevraagd deze schriftelijk te verwoorden. Als een klacht schriftelijk binnenkomt wordt deze meteen naar de kwaliteitsmanager gebracht en indien de klachtafhandelaar duidelijk is krijgt hij/zij meteen een kopie van de klacht.

De kwaliteitsmanager registreert de klacht op een klachtenformulier en stelt de directeur CKI op de hoogte van de klacht. De directeur van de CKI wijst de klachtafhandelaar aan. De kwaliteitsmanager vermeldt de klachtafhandelaar op het klachtenformulier en brengt de klachtafhandelaar schriftelijk op de hoogte van de klacht. De klachtafhandelaar informeert de indiener van de klacht schriftelijk over de ontvangst van de klacht.

Eenvoudige zaken

Klachtafhandelaar stuurt klacht door naar betrokken bedrijf/persoon; stelt indiener op de hoogte legt dossier aan tbv voortgangsbewaking en meenemen afhandeling klacht door bedrijf/persoon bij eerstvolgende beoordeling.

Ernstige klachten

Klachtafhandelaar beoordeelt de klacht en stelt vast of de klacht een incident betreft of dat de klacht moet leiden tot een aanpassing in de werkwijze.

Indien het een incident betreft, wordt de indiener daarvan op de hoogte gesteld. De klachtafhandelaar bedenkt samen met de indiener binnen drie weken na het indienen van de klacht een oplossing voor de afhandeling en betrekt bedrijf/persoon hierbij.

De oplossing zoals die met de indiener is besproken wordt vastgelegd op het klachtenformulier. Hier wordt tevens vermeld dat het gaat om een incident.

Indien de klacht een aanpassing van de werkwijze vergt bedenkt de klachtafhandelaar binnen 10 dagen een verbetervoorstel en bespreekt dit met de kwaliteitsmanager en betrekt bedrijf/persoon hierbij. Het verbetervoorstel moet een structurele verbetering inhouden van de werkwijze. Het verbetervoorstel wordt ingevuld op het klachtenformulier.

De klachtafhandelaar stelt de indiener op de hoogte van de afhandeling van de klacht.

De kwaliteitsmanager maakt de gewijzigde werkwijze bekend.

De kwaliteitsmanager start, indien nodig, een vervolgonderzoek naar de invoering van het verbetervoorstel. De bevindingen worden vastgelegd op het klachtenformulier. Het klachtenformulier wordt gearchiveerd.

Onderstaand worden de stappen beschreven die nodig zijn voor het afhandelen van een bezwaarschrift. Een dergelijk bezwaarschrift kan bijvoorbeeld ingediend worden tegen besluiten van de CKI inzake het niet (opnieuw) verlenen, schorsen of intrekken van een certificaat.

Algemeen:

Het bezwaar wordt niet-ontvankelijk verklaard:

De certificerende instelling registreert de gegevens van de certificaathouder. Deze gegevens worden tenminste zo vaak als mutaties zich voordoen elektronisch verzonden aan het de beheerstichting. De overeenkomst met de certificerende instelling zal voorschrijven welk digitale formaat de toelevering van gegevens moet hebben, zodat de gegevens kunnen worden gebruikt voor het SWOD Certificaatregister. Dit register wordt opgezet in overeenstemming met wettelijke bepalingen en wordt via internet toegankelijk gemaakt. De beheerstichting is verantwoordelijk voor het beheer van het register, doch draagt geen aansprakelijkheid voor eventuele onvolkomenheden.

Het CCvD WOD moet zorgen voor eenduidige norminterpretatie van dit certificatieschema. Toch kan het voorkomen dat er in de operationele fase verschillende interpretaties bestaan van één of meerdere in werkveldspecifieke certificatieschema’s gehanteerde begrippen. Mocht het gebeuren dat certificaathouders, certificerende instellingen of andere belanghebbenden uiteenlopende definities hanteren en hierover meningsverschillen bestaan, dan moeten afwijkende interpretaties worden voorgelegd aan het college.

De kandidaat die beschikt over een certificaat waarvan de geldigheidsduur is verlopen en/of niet voldoet aan de eisen gesteld aan de procedure tot hercertificatie, moet een initiële certificatie aanvragen. De CKI gaat dan over tot het vaststellen van het theorie-examen en praktijkexamen waarmee de vakbekwaamheid van de kandidaat kan worden getoetst. De kandidaat dient te voldoen aan de gestelde entree-eisen.

De CKI houdt hierbij rekening met het volgende:

Dit reglement bevat bepalingen voor de voorbereiding, uitvoering en beoordeling van examens ten behoeve van het persoonscertificaat duikerarts (WSCS-WOD-A).

Het examenreglement is onderdeel van het certificatieschema duikerarts. De examinering geschiedt onder verantwoordelijkheid van de certificerende instelling en bestaat uit de volgende onderdelen:

Het examen wordt door de certificerende instelling afgenomen.

De certificerende instelling stelt haar werkwijze rond de examens nader vast in een uitvoeringsbesluit ten aanzien van het examenreglement. Het uitvoeringsbesluit bevat ten minste de volgende bepalingen:

Het examenpersoneel moet voldoen aan de algemene en vakinhoudelijke eisen alsmede onafhankelijkheidseisen die zijn gesteld in het Werkveldspecifieke document voor aanwijzing en toezicht voor CKI’s bij persoonscertificatie (WDAT-WOD-P).

In aanvulling op het WDAT-WOD-P gelden voor de examinator die betrokken is bij de beoordeling van het praktijkexamen de volgende eisen, waaruit de deskundigheid blijkt:

De medewerkers van de certificerende instelling dragen zorg voor de absolute geheimhouding van de examenopgaven. De handhaving van de geheimhouding geschiedt vanuit de certificerende instelling.

De eisen die gesteld worden aan de examenlocatie voor het theorie-examen zijn:

De eisen ten aanzien van de examenmiddelen voor het theorie-examen zijn:

Het theorie-examen wordt afgenomen in de Nederlandse taal. Het theorie-examen wordt in beginsel schriftelijk afgenomen. Het afnemen van een examen op andere wijze behoeft voorafgaande instemming van het Centraal College van Deskundigen. Op indicatie van de certificerende instelling wordt het examen bij kandidaten met buitenlandse voorkwalificaties afgenomen in de Engelse taal.

De eisen ten aanzien van de faciliteiten voor het praktijkexamen worden nauwkeurig uitgewerkt door de certificerende instelling.

Indien de beheerstichting met meerdere certificerende instellingen samenwerkt op onderhavig WSCS, wordt onder verantwoordelijkheid van de beheerstichting een centrale itembank ingericht.

In de centrale itembank worden meerdere versies van de examenopgaven, opdrachten en casus voor het praktijkeindexamen vastgelegd. Het theorie-examen bevat generieke toetsopdrachten en het praktijkeindexamen bevat daarentegen specifieke toetsopdrachten. Het gebruik van de centrale itembank moet ervoor zorgen dat de kandidaten bij verschillende certificerende instellingen gelijkwaardige examens afleggen. De certificerende instellingen moeten medewerken aan de totstandkoming van de centrale itembank.

De beheerstichting stelt nadere regels ten aanzien van de aanvraag voor de aanlevering van examenversies uit de centrale itembank, de samenstelling van versies, de aanlevering op de examenlocatie en het onderhoud van de centrale itembank.

Het toezicht heeft tot doel om de vakbekwaamheid van gecertificeerd personeel te borgen. De certificerende instelling is verplicht te beoordelen of de certificaathouder blijft voldoen aan de gestelde eisen. Alhoewel de certificerende instelling normaliter geen tussentijds toezicht uitvoert vanwege de beperkte geldigheidsduur van vier jaar, moet de certificerende instelling in bepaalde situaties wel tussentijds toezicht uitvoeren. Deze situaties zijn nader uitgewerkt in paragraaf 6.2. De certificaathouder is verplicht mee te werken aan toezicht door de certificatie-instelling, de nationale accreditatie-instelling en de Inspectie SZW.

In de overeenkomst tussen de certificerende instelling en de certificaathouder worden de hiertoe benodigde bepalingen opgenomen, waartoe ten minste de volgende verplichtingen van de certificaathouder behoren:

De CKI voert indien nodig tussentijdse controles uit. De CKI moet een certificaathouder in elk geval tussentijds controleren in de volgende situaties:

De risico’s van de werkzaamheden worden beperkt door praktische bedrevenheid in de verrichtingen en bekendheid met de technieken en de werkzaamheden bij duikarbeid. Gedurende de periode van vier jaar is het voor de certificaathouder noodzakelijk om de doorlopende beroepservaring te onderhouden en te ontwikkelen.

De beoordeling van de doorlopende beroepservaring maakt deel uit van de hercertificatie. De certificaathouder geeft de CI inzage in zijn doorlopende jaarlijkse beroepservaring door een jaarlijks overzicht te overleggen van verrichtte her- dan wel inkeuringen en studiepunten. Hierdoor kan de CI de doorlopende beroepservaring met het oog op hercertificatie tijdig bijhouden

De CKI maakt een plan voor de uitvoering van een controle, zoals bedoeld in paragraaf 6.2.

Het plan beschrijft ten minste:

Het plan wordt schriftelijk aan de certificaathouder kenbaar gemaakt. De certificaathouder moet binnen zes weken na de aankondiging zijn medewerking verlenen aan de uitvoering van de controle.

Indien de certificerende instelling inzage neemt in het overzicht van dossiers van de certificaathouder, dan wordt ingegaan op de wijze van administreren en aanwezigheid van onlogische gegevens.

Indien de certificerende instelling de beoordeling van een praktijkverrichting noodzakelijk acht, dan moet de keuze van de vereiste verrichting beargumenteerd in verhouding staan tot de aanleiding voor de controle en de eindtermen en toetstermen van het certificatieschema.

Het uitvoeringsplan kan in overleg met de certificaathouder tot stand komen met betrekking tot het tijdstip. Het uitvoeringsplan beschrijft verder de locatie en de partij die het materieel, de medische behandelkamer en eventueel de duikploeg ter beschikking stelt en de partij die de verantwoordelijkheid over het materieel, de duikploeg en de verrichtingen van de certificaathouder draagt. De partij waarmee wordt samengewerkt is naar keuze van de certificerende instelling. De praktijkverrichting die in de controle betrokken wordt, moet worden beoordeeld volgens de eisen van het certificatieschema.

De certificerende instelling maakt een verslag van de bevindingen naar aanleiding van de controles in het kader van het tussentijds toezicht. In het verslag wordt ingegaan op:

Het verslag wordt ter beschikking gesteld van de certificaathouder. Tegen de eventueel opgelegde maatregel kan de certificaathouder overeenkomstig paragraaf 4.7 een verzoek tot herziening indienen.

De certificerende instelling besluit tot schorsing van een certificaat, indien de certificaathouder:

Indien blijkt dat de certificaathouder een tijdelijke tekortkoming, bedoeld onder de punten 3 en 4, heeft, dan wordt hij binnen een redelijke termijn in de gelegenheid gesteld om de tekortkoming te corrigeren door een nadere opleiding of praktijkervaring en een daarop volgende examinering. De schorsing wordt opgeheven, indien de certificaathouder de tekortkoming heeft gecorrigeerd.

De schorsing wordt verder opgeheven, indien de certificaathouder heeft voldaan aan de verplichtingen genoemd onder de punten 1, 2 en 5, of het misbruik van het beeldmerk heeft gestaakt en de eventuele schade heeft hersteld.

De schorsing als mede de opheffing van de schorsing wordt onmiddellijk verwerkt in het openbaar register van de beheerstichting.

De certificerende instelling besluit tot intrekking van een certificaat, indien de certificaathouder:

Indien een certificaathouder na een intrekking opnieuw gecertificeerd wil worden, wordt dezelfde procedure doorlopen als bij initiële certificatie. Bij het opleggen van een sanctie geeft de certificerende instelling aan en registreert hij dat na een periode van één jaar certificatie weer is toegestaan. Een verzoek tot hercertificatie kan worden ingediend vanaf één jaar na intrekking van het certificaat. De certificerende instelling verifieert voorafgaand aan de verstrekking van een certificaat in het centraal register of er geen sprake is van een intrekking met de daaraan gekoppelde wachtperiode.

De intrekking wordt onmiddellijk verwerkt in het openbaar register van de beheerstichting.

De certificerende instelling besluit tot weigering van een certificaat, indien de certificaathouder:

De weigering van een hercertificatie wordt onmiddellijk verwerkt in het openbaar register van de beheerstichting.

De certificerende instelling moet onmiddellijk bij de Inspectie SZW melding maken van de haar bekende feiten ten aanzien van een kandidaat of certificaathouder in de volgende gevallen:

De vakbekwaamheid die gecertificeerd wordt, betreft de beoordeling van de lichamelijk en geestelijke geschiktheid van personen die worden belast met het verrichten van duikarbeid. In het werkveld van arbeid onder overdruk wordt onderscheiden:

Voor alle vormen van duikarbeid is het noodzakelijk dat de persoon die met die arbeid belast wordt, in een zodanige lichamelijke en geestelijk toestand verkeert, dat hij in staat is de gevaren, die verbonden zijn aan de door hem te verrichten arbeid, te onderkennen en zo mogelijk te voorkomen of te beperken. Een persoon mag daarom slechts duikarbeid verrichten als uit arbeidsgezondheidskundig onderzoek blijkt dat het verrichten van die arbeid op medische gronden toelaatbaar is.

De geschiktheid wordt aangetoond met een bewijs van geschiktheid tot het verrichten van duikarbeid, dat is afgegeven door een duikerarts. Als blijkt dat een persoon slechts in beperkte mate in staat is om bepaalde vormen van duikarbeid te verrichten, dan moet het bewijs van geschiktheid beperkende voorschriften bevatten.

Ten aan zien van het arbeidsgezondheidskundig onderzoek wordt een onderscheid gemaakt tussen een initieel onderzoek (inkeuring) en een periodiek onderzoek (herkeuring). De inkeuring moet voorafgaand aan het verrichten van duikarbeid gedaan worden. Bij een herkeuring wordt vervolgens iedere twaalf maanden beoordeeld of de persoon blijft voldoen aan de voorwaarden die gesteld worden aan zijn lichamelijke en geestelijk toestand.

De herkeuring moet worden uitgevoerd door een duikerarts die in bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid om een herhaling van het arbeidsgezondheidskundig onderzoek bij personen die worden belast met het verrichten van duikarbeid uit te voeren (duikerarts A)..

De duikerarts die het initiële arbeidsgezondheidskundig onderzoek bij personen die belast worden met het verrichten van duikarbeid uitvoert, dan wel een klinische behandeling na een duikmedisch incident uitvoert, dan wel optreedt als duikmedisch begeleider dan wel als duikmedisch adviseur moet in het bezit zijn van het certificaat duikerarts B. Voor deze werkzaamheden gelden namelijk zwaardere eisen.

Het certificatieschema beschrijft de eisen die gesteld worden aan:

De kandidaat wordt toegelaten tot het certificatieproces ter verkrijging van het wettelijk vereiste persoonscertificaat duikerarts, indien hij voldoet aan de volgende entreecriteria:

Ter verkrijging van de aantekening van bekwaamheid duikerarts B voldoet de kandidaat bovendien aan de volgende aanvullende entreecriteria:

De certificerende instelling heeft tot taak om in samenspraak met een examinator op onderhavig WSCS te bepalen of en in hoeverre een in het buitenland afgeronde opleiding tot duikerarts in Nederland door de medische beroepsvereniging erkend wordt. In het verlengde daarvan kan de certificerende instelling bepalen welke eventuele aanvullingen op het opleidingsniveau van de kandidaat noodzakelijk zijn.

De kandidaat voldoet aan de volgende eindtermen en is dientengevolge vakbekwaam:

Ter verkrijging van de aantekening van bekwaamheid duikerarts B voldoet de kandidaat bovendien de volgende aanvullende eindtermen:

In de omschrijving van de eind- en toetstermen wordt gesproken over basale kennis, uitgebreide kennis en expertise. Deze drie indicaties van het kennisniveau zijn ontleend aan de ‘Diving Industry Personnel Competence Standards’, die zijn uitgegeven door het European Diving Technology Committee in maart 2003. In dit certificatieschema worden de kennisniveaus als volgt geïnterpreteerd:

De certificerende instelling draagt er zorg voor dat de toetstermen minimaal blijven voldoen aan de vigerende EDTC regeling. De certificerende instelling hanteert een standaardmethodiek om te beoordelen of de kandidaat voldoet aan de eindtermen. De vakbekwaamheid van de kandidaat wordt getoetst aan de volgende toetscriteria:

Ter verkrijging van de aantekening van bekwaamheid in het uitvoeren van de duikerarts B toetst de certificerende instelling bovendien aan de volgende aanvullende toetscriteria:

Het voldoen aan de toetstermen wordt beoordeeld door een schriftelijk examen, een praktijkexamen en een verrichtingenboekje. Het schriftelijk examen duurt maximaal 1,5 uur. Aan de hand van iedere examenopgave wordt de kennis van de kandidaat ten aanzien van elk van de toetstermen getoetst. De kandidaat kan maximaal 200 punten volgens de onderstaande tabel behalen.

Weging van de toetstermen duikerarts A:

De toetstermen 5.1 en 6.1 worden getoetst door controle van het verrichtingenboekje van de kandidaat. Het verrichtingenboekje moet worden afgetekend door de duikploegleider in het geval van bijgewoonde duikwerkzaamheden en door een duikerarts in categorie B in geval van een demonstratie in een compressiefaciliteit. De verrichtingen ten behoeve van de toetstermen 5.1 en 6.1 omvatten gezamenlijk ten minste 3 praktijkuren van de kandidaat. De kandidaat kan met het verrichtingenboekje 50 punten per toetsterm, dus in totaal 100 punten behalen.

Ter verkrijging van de aantekening van bekwaamheid in het uitvoeren van de initiële duikmedische keuring en het uitvoeren van een klinische behandeling na een duikmedisch incident moet een specifiek examen worden afgelegd. Het examen bestaat uit een schriftelijk en mondeling gedeelte. Het schriftelijk examen duurt maximaal 1,5 uur en bestaat uit 5 hoofdonderdelen waarvoor in totaal 150 punten behaald kunnen worden volgens onderstaande tabel.

Aanvullende weging van de toetstermen duikerarts B:

Het mondelinge gedeelte van het examen bestaat uit de beoordeling van de wijze waarop de kandidaat zich op de hoogte houdt van ontwikkelingen op het vakgebied en zijn praktijkervaring op de duiklocatie en in een klinische omgeving. Het mondelinge examen duurt maximaal 1,5 uur. De onderwerpen worden weergegeven door de toetstermen 11, 12 en 13. De bespreking van de verrichtingenboekje maakt deel uit van het mondeling examen. De kandidaat moet de bestudeerde cases in de samenhang van de theorie van de toetstermen 7, 8, 9 en 10 kunnen plaatsen. De supervisie en eindbeoordeling is in handen van een gecertificeerde duikerarts in categorie B, die bovendien buiten de examinering geen functionele relatie met de kandidaat heeft.

Toetsterm 9.2 wordt getoetst door een praktijkexamen dat bestaat uit minimaal 10 praktijkuren waarbij de kandidaat onder toezicht van een gecertificeerde duikerarts bij ten minste 5 patiënten een inkeuring uitvoert. De supervisie en eindbeoordeling is in handen van een gecertificeerde duikerarts in categorie B, die bovendien buiten het praktijkexamen geen functionele relatie met de kandidaat heeft. De kandidaat kan met het praktijkexamen maximaal 100 punten behalen.

Toetsterm 11 wordt getoetst op grond van behaalde studiepunten. Iedere deelname aan een congres of publicatie levert per publicatie, per dag of gedeelte daarvan 15 studiepunt op. Het behalen van het studiepunt wordt door de kandidaat aangetoond door de publicatie, een bewijs van aanwezigheid of een verslag van de gebeurtenis die wordt opgevoerd. De kandidaat moet in het jaar voorafgaand aan de certificatie 30 studiepunten hebben behaald. Als de kandidaat 4 of meer gebeurtenissen opvoert is het maximale aantal punten 50. Toetstermen 12 en 13 worden getoetst door controle van het verrichtingenboekje. Het verrichtingenboekje moet zijn afgetekend door een leidinggevende in het geval werksituaties onder overdruk. In het geval van bijgewoonde klinische behandelingen van duikincidenten moet het verrichtingenboekje zijn afgetekend door een duikerarts in categorie B. Op grond van het verrichtingenboekje kunnen maximaal 100 punten worden behaald. De praktijkervaring die wordt getoetst in het kader van toetsterm 9.2, 12.1 en 13.1 omvatten gezamenlijk ten minste 10 praktijkuren van de kandidaat.

De uitslagregel van het examen wordt geregeld in de centrale itembank en in het uitvoeringsbesluit van de CKI.

Voor de vervolgafgifte van het wettelijk verplichte persoonscertificaat duikerarts gelden de volgende toetstermen:

Om bij hercertficatie opnieuw de aantekening van bekwaamheid in het uitvoeren van het initiële arbeidsgezondheidskundige onderzoek te verkrijgen, moet de kandidaat bovendien voldoen aan de volgende toetstermen:

De hercertificatie wordt beoordeeld door middel van een documentenonderzoek en het aantonen van studiepunten. Het documentenonderzoek ten aanzien de praktijkervaring levert de kandidaat per opgevoerde keuring 5 punten, doch gezamenlijk maximaal 100 punten op en bestaat uit:

De kandidaat moet aantonen dat hij op de hoogte blijft van nieuwe ontwikkelingen op zijn vakgebied en dat hij zijn vakkennis voortdurend uitbreidt. Hij doet dit door publicaties, deelname aan cursussen, seminars en congressen. Iedere deelname aan een congres, publicatie of dag waarop op het vakgebied geaccrediteerd onderwijs is gegeven levert 15 studiepunt op. Het behalen van het studiepunt wordt door de kandidaat aangetoond door de publicatie of een verslag van de gebeurtenis die wordt opgevoerd. De kandidaat moet in de 2 kalenderjaren voorafgaand aan de certificatie 30 studiepunten hebben behaald. Als de kandidaat 4 of meer gebeurtenissen opvoert is het maximale aantal punten 50.

De kandidaat moet de documenten volledig aan de certificerende instelling overleggen. De certificerende instelling mag desalniettemin het initiatief nemen om de documenten aan te vullen of te verifiëren bij de instantie die de documenten heeft afgegeven. De certificerende instelling kan de kandidaat uitnodigen voor een toelichtend gesprek. De certificerende instelling moet met ten minste 30% van de kandidaten een toelichtend gesprek voeren en iedere kandidaat moet minstens eens in de twaalf jaar een toelichtend gesprek gevoerd hebben.

Het toelichtende gesprek vindt plaats nadat de kandidaat de bewijzen voor het documentenonderzoek en de studiepunten heeft aangetoond. In het toelichtende gesprek wordt het overzicht van de uitgevoerde duikmedische keuringen doorgenomen en in verband gebracht met de toetstermen 1 tot en met 4. De toetstermen 1.1 en 4.1 nemen hierbij de voornaamste positie in. Het toelichtende gesprek duurt maximaal 1,5 uur en levert de kandidaat maximaal 150 punten op volgende verdeling:

De hercertificatie met de aantekening van bekwaamheid in het uitvoeren van het duikerarts B wordt beoordeeld door middel van een documentenonderzoek bestaande uit:

De kandidaat moet de documenten volledig aan de certificerende instelling overleggen. De certificerende instelling mag desalniettemin het initiatief nemen om de documenten aan te vullen of te verifiëren bij de instantie die de documenten heeft afgegeven. De certificerende instelling kan de kandidaat uitnodigen voor een toelichtend gesprek. De certificerende instelling moet met ten minste 30% van de kandidaten een toelichtend gesprek voeren en iedere kandidaat moet minstens eens in de twaalf jaar een toelichtend gesprek gevoerd hebben.

Om de aantekening van bekwaamheid in het uitvoeren van het initiële arbeidsgezondheidskundige onderzoek opnieuw te verkrijgen, moet de kandidaat reeds in het bezit zijn van een geldig certificaat duikerarts met diezelfde aantekening.

De cesuur van de beoordeling wordt nader vastgelegd in de centrale itembank en in het uitvoeringsbesluit van de CKI.

Op het certificaat moeten minimaal de volgende gegevens vermeld zijn:

Op het certificaat wordt de tekst opgenomen dat de certificerende instelling verklaart dat de betreffende persoon voldoet aan eisen van het normdocument WSCS-WOD-A Persoonscertificaat duikerarts en dientengevolge als duikerarts vakbekwaam is in het uitvoeren van het periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek bij personen die duikarbeid verrichten.

Hieraan wordt in de gevallen van certificatie met aantekening de tekst toegevoegd dat de bekwaamheid mede betreft het initiële arbeidsgezondheidskundig onderzoek bij personen die belast worden met duikarbeid.

De tekst vermeldt tevens of het certificaat is afgeven op grond van een initiële certificatie of een hercertificatie.

Gedurende de looptijd gelden de volgende condities waar de certificaathouder zich aan moet houden. Indien niet voldaan wordt aan deze condities kan dit consequenties hebben voor het certificaat.

Het certificaat kan worden geschorst wanneer de certificaathouder geen relevante werkervaring kan aantonen.

Document: WSCS-WOD-L: 2012, versie 1

Onder beheer van:

Stichting Werken Onder Overdruk (SWOD)

Dit werkveldspecifieke certificatieschema voor personen is door het Centraal College van Deskundigen ‘Werken onder overdruk’ opgesteld. Het betreft certificatie op het gebied van het leidinggeven aan een duikploeg. Het bestuur van de Stichting werken onder overdruk (SWOD) heeft het schema goedgekeurd. Dit schema is vastgesteld door het Ministerie van Sociale Zaken en vervangt eerdere versies.

De te certificeren vakbekwaamheid betreft het optreden als duikploegleider. Het certificaat duikploegleider is wettelijk vereist op grond van artikel 6.16 lid 3 van het Arbeidsomstandighedenbesluit. De duikploegleider geeft leiding aan een duikploeg waarin door ten minste één persoon duikarbeid wordt verricht. Onder duikarbeid wordt in overeenstemming met artikel 6.13 lid 1 onder letter a van het Arbeidsomstandighedenbesluit verstaan het verrichten van arbeid in een vloeistof of in een gesloten duikklok met inbegrip van het verblijf in die vloeistof of in die gesloten duikklok, waarbij voor de ademhaling gebruik wordt gemaakt van een gas onder een hogere druk dan de atmosferische druk.

Het certificatiesysteem van de CKI moet zijn gestructureerd in overeenstemming met de eisen uit WDAT-WOD-P.

Het is mogelijk dat enkele gedefinieerde begrippen of afkortingen niet letterlijk in de tekst van het certificatieschema voorkomen, maar deze begrippen of afkortingen zijn toch in de definitielijst opgenomen in verband met het feit dat de beheerstichting en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid deze begrippen of afkortingen in direct verband tot dit certificatieschema kunnen hanteren.

Indien de definities in dit document afwijken van de definities in ISO/IEC 17024 en mandatory documents, gelden de definities van dit document.

Duikarbeid is een risicovolle beroepsactiviteit. Om het maatschappelijke belang – veiligheid en gezondheid van en rondom de arbeid – te waarborgen, is door de overheid gekozen voor een wettelijk verplichte certificatieregeling voor de borging van de vakbekwaamheid van personen die leiding geven aan een duikploeg.

Dit werkveldspecifieke certificatieschema wordt voluit aangehaald als persoonscertificaat duikploegleider. De verkorte aanduiding is WSCS-WOD-L.

Het certificatieschema is door de Stichting werken onder overdruk (SWOD), als beheerstichting goedgekeurd en aangeboden aan het Ministerie van Sociale Zaken. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelt het schema vast. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan op eigen initiatief wijzigingen aanbrengen in de vastgestelde documenten. Dit vastgestelde schema vervangt daarmee eerdere versies.

Binnen het kader van dit certificatieschema zijn actief:

De risico’s bij het verrichten van duikwerkzaamheden liggen op het gebied van:

De afzonderlijke risicofactoren treden vaak in onderlinge combinatie en per definitie in combinatie met de onderdompeling in een vloeistof op. De gevolgen van een incident kunnen daarom zeer ernstig zijn. In de praktijk blijken de naleving van voorschriften en het gebruik van deugdelijk duik- en caissonmaterieel de belangrijkste factoren ter voorkoming van incidenten te zijn.

Deze incidenten kunnen worden voorkomen door:

Het is voor de veiligheid en gezondheid van de duiker van belang dat de arbeids- en rusttijden worden nageleefd en dat onder alle omstandigheden effectief leiding wordt gegeven aan de duikploeg. De duikploegleider ziet toe op het naleven van de verantwoordelijkheid van de duiker dat hij psychisch en fysiek gereed is voor de werkzaamheden. De duikploegleider ziet toe op de geldigheid van de certificaten van de duikploeg. De duiker is verantwoordelijk dat hij psychisch en fysiek gereed is voor de werkzaamheden. Indien de (reserve)duiker twijfels heeft over zijn gereedheid dan wel zeker weet dat hij niet gereed is voor duikwerkzaamheden moet hij dit terstond melden aan de duikploegleider. De persoon die duikarbeid verricht, is daarnaast afhankelijk van materieel en van de andere leden van de duikploeg. De duikploegleider ziet erop toe dat de duikploeg en het duikmaterieel goed worden ingezet.

Dit reglement omschrijft de procedures die relevant zijn voor de juiste toepassing van het specifieke schema. Hierbij moet gedacht worden aan onder meer de procedures van de aanvraag, toelating, examinering, de wijze waarop de uitslag bekend gemaakt wordt en condities met betrekking tot de certificatie, afgifte van certificaten, procedures bij het uitvoeren van beoordelingen, klachtenafhandeling en het indienen van verzoeken om herziening.

De kandidaat dient in overeenstemming met dit certificatiereglement een aanvraag in voor (her)certificatie voor het persoonscertificaat duikploegleider (WSCS-WOD-L) bij een CKI. Vervolgens verstrekt de CKI alle relevante informatie over de gang van zaken bij het gehele certificatieproces.

De certificatiebeslissing wordt genomen door een functionaris van de CKI die niet betrokken is geweest bij de beoordeling van de kandidaten. Hij is daartoe gekwalificeerd en aangesteld conform het kwaliteitssysteem en de procedures die de certificatie-instelling heeft op grond van het werkveldspecifieke schema voor aanwijzing en toezicht.

De geldigheidsduur van het certificaat is op grond van de risicoanalyse vier jaar. De risico’s van de werkzaamheden worden beperkt door praktische bedrevenheid in het leidinggeven, vertrouwdheid met de werkomgeving en bekendheid met het functioneren van een duikploeg. Gedurende de periode van vier jaar is het voor de certificaathouder noodzakelijk om de doorlopende beroepservaring te onderhouden.

Met betrekking tot de geldigheid van het certificaat worden nadere condities gesteld. Als niet aan de condities wordt voldaan, dan heeft dat consequenties voor het certificaat. De condities en de wijze van toezicht daarop door de CKI worden beschreven in deel II van het certificatieschema.

Een adequate behandeling van klachten is belangrijk voor het creëren van vertrouwen in certificatie en belangrijk voor de bescherming van zowel de certificaathouders als de gebruikers van certificaten.

Aan een CKI worden onder meer de volgende eisen gesteld:

Indien de CKI klachten van derden, zoals een opdrachtgever, ontvangt over het voldoen aan dit schema door het bedrijf of de persoon die een aanvraag voor het certificaat heeft ingediend of certificaathouder is, dient de CKI de klager te verwijzen naar het bedrijf of de persoon. De CKI dient de klacht te betrekken bij de eerstvolgende beoordeling bij het betreffende bedrijf of de betreffende persoon.

Echter, indien het naar de mening van de CKI een ernstige klacht betreft, dient de CKI, naast de behandeling door het bedrijf of de persoon, zelf ook direct te beoordelen of de klacht gevolgen dient te hebben voor de beslissing m.b.t. certificatie.

In dat geval dient de CKI af te wegen of het gewenst is een extra beoordeling uit te voeren. De kosten van deze extra beoordeling komen in beginsel voor rekening van de certificaathouder.

Inleiding

In deze werkinstructie wordt de afhandeling van een klacht besproken. Voor iedere afzonderlijke klacht wordt een apart klachtenformulier ingevuld.

Werkwijze

Wanneer iemand probeert een klacht telefonisch of mondeling te melden, wordt aan hem/haar gevraagd deze schriftelijk te verwoorden. Als een klacht schriftelijk binnenkomt wordt deze meteen naar de kwaliteitsmanager gebracht en indien de klachtafhandelaar duidelijk is krijgt hij/zij meteen een kopie van de klacht.

De kwaliteitsmanager registreert de klacht op een klachtenformulier en stelt de directeur CKI op de hoogte van de klacht. De directeur van de CKI wijst de klachtafhandelaar aan. De kwaliteitsmanager vermeldt de klachtafhandelaar op het klachtenformulier en brengt de klachtafhandelaar schriftelijk op de hoogte van de klacht. De klachtafhandelaar informeert de indiener van de klacht schriftelijk over de ontvangst van de klacht.

Eenvoudige zaken

Klachtafhandelaar stuurt klacht door naar betrokken bedrijf/persoon; stelt indiener op de hoogte legt dossier aan tbv voortgangsbewaking en meenemen afhandeling klacht door bedrijf/persoon bij eerstvolgende beoordeling.

Ernstige klachten

Klachtafhandelaar beoordeelt de klacht en stelt vast of de klacht een incident betreft of dat de klacht moet leiden tot een aanpassing in de werkwijze.

Indien het een incident betreft, wordt de indiener daarvan op de hoogte gesteld. De klachtafhandelaar bedenkt samen met de indiener binnen drie weken na het indienen van de klacht een oplossing voor de afhandeling en betrekt bedrijf/persoon hierbij.

De oplossing zoals die met de indiener is besproken wordt vastgelegd op het klachtenformulier. Hier wordt tevens vermeld dat het gaat om een incident.

Indien de klacht een aanpassing van de werkwijze vergt bedenkt de klachtafhandelaar binnen 10 dagen een verbetervoorstel en bespreekt dit met de kwaliteitsmanager en betrekt bedrijf/persoon hierbij. Het verbetervoorstel moet een structurele verbetering inhouden van de werkwijze. Het verbetervoorstel wordt ingevuld op het klachtenformulier.

De klachtafhandelaar stelt de indiener op de hoogte van de afhandeling van de klacht.

De kwaliteitsmanager maakt de gewijzigde werkwijze bekend.

De kwaliteitsmanager start, indien nodig, een vervolgonderzoek naar de invoering van het verbetervoorstel. De bevindingen worden vastgelegd op het klachtenformulier. Het klachtenformulier wordt gearchiveerd.

Onderstaand worden de stappen beschreven die nodig zijn voor het afhandelen van een bezwaarschrift. Een dergelijk bezwaarschrift kan bijvoorbeeld ingediend worden tegen besluiten van de CKI inzake het niet (opnieuw) verlenen, schorsen of intrekken van een certificaat.

Algemeen:

Het bezwaar wordt niet-ontvankelijk verklaard:

De CKI registreert de gegevens van de certificaathouder. Deze gegevens worden tenminste zo vaak als mutaties zich voordoen elektronisch verzonden aan de beheerstichting. De overeenkomst met de CKI zal voorschrijven in welk digitaal formaat de toelevering van gegevens moet plaats vinden, zodat de gegevens kunnen worden gebruikt voor het SWOD Certificaatregister. Dit register wordt opgezet in overeenstemming met wettelijke bepalingen en wordt via internet toegankelijk gemaakt. De beheerstichting is verantwoordelijk voor het beheer van het register, doch draagt geen aansprakelijkheid voor eventuele onvolkomenheden.

Het Centraal College van Deskundigen ‘Werken onder overdruk’ moet zorgen voor eenduidige norminterpretatie van dit certificatieschema. Toch kan het voorkomen dat er in de operationele fase verschillende interpretaties bestaan van één of meerdere in werkveldspecifieke certificatieschema’s gehanteerde begrippen. Mocht het gebeuren dat certificaathouders, CKI’s of andere belanghebbenden uiteenlopende definities hanteren en hierover meningsverschillen bestaan, dan moeten afwijkende interpretaties worden voorgelegd aan het college.

De kandidaat die beschikt over een certificaat waarvan de geldigheidsduur is verlopen en/of niet voldoet aan de eisen gesteld aan de procedure tot hercertificatie, moet een initiële certificatie aanvragen. De CKI gaat dan over tot het vaststellen van het theorie-examen en praktijkexamen waarmee de vakbekwaamheid van de kandidaat kan worden getoetst. De kandidaat dient in elk geval te voldoen aan de gestelde entree-eisen.

De CKI houdt hierbij rekening met het volgende:

Dit reglement bevat bepalingen voor de voorbereiding, uitvoering en beoordeling van examens ten behoeve van het Persoonscertificaat duikploegleider (WSCS-WOD-L). Het examenreglement is onderdeel van het certificatieschema duikploegleider. Het examen wordt door de CKI afgenomen.

De examinering geschiedt onder verantwoordelijkheid van de CKI en bestaat uit de volgende onderdelen:

De CKI stelt haar werkwijze rond de examens nader vast in een uitvoeringsbesluit ten aanzien van het examenreglement. Het uitvoeringsbesluit bevat ten minste de volgende bepalingen:

Het examenpersoneel moet voldoen aan de algemene en vakinhoudelijke eisen alsmede onafhankelijkheidseisen die zijn gesteld in het Werkveldspecifieke document voor aanwijzing en toezicht voor CKI’s bij persoonscertificatie (WDAT-WOD-P).

In aanvulling op het WDAT-WOD-P gelden voor de examinator die betrokken is bij het praktijkexamen de volgende eisen, waaruit de deskundigheid blijkt:

De medewerkers van de CKI dragen zorg voor de absolute geheimhouding van de examenopgaven. De handhaving van de geheimhouding geschiedt vanuit de CKI.

De eisen die gesteld worden aan de examenlocatie voor het theorie-examen zijn:

De eisen ten aanzien van de examenmiddelen voor het theorie-examen zijn:

Het theorie-examen wordt in beginsel schriftelijk afgenomen in de Nederlandse taal. De eisen ten aanzien van de faciliteiten voor de demonstratie van de leidinggevende vaardigheid worden nauwkeurig uitgewerkt in de overeenkomst tussen de opleidingsinstelling en de CKI. De CKI ziet toe op de juiste inrichting, het onderhoud en juiste gebruik van de faciliteiten. De CKI kan hiertoe controles uitvoeren en zich laten bijstaan door externe adviseurs.

De faciliteiten voor de demonstratie van de leidinggevende vaardigheid en het praktijkexamen voldoen ten minste aan de volgende eisen:

Indien de beheerstichting met meerdere CKI’s samenwerkt op onderhavig WSCS, wordt onder verantwoordelijkheid van de beheerstichting een centrale itembank ingericht. In de centrale itembank worden meerdere versies van de examenopgaven, opdrachten en casus voor de demonstratie van de duikvaardigheid en het praktijkexamen vastgelegd. Het theorie-examen bevat generieke toetsopdrachten en het praktijkexamen bevat daarentegen specifieke toetsopdrachten.

Het gebruik van de centrale itembank moet ervoor zorgen dat de kandidaten bij verschillende CKI’s gelijkwaardige examens afleggen. De CKI’s moeten meewerken aan de totstandkoming van de centrale itembank.

De beheerstichting stelt nadere regels ten aanzien van de aanvraag voor de aanlevering van examenversies uit de centrale itembank, de samenstelling van versies, de aanlevering op de examenlocatie en het onderhoud van de centrale itembank.

Het toezicht heeft tot doel om de vakbekwaamheid van gecertificeerd personeel te borgen. De CKI is verplicht te beoordelen of de certificaathouder blijft voldoen aan de gestelde eisen. De CI voert in bepaalde situaties tussentijds toezicht uit. Deze situaties zijn nader uitgewerkt in paragraaf 6.2. De certificaathouder is verplicht mee te werken aan toezicht door de CKI, de nationale accreditatie-instantie en de Inspectie SZW.

In de overeenkomst tussen de CKI en de certificaathouder worden de hiertoe benodigde bepalingen opgenomen, waartoe ten minste de volgende verplichtingen van de certificaathouder behoren:

De CKI voert indien nodig tussentijdse controles uit. De CKI moet een certificaathouder in elk geval controleren in de volgende situaties:

De risico’s van de werkzaamheden worden beperkt door praktische bedrevenheid in het leidinggeven, vertrouwdheid met de werkomgeving en bekendheid met het functioneren van een duikploeg. De periode van twee jaar is voor de certificaathouder noodzakelijk om deze doorlopende beroepservaring te onderhouden. De controle van de doorlopende beroepservaring maakt deel uit van de hercertificatie. De certificaathouder geeft de ten minste twee jaarlijks CI inzage in zijn doorlopende beroepservaring van ten minste 20 duiken waaraan hij de leiding heeft gegeven voor subcategorie A1, A2 en B1 dan wel ten minste 30 duiken voor de overige subcategorieën waaraan hij de leiding heeft gegeven en door hiervan ten minste twee jaarlijks een overzicht te overleggen dan wel zodra aan deze eis van doorlopende beroepservaring per 24 maanden is voldaan.

De CKI maakt een plan voor de uitvoering van een controle, zoals bedoeld in paragraaf 6.2.

Het plan beschrijft ten minste:

Het plan wordt schriftelijk aan de certificaathouder kenbaar gemaakt. De certificaathouder moet binnen zes weken na de aankondiging zijn medewerking verlenen aan de uitvoering van de controle.

Indien de CKI inzage neemt in het duikploegleiderlogboek van de certificaathouder, dan wordt ingegaan op de volgende onderwerpen:

Indien de CKI de beoordeling van een praktijkverrichting noodzakelijk acht, dan moet de keuze van de vereiste verrichting beargumenteerd in verhouding staan tot de aanleiding voor de controle en de eindtermen en toetstermen van het certificatieschema.

Het uitvoeringsplan kan in overleg met de certificaathouder tot stand komen voor wat betreft tijdstip. Daarnaast beschrijft het plan tevens het de locatie en de partij die het materieel en de duikploeg ter beschikking stelt en de partij de verantwoordelijkheid over het materieel, de duikploeg en de verrichtingen van de certificaathouder draagt. De CKI treedt louter op als beoordelaar van de praktijkverrichting en er bestaat uit dien hoofde dan ook geen werkgever-werknemer. De partij waarmee wordt samengewerkt is naar keuze van de CKI De bepalingen van paragraaf 4.2 vinden hier overeenkomstige toepassing.

De praktijkverrichting die in de controle betrokken wordt, moet worden beoordeeld volgens de eisen van het certificatieschema.

De CKI maakt een verslag van de bevindingen naar aanleiding van de controles in het kader van het tussentijds toezicht. In het verslag wordt ingegaan op:

Het verslag wordt ter beschikking gesteld van de certificaathouder. Tegen de eventueel opgelegde maatregel kan de certificaathouder overeenkomstig paragraaf 4.7 een verzoek tot herziening indienen.

De certificerende instelling besluit tot schorsing van een certificaat, indien de certificaathouder:

Indien blijkt dat de certificaathouder een tijdelijke tekortkoming, bedoeld onder de punten 3 en 4, heeft, dan wordt hij binnen een redelijke termijn in de gelegenheid gesteld om de tekortkoming te corrigeren door een nadere opleiding of praktijkervaring en een daarop volgende examinering. De schorsing wordt opgeheven, indien de certificaathouder de tekortkoming heeft gecorrigeerd.

De schorsing wordt verder opgeheven, indien de certificaathouder heeft voldaan aan de verplichtingen genoemd onder de punten 1, 2 en 5, of het misbruik van het beeldmerk heeft gestaakt en de eventuele schade heeft hersteld.

De schorsing als mede de opheffing van de schorsing wordt onmiddellijk verwerkt in het openbaar register van de beheerstichting.

De certificerende instelling besluit tot intrekking van een certificaat, indien de certificaathouder:

Indien een certificaathouder na een intrekking opnieuw gecertificeerd wil worden, wordt dezelfde procedure doorlopen als bij initiële certificatie. Bij het opleggen van een sanctie geeft de certificerende instelling aan en registreert hij dat na een periode van één jaar certificatie weer is toegestaan. Een verzoek tot hercertificatie kan worden ingediend vanaf één jaar na intrekking van het certificaat. De certificerende instelling verifieert voorafgaand aan de verstrekking van een certificaat in het centraal register of er geen sprake is van een intrekking met de daaraan gekoppelde wachtperiode.

De intrekking wordt onmiddellijk verwerkt in het openbaar register van de beheerstichting.

De certificerende instelling besluit tot weigering van een certificaat, indien de certificaathouder:

De weigering van een hercertificatie wordt onmiddellijk verwerkt in het openbaar register van de beheerstichting.

De CKI moet onmiddellijk bij de Inspectie SZW melding maken van de haar bekende feiten ten aanzien van een kandidaat of certificaathouder in de volgende gevallen:

De vakbekwaamheid die gecertificeerd wordt, betreft het leiden van een duikploeg, waarin duikarbeid wordt verricht. Onder duikarbeid wordt verstaan het verrichten van arbeid in een vloeistof of in een gesloten duikklok met inbegrip van het verblijf in die vloeistof of in die gesloten duikklok, waarbij voor de ademhaling gebruik wordt gemaakt van een gas onder een hogere druk dan de atmosferische druk.

In het certificatieschema worden categorieën onderscheiden op grond van het gebruikte duikmaterieel, de maximaal bereikbare diepte en de aard van de omgeving waarin gedoken wordt. Het certificatieschema beschrijft de eisen die gesteld worden aan de vakbekwaamheid in de volgende categorieën:

duikploegleider, waarbij de aard van de werkzaamheden waaraan leiding gegeven wordt, vermeld wordt:

De kandidaat wordt toegelaten tot het certificatieproces ter verkrijging van het wettelijk vereiste persoonscertificaat duikploegleider, indien hij voldoet aan de volgende entreecriteria:

In de omschrijving van de eind- en toetstermen wordt gesproken over elementaire kennis en uitgebreide kennis. Deze indicaties van het kennisniveau worden in dit certificatieschema als volgt geïnterpreteerd:

De kandidaat is vakbekwaam als duikploegleider, indien hij voldoet aan de volgende eindtermen:

De CKI hanteert een standaardmethodiek om te beoordelen of de kandidaat voldoet aan de eindtermen. De vakbekwaamheid van de kandidaat wordt voor de verkrijging van het persoonscertificaat duikploegleider getoetst aan de volgende toetscriteria:

Toetstermen aangegeven met een ster zijn niet van toepassing voor duikploegleider A1 en A2.

De leidinggevende ervaring van de kandidaat mede beoordeeld aan de hand van het duikploegleiderslogboek, waarin ten minste melding wordt gemaakt van:

De beoordeling van de doorlopende beroepservaring maakt deel uit van de hercertificatie. De certificaathouder geeft de CI ten minste tweejaarlijks inzage in zijn doorlopende beroepservaring van ten minste 20 duiken waaraan hij de leiding heeft gegeven voor de duikploegleider A1, A2 en B1 dan wel ten minste 30 duiken waaraan hij de leiding heeft gegeven voor de overige subcategorieën dan wel zodra aan deze eis van doorlopende beroepservaring is voldaan.

Het voldoen aan de entreecriteria wordt beoordeeld door portfoliobeoordeling van de door de kandidaat overlegde documenten. De documenten voor de respectievelijke categorieën uit:

Duikploegleider:

De kandidaat moet de documenten volledig aan de CKI overleggen. Ter voorkoming van fraude met certificaten moet de kandidaat altijd een geldig identiteitsbewijs kunnen overleggen. De CKI mag desalniettemin het initiatief nemen om te verifiëren bij de instantie die de documenten heeft afgegeven.

Het voldoen aan de toetstermen wordt beoordeeld door een portfoliobeoordeling, een theorie-examen en een praktijkexamen.

De kandidaat toont zijn leidinggevende vaardigheid in het kader van een documentenonderzoek aan met een portfolio waarin:

Uit het portfolio moet blijken dat de kandidaat in het kader van zijn opleiding heeft opgetreden als leidinggevende bij ten minste 2 oefeningen:

Het rollenspel is een nagespeelde situatie waarbij de kandidaat het gedrag dat bij een duikploegleider hoort, moet nabootsen of in bepaalde situaties moeten handelen om daardoor aan te tonen dat hij over als duikploegleider over leidinggevende vaardigheden beschikt.

De opleidingsinstelling kan aan de CKI een leerlingvolgsysteem of toetskaart ter beschikking stellen, waarmee de CKI inzicht wordt verschaft over:

Het theorie-examen voor de duikploegleider bestaat uit 2 delen:

Deel 1:

Deel 2:

In de examenvakken moet de kandidaat zijn kennis ten aanzien van de toetstermen aantonen:

Het examen duurt voor ieder vak maximaal 40 minuten. Indien de vakken achtereenvolgens worden afgenomen, wordt na ieder vak 5 minuten pauze gehouden. Bij een examen bestaande uit meerdere vakken wordt iedere 85 minuten, namelijk na 2 vakken en 1 korte pauze, 15 minuten pauze gehouden. Het examen kan in deelexamens gespreid worden afgenomen.

De leidinggevende vaardigheid van de duikploegleider wordt getoetst aan toetstermen 1.6.1 tot en met 1.6.4, waarbij tevens de praktische toepassing van de overige toetstermen wordt betrokken.

Het praktijkexamen bestaat uit een door de CKI geleverde casus waarin de kandidaat de rol van leidinggevende moet vervullen. Het praktijkexamen kan bestaan uit een daadwerkelijk verrichte duikoperatie of een rollenspel.

De examinator besteedt tijdens het praktijkexamen aandacht aan de praktische verrichtingen van de kandidaat, waartoe ten minste behoren:

De uitwerking van de cesuur wordt nader uitgewerkt in het uitvoeringsbesluit van de CKI en bij meerdere CKI’s op onderhavig WSCS eveneens in de centrale itembank. De uitwerkingen van het examen voor duikploegleider worden gewaardeerd met een cijfer op een schaal van 1 tot 10 waarvoor geldt:

De kandidaat slaagt voor het theorie-examen, indien hij voor ieder examenvak afzonderlijk een cijfer van ten minste 6 heeft gehaald. Hiervoor dient hij ten minste 70% van de vragen juist hebben beantwoord. Het examenresultaat bestaat uit het cijfer voor het theorie-examen, de demonstratie van leidinggevende vaardigheden en het praktijkexamen.

Voor de vervolgafgifte van het wettelijk verplichte persoonscertificaat duikploegleider gelden de volgende toetstermen:

H.2.1 is niet van toepassing voor de duikploegleider A1 en A2.

De hercertificatie wordt beoordeeld door middel van een documentenonderzoek, een theorie-examen en een praktijkexamen. In het documentenonderzoek wordt toetsterm H1.1 beoordeeld en het documentenonderzoek bestaat ten minste uit de controle van een volledig geadministreerd duikploegleiderlogboek, waaruit de praktijkervaring in de afgelopen 24 maanden blijkt.

De beoordeling van de doorlopende beroepservaring maakt deel uit van de hercertificatie. De certificaathouder geeft de CI ten minste tweejaarlijks inzage in zijn doorlopende beroepservaring van ten minste 20 duiken waaraan hij de leiding heeft gegeven voor de subcategorie A1 en A2 dan wel 30 duiken waaraan hij de leiding heeft gegeven voor de overige subcategorieën dan wel zodra aan deze eis van doorlopende beroepservaring is voldaan.

Het voldoen aan toetsterm H2.1 wordt geëxamineerd in een theorie-examen voor duikploegleider A3, B1, B2, B3 en B4. Het voldoen aan de toetsterm H3.1 wordt geëxamineerd eens in de vier jaar in een praktijkexamen bestaande uit een werkoefening in de praktijk. Als examinator bij het uitvoeren van het praktijkexamen behorend bij toetsterm H3.1 kan optreden iedere duikploegleider die:

De hercertificatie wordt verleend, indien de met het duikploegleiderlogboek aangetoonde praktijkervaring aan de gestelde eis voldoet en het theorie-examen en praktijkexamen voor hercertificatie met voldoende resultaat is afgerond.

Op het certificaat moeten minimaal de volgende gegevens vermeld zijn:

Op het certificaat wordt de tekst opgenomen dat de CKI verklaart dat de betreffende persoon voldoet aan eisen van het normdocument WSCS-WOD-L persoonscertificaat duikploegleider en dientengevolge als duikploegleider vakbekwaam is om leiding te geven aan duikwerkzaamheden in de categorie die wordt vermeld op certificaat.

De tekst vermeldt tevens of het certificaat is afgeven op grond van een initiële certificatie of een hercertificatie.

Gedurende de looptijd gelden de volgende condities waar de certificaathouder zich aan moet houden:

Indien niet voldaan wordt aan deze condities kan het certificaat worden geschorst of ingetrokken.

Document: WSCS-WOD-D: 2012, versie 1

Onder beheer van:

Stichting Werken Onder Overdruk (SWOD)

Dit werkveldspecifieke certificatieschema voor personen is door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in gewijzigde vorm vastgesteld aan de hand van een door het Centraal College van Deskundigen ‘Werken onder overdruk’ voorgesteld schema. Dit schema vervangt eerdere versies.

De te certificeren vakbekwaamheid betreft duikarbeid. Het persoonscertificaat duikarbeid is wettelijk vereist op grond van de Arbowetgeving. Onder duikarbeid wordt in overeenstemming met artikel 6.13, lid 1 onder letter a van het Arbeidsomstandighedenbesluit verstaan het verrichten van arbeid in een vloeistof of in een gesloten duikklok met inbegrip van het verblijf in die vloeistof of in die gesloten duikklok, waarbij voor de ademhaling gebruik wordt gemaakt van een gas onder een hogere druk dan de atmosferische druk.

Het certificatiesysteem van de certificerende instelling (CKI) moet zijn gestructureerd in overeenstemming met de eisen uit WDAT-WOD-P.

Het is mogelijk dat enkele gedefinieerde begrippen of afkortingen niet letterlijk in de tekst van het certificatieschema voorkomen, maar deze begrippen of afkortingen zijn toch in de definitielijst opgenomen in verband met het feit dat de beheerstichting en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid deze begrippen of afkortingen in direct verband tot dit certificatieschema kunnen hanteren.

Indien de definities in dit document afwijken van de definities in ISO/IEC 17024 en mandatory documents, dan gelden de definities van dit document.

Duikarbeid is een risicovolle beroepsactiviteit. Om het maatschappelijke belang – veiligheid en gezondheid van en rondom de arbeid – te waarborgen, is door de overheid gekozen voor een wettelijk verplichte certificatieregeling voor de borging van de vakbekwaamheid van personen die belast worden met duikarbeid.

Dit werkveldspecifieke certificatieschema wordt aangeduid als WSCS-WOD-D. Dit werkveldspecifieke certificatieschema voor personen is door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in gewijzigde vorm vastgesteld aan de hand van een door het Centraal College van Deskundigen ‘Werken onder overdruk’ voorgesteld schema. Dit vastgestelde schema vervangt daarmee eerdere versies. Op- en aanmerkingen over het certificatieschema kunnen worden ingediend bij het Centraal College van Deskundigen ‘Werken onder overdruk’.

Binnen het kader van dit certificatieschema zijn actief:

De risico’s bij het verrichten van duikarbeid liggen op het gebied van:

De afzonderlijke risicofactoren treden vaak in onderlinge combinatie en per definitie in combinatie met de onderdompeling in een vloeistof op. De gevolgen van een incident kunnen daarom zeer ernstig zijn. In de praktijk blijken de naleving van wet- en regelgeving of procedures en het gebruik van deugdelijk duik- en caissonmaterieel de belangrijkste factoren ter voorkoming van incidenten te zijn.

Deze incidenten kunnen worden voorkomen door:

De praktijkervaring met duikwerkzaamheden is bepalend voor het beoordelen van de duiker, omdat slechts hieruit zijn welbevinden en goede functioneren blijkt. De theoretische instructie van duikers is van randvoorwaardelijk belang. De toetsing van de praktische duikvaardigheden neemt daarom een centrale plaats in.

Dit reglement omschrijft de procedures die relevant zijn voor de juiste toepassing van het specifieke schema. Hierbij moet gedacht worden aan onder meer de procedures van de aanvraag, toelating, examinering, de wijze waarop de uitslag bekend gemaakt wordt en condities met betrekking tot de certificatie, afgifte van certificaten, procedures bij het uitvoeren van beoordelingen, klachtenafhandeling en het indienen van verzoeken om herziening.

De kandidaat dient in overeenstemming met dit certificatiereglement een aanvraag tot (her)certificatie in voor het SWOD Persoonscertificaat duikarbeid bij een CKI. Vervolgens verstrekt de CKI alle relevante informatie over de gang van zaken bij het gehele certificatieproces.

De certificatiebeslissing wordt genomen door een functionaris van de CKI die niet betrokken is geweest bij de examinering van de kandidaten. Hij is daartoe gekwalificeerd en aangesteld conform het kwaliteitssysteem en de procedures die de CKI heeft op grond van het werkveldspecifieke schema voor aanwijzing en toezicht.

De geldigheidsduur van het certificaat is op grond van de risicoanalyse 4 jaar. De risico’s van de werkzaamheden worden beperkt door praktische bedrevenheid in de verrichtingen, vertrouwdheid met de werkomgeving en bekendheid met het functioneren van een duikploeg. De periode van 4 jaar is voor de certificaathouder noodzakelijk om deze doorlopende beroepservaring te onderhouden.

Met betrekking tot de geldigheid van het certificaat worden nadere condities gesteld. Als niet aan de condities wordt voldaan, dan heeft dat consequenties voor het certificaat. De condities en de wijze van toezicht daarop door de CKI worden beschreven in deel II van het certificatieschema.

Een adequate behandeling van klachten is belangrijk voor het creëren van vertrouwen in certificatie en belangrijk voor de bescherming van zowel de certificaathouders als de gebruikers van certificaten.

Aan een CKI worden onder meer de volgende eisen gesteld:

Indien de CKI klachten van derden, zoals een opdrachtgever, ontvangt over het voldoen aan dit schema door het bedrijf of de persoon die een aanvraag voor het certificaat heeft ingediend of certificaathouder is, dient de CKI de klager te verwijzen naar het bedrijf of de persoon. De CKI dient de klacht te betrekken bij de eerstvolgende beoordeling bij het betreffende bedrijf of de betreffende persoon.

Echter, indien het naar de mening van de CKI een ernstige klacht betreft, dient de CKI, naast de behandeling door het bedrijf of de persoon, zelf ook direct te beoordelen of de klacht gevolgen dient te hebben voor de beslissing m.b.t. certificatie.

In dat geval dient de CKI af te wegen of het gewenst is een extra beoordeling uit te voeren. De kosten van deze extra beoordeling komen in beginsel voor rekening van de certificaathouder.

Inleiding

In deze werkinstructie wordt de afhandeling van een klacht besproken. Voor iedere afzonderlijke klacht wordt een apart klachtenformulier ingevuld.

Werkwijze

Wanneer iemand probeert een klacht telefonisch of mondeling te melden, wordt aan hem/haar gevraagd deze schriftelijk te verwoorden. Als een klacht schriftelijk binnenkomt wordt deze meteen naar de kwaliteitsmanager gebracht en indien de klachtafhandelaar duidelijk is krijgt hij/zij meteen een kopie van de klacht.

De kwaliteitsmanager registreert de klacht op een klachtenformulier en stelt de directeur CKI op de hoogte van de klacht. De directeur van de CKI wijst de klachtafhandelaar aan. De kwaliteitsmanager vermeldt de klachtafhandelaar op het klachtenformulier en brengt de klachtafhandelaar schriftelijk op de hoogte van de klacht. De klachtafhandelaar informeert de indiener van de klacht schriftelijk over de ontvangst van de klacht.

Eenvoudige zaken

Klachtafhandelaar stuurt klacht door naar betrokken bedrijf/persoon; stelt indiener op de hoogte legt dossier aan tbv voortgangsbewaking en meenemen afhandeling klacht door bedrijf/persoon bij eerstvolgende beoordeling.

Ernstige klachten

Klachtafhandelaar beoordeelt de klacht en stelt vast of de klacht een incident betreft of dat de klacht moet leiden tot een aanpassing in de werkwijze.

Indien het een incident betreft, wordt de indiener daarvan op de hoogte gesteld. De klachtafhandelaar bedenkt samen met de indiener binnen drie weken na het indienen van de klacht een oplossing voor de afhandeling en betrekt bedrijf/persoon hierbij.

De oplossing zoals die met de indiener is besproken wordt vastgelegd op het klachtenformulier. Hier wordt tevens vermeld dat het gaat om een incident.

Indien de klacht een aanpassing van de werkwijze vergt bedenkt de klachtafhandelaar binnen 10 dagen een verbetervoorstel en bespreekt dit met de kwaliteitsmanager en betrekt bedrijf/persoon hierbij. Het verbetervoorstel moet een structurele verbetering inhouden van de werkwijze. Het verbetervoorstel wordt ingevuld op het klachtenformulier.

De klachtafhandelaar stelt de indiener op de hoogte van de afhandeling van de klacht.

De kwaliteitsmanager maakt de gewijzigde werkwijze bekend.

De kwaliteitsmanager start, indien nodig, een vervolgonderzoek naar de invoering van het verbetervoorstel. De bevindingen worden vastgelegd op het klachtenformulier. Het klachtenformulier wordt gearchiveerd.

Onderstaand worden de stappen beschreven die nodig zijn voor het afhandelen van een bezwaarschrift. Een dergelijk bezwaarschrift kan bijvoorbeeld ingediend worden tegen besluiten van de CKI inzake het niet (opnieuw) verlenen, schorsen of intrekken van een certificaat.

Algemeen:

Het bezwaar wordt niet-ontvankelijk verklaard:

De CKI registreert de gegevens van de certificaathouder. Deze gegevens worden ten minste zo vaak als mutaties zich voordoen elektronisch verzonden aan de beheerstichting. De overeenkomst met de CKI zal voorschrijven in welk digitaal formaat de toelevering van gegevens moet plaats vinden, zodat de gegevens kunnen worden gebruikt voor het SWOD Certificaatregister. Dit register wordt opgezet in overeenstemming met wettelijke bepalingen en wordt via internet toegankelijk gemaakt. De beheerstichting is verantwoordelijk voor het beheer van het register, doch draagt geen aansprakelijkheid voor eventuele onvolkomenheden.

Het Centraal College van Deskundigen ‘Werken onder overdruk’ moet zorgen voor eenduidige norminterpretatie van dit certificatieschema. Toch kan het voorkomen dat er in de operationele fase verschillende interpretaties bestaan van één of meerdere in werkveldspecifieke certificatieschema’s gehanteerde begrippen. Mocht het gebeuren dat certificaathouders, CKI’s of andere belanghebbenden uiteenlopende definities hanteren en hierover meningsverschillen bestaan, dan moeten afwijkende interpretaties worden voorgelegd aan het college.

De kandidaat die beschikt over een certificaat waarvan de geldigheidsduur is verlopen en/of niet voldoet aan de eisen gesteld aan de procedure tot hercertificatie, moet een initiële certificatie aanvragen. De CKI gaat dan over tot het vaststellen van het theorie-examen en praktijkexamen waarmee de vakbekwaamheid van de kandidaat kan worden getoetst. De kandidaat dient te voldoen aan de gestelde entree-eisen. De CI kan, uit het oogpunt van veiligheid, als aanvullende maatregel opleggen dat de kandidaat eerst een opleiding(module) moet volgen alvorens een examen afgenomen kan worden.

De CKI houdt hierbij rekening met het volgende:

Dit reglement bevat bepalingen voor de voorbereiding, uitvoering en beoordeling van examens ten behoeve van het persoonscertificaat duikarbeid (WDAT-WOD-D). Het examenreglement is onderdeel van het certificatieschema duikarbeid. De examinering geschiedt onder verantwoordelijkheid van de CKI en bestaat uit de volgende examenonderdelen:

Het examen wordt door de CKI afgenomen.

De CKI stelt haar werkwijze rond de examens nader vast in een uitvoeringsbesluit ten aanzien van het examenreglement. Het uitvoeringsbesluit bevat ten minste de volgende bepalingen:

Het examenpersoneel moet voldoen aan de algemene en vakinhoudelijke eisen alsmede onafhankelijkheidseisen die zijn gesteld in het Werkveldspecifieke document voor aanwijzing en toezicht voor CKI’s bij persoonscertificatie (WDAT-WOD-P).

In aanvulling op het WDAT-WOD-P gelden voor de examinator die betrokken is bij het praktijkexamen de volgende eisen, waaruit de deskundigheid blijkt:

De medewerkers van de CKI dragen zorg voor de absolute geheimhouding van de examenopgaven. De handhaving van de geheimhouding geschiedt vanuit de CKI.

De eisen die gesteld worden aan de examenlocatie voor de onderdelen van het theorie-examen zijn:

De eisen ten aanzien van de examenmiddelen voor het theorie-examen zijn:

Het theorie-examen wordt in beginsel schriftelijk afgenomen in de Nederlandse taal.

De faciliteiten voor het praktijkexamen moeten ten minste aan de volgende eisen voldoen:

Indien de beheerstichting met meerdere CKI’s samenwerkt op onderhavig WSCS, wordt onder verantwoordelijkheid van de beheerstichting een centrale itembank ingericht.

In de centrale itembank worden meerdere versies van de examenopgaven, opdrachten en casus voor het praktijkexamen vastgelegd. Het theorie-examen bevat generieke toetsopdrachten en het praktijkexamen bevat daarentegen specifieke toetsopdrachten. Het gebruik van de centrale itembank moet ervoor zorgen dat de kandidaten bij verschillende CKI’s gelijkwaardige examens afleggen. De CKI’s moeten meewerken aan de totstandkoming van de centrale itembank.

De beheerstichting stelt nadere regels ten aanzien van de aanvraag voor de aanlevering van examenversies uit de centrale itembank, de samenstelling van versies, de aanlevering op de examenlocatie en het onderhoud van de centrale itembank.

Het toezicht heeft tot doel om de vakbekwaamheid van gecertificeerd personeel te borgen. De CKI is verplicht te beoordelen of de certificaathouder blijft voldoen aan de gestelde eisen. De CKI voert in bepaalde situaties tussentijds toezicht uit. Deze situaties zijn nader uitgewerkt in paragraaf 6.2. De certificaathouder is verplicht mee te werken aan toezicht door de CKI, de nationale accreditatie-instantie en de Inspectie SZW.

In de overeenkomst tussen de CKI en de certificaathouder worden de hiertoe benodigde bepalingen opgenomen, waartoe ten minste de volgende verplichtingen van de certificaathouder behoren:

De CKI voert indien nodig tussentijdse controles uit. De CKI moet een certificaathouder in elk geval tussentijds controleren in de volgende situaties:

De risico’s van de werkzaamheden worden beperkt door praktische bedrevenheid in de verrichtingen, vertrouwdheid met de werkomgeving en bekendheid met het functioneren van een duikploeg. De periode van twee kalenderjaren is voor de certificaathouder noodzakelijk om deze doorlopende beroepservaring te onderhouden. De beoordeling van de doorlopende beroepservaring maakt deel uit van de hercertificatie. De certificaathouder geeft ten minste tweejaarlijks de CI inzage in zijn doorlopende beroepservaring van ten minste 20 duiken voor subcategorie A1, A2 en B1 dan wel ten minste 30 duiken voor de overige categorieën A3 en B2, B3, B4. Voor de categorie C geldt dat er in 24 maanden tenminste 10 keer een bell-run (gesloten bel) is gemaakt, waarbij 5 keer is opgetreden als bell-man en waarbij 5 keer een lock out is gemaakt. Zodra aan de eis van doorlopende beroepservaring per 24 maanden is voldaan van betrokken (sub)categorie kan de certificaathouder reeds inzage geven aan de CKI.

De CKI maakt een plan voor de uitvoering van een controle zoals bedoeld in paragraaf 6.2.

Het plan beschrijft ten minste:

Het plan wordt schriftelijk aan de certificaathouder kenbaar gemaakt. De certificaathouder moet binnen zes weken na de aankondiging zijn medewerking verlenen aan de uitvoering van de controle.

Indien de CKI inzage neemt in het duikerlogboek van de certificaathouder, dan wordt ingegaan op de volgende onderwerpen:

Indien de CKI de beoordeling van een praktijkverrichting noodzakelijk acht, dan moet de keuze van de vereiste verrichting beargumenteerd in verhouding staan tot de aanleiding voor de controle en de eindtermen en toetstermen van het certificatieschema. Het uitvoeringsplan kan in overleg met de certificaathouder tot stand komen met betrekking tot het tijdstip. Het uitvoeringsplan behandelt verder de locatie, de partij die het materieel en de duikploeg ter beschikking stelt en de partij die de verantwoordelijkheid over het materieel, de duikploeg en de verrichtingen van de certificaathouder draagt. De CI treedt louter op als beoordelaar van de praktijkverrichting en er bestaat uit dien hoofde dan ook geen werkgever-werknemer verantwoordelijkheid. De partij waarmee wordt samengewerkt is naar keuze van de CKI De bepalingen van paragraaf 4.2 vinden hier overeenkomstige toepassing. De praktijkverrichting die in de controle betrokken wordt, moet worden beoordeeld volgens de eisen van het certificatieschema.

Indien de CKI van belanghebbende klachten over de certificaathouder ontvangt, moet de CKI beoordelen of de klacht aanleiding geeft tot een controle in het kader van toezicht. De klager en de certificaathouder worden schriftelijk op de hoogte gesteld van de beslissing. Een eventuele controle wordt uitgevoerd zoals beschreven in paragraaf 6.3.1 tot en met 6.3.3.

De CKI maakt een verslag van de bevindingen naar aanleiding van de controles in het kader van het tussentijds toezicht. In het verslag wordt ingegaan op:

Het verslag wordt ter beschikking gesteld van de certificaathouder. Tegen de eventueel opgelegde maatregel kan de certificaathouder overeenkomstig paragraaf 4.7 een verzoek tot herziening indienen.

De certificerende instelling besluit tot schorsing van een certificaat, indien de certificaathouder:

Indien blijkt dat de certificaathouder een tijdelijke tekortkoming, bedoeld onder de punten 3 en 4, heeft, dan wordt hij binnen een redelijke termijn in de gelegenheid gesteld om de tekortkoming te corrigeren door een nadere opleiding of praktijkervaring en een daarop volgende examinering. De schorsing wordt opgeheven, indien de certificaathouder de tekortkoming heeft gecorrigeerd.

De schorsing wordt verder opgeheven, indien de certificaathouder heeft voldaan aan de verplichtingen genoemd onder de punten 1, 2 en 5, of het misbruik van het beeldmerk heeft gestaakt en de eventuele schade heeft hersteld.

De schorsing als mede de opheffing van de schorsing wordt onmiddellijk verwerkt in het openbaar register van de beheerstichting.

De certificerende instelling besluit tot intrekking van een certificaat, indien de certificaathouder:

Indien een certificaathouder na een intrekking opnieuw gecertificeerd wil worden, wordt dezelfde procedure doorlopen als bij initiële certificatie. Bij het opleggen van een sanctie geeft de certificerende instelling aan en registreert hij dat na een periode van één jaar certificatie weer is toegestaan. Een verzoek tot hercertificatie kan worden ingediend vanaf één jaar na intrekking van het certificaat. De certificerende instelling verifieert voorafgaand aan de verstrekking van een certificaat in het centraal register of er geen sprake is van een intrekking met de daaraan gekoppelde wachtperiode.

De intrekking wordt onmiddellijk verwerkt in het openbaar register van de beheerstichting.

De certificerende instelling besluit tot weigering van een certificaat, indien de certificaathouder:

De weigering van een hercertificatie wordt onmiddellijk verwerkt in het openbaar register van de beheerstichting.

De CKI moet onmiddellijk bij de Inspectie SZW melding maken van de haar bekende feiten ten aanzien van een kandidaat of certificaathouder in de volgende gevallen:

De vakbekwaamheid die gecertificeerd wordt, betreft het verrichten van duikarbeid. In het certificatieschema worden categorieën onderscheiden op grond van het gebruikte duikmaterieel en de maximaal bereikte diepte. Het certificatieschema beschrijft de volgende categorieën van duikarbeid:

De scope van het certificaat moet altijd de volledige aanduiding van de betreffende categorie inclusief de eventueel gestelde voorwaarden vermelden.

De kandidaat wordt toegelaten tot het certificatieproces ter verkrijging van het wettelijk vereiste persoonscertificaat duikarbeid met aantekening van categorie A1, A2 of A3, indien hij voldoet aan de volgende entreecriteria:

De kandidaat wordt toegelaten tot het certificatieproces ter verkrijging van het wettelijk vereiste persoonscertificaat duikarbeid met aantekening van categorie B1, B2, B3 of B4, indien hij voldoet aan de volgende entreecriteria:

De kandidaat wordt toegelaten tot het certificatieproces ter verkrijging van het wettelijk vereiste persoonscertificaat duikarbeid met aantekening van categorie C, indien hij voldoet aan elk van de volgende entreecriteria:

Bij de duikopleiding die toegang geeft tot de certificatie in subcategorie A1 worden in elk geval de volgende leerdoelstellingen onderscheiden en onderwezen:

Duikvaardigheid

De cursist heeft ervaring met het gebruik van duikapparatuur van het type SCUBA voor het verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg, waarbij door de cursist ten minste 600 duikminuten worden gemaakt en wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

Duikoefeningen

In het kader van de voornoemde duiken voor het verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg heeft de cursist door deze oefeningen zelf uit te voeren kennis en ervaring op gedaan met:

Theoretische instructie

In relatie tot het duiken voor het verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg heeft de cursist theoretische kennis opgedaan ten aanzien van:

Bij de duikopleiding die toegang geeft tot de certificatie in subcategorie A2 worden in elk geval de volgende leerdoelstellingen onderscheiden en onderwezen:

Duikvaardigheid

De cursist heeft ervaring met het gebruik van duikapparatuur van het type SCUBA voor het verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg, waarbij door de cursist ten minste 300 duikminuten worden gemaakt en wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

Duikoefeningen

In het kader van de voornoemde duiken voor het verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg heeft de cursist door deze oefeningen zelf uit te voeren kennis en ervaring op gedaan met:

Theoretische instructie

In relatie tot het duiken voor het verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg heeft de cursist theoretische kennis opgedaan ten aanzien van:

Bij de duikopleiding die toegang geeft tot de certificatie in subcategorie A3 worden in elk geval de volgende leerdoelstellingen onderscheiden en onderwezen:

Duikvaardigheid

De cursist heeft ervaring met het gebruik van duikapparatuur van het type SCUBA voor het verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg, waarbij door de cursist ten minste 200 duikminuten worden gemaakt en wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

Duikoefeningen

In het kader van de voornoemde duiken voor het verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg heeft de cursist door deze oefeningen zelf uit te voeren kennis en ervaring op gedaan met:

Theoretische instructie

In relatie tot het duiken voor het verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg heeft de cursist theoretische kennis opgedaan ten aanzien van:

Bij de duikopleiding die toegang geeft tot de certificatie in subcategorie B1 worden in elk geval de volgende leerdoelstellingen onderscheiden en onderwezen:

Duikvaardigheid

De cursist heeft ervaring met het gebruik van duikapparatuur met ademgasvoorziening van de oppervlakte (SSE) voor het verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg, waarbij door de cursist ten minste 300 duikminuten worden gemaakt en wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

Duikoefeningen

In het kader van de voornoemde duiken voor het verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg heeft de cursist door deze oefeningen zelf uit te voeren kennis en ervaring op gedaan met:

Theoretische instructie

In relatie tot het duiken voor het verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg heeft de cursist theoretische kennis opgedaan ten aanzien van:

Bij de duikopleiding die toegang geeft tot de certificatie in subcategorie B2 worden in aanvulling op en ter vermeerdering van de leerdoelstellingen voor subcategorie B1 in elk geval de volgende leerdoelstellingen onderscheiden en onderwezen:

Duikvaardigheid

De cursist heeft ervaring met het gebruik van duikapparatuur met ademgasvoorziening van de oppervlakte (SSE) voor het verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg, waarbij door de cursist ten minste 600 duikminuten worden gemaakt en wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

Duikoefeningen

In het kader van de voornoemde duiken voor het verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg heeft de cursist door deze oefeningen zelf uit te voeren kennis en ervaring op gedaan met:

Theoretische instructie

In relatie tot het duiken voor het verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg heeft de cursist theoretische kennis opgedaan ten aanzien van:

Bij de duikopleiding die toegang geeft tot de certificatie in subcategorie B3 worden in aanvulling op en ter vermeerdering van de leerdoelstellingen voor subcategorie B1 en B2 in elk geval de volgende leerdoelstellingen onderscheiden en onderwezen:

Duikvaardigheid

De cursist heeft ervaring met het gebruik van duikapparatuur met ademgasvoorziening van de oppervlakte (SSE) voor het verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg, waarbij door de cursist ten minste 150 duikminuten worden gemaakt en wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

Duikoefeningen

In het kader van de voornoemde duiken voor het verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg heeft de cursist door deze oefeningen zelf uit te voeren kennis en ervaring op gedaan met:

Theoretische instructie

In relatie tot het duiken voor het verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg heeft de cursist theoretische kennis opgedaan ten aanzien van:

Bij de duikopleiding die toegang geeft tot de certificatie in subcategorie B4 worden in aanvulling op en ter vermeerdering van de leerdoelstellingen voor subcategorie B1, B2 en B3 in elk geval de volgende leerdoelstellingen onderscheiden en onderwezen:

Duikvaardigheid

De cursist heeft ervaring met het gebruik van duikapparatuur met ademgasvoorziening van de oppervlakte (SSE) voor het verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg, waarbij door de cursist ten minste 230 duikminuten worden gemaakt en wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

Duikoefeningen

In het kader van de voornoemde duiken voor het verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg heeft de cursist door deze oefeningen zelf uit te voeren kennis en ervaring op gedaan met:

Theoretische instructie

In relatie tot het duiken voor het verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg heeft de cursist theoretische kennis opgedaan ten aanzien van:

Bij de duikopleiding die toegang geeft tot de certificatie in hoofdcategorie C worden in elk geval de volgende leerdoelstellingen onderscheiden en onderwezen:

Duikvaardigheid

De cursist heeft ervaring met het gebruik van een gesloten duikklok voor het verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg door het uitvoeren van:

Duikoefeningen

In het kader van de voornoemde duiken voor het verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg heeft de cursist door deze oefeningen zelf uit te voeren kennis en ervaring op gedaan met:

Theoretische instructie

In relatie tot het duiken voor het verrichten van werkzaamheden in het verband van een duikploeg vanuit een gesloten duikklok heeft de cursist theoretische kennis opgedaan ten aanzien van:

De duikervaring van de kandidaat ten aanzien van de entreecriteria en de toetstermen wordt mede beoordeeld aan de hand van het duikerlogboek. Het bijhouden van een duikerlogboek is op grond van artikel 6.16 lid 5 van het Arbeidsomstandighedenbesluit verplicht voor iedere persoon die duikarbeid heeft verricht. Het duikerlogboek maakt uitsluitend melding van uitgevoerde duikarbeid.

Het besluit vereist dat het duikerlogboek ten minste melding maakt van:

In aanvulling op deze eisen en onverlet het in paragraaf 8.1 bepaalde, moet het duikerlogboek voor de beoordelingen in het kader van dit certificatieschema aan volgende aanvullende vereisten voldoen:

Het voldoen aan de entreecriteria wordt beoordeeld door controle van het portfolio.. Het portfolio bestaat voor de respectievelijke categorieën ten minste uit:

De kandidaat moet de documenten volledig aan de CKI overleggen. Ter voorkoming van fraude met certificaten moet de kandidaat altijd een geldig identiteitsbewijs kunnen overleggen. De CKI mag het initiatief nemen om de documenten of te verifiëren bij de instantie die de documenten heeft afgegeven.

De kandidaat is in staat duikarbeid te verrichten in categorie A1, indien hij voldoet aan de volgende eindtermen:

De kandidaat is vakbekwaam in het verrichten van de duikarbeid in categorie A2, indien hij aan de eindtermen T1 tot en met T5 voldoet en ter vervanging van T6 en T7 voldoet aan de volgende eindtermen:

De kandidaat is vakbekwaam in het verrichten van de duikarbeid in categorie A3, indien hij aan de eindtermen T1 tot en met T5 voldoet en ter vervanging van T6 en T7 voldoet aan de volgende eindtermen:

De kandidaat is vakbekwaam in het verrichten van duikarbeid in categorie B1, indien hij in aanvulling op de eindtermen van categorie A2 voldoet aan de volgende eindtermen:

De kandidaat is vakbekwaam in het verrichten van duikarbeid in categorie B2, indien hij in aanvulling op de eindtermen van categorie A3 voldoet aan de volgende eindtermen:

De kandidaat is vakbekwaam in het verrichten van duikarbeid in categorie B3, indien hij in aanvulling op de eindtermen van categorie A3 voldoet aan de eindterm T11b2 en ter vervanging van de eindtermen T8b2, T9b2 en T10b2 voldoet aan de volgende eindtermen:

De kandidaat is vakbekwaam in het verrichten van duikarbeid in categorie B4, indien hij in aanvulling op de eindtermen van categorie A3 en B3 aan de volgende eindtermen:

De kandidaat is vakbekwaam in het verrichten van duikarbeid in categorie C, indien hij in aanvulling op de eindtermen van categorie A en B voldoet aan de volgende eindtermen:

In de omschrijving van de eind- en toetstermen wordt gesproken over elementaire kennis en uitgebreide kennis. Deze indicaties van het kennisniveau worden in dit certificatieschema als volgt geïnterpreteerd:

De CKI hanteert een standaardmethodiek om te beoordelen of de kandidaat voldoet aan de eindtermen. De vakbekwaamheid van de kandidaat wordt voor de verkrijging van het persoonscertificaat duikarbeid in categorie A1, A2 en A3 getoetst aan de volgende relevante toetscriteria:

De vakbekwaamheid van de kandidaat wordt voor de beoordeling ter verkrijging van het persoonscertificaat duikarbeid:

die elk worden aangevuld met de volgende relevante toetscriteria:

De vakbekwaamheid van de kandidaat wordt ter verkrijging van het persoonscertificaat duikarbeid in categorie C getoetst aan de volgende aanvullende toetscriteria:

Het voldoen aan de toetstermen wordt beoordeeld door een examen dat wordt afgenomen door de CKI. Het examen bestaat uit elk van de volgende onderdelen:

De duikvaardigheid wordt door een documentenonderzoek tijdens de portfoliobeoordeling beoordeeld tegen de toetstermen T7.1, T11.1en T15.2. Het getuigschrift van de afgeronde duikopleiding van de kandidaat alsmede zijn duikerlogboek moeten aantonen dat de kandidaat minimaal de duikminuten en duikoefeningen gemaakt heeft die in het opleidingscurriculum vereist worden.

De opleidingsinstelling kan aan de CKI een leerlingvolgsysteem of toetskaart ter beschikking stellen, waarmee de CKI inzicht wordt verschaft over:

Indien de duikvaardigheid van de kandidaat in het kader van de entreecriteria voor het examen als onvoldoende wordt beoordeeld, moet de certificatie worden geweigerd of moet als maatregel worden voorgeschreven dat de kandidaat zijn duikvaardigheid aanvult in het kader van een duikopleiding die aan de kwaliteitseisen voldoet.

Het theorie-examen voor duikarbeid in categorie A1, A2 en A3 bestaat uit 6 vakken, die zijn onderverdeeld in hoofd- en bijvakken:

Het theorie-examen moet door de CKI worden afgestemd op de categorie van certificatie die door de kandidaat is aangevraagd. Indien onderdelen van de theorie niet voor de categorie van toepassing zijn, komen deze onderdelen te vervallen. In de examenvakken moet de kandidaat zijn kennis ten aanzien van de relevante toetstermen aantonen:

Het examen duurt voor ieder vak maximaal 40 minuten. Indien de vakken achtereenvolgens worden afgenomen, wordt na ieder vak 5 minuten pauze gehouden. Bij een examen bestaande uit meerdere vakken wordt iedere 85 minuten, namelijk na 2 vakken en 1 korte pauze, 15 minuten pauze gehouden. Het examen kan in deelexamens gespreid worden afgenomen.

Het theorie-examen voor duikarbeid in categorie B bestaat uit 4 vakken, die zijn onderverdeeld in hoofd- en bijvakken:

In de examenvakken moet de kandidaat zijn kennis ten aanzien van de toetstermen aantonen:

Het examen duurt voor ieder vak maximaal 40 minuten. Indien de vakken achtereenvolgens worden afgenomen, wordt na ieder vak 5 minuten pauze gehouden. Bij een examen bestaande uit meerdere vakken wordt iedere 85 minuten, namelijk na 2 vakken en 1 korte pauze, 15 minuten pauze gehouden. Het examen kan in deelexamens gespreid worden afgenomen.

Het theorie-examen voor duikarbeid in categorie C bestaat uit 4 vakken, die zijn onderverdeeld in hoofd- en bijvakken:

In de examenvakken moet de kandidaat zijn kennis ten aanzien van de toetstermen aantonen:

Het examen duurt voor ieder vak maximaal 40 minuten. Indien de vakken achtereenvolgens worden afgenomen, wordt na ieder vak 5 minuten pauze gehouden. Bij een examen bestaande uit meerdere vakken wordt iedere 85 minuten, namelijk na 2 vakken en 1 korte pauze, 15 minuten pauze gehouden. Het examen kan in deelexamens gespreid worden afgenomen.

De kandidaat wordt toegelaten wanneer de portfoliobeoordeling met voldoende eindresultaat is uitgevoerd. De praktijkexamens moeten door de CKI zodanig worden ingericht dat zij voldoen aan de volgende criteria:

Praktijkexamen A1

Praktijkexamen A2

Gelijk als voor A1, doch in aanvulling hierop in een casus met (simuleerde) werkzaamheden met handgereedschappen in het verband van een duikploeg.

Praktijkexamen A3

Gelijk als voor A1 en in aanvulling hierop:

Praktijkexamen B1

Praktijkexamen B2

Gelijk als voor B1 en in aanvulling hierop:

Praktijkexamen B3

Gelijk als voor B2.

Praktijkexamen B4

Portfoliobeoordeling C

Voor categorie C voert de CKI een portfoliobeoordeling uit, indien hieruit blijkt dat de kandidaat tijdens zijn opleiding getoetst is.

De uitslagregel wordt door de CKI nader vastgelegd in het uitvoeringsbesluit.

Voor de vervolgafgifte van het wettelijk verplichte persoonscertificaat duikarbeid gelden de volgende toetstermen:

Het voldoen aan toetsterm H1 wordt beoordeeld aan de hand van het duikerlogboek. Het voldoen aan toetsterm H2.1 wordt minimaal 1 keer in de vier jaar getoetst door een examinator van de CKI. Indien de certificaathouder certificaten heeft in meerdere categorieën kan volstaan worden met één hercertificatie voor de meest uitgebreide scope .

Als examinator bij het uitvoeren van het praktijkexamen behorend bij toetsterm H2.1 kan optreden iedere duikploegleider die:

Indien uit de beoordeling van het duikerlogboek blijkt dat de certificaathouder niet voldoet aan de eisen voor hercertificatie, dan moet de certificaathouder een praktijkexamen zoals vereist voor initiële certificatie afleggen.

De hercertificatie wordt verleend, indien de met het duiklogboek aangetoonde praktijkervaring en door de CKI beoordeelde oefeningen aan de toetstermen H1 en H2 voldoen.

Op het certificaat moeten minimaal de volgende gegevens vermeld zijn:

Op het certificaat wordt de tekst opgenomen dat de CKI verklaart dat de betreffende persoon voldoet aan eisen van het normdocument WSCS-WOD-D Persoonscertificaat duikarbeid en dientengevolge als duiker vakbekwaam is in het verrichten van duikarbeid met het materieel in de categorie van certificaat.

De tekst vermeldt tevens of het certificaat is afgeven op grond van een initiële certificatie of een hercertificatie.

Gedurende de looptijd gelden de volgende condities waar de certificaathouder zich aan moet houden:

Indien niet voldaan wordt aan deze condities kan dit tot consequentie hebben dat het certificaat wordt geschorst of ingetrokken.

Document: WSCS-WOD-B: 2012, versie 1

Onder beheer van:

Stichting Werken Onder Overdruk (SWOD)

Dit werkveldspecifieke certificatieschema voor personen is door het Centraal College van Deskundigen ‘Werken onder overdruk’ opgesteld. Het betreft certificatie op het gebied van duikmedische begeleiding in een duikploeg. Dit schema is goedgekeurd door de Stichting werken onder overdruk en is vastgesteld door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Dit schema vervangt eerdere versies.

De te certificeren vakbekwaamheid betreft het optreden als duikmedisch begeleider. Het persoonscertificaat duikmedisch begeleider is wettelijk vereist op grond van artikel 6.16 lid 7 van het Arbeidsomstandighedenbesluit. De duikmedisch begeleider maakt deel uit van de duikploeg en ondersteunt de persoon die duikarbeid verricht. Onder duikarbeid wordt in overeenstemming met artikel 6.13 lid 1 onder letter a van het Arbeidsomstandighedenbesluit verstaan het verrichten van arbeid in een vloeistof of in een gesloten duikklok met inbegrip van het verblijf in die vloeistof of in die gesloten duikklok, waarbij voor de ademhaling gebruik wordt gemaakt van een gas onder een hogere druk dan de atmosferische druk.

Het certificatiesysteem van de certificerende instelling moet zijn gestructureerd in overeenstemming met de eisen uit de ISO/IEC 17024: 2003.

Het is mogelijk dat enkele gedefinieerde begrippen of afkortingen niet letterlijk in de tekst van het certificatieschema voorkomen, maar deze begrippen of afkortingen zijn toch in de definitielijst opgenomen in verband met het feit dat de beheerstichting en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid deze begrippen of afkortingen in direct verband tot dit certificatieschema kunnen hanteren.

Indien de definities in dit document afwijken van de definities in ISO/IEC 17024 en mandatory documents, gelden de definities van dit document.

Duikarbeid is een risicovolle beroepsactiviteit. Om het maatschappelijke belang – veiligheid en gezondheid van en rondom de arbeid – te waarborgen, is door de overheid gekozen voor een wettelijk verplichte certificatieregeling voor de borging van de vakbekwaamheid van personen die duikmedische begeleiding verlenen.

Dit werkveldspecifieke certificatieschema wordt aangeduid als WSCS-WOD-B. Het certificatieschema is door de Stichting werken onder overdruk (SWOD), als beheerstichting goedgekeurd en aangeboden aan het Ministerie van Sociale Zaken. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelt het schema vast. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan wijzigingen aanbrengen in de vastgestelde documenten. Dit schema vervangt eerdere versies. Op- en aanmerkingen over het certificatieschema kunnen worden ingediend bij het Centraal College van Deskundigen ‘Werken onder overdruk’.

Binnen het kader van dit certificatieschema zijn actief:

De risico’s bij het verrichten van duikwerkzaamheden liggen op het gebied van:

De afzonderlijke risicofactoren treden vaak in onderlinge combinatie en per definitie in combinatie met de onderdompeling in water op. De gevolgen van een incident kunnen daarom zeer ernstig zijn. In de praktijk blijken de naleving van voorschriften in wet- en regelgeving en het gebruik van deugdelijk duik- en caissonmaterieel de belangrijkste factoren ter voorkoming van incidenten te zijn.

Deze incidenten kunnen verder worden voorkomen door:

De persoon die duikarbeid verricht, is afhankelijk van materieel en van de andere leden van de duikploeg. De duiklocatie is vaak ver verwijderd van medische assistentie en in relatie tot duiken kunnen specifieke complicaties optreden. De duikmedisch begeleider in de duikploeg is in staat om in het geval van calamiteiten onmiddellijk assistentie te verlenen.

Een meer omvangrijke risicoanalyse is opgenomen in het document Werkveldspecifiek document voor aanwijzing en toezicht op de certificerende instellingen belast met persoonscertificatie op het gebied van werken onder overdruk (WDAT-WOD-P).

Dit reglement omschrijft de procedures die relevant zijn voor de juiste toepassing van het specifieke schema. Hierbij moet gedacht worden aan onder meer de procedures van de aanvraag, examinering, de wijze waarop de uitslag bekend gemaakt wordt en condities met betrekking tot de certificatie, afgifte van certificaten, procedures bij het uitvoeren van beoordelingen, klachtenafhandeling en het indienen van verzoeken om herziening.

De aanvrager dient in overeenstemming met dit certificatiereglement een aanvraag in voor het Persoonscertificaat Duikmedisch Begeleider bij een certificerende instelling (CKI). Vervolgens verstrekt de certificerende instelling alle relevante informatie over de gang van zaken bij het gehele certificatieproces.

De certificatiebeslissing wordt genomen door een functionaris van de certificerende instelling die niet betrokken is geweest bij de beoordeling van de kandidaten. Hij is daartoe gekwalificeerd en aangesteld conform het kwaliteitssysteem en de procedures die de certificatie-instelling heeft op grond van het werkveldspecifieke schema voor aanwijzing en toezicht.

De geldigheidsduur van het certificaat beperkt duikmedische begeleider (EHBO duikarbeid), duikmedisch begeleider (mad A) en uitgebreid duikmedisch begeleider (mad B) is op grond van de risicoanalyse twee kalenderjaren. De risico’s van de werkzaamheden worden beperkt door praktische bedrevenheid in de verrichtingen, vertrouwdheid met de werkomgeving en bekendheid met het functioneren van een duikploeg. Na vier jaar volgt de certificaathouder een herhalingsopleiding en moet opnieuw een theorie- en praktijkexamen afleggen. De herhalingsopleiding en examinering is noodzakelijk, omdat de vakbekwaamheid verrichtingen betreft die slechts in noodsituaties worden toegepast en waarin de certificaathouder normaliter geen praktijkervaring opdoet. Voor de uitgebreid duikmedisch begeleider (mad B) is de geldigheid op basis van andere wet en regelgeving beperkt tot 1 jaar vanwege de voorbehouden medische handelingen.

Met betrekking tot de geldigheid van het certificaat worden nadere condities gesteld. Als niet aan de condities wordt voldaan, dan heeft dat consequenties voor het certificaat. De condities en de wijze van toezicht daarop door de certificerende instelling worden beschreven in deel II van het certificatieschema.

Een adequate behandeling van klachten is belangrijk voor het creëren van vertrouwen in certificatie en belangrijk voor de bescherming van zowel de certificaathouders als de gebruikers van certificaten.

Aan een CKI worden onder meer de volgende eisen gesteld:

Indien de CKI klachten van derden, zoals een opdrachtgever, ontvangt over het voldoen aan dit schema door het bedrijf of de persoon die een aanvraag voor het certificaat heeft ingediend of certificaathouder is, dient de CKI de klager te verwijzen naar het bedrijf of de persoon. De CKI dient de klacht te betrekken bij de eerstvolgende beoordeling bij het betreffende bedrijf of de betreffende persoon.

Echter, indien het naar de mening van de CKI een ernstige klacht betreft, dient de CKI, naast de behandeling door het bedrijf of de persoon, zelf ook direct te beoordelen of de klacht gevolgen dient te hebben voor de beslissing m.b.t. certificatie.

In dat geval dient de CKI af te wegen of het gewenst is een extra beoordeling uit te voeren. De kosten van deze extra beoordeling komen in beginsel voor rekening van de certificaathouder.

Inleiding

In deze werkinstructie wordt de afhandeling van een klacht besproken. Voor iedere afzonderlijke klacht wordt een apart klachtenformulier ingevuld.

Werkwijze

Wanneer iemand probeert een klacht telefonisch of mondeling te melden, wordt aan hem/haar gevraagd deze schriftelijk te verwoorden. Als een klacht schriftelijk binnenkomt wordt deze meteen naar de kwaliteitsmanager gebracht en indien de klachtafhandelaar duidelijk is krijgt hij/zij meteen een kopie van de klacht.

De kwaliteitsmanager registreert de klacht op een klachtenformulier en stelt de directeur CKI op de hoogte van de klacht. De directeur van de CKI wijst de klachtafhandelaar aan. De kwaliteitsmanager vermeldt de klachtafhandelaar op het klachtenformulier en brengt de klachtafhandelaar schriftelijk op de hoogte van de klacht. De klachtafhandelaar informeert de indiener van de klacht schriftelijk over de ontvangst van de klacht.

Eenvoudige zaken

Klachtafhandelaar stuurt klacht door naar betrokken bedrijf/persoon; stelt indiener op de hoogte legt dossier aan tbv voortgangsbewaking en meenemen afhandeling klacht door bedrijf/persoon bij eerstvolgende beoordeling.

Ernstige klachten

Klachtafhandelaar beoordeelt de klacht en stelt vast of de klacht een incident betreft of dat de klacht moet leiden tot een aanpassing in de werkwijze.

Indien het een incident betreft, wordt de indiener daarvan op de hoogte gesteld. De klachtafhandelaar bedenkt samen met de indiener binnen drie weken na het indienen van de klacht een oplossing voor de afhandeling en betrekt bedrijf/persoon hierbij.

De oplossing zoals die met de indiener is besproken wordt vastgelegd op het klachtenformulier. Hier wordt tevens vermeld dat het gaat om een incident.

Indien de klacht een aanpassing van de werkwijze vergt bedenkt de klachtafhandelaar binnen 10 dagen een verbetervoorstel en bespreekt dit met de kwaliteitsmanager en betrekt bedrijf/persoon hierbij. Het verbetervoorstel moet een structurele verbetering inhouden van de werkwijze. Het verbetervoorstel wordt ingevuld op het klachtenformulier.

De klachtafhandelaar stelt de indiener op de hoogte van de afhandeling van de klacht.

De kwaliteitsmanager maakt de gewijzigde werkwijze bekend.

De kwaliteitsmanager start, indien nodig, een vervolgonderzoek naar de invoering van het verbetervoorstel. De bevindingen worden vastgelegd op het klachtenformulier. Het klachtenformulier wordt gearchiveerd.

Onderstaand worden de stappen beschreven die nodig zijn voor het afhandelen van een bezwaarschrift. Een dergelijk bezwaarschrift kan bijvoorbeeld ingediend worden tegen besluiten van de CKI inzake het niet (opnieuw) verlenen, schorsen of intrekken van een certificaat.

Algemeen:

Het bezwaar wordt niet-ontvankelijk verklaard:

De certificerende instelling registreert de gegevens van de certificaathouder. Deze gegevens worden tenminste zo vaak als mutaties zich voordoen elektronisch verzonden aan de beheerstichting. De overeenkomst met de certificerende instelling zal voorschrijven welk digitale formaat de toelevering van gegevens moet hebben, zodat de gegevens kunnen worden gebruikt voor het SWOD Certificaatregister. Dit register wordt opgezet in overeenstemming met wettelijke bepalingen en wordt via internet toegankelijk gemaakt. De beheerstichting is verantwoordelijk voor het beheer van het register, doch draagt geen aansprakelijkheid voor eventuele onvolkomenheden.

Het Centraal College van Deskundigen ‘Werken onder overdruk’ moet zorgen voor eenduidige norminterpretatie van dit certificatieschema. Toch kan het voorkomen dat er in de operationele fase verschillende interpretaties bestaan van één of meerdere in werkveldspecifieke certificatieschema’s gehanteerde begrippen. Mocht het gebeuren dat certificaathouders, certificerende instellingen of andere belanghebbenden uiteenlopende definities hanteren en hierover meningsverschillen bestaan, dan moeten afwijkende interpretaties worden voorgelegd aan het college.

De kandidaat die beschikt over een certificaat waarvan de geldigheidsduur is verlopen en/of niet voldoet aan de eisen gesteld aan de procedure tot hercertificatie, moet een initiële certificatie aanvragen. De CKI gaat dan over tot het vaststellen van het theorie-examen en/of praktijkexamen waarmee de vakbekwaamheid van de kandidaat kan worden getoetst. De kandidaat voor uitgebreid duikmedisch begeleider (mad B) dient een praktijkstage in een ziekenhuis te volgen om voorbehouden handelingen te mogen doen gevolgd door een pratijkexamen door de begeleidend arts. De kandidaat dient in elk geval te voldoen aan de gestelde entree-eisen.

De CKI houdt hierbij rekening met het volgende:

Dit reglement bevat bepalingen voor de voorbereiding, uitvoering en beoordeling van examens ten behoeve van het Persoonscertificaat duikmedisch begeleider (WSCS-WOD-B).

Het examenreglement is onderdeel van WSCS-WOD-B. De examinering geschiedt onder verantwoordelijkheid van de certificerende instelling en bestaat uit de volgende onderdelen:

Het examen wordt door de certificerende instelling afgenomen.

De certificerende instelling stelt haar werkwijze rond de examens nader vast in een uitvoeringsbesluit ten aanzien van het examenreglement. Het uitvoeringsbesluit bevat ten minste de volgende bepalingen:

Het examenpersoneel moet voldoen aan de algemene en vakinhoudelijk eisen alsmede onafhankelijkheidseisen die zijn gesteld in het Werkveldspecifieke document voor aan wijzing en toezicht voor certificerende instellingen bij persoonscertificatie (WDAT-WOD-P).

In aanvulling op het WDAT-WOD-P gelden voor de examinator die betrokken is bij de beoordeling van de demonstratie van praktische vaardigheden en het praktijkeindexamen de volgende eisen, waaruit de deskundigheid blijkt:

De medewerkers van de certificerende instelling dragen zorg voor de absolute geheimhouding van de examenopgaven. De handhaving van de geheimhouding geschiedt vanuit de certificerende instelling.

De eisen die gesteld worden aan de examenlocatie voor het theorie-examen zijn:

De eisen ten aanzien van de examenmiddelen voor het theorie-examen zijn:

Het theorie-examen wordt afgenomen in de Nederlandse taal. Het theorie-examen wordt in beginsel schriftelijk afgenomen. Het afnemen van een examen op andere wijze behoeft voorafgaande instemming van het Centraal College van Deskundigen. Op indicatie van de certificerende instelling wordt het examen bij kandidaten met buitenlandse voorkwalificaties afgenomen in de Engelse taal.

De eisen ten aanzien van de faciliteiten voor het praktijkexamen worden uitgewerkt door de certificerende instelling. De certificerende instelling ziet toe op de juiste inrichting, het onderhoud en juiste gebruik van de faciliteiten. De certificerende instelling kan hiertoe controles uitvoeren.

Indien de beheerstichting met meerdere certificerende instellingen samenwerkt op onderhavig WSCS, wordt onder verantwoordelijkheid van de beheerstichting een centrale itembank ingericht.

In de centrale itembank worden meerdere versies van de examenopgaven, opdrachten en het praktijkeindexamen vastgelegd. Het theorie-examen bevat generieke toetsopdrachten en het praktijkeindexamen bevat daarentegen specifieke toetsopdrachten. Het gebruik van de centrale itembank moet ervoor zorgen dat de kandidaten bij verschillende certificerende instellingen gelijkwaardige examens afleggen. De certificerende instellingen moeten medewerken aan de totstandkoming van de centrale itembank.

De beheerstichting stelt nadere regels ten aanzien van de aanvraag voor de aanlevering van examenversies uit de centrale itembank, de samenstelling van versies, de aanlevering op de examenlocatie en het onderhoud van de centrale itembank.

Het toezicht heeft tot doel om de vakbekwaamheid van gecertificeerd personeel te borgen. De certificerende instelling is verplicht te beoordelen of de certificaathouder blijft voldoen aan de gestelde eisen. Alhoewel de certificerende instelling normaliter geen tussentijds toezicht uitvoert vanwege de beperkte geldigheidsduur van twee kalenderjaren, moet de certificerende instelling wel tussentijds toezicht uitvoeren. Voor de uitgebreid duikmedisch begeleider is op grond van andere wet en regelgeving een doorlopende jaarlijkse beroepservaring geëist om voorbehouden medische handelingen te mogen uitvoeren. De CKI dient hierop tussentijds toezicht uit te voeren. Deze situaties zijn nader uitgewerkt in paragraaf 6.2. De certificaathouder is verplicht mee te werken aan toezicht door de certificerende instelling, de nationale accreditatie-instelling en de Inspectie SZW.

In de overeenkomst tussen de certificerende instelling en de certificaathouder worden de hiertoe benodigde bepalingen opgenomen, waartoe ten minste de volgende verplichtingen van de certificaathouder behoren:

De CKI voert indien nodig tussentijdse controles uit. De CKI moet een certificaathouder in elk geval tussentijds controleren in de volgende situaties:

De risico’s van de werkzaamheden worden beperkt door praktische bedrevenheid in de verrichtingen, vertrouwdheid met de werkomgeving en bekendheid met het functioneren van een duikploeg. Na twee kalenderjaren volgt de certificaathouder een herhalingsopleiding en moet opnieuw een theorie- en praktijkexamen afleggen. De herhalingsopleiding en examinering is noodzakelijk, omdat de vakbekwaamheid verrichtingen betreft die slechts in noodsituaties worden toegepast en waarin de certificaathouder normaliter geen praktijkervaring opdoet.

De CKI maakt een plan voor de uitvoering van een controle zoals bedoeld in paragraaf 6.2.

Het plan beschrijft ten minste:

Het plan wordt schriftelijk aan de certificaathouder kenbaar gemaakt. De certificaathouder moet binnen zes weken na de aankondiging zijn medewerking verlenen aan de uitvoering van de controle.

Indien de certificerende instelling de beoordeling van een praktijkverrichting noodzakelijk acht, dan moet de keuze van de vereiste verrichting beargumenteerd in verhouding staan tot de aanleiding voor de controle en de eindtermen en toetstermen van het certificatieschema.

Het uitvoeringsplan kan in overleg met de certificaathouder tot stand komen en beschrijft tevens het tijdstip en de locatie van de controle.

De praktijkverrichting die in de controle betrokken wordt, moet worden beoordeeld volgens de eisen van het certificatieschema.

De certificerende instelling maakt een verslag van de bevindingen naar aanleiding van de controles in het kader van het tussentijds toezicht. In het verslag wordt ingegaan op:

Het verslag wordt ter beschikking gesteld van de certificaathouder. Tegen de eventueel opgelegde maatregel kan de certificaathouder overeenkomstig paragraaf 4.7 een verzoek tot herziening indienen.

De certificerende instelling besluit tot schorsing van een certificaat, indien de certificaathouder:

Indien blijkt dat de certificaathouder een tijdelijke tekortkoming zoals bedoeld onder punt 2 en 3 heeft, dan wordt hij binnen een redelijke termijn in de gelegenheid gesteld om de tekortkoming te corrigeren door een nadere opleiding of praktijkervaring en een daarop volgende examinering. De schorsing wordt opgeheven, indien de certificaathouder de tekortkoming heeft gecorrigeerd.

De schorsing wordt verder opgeheven, indien de certificaathouder heeft voldaan aan de verplichtingen genoemd onder punt 1 en 4 of het misbruik van het beeldmerk heeft gestaakt en de eventuele schade heeft hersteld. De schorsing alsmede de opheffing van de schorsing wordt onmiddellijk verwerkt in het openbaar register van de beheerstichting.

De certificerende instelling besluit tot intrekking van een certificaat, indien de certificaathouder:

Indien een certificaathouder na een intrekking opnieuw gecertificeerd wil worden, moet dezelfde procedure doorlopen worden als bij initiële certificatie. Bij het opleggen van een sanctie moet de certificerende instelling aangeven en registreren dat na één kalenderjaar certificatie weer is toegestaan. Een verzoek tot hercertificatie kan worden ingediend vanaf één jaar na intrekking van het certificaat. De certificerende instelling moet voorafgaand aan de verstrekking van een certificaat in het centraal register verifiëren of er geen sprake is van een intrekking met de daaraan gekoppelde wachtperiode.

De intrekking wordt onmiddellijk verwerkt in het openbaar register van de beheerstichting.

De certificerende instelling besluit tot weigering van een certificaat, indien de certificaathouder:

De weigering van een hercertificatie wordt onmiddellijk verwerkt in het openbaar register van de beheerstichting.

De certificerende instelling moet onmiddellijk bij de Inspectie SZW melding maken van de haar bekende feiten ten aanzien van een kandidaat of certificaathouder in de volgende gevallen:

De vakbekwaamheid die gecertificeerd wordt, betreft de deelname aan een duikploeg als duikmedisch begeleider. De duikmedisch begeleider ondersteunt de duiker bij het verrichten van duikarbeid. Onder duikarbeid wordt in dit document verstaan het verrichten van arbeid in een vloeistof of in een gesloten duikklok met inbegrip van het verblijf in die vloeistof of in die gesloten duikklok, waarbij voor de ademhaling gebruik wordt gemaakt van een gas onder een hogere druk dan de atmosferische druk.

De duikploeg, die de duiker ondersteunt bij het verrichten van duikarbeid bestaat ten minste uit de duiker, een reserveduiker en een duikploegleider. In de duikploeg moet tevens een persoon met de kwalificaties als duikmedisch begeleider aanwezig zijn. Meestal treedt de duikploegleider als duikmedisch begeleider op, maar deze functie kan ook door een ander lid van de duikploeg niet zijnde de duiker of de reserveduiker worden waargenomen.

Het certificatieschema beschrijft de eisen die gesteld worden aan:

Voor de certificatie van beperkte duikmedisch begeleiding (WSCS-WOD-B-B1) met beperking tot duikarbeid geldt geen entreecriterium.

Het voldoen aan de entreecriteria voor de duikmedisch begeleider (WSCS-WOD-B-B2) wordt beoordeeld door portfoliobeoordeling van de door de kandidaat overlegde documenten. De documenten bestaan uit:

Ter verkrijging van de aantekening van bevoegdheid tot het uitvoeren van uitgebreide duikmedische begeleiding (WSCS-WOD-B-B3) met voorbehouden medische handelingen (mad B) wordt de portfoliobeoordeling uitgebreid met het onderzoek van de volgende aanvullende documenten:

De certificerende instelling heeft tot taak om te bepalen of en in hoeverre een in het buitenland afgeronde opleiding tot EHBO duikarbeid, mad A dan wel mad B, in Nederland erkend wordt. In het verlengde daarvan kan de certificerende instelling bepalen welke eventuele aanvullingen op het opleidingsniveau van de kandidaat noodzakelijk zijn om ingeschaald te kunnen worden.

De kandidaat moet de documenten volledig aan de certificerende instelling overleggen. Ter voorkoming van fraude met certificaten moet de kandidaat altijd een geldig identiteitsbewijs kunnen overleggen. De certificerende instelling mag desalniettemin het initiatief nemen om de documenten te verifiëren bij de instantie die de documenten heeft afgegeven.

De certificerende instelling kan de kandidaat opdragen om van zijn opleiding tot EHBO duikarbeid, mad A, dan wel mad B, nadere gegevens te verstrekken om het niveau van deze opleiding te beoordelen. Deze gegevens kunnen bestaan uit de contactgegevens van de opleidingsinstelling en opleiders en het curriculum van de opleiding. Als de certificerende instelling niet over gegevens voorde beoordeling van het niveau van de opleiding kan beschikken, wordt de opleiding niet erkend.

Voor de beperkt duikmedisch begeleider met beperking tot duikarbeid bij bassins (EHBO-duikarbeid) gelden de volgende eindtermen(WSCS-WOD-B-B1):

Voor de duikmedisch begeleider (mad A) gelden de volgende eindtermen (WSCS-WOD-B-B2):

Ter verkrijging van de aantekening van bekwaamheid in het uitvoeren van voorbehouden medische handelingen (mad B) voldoet de kandidaat bovendien de volgende eindtermen (WSCS-WOD-B-B3):

De vakbekwaamheidseisen zijn weergegeven als eindtermen en worden in het volgende hoofdstuk uitgewerkt in toetstermen. In de omschrijving van de eind- en toetstermen wordt gesproken over elementaire kennis en uitgebreide kennis. Deze indicaties van het kennisniveau worden in dit certificatieschema als volgt geïnterpreteerd:

De certificerende instelling hanteert een standaardmethodiek om te beoordelen of de kandidaat voldoet aan de eindtermen. Voor de beperkt duikmedisch begeleider (EHBO-duikarbeid) gelden onderstaande toetstermen (WSCS-WOD-B-B1) 2.1 tot en met 2.6, doch met uitzondering van de toetstermen 2.4.2 en 2.5.1.

De vakbekwaamheid van de kandidaat-duikmedisch begeleider (mad A) wordt getoetst aan de volgende toetscriteria(WSCS-WOD-B-B2):

Ter verkrijging van de aantekening van bekwaamheid in het uitvoeren van voorbehouden medische handelingen (mad B) wordt bovendien getoetst aan de volgende toetscriteria (WSCS-WOD-B-B3):

Het voldoen aan de toetstermen wordt beoordeeld door een theorie-examen en een praktijkexamen. Voor de beperkt duikmedisch begeleider (EHBO-duikarbeid) gelden onderstaande toetstermen 2.1 tot en met 2.6, doch met uitzondering van de toetstermen 2.4.2 en 2.5.1.

Het theorie-examen voor de duikmedisch begeleider (mad A) bestaat uit 4 vakken, die zijn onderverdeeld in hoofdvakken en bijvakken:

In de examenvakken moet de kandidaat zijn kennis ten aanzien van de toetstermen aantonen:

Het theorie-examen wordt schriftelijk en in de Nederlandse taal afgenomen. Het theorie-examen duurt voor ieder vak maximaal 40 minuten en na ieder vak wordt 5 minuten pauze gehouden. Iedere 85 minuten, namelijk na 2 vakken en 1 korte pauze, wordt 15 minuten pauze gehouden. Het theorie-examen wordt in beginsel op 1 dag afgenomen. De eindterm 2.6.1 voor het certificaat EHBO duikarbeid dan wel mad A wordt beoordeeld in een praktijkexamen. De kandidaat toont zijn verrichting voor het praktijkexamen aan door middel van een verrichtingenboekje. Het praktijkexamen wordt uitgevoerd onder toezicht van een examinator. Het praktijkexamen geldt als een hoofdvak.

Ter verkrijging van de aantekening van uitgebreide duikmedische bevoegdheid met het verrichten van voorbehouden medische handelingen moet een specifiek examen worden afgelegd. De kandidaat toont zijn verrichting voor het praktijkexamen aan door middel van een verrichtingenboekje. Dit examen bestaat geheel uit een praktijkexamen onder begeleiding van een arts.

De uitslagregel van het examen wordt nader uitgewerkt in het uitvoeringsbesluit van de CKI en indien er een centrale itembank is, is het tevens aldaar vastgelegd.

De hercertificatie van EHBO duikarbeid, mad A, dan wel mad Bis gelijk aan de initiële certificatie. De kandidaat moet iedere 2 kalenderjaren een herhalingsopleiding EHBO-duikarbeid of duikmedisch begeleider te volgen en het praktijk- en theorie-examen afleggen.

Om bij hercertificatie opnieuw de aantekening van uitgebreid duikmedisch begeleider met de bevoegdheid in het uitvoeren van voorbehouden medische handelingen (mad B) te verkrijgen, moet de kandidaat op grond van andere wet en regelgeving bovendien jaarlijks een ziekenhuisstage onder begeleiding van een arts lopen. De duur van de stage is ten minste 2 weken en de aard van de stage is ter beoordeling van de begeleidende arts.

De hercertificatie van beperkt duikmedisch begeleider (EHBO Duikarbeid/WSCS-WOD-B-B1)) en duikmedisch begeleider (mad A/WSCS-WOD-B-B2)) wordt beoordeeld door middel van een documentenonderzoek en een theorie- en praktijkexamen. Bij het documentenonderzoek moet een getuigschrift of diploma kunnen worden overlegd van een herhalingsopleiding duikmedisch begeleider dat niet ouder is dan 3 maanden.

Het af te leggen praktijk- en theorie-examen is gelijk als bij initiële certificatie.

De hercertificatie met de aantekening van uitvoeren van voorbehouden medische handelingen (mad B) wordt beoordeeld door middel van een documentenonderzoek bestaande uit:

De kandidaat moet de documenten volledig aan de certificerende instelling overleggen. De certificerende instelling mag desalniettemin het initiatief nemen om de documenten te verifiëren bij de instantie die de documenten heeft afgegeven.

De certificerende instelling controleert jaarlijks of de uitgebreid duikmedisch begeleider (mad B) de ziekenhuisstage onder begeleiding van een arts tijdig heeft herhaald.

De cesuur van het praktijk- en theorie-examen is gelijk aan de cesuur bij initiële certificatie.

Op het certificaat moeten minimaal de volgende gegevens vermeld zijn:

Op het certificaat wordt de tekst opgenomen dat de certificerende instelling verklaart dat de betreffende persoon voldoet aan eisen van het normdocument WSCS-WOD-B Persoonscertificaat duikmedisch begeleider en dientengevolge als vakbekwaam als duikmedisch begeleider in de categorie die wordt vermeld op certificaat.

De tekst vermeldt tevens of het certificaat is afgeven op grond van een initiële certificatie of een hercertificatie.

Gedurende de looptijd gelden de volgende condities waar de certificaathouder zich aan moet houden. Indien niet voldaan wordt aan deze condities kan dit consequenties hebben voor het certificaat.

De houder van het certificaat met de aantekening uitgebreid duikmedisch begeleider (mad B/WSCS-WOD-B-B3) om voorbehouden medische handelingen uit te voeren moet elk kalenderjaar opnieuw zijn ziekenhuisstage herhalen. Het certificaat wordt ingetrokken en vervangen door een certificaat duikmedisch begeleider (mad A/WSCS-WOD-B-B2), indien de kandidaat niet aan deze voorwaarde voldoet.

Treedt op een later tijdstip in werking.

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Treedt op een later tijdstip in werking.

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Vervallen

Treedt op een later tijdstip in werking.

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Treedt op een later tijdstip in werking.

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Treedt op een later tijdstip in werking.

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Treedt op een later tijdstip in werking.

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Treedt op een later tijdstip in werking.

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Treedt op een later tijdstip in werking.

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Treedt op een later tijdstip in werking.

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Treedt op een later tijdstip in werking.

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

1. Verbodsborden

Intrinsieke kenmerken:

Verboden te roken Vuur, open vlam en roken verbodenVerboden voor voetgangersVerboden met water te blussen Geen drinkwaterGeen toegang voor onbevoegdenVerboden voor transportvoertuigen Niet aanraken

2. Waarschuwingsborden

Intrinsieke kenmerken:

Ontvlambare stoffen of hoge temperatuurExplosieve stoffenGiftige stoffenBijtende stoffenRadioactieve stoffen of ioniserende stralingHangende lastenTransportvoertuigenGevaar voor elektrische spanningGevaarLaserstraalOxiderende stoffenNiet-ioniserende stralingBelangrijk magnetisch veldStruikelenVallen door hoogteverschilBiologisch risicoLage temperatuurSchadelijke of irriterende stoffen (1)Explosieve atmosfeer

3. Gebodsborden

Intrinsieke kenmerken:

Oogbescherming verplichtVeiligheidshelm verplichtGehoorbescherming verplichtAdembescherming verplichtVeiligheidsschoenen verplichtVeiligheidshandschoenen verplichtVeiligheidspak verplichtGelaatsbescherming verplichtIndividueel harnas verplichtVerplichte oversteekplaats (voetgangers)Algemeen gebod (eventueel samen met een ander bord

4. Reddingsborden

Intrinsieke kenmerken:

Vluchtweg-nooduitgang Te volgen richting Wordt tezamen met één van de onderstaande borden gebruiktEerste hulpBrancardVeiligheidsdoucheOgen spoelenTelefoon voor redding en eerste hulp

5. Borden in verband met het brandbestrijdingsmateriaal

Intrinsieke kenmerken:

BrandslangLadderBlusapparaatTelefoon voor brandbestrijdingTe volgen richting (wordt tezamen met één van de bovenstaande borden gebruikt)

Hand en armseinen