Wet · BWBR0008705
Wijzigingswet Wet op de jeugdhulpverlening (klachtrecht)
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is hoofdstuk IX van de Wet op de jeugdhulpverlening opnieuw vast te stellen en in verband daarmee enige andere bepalingen van deze wet te wijzigen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage29 mei 1997Beatrix De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,E. G. Terpstra De Staatssecretaris van Justitie,E. M. A. Schmitzde derde juli 1997De Minister van Justitie,W. SorgdragerWijzigt de Wet op de jeugdhulpverlening.
Wijzigt de Wet op de jeugdhulpverlening.
Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de tweede maand na de datum van uitgifte van het Staatsblad, waarin zij wordt geplaatst met uitzondering van artikel II, onderdelen C, D, F en H, die inwerking treden op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Op eerstbedoeld tijdstip treden tevens de artikelen 429a tot en met 429r van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in werking voor zaken op grond van artikel 52 van de Wet op de jeugdhulpverlening. Voor die zaken geldt artikel 345 van dat Wetboek niet.
De uitvoerders en voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen treffen de in artikel 48 bedoelde regeling binnen drie maanden na de inwerkingtreding van deze wet.