Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, T. Netelenbos, van 2 juli 1997, nr. 1997/10858 (3695), directie Wetgeving en Juridische Zaken, mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
Gelet op artikel 15 van de Wet op het voortgezet onderwijs juncto artikel VI, onderdeel C, van de Wet van 2 juli 1997, houdende wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met verbetering van de aansluiting van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs en het hoger algemeen voortgezet onderwijs op het hoger onderwijs (profielen voortgezet onderwijs), Stb. 322, de artikelen 22, derde lid, 29, 33, achtste en negende lid, 39c, achtste en negende lid, en 56a, van de Wet op het voortgezet onderwijs, artikel VI, onderdeel A, van de Wet van 2 juli 1997, houdende wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met verbetering van de aansluiting van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs en het hoger algemeen voortgezet onderwijs op het hoger onderwijs (profielen voortgezet onderwijs), Stb. 322, en de artikelen 7.3.4, tweede lid, en 7.4.11, derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
Gezien het advies van de Onderwijsraad van 7 april 1997, nr. OR 970150/143;
De Raad van State gehoord (advies van 14 oktober 1997, nr. W05.97.0402);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, T. Netelenbos, van 13 november 1997, nr. 1997/30229 (3695), directie Wetgeving en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage15 november 1997 Beatrix De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, T. Netelenbos De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, J. J. van Aartsen vierde december 1997 De Minister van Justitie, W. SorgdragerWijzigt het Inrichtingsbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o.
Wijzigt het Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o.
Wijzigt het Inrichtingsbesluit v.a.v.o.
Wijzigt het Schoolpracticumbesluit voortgezet onderwijs.
Vervallen
In afwijking van artikel 26b, eerste lid, van het Inrichtingsbesluit W.V.O. omvat het gemeenschappelijk deel van elk profiel in het v.w.o. tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip in plaats van «geschiedenis en maatschappijleer» de volgende vakken met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren:
maatschappijleer120
geschiedenis80.
In afwijking van artikel 26b, vijfde lid, van het Inrichtingsbesluit W.V.O. omvat het profieldeel van het profiel cultuur en maatschappij in het v.w.o. tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip de volgende vakken en deelvakken, met de daarbij vermelde normatieve studielast, uitgedrukt in uren:
- a.geschiedenis
360
- b.wiskunde A1
360
- c.
een van de volgende deelvakken, als combinatie met het overeenkomstige deelvak van het gemeenschappelijk deel:
Franse taal en letterkunde 2320
Duitse taal en letterkunde 2320,
Spaanse taal en letterkunde480
Russische taal en letterkunde480
Italiaanse taal en letterkunde480
Arabische taal en letterkunde480
Turkse taal en letterkunde480
Friese taal en letterkunde400
Latijnse taal en letterkunde480
Griekse taal en letterkunde480
dan wel een van de volgende vakken:
- d.
twee van de volgende vakken en deelvakken:
filosofie320
maatschappijleer360
aardrijkskunde360
muziek480
een van de vakken en deelvakken, genoemd onder c
een van de vakken tekenen, handvaardigheid I (handenarbeid), handvaardigheid II (textiele werkvormen), elk met een normatieve studielast van 480 uren.
De leerling mag in afwijking van het tweede lid, het deelvak wiskunde A1 vervangen door het vak wiskunde A1,2, het deelvak wiskunde B1 of het vak wiskunde B1,2.
Bij de toepassing van het tweede lid, in samenhang met het derde lid, kunnen in afwijking van artikel 26a, eerste lid, van het Inrichtingsbesluit W.V.O. de vakken en deelvakken zodanig worden gekozen dat zij tezamen een normatieve studielast hebben van minder dan 1840 uren, maar ten minste 1680 uren. In dat geval wordt de normatieve studielast van het vrije deel verhoogd met het mindere.
In afwijking van artikel 26c, eerste lid, van het Inrichtingsbesluit W.V.O. omvat het gemeenschappelijk deel van elk profiel in het havo tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip in plaats van «geschiedenis en maatschappijleer» het vak maatschappijleer, met een normatieve studielast van 160 uren.
In afwijking van artikel 26c, vijfde lid, van het Inrichtingsbesluit W.V.O. omvat het profieldeel van het profiel cultuur en maatschappij in het havo tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip de volgende vakken en deelvakken, met de daarbij behorende normatieve studielast, uitgedrukt in uren:
- a.wiskunde A1
160
- b.geschiedenis
240
- c.economie 1
200
- d.
een van de volgende deelvakken, als combinatie met het overeenkomstige deelvak van het gemeenschappelijk deel:
Franse, Duitse, Spaanse, Russische, Italiaanse, Arabische, Turkse en Friese taal en letterkunde 2200,
Franse, Duitse, Spaanse, Russische, Italiaanse, Arabische, Turkse en Friese taal en letterkunde 1,2360
dan wel een van de volgende vakken:
- e.
een of twee van de volgende vakken en deelvakken:
filosofie360
maatschappijleer200
aardrijkskunde200
muziek360
een van de vakken en deelvakken, genoemd onder d
een van de vakken tekenen, handvaardigheid I (handenarbeid), handvaardigheid II (textiele werkvormen), elk met een normatieve studielast van 360 uren.
De leerling mag in afwijking van het tweede lid, het deelvak wiskunde A1 vervangen door het vak wiskunde A1,2, het deelvak wiskunde B1 of het vak wiskunde B1,2, en het deelvak economie 1 vervangen door het vak economie 1,2, met een normatieve studielast van 440 uren.
Bij de toepassing van het tweede lid in samenhang met het derde lid, kunnen in afwijking van artikel 26a, tweede lid, van het Inrichtingsbesluit W.V.O. de vakken en deelvakken zodanig worden gekozen dat zij tezamen een normatieve studielast hebben van minder dan 1160 uren, maar ten minste 1000 uren. In dat geval wordt de normatieve studielast van het vrije deel verhoogd met het mindere.
Voor de kandidaat die eindexamen v.w.o. (atheneum) aflegt en op wie artikel VI van toepassing is, wordt dat eindexamen dienovereenkomstig aangepast. Indien voor die kandidaat het profieldeel een normatieve studielast heeft van minder dan 1840 uren, wordt het in artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van het Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o. genoemde getal van 280 uren verhoogd met het mindere. Indien het bevoegd gezag van een school voor v.w.o. met toepassing van artikel VI, onderdeel C, derde lid, van de Wet van 2 juli 1997, houdende wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met verbetering van de aansluiting van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs en het hoger algemeen voortgezet onderwijs op het hoger onderwijs (profielen voortgezet onderwijs), Stb. 322, pas met ingang van 1 augustus 1999 met het onderwijs in algemene natuurwetenschappen aanvangt, wordt het getal van 280 uren, zo nodig na de in de tweede volzin bedoelde verhoging, verhoogd met 160 uren voor die kandidaten die alleen in het schooljaar 1998–1999 het onderwijs in het vierde leerjaar volgden. Voor de kandidaat die voor 1 augustus 2004 eindexamen aflegt aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs, kan het bevoegd gezag bepalen dat het gemeenschappelijk deel niet het vak algemene natuurwetenschappen omvat. In dat geval wordt het getal van 280 uren, zo nodig na de in de tweede volzin bedoelde verhoging, verhoogd met 160 uren.
Voor de kandidaat die eindexamen v.w.o. (gymnasium) aflegt en op wie artikel VI van toepassing is, wordt dat eindexamen dienovereenkomstig aangepast. Indien voor die kandidaat het profieldeel een normatieve studielast heeft van minder dan 1840 uren, wordt het in artikel 12, eerste lid, onderdeel c, van het Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o. genoemde getal van 760 uren verhoogd met het mindere. Indien het bevoegd gezag van een school voor v.w.o. met toepassing van artikel VI, onderdeel C, derde lid, van de Wet van 2 juli 1997, houdende wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met verbetering van de aansluiting van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs en het hoger algemeen voortgezet onderwijs op het hoger onderwijs (profielen voortgezet onderwijs), Stb. 322, pas met ingang van 1 augustus 1999 met het onderwijs in algemene natuurwetenschappen aanvangt, wordt het getal van 760 uren, zo nodig na de in de tweede volzin bedoelde verhoging, verhoogd met 160 uren voor die kandidaten die alleen in het schooljaar 1998–1999 het onderwijs in het vierde leerjaar volgden. Voor de kandidaat die voor 1 augustus 2004 eindexamen v.w.o. aflegt aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs, kan het bevoegd gezag bepalen dat het gemeenschappelijk deel niet het vak algemene natuurwetenschappen omvat. In dat geval wordt het getal van 760 uren, zo nodig na de in de tweede volzin bedoelde verhoging, verhoogd met 160 uren.
Voor de kandidaat die eindexamen h.a.v.o. aflegt en op wie artikel VII van toepassing is, wordt dat eindexamen dienovereenkomstig aangepast. Indien voor die kandidaat het profieldeel een normatieve studielast heeft van minder dan 1160 uren, wordt het in artikel 13, eerste lid, onderdeel c, van het Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o. genoemde getal van 200 verhoogd met het mindere. Indien het bevoegd gezag van een school voor h.a.v.o. met toepassing van artikel VI, onderdeel C, derde lid, van de Wet van 2 juli 1997, houdende wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met verbetering van de aansluiting van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs en het hoger algemeen voortgezet onderwijs op het hoger onderwijs (profielen voortgezet onderwijs), Stb. 322, pas met ingang van 1 augustus 1999 met het onderwijs in algemene natuurwetenschappen aanvangt, wordt het getal van 200 uren, zo nodig na de in de tweede volzin bedoelde verhoging, verhoogd met 160 uren voor die kandidaten die alleen in het schooljaar 1998–1999 het onderwijs in het vierde leerjaar volgden. Voor de kandidaat die voor 1 augustus 2003 eindexamen h.a.v.o. aflegt aan een instelling voor educatie en beroepsonderwijs, kan het bevoegd gezag bepalen dat het gemeenschappelijk deel niet het vak algemene natuurwetenschappen omvat. In dat geval wordt het getal van 200 uren, zo nodig na de in de tweede volzin bedoelde verhoging, verhoogd met 160 uren.
Dit besluit treedt wat de artikelen III tot en met VIII betreft in werking met ingang van 1 augustus 1998.
De artikelen I en II treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen en onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Laatstbedoeld besluit wordt niet genomen voordat vier weken zijn verstreken nadat het onderhavige besluit is overgelegd aan beide kamers der Staten-Generaal en gedurende die termijn niet door of namens een van beide kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in de artikelen I en II van het onderhavige besluit geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld.
Artikel 3d van het Besluit onderwijsbevoegdheden W.V.O./O.W.V.O. vervalt met ingang van 1 augustus 2003.