Regeling · BWBR0009080

Besluit op de lijkbezorging

Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 4 december 1997, houdende voorschriften ter uitvoering van de Wet op de lijkbezorging (Besluit op de lijkbezorging) Besluit op de lijkbezorgingWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 17 juli 1997, nr. BW97/U1169 directoraat-generaal Openbaar Bestuur;

Gelet op de artikelen 9, 15, 32, 57, 66, 70, 78, 79 en 81, onderdeel 7°, van de Wet op de lijkbezorging;

De Raad van State gehoord (advies van 11 augustus 1997, nr. W04.97.0462);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken, mede namens Onze Ministers van Justitie en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 25 november 1997, directoraat-generaal Openbaar Bestuur;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage4 december 1997 Beatrix De Minister van Binnenlandse Zaken, H. F. Dijkstal De Minister van Justitie, W. Sorgdrager De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, E. Borst-Eilers de achttiende december 1997 De Minister van Justitie, W. Sorgdrager

In dit besluit wordt verstaan onder:

De afstand van een graf tot de erfscheiding van de begraafplaats bedraagt ten minste één meter.

De crematie geschiedt op zodanige wijze, dat vermenging of verwisseling van de as met die van andere lijken niet mogelijk is.

Indien een lijk Nederland is binnengebracht op een zodanig tijdstip dat begraving of crematie binnen de door artikel 16 van de wet gestelde termijn van de zesde werkdag na die van het overlijden niet mogelijk is, vindt de begraving of crematie zo spoedig mogelijk daarna plaats.

Artikel 8 van de wet is niet van toepassing ten aanzien van een lijk dat Nederland is binnengebracht ter begraving, crematie of ontleding.

Vervallen

Voor zover geen wilsuiting als bedoeld in artikel 18 bekend is en niet anders is bepaald in de artikelen 20 tot en met 25 van deze paragraaf, wordt er zorg voor gedragen dat het lijk wordt teruggevoerd naar het land waar de overledene dan wel de moeder van de doodgeborene thuishoort, opdat in de lijkbezorging kan worden voorzien.

Afhankelijk van de te verwachten duur van de periode waarin het lijk aan boord zal worden bewaard, geschiedt de bewaring na de dag van overlijden of dood ter wereld komen:

Indien overeenkomstig artikel 18 de wens te kennen is gegeven dat het lijk overboord wordt gezet, geschiedt dit niet eerder dan 36 uur na het overlijden of dood ter wereld komen.

Wanneer de gezondheidstoestand aan boord dit vordert, dan wel uitvoering van het bepaalde in een of meer van de artikelen 18 tot en met 21 van deze paragraaf in redelijkheid niet gevergd kan worden, kan de gezagvoerder, in afwijking van de artikelen 18 en 19, na overleg met een arts of, bij gebreke van deze, na overleg met leden van de bemanning het lijk binnen 36 uur na het overlijden overboord doen zetten.

Indien het lijk overboord wordt gezet, wordt het in een stevig omhulsel verpakt en verzwaard met zodanig gewicht dat het zinken en onder water blijven van het lijk zijn gewaarborgd.

Wanneer tekenen of aanduidingen van een niet-natuurlijke dood aanwezig zijn of wanneer in verband met andere omstandigheden een niet-natuurlijke dood niet uitgesloten geacht kan worden, wordt het lijk niet verplaatst dan nadat door de gezagvoerder een onderzoek is ingesteld.

Van het overlijden of dood geboren worden, van de wijze van bewaren van het lijk en van de duur daarvan, van de positie van het schip op het moment van het overboord zetten van het lijk, van de redenen daartoe en van het in voorkomende gevallen daaraan voorafgaande overleg, alsmede van de bevindingen van het in het artikel 24 bedoelde onderzoek, wordt melding gemaakt in het scheepsdagboek.

In deze paragraaf wordt verstaan onder installatie ter zee: een installatie opgericht binnen of buiten de territoriale wateren op de bodem van het deel van de Noordzee waarvan de grenzen samenvallen met die van het aan Nederland toekomende deel van het continentale plat, ongeacht of de bodem gemeentelijk is ingedeeld.

Bij vermoeden van overlijden van een op een installatie verblijvende persoon stelt degene die op die installatie is belast met het verlenen van medische zorg, of bij diens ontstentenis degene die met de leiding der werkzaamheden is belast, zich zo spoedig mogelijk met een arts in Nederland in verbinding, teneinde vast te kunnen stellen of betrokkene is overleden.

Onverminderd artikel 9 van de Arbeidsomstandighedenwet, stelt degene die is belast met de leiding der werkzaamheden op de installatie, de officier van justitie te Amsterdam onverwijld in kennis van het overlijden van een persoon op de installatie, onder vermelding van de naam van de in artikel 27 bedoelde arts.

Wanneer tekenen of aanduidingen van een niet-natuurlijke dood aanwezig zijn of wanneer in verband met andere omstandigheden een niet-natuurlijke dood niet uitgesloten geacht kan worden, wordt het lijk niet verplaatst dan met toestemming van de officier van justitie te Amsterdam.

Overtreding van artikel 3, 4, of 8 van dit besluit is een strafbaar feit in de zin van artikel 81, onderdeel 8°, van de wet.

Na de inwerkingtreding van dit besluit berusten de krachtens het Besluit op de lijkbezorging (Stb. 1991, 252) vastgestelde regels en andere besluiten op dit besluit.

Het Besluit op de lijkbezorging (Stb. 1991, 252) wordt ingetrokken.

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit op de lijkbezorging