U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 22-12-2009.

Regeling · BWBR0009092

Lozingenbesluit bodembescherming

Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 8 december 1997, houdende regels met betrekking tot het in de bodem lozen van vloeistoffen (Lozingenbesluit bodembescherming)Lozingenbesluit bodembeschermingWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 7 november 1997, nr. MJZ97570259, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Gelet op de artikelen 6, 15, 17, 65, 67, 70, 71, 92, 97 en 98 van de Wet bodembescherming;

De Raad van State gehoord (advies van 26 november 1997, nr. W08.97.0725);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 3 december 1997, nr. MJZ 97579463, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

's-Gravenhage8 december 1997 Beatrix De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer a.i., A. Jorritsma-Lebbink de achttiende december 1997 De Minister van Justitie, W. Sorgdrager

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Vervallen

Zuiveringssystemen en infiltratievoorzieningen moeten, zolang zij in gebruik zijn voor lozingen in de bodem, zodanig worden onderhouden, dat hun goede werking gewaarborgd is.

Indien een beperkte lozing van huishoudelijk afvalwater in de bodem definitief wordt beëindigd, moeten het zuiveringssysteem en de infiltratievoorziening worden verwijderd, of na volledige verwijdering van het erin aanwezige slib, worden opgevuld met schoon bodemmateriaal.

Indien een bestaande beperkte lozing van huishoudelijk afvalwater in de bodem definitief wordt beëindigd is artikel 10 van overeenkomstige toepassing.

Met betrekking tot zuiveringssystemen bedoeld in artikel 15 en infiltratievoorzieningen bedoeld in artikel 16 zijn de artikelen 7 tot met 9 van overeenkomstige toepassing.

Indien een lozing in de bodem als bedoeld in artikel 14 definitief wordt beëindigd, moeten het zuiveringssysteem en de infiltratievoorziening worden verwijderd of, na volledige verwijdering van het erin aanwezige slib, worden opgevuld met schoon bodemmateriaal.

Bij een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 14 en bij een in artikel 14a bedoelde aanvraag om afwijking van het in artikel 14, eerste lid, bedoelde verbod worden de gegevens verstrekt die in de bij dit besluit behorende bijlage I zijn aangegeven. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de te verstrekken gegevens.

Ter zake van het definitief beëindigen van een lozing in de bodem als bedoeld in artikel 21 is artikel 19 van overeenkomstige toepassing.

Als betrokken bestuursorgaan, bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer wordt, voor de gevallen waarin een verzoek om ontheffing of afwijking als bedoeld in de artikelen 14, 24 of 25, onderscheidenlijk 14a, 24a of 25a wordt ingediend, waarbij het lozen in de bodem gevolgen kan hebben voor de hoedanigheden van de bodem van een andere lid-staat van de Europese Gemeenschappen, tevens die andere lid-staat aangewezen. Met de betrokken lid-staat wordt, desgevraagd, alvorens ontheffing wordt verleend, of afwijking wordt toegestaan, overleg gevoerd.

Na de inwerkingtreding van dit besluit worden de krachtens het Lozingenbesluit bodembescherming (Stb. 1990, 217) vastgestelde regels en andere besluiten gelijkgesteld met regels onderscheidenlijk besluiten, vastgesteld met toepassing van dit besluit.

Het Lozingenbesluit bodembescherming (Stb. 1990, 217) wordt ingetrokken.

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sedert de dag van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Dit besluit wordt aangehaald als: Lozingenbesluit bodembescherming.

Ontheffing of afwijking van in het Lozingenbesluit bodembescherming gestelde verboden, als bedoeld in de artikelen 5, 5a, 11, 11a, 14, 14a, 21, 21a, 24, 24a, 25 en 25a van dat besluit

1. Bij een aanvraag om ontheffing als bedoeld in de artikelen 5, 11, 14, 21, 24 en 25 en bij een aanvraag om afwijking van in het besluit gestelde verboden, als bedoeld in de artikelen 5a, 11a, 14a, 21a, 24a en 25a, worden de volgende gegevens verstrekt:

2. Bij een aanvraag om ontheffing voor een omvangrijke lozing van huishoudelijk afvalwater in de bodem, als bedoeld in artikel 14, tweede lid, en bij een aanvraag om afwijking als bedoeld in artikel 14a, tweede lid, worden tevens de volgende gegevens verstrekt:

3. Bij een aanvraag om ontheffing voor een beperkte lozing, als bedoeld in artikel 5, derde lid, en artikel 11, vierde lid, bij een aanvraag om afwijking als bedoeld in artikel 5a, eerste lid, en artikel 11a, eerste lid, bij een aanvraag om ontheffing voor een omvangrijke lozing, als bedoeld in artikel 14, vierde lid, en 21, derde lid, en bij een aanvraag om afwijking als bedoeld in artikel 14a, tweede lid, en artikel 21a, eerste lid, worden naast de gegevens zoals aangegeven onder punt 1 van deze bijlage tevens de volgende gegevens verstrekt:

4. Bij een aanvraag om ontheffing voor een lozing van koelwater in de bodem, als bedoeld in artikel 24, en bij een aanvraag om afwijking als bedoeld in artikel 24a worden tevens de volgende gegevens verstrekt:

5. Bij een aanvraag om ontheffing voor een lozing van overige vloeistoffen in de bodem, als bedoeld in artikel 25, en bij een aanvraag om afwijking als bedoeld in artikel 25a worden tevens de volgende gegevens verstrekt:

Kennisgeving als bedoeld in de artikelen 22 en 34 van het Lozingenbesluit bodembescherming

Bij een kennisgeving als bedoeld in de artikelen 22 en 34 moeten de volgende gegevens worden verstrekt:

Lijsten I en II als bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder b, van het Lozingenbesluit bodembescherming