Ministeriële regeling · BWBR0009107

Regeling toelatingseisen

Wijzigingen Officiële bron
Regeling houdende vaststelling toelatingseisen voertuigen op basis van hoofdstuk 3 van het VoertuigreglementRegeling toelatingseisenDE MINISTER VAN VERKEER EN WATERSTAAT,

Gelet op artikel 22, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 alsmede hoofdstuk 3 van het Voertuigreglement;

BESLUIT:

Deze regeling zal met de toelichting in een bijlage bij de Staatscourant worden geplaatst. Van deze plaatsing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.

De Minister van Verkeer en Waterstaat, A.Jorritsma-Lebbink

In deze regeling wordt verstaan onder:

a.druk:

de overdruk uitgedrukt in bar (1 bar = 100 kPa);

b.gasregeleenheid:

doseerklep of verdeelhuis: de eenheid die de benodigde hoeveelheid gas, onder druk, naar het inspuitstuk regelt of verdeelt;

c.inspuitstuk:

inspuitventiel of injector: de eenheid die de benodigde hoeveelheid gas, al dan niet in vloeibare vorm, onder druk aan de inlaatlucht van de motor toevoegt;

d.gasdichte behuizing:

de behuizing die ervoor zorgt dat de daarin bevindende CNG-onderdelen en verbindingen gasdicht van de personen- of laadruimte worden afgesloten: deze behuizing kan o.a. in de vorm van een kast of hoes zijn uitgevoerd;

e.gasmengstuk:

het invoerstuk dat in het inlaatkanaal van de motor wordt geplaatst en het gas mengt met de inlaatlucht;

f.RDW:

Dienst Wegverkeer;

g.elektronische controle-eenheid:

eenheid die de LPG- dan wel CNG-hoeveelheid regelt en die automatisch de spanning op de afsluitkleppen van het LPG- dan wel CNG-systeem onderbreekt bij breuk van de brandstoftoevoerleiding of bij het uitzetten van de motor;

h.overdrukvoorziening:

voorziening die ervoor zorgt dat gasvormig LPG dan wel CNG wordt afgeblazen ter voorkoming van het barsten van de tank tengevolge van een brand (Pressure Relief Device, PRD);

i.veerveiligheid:

veergestuurde veiligheidsklep die de druk in de tank limiteert door het afblazen van gasvormig LPG dan wel CNG (Pressure Relief Valve, PRV);

j.service-aansluiting:

aansluiting in de brandstofleiding tussen de LPG-tank en de motor ten behoeve van het aansluiten van een extra LPG-tank indien de brandstof is opgeraakt.

De toelatingseisen opgenomen in hoofdstuk 3, afdelingen 2 tot en met 7, van het Voertuigreglement alsmede in de hoofdstukken 3 tot en met 11 van deze regeling worden getoetst op de wijze zoals bepaald in de artikelen 2.2 en 2.3 en voor zover van toepassing op de wijze zoals voorgeschreven bij de desbetreffende toelatingseis in deze regeling.

De last onder de as of assen van bedrijfsauto's die na 31 december 1994 in gebruik zijn genomen en ten aanzien waarvan in het Voertuigreglement geen eisen zijn opgenomen mag niet meer bedragen dan:

De last onder de assen van aanhangwagens in gebruik genomen na 31 december 1994, bestemd voor het vervoer van ondeelbare lading, mag niet meer bedragen dan 24.000 kg te zamen indien het betreft aanhangwagens met een asstel bestaande uit:

Figuur 1 Aslijn en enkele as

De last onder de assen van aanhangwagens in gebruik genomen vóór 1 januari 1995 bestemd voor het vervoer van ondeelbare lading mag niet meer bedragen dan 24.000 kg te zamen indien het een asstel betreft bestaande uit:

Figuur 2 Aslijn en enkele as

Rijdende werktuigen moeten voor wat betreft de bestreken baan voldoen aan de in de onderstaande tabel vermelde maximum waarden:

Indien de LPG-brandstofpomp in de LPG-tank is aangebracht moeten het identificatiemerk van de LPG-brandstofpomp en de aanduiding `PUMP INSIDE' op de identificatieplaat van de LPG-tank zijn ingeslagen.

Vervallen

Een LPG-onderdeel waarop paragraaf 1.1 van deze afdeling van toepassing is, moet zijn voorzien van een in bijlage 1, onder 1, opgenomen goedkeuringsmerk.

De onderdelen van de LPG-installatie moeten bestand zijn tegen de druk die, onder normale bedrijfsomstandigheden, maximaal kan heersen in het gedeelte van de LPG-installatie waar deze onderdelen zijn aangebracht.

Geen deel van de LPG-installatie mag dichter dan 100 mm bij de uitlaat of vergelijkbare hittebron zijn gelegen, tenzij het desbetreffende deel afdoende tegen hitte is beschermd.

Indien de LPG-tank met behulp van een tankframe en tankbanden wordt gemonteerd, moet tussen de LPG-tank en het frame beschermend materiaal zoals vilt, leer of kunststof, zijn aangebracht.

Indien de LPG-tank achter een zitplaats is aangebracht, moet in langsrichting van het motorrijtuig een vrije ruimte van ten minste 100 mm aanwezig zijn, die verdeeld mag zijn tussen de LPG-tank en de achterwand van het voertuig en tussen de LPG-tank en de zitplaats, waarbij de kortste afstand bepalend is.

Indien de LPG-tank door middel van een tankframe en tankbanden aan het motorrijtuig is bevestigd, moeten de tankbanden voldoen aan de in artikelen 5.27 tot en met 5.29 gestelde eisen.

De in artikel 5.31 gestelde eisen worden getoetst:

De veerveiligheid moet zodanig in de LPG-tank zijn aangebracht dat deze in de dampruimte uitmondt en in de buitenlucht kan afblazen, dan wel in de de gasdichte kast afblaast.

De in artikel 5.33 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorrijtuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

De 80%-vulklep, voorzien van een terugslagklep, moet geschikt zijn voor de LPG-tank waarin deze is aangebracht en in de juiste positie zijn geplaatst.

De in deze paragraaf gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorrijtuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:

De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht.

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorrijtuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

De in artikel 5.48 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.

De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorrijtuig tevens is voorzien van een ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:

Bij motorrijtuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.

De in de gasdichte kast aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle.

Vervallen

Een CNG-installatie is ten minste voorzien van de volgende onderdelen:

Een CNG-onderdeel waarop paragraaf 2.1 van deze afdeling van toepassing is, is voorzien van het goedkeuringsmerk bedoeld in bijlage 1, onder 2.

De onderdelen van de CNG-installatie moeten bestand zijn tegen de druk die, onder normale bedrijfsomstandigheden, maximaal kan heersen in het gedeelte van de CNG-installatie waar deze onderdelen zijn aangebracht.

Geen deel van de CNG-installatie mag dichter dan 100 mm bij de uitlaat of vergelijkbare hittebron zijn gelegen, tenzij het desbetreffende deel door middel van een schild afdoende tegen hitte is beschermd.

* Tankgewicht mag worden gebruikt indien het maximum tankgewicht (incl. gasgewicht) duidelijk op de tank is aangegeven.

Indien de CNG-tank met behulp van een tankframe en tankbanden wordt aangebracht moet tussen de CNG-tank en het frame beschermend materiaal zoals vilt, leer of kunststof, zijn aangebracht.

Indien de CNG-tank achter een zitplaats is aangebracht moet in langsrichting van het voertuig een totale vrije ruimte van ten minste 100 mm aanwezig zijn die verdeeld mag zijn tussen de tank en de achterwand van het motorrijtuig en tussen de CNG-tank en de zitplaats, waarbij de kortste afstand bepalend is.

Indien de CNG-tank door middel van een tankframe en tankbanden aan het motorrijtuig is bevestigd, moeten de tankbanden voldoen aan de in artikelen 5.81 tot en met 5.83 gestelde eisen.

De CNG-tank moet met ten minste twee tankbanden op het tankframe zijn bevestigd: indien de tankband tevens het gewicht van de CNG-tank draagt, moeten ten minste drie tankbanden zijn aangebracht.

De overdrukbeveiliging moet door de fabrikant van de CNG-tank waarin deze aangebracht is, zijn aangewezen als beveiliging tegen overdruk.

De in artikel 5.88 gestelde eisen worden getoetst:

De in artikel 5.90 gestelde eisen worden getoetst:

Vervallen

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:

De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zonodig na verwijdering van een hoes.

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorrijtuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

De in artikel 5.103 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.

De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorrijtuig tevens is voorzien van ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:

Vervallen

Vervallen

In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:

De in artikel 5.110 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.

Bij motorrijtuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.

De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.

De gemonteerde banden moeten geschikt zijn voor de door de fabrikant van het voertuig toegestane maximum aslast, waarbij het bepaalde in de artikelen 6.3 tot en met 6.18 in acht moet worden genomen.

Onverminderd het bepaalde in artikel 6.3 geldt indien achter de load-index een snelheidssymbool wordt vermeld, het draagvermogen van de desbetreffende band slechts bij de in bijlage 6 bij het snelheidssymbool aangegeven maximum snelheid.

De in de bandentabellen A-2, B-2, A-3 en B-3 vermelde draagvermogens ten aanzien van de banden van bedrijfsauto's mogen, afhankelijk van de te rijden snelheid en het vermelde snelheidssymbool, worden vermeerderd dan wel moeten worden verminderd met het percentage zoals opgenomen in de in bijlage 7 opgenomen tabel.

Indien een band is voorzien van het snelheidssymbool “V” mag deze worden toegepast tot een maximum snelheid van 240 km/h, waarbij vanaf de snelheid van 210 km/h het draagvermogen van de desbetreffende band met het hieronder vermelde percentage moet worden verminderd.

Indien een band is voorzien van het snelheidssymbool “W” mag deze worden toegepast tot een maximum snelheid van 270 km/h, waarbij vanaf de snelheid van 240 km/h het draagvermogen van de desbetreffende band met het hieronder vermelde percentage moet worden verminderd.

Indien in de maataanduiding vóór de letter “R” of op een diagonaalband een snelheidssymbool is vermeld, geldt, in afwijking van het bepaalde in artikel 6.6, de toegestane maximum snelheid volgens bijlage 8.

De toepassing van winterbanden, voorzien van de aanduidingen “M+S”, “MS” of “M & S”, waarvan de snelheid volgens het snelheidssymbool lager is dan de maximumsnelheid van het voertuig, is toegestaan, mits door middel van een sticker op het dashboard aan de bestuurder kenbaar wordt gemaakt welke snelheid bij de desbetreffende banden hoort.

Indien het een personenauto, bedrijfsauto, driewielig motorrijtuig of aanhangwagen met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg met twee of meer assen betreft, geldt dat:

De banden op de bestuurde of gestuurde as van bedrijfsauto's alsmede aanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg mogen niet van verschillende karkasstructuur zijn. De banden op bestuurde of gestuurde assen onderling mogen echter wel van verschillende structuur zijn.

Motorfietsen mogen indien op de vooras een radiaalband is aangebracht op de achteras niet zijn voorzien van een diagonaalband.

Indien op de band door middel van een pijl de draairichting van de band is aangegeven, moet de band dienovereenkomstig zijn aangebracht.

De reminrichting van personenauto's in gebruik genomen na 31 maart 1990 doch vóór 1 januari 1995 moet voldoen aan de eisen van de bijlagen I t/m VIII van richtlijn 71/320/EEG, zoals gewijzigd bij de richtlijnen 75/524/EEG en 79/489/EEG.

De reminrichting van personenauto's in gebruik genomen na 30 september 1978 doch vóór 1 april 1990 moet voldoen aan de eisen van de bijlagen I t/m VIII van richtlijn 71/320/EEG, waarbij:

De reminrichting van personenauto's in gebruik genomen na 30 juni 1978 moet voldoen aan de in de artikelen 7.4 tot en met 7.11 gestelde eisen.

De reminrichting moet bestaan uit een bedrijfsrem, een parkeerrem alsmede een hulprem (noodrem).

De bedrijfsrem moet:

De remvertraging van de bedrijfsrem moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal gelegen weg ten minste 5,2 m/s² bedragen bij een pedaalkracht van niet meer dan 500 N.

De parkeerrem moet de personenauto op een helling van 16% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, en een kracht op de hefboom van de parkeerrem van niet meer dan 400 N, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, ten minste 1,2 m/s² bedraagt en de rem ook in achterwaartse richting functioneert.

De bedrijfsrem, de parkeerrem en de hulprem mogen delen gemeenschappelijk hebben, mits:

De reminrichting van personenauto's in gebruik genomen vóór 1 juli 1967 moet voldoen aan de in de artikelen 7.14 tot en met 7.19 gestelde eisen.

De reminrichting moet bestaan uit een bedrijfsrem en een parkeerrem.

De bedrijfsrem moet:

Het remvloeistofreservoir van het hydraulische remsysteem moet op een behoorlijk toegankelijke plaats zijn aangebracht en de vloeistofvoorraad moet op eenvoudige wijze kunnen worden gecontroleerd.

De remvertraging van de bedrijfsrem moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s² bedragen.

De remvertraging van de parkeerrem moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,0 m/s² bedragen.

De reminrichting van bedrijfsauto's, in gebruik genomen na 31 maart 1990 doch vóór 1 januari 1995, moet voldoen aan de eisen van de bijlagen I tot en met VIII van richtlijn 71/320/EEG, zoals gewijzigd bij de richtlijnen 75/524/EEG en 79/489/EEG.

De reminrichting van bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, in gebruik genomen na 30 september 1975 doch vóór 1 april 1990, moet voldoen aan de eisen van de bijlagen I tot en met VIII van richtlijn 71/320/EEG, waarbij:

De reminrichting van bedrijfsauto's in gebruik genomen na 30 september 1971 doch vóór 1 oktober 1975 moet voldoen aan de in de artikelen 7.24 tot en met 7.39 gestelde eisen.

De reminrichting moet bestaan uit een bedrijfsrem, een parkeerrem, alsmede een hulprem.

De bedrijfsrem moet:

De remvertraging van de bedrijfsrem moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N ten minste bedragen:

De parkeerrem moet de bedrijfsauto op een helling van 16% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, en een kracht op de hefboom van de parkeerrem van niet meer dan 600 N, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, ten minste 1,2 m/s² bedraagt en de rem ook in achterwaartse richting functioneert.

De bedrijfsrem, de parkeerrem en de hulprem mogen delen gemeenschappelijk hebben, mits:

Indien voor de werking van een reminrichting een hulpkrachtbron noodzakelijk is, moet deze hulpkrachtbron voldoende energie-reserve bezitten zodat de bedrijfsauto voldoet aan artikel 7.27, eerste lid, 7.29 en 7.30, tweede lid.

Indien in een remleiding van een druklucht- of vacuüm-reminrichting een afsluitinrichting is aangebracht, moet deze:

Bij elektrische reminrichtingen moeten de leidingen dubbel-polig zijn uitgevoerd.

Bij het bedienen van de parkeerrem moet het aanhangwagenremsysteem van de bedrijfsauto automatisch in werking worden gesteld.

De reminrichting van bedrijfsauto's, in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 oktober 1971, moet voldoen aan de in de artikelen 7.24 tot en met 7.31 alsmede artikel 7.33, met uitzondering van het eerste lid, onderdeel c, gestelde eisen.

De reminrichting ven bedrijfsauto's in gebruik genomen vóór 1 juli 1967 moet voldoen aan de in de artikelen 7.42 tot en met 7.48 gestelde eisen.

De reminrichting moet bestaan uit een bedrijfsrem, en een parkeerrem.

De bedrijfsrem moet:

Het remvloeistofreservoir van het hydraulische remsysteem moet op een behoorlijk toegankelijke plaats zijn aangebracht en de vloeistofvoorraad moet op eenvoudige wijze kunnen worden gecontroleerd.

De remvertraging van de bedrijfsrem moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s² bedragen.

De remvertraging van de parkeerrem moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggend weg ten minste 1,0 m/s² bedragen.

Bedrijfsauto's met een geheel of gedeeltelijk drukluchtremsysteem moeten zijn voorzien van:

De reminrichting van motorfietsen in gebruik genomen vóór 1 april 1995 moet voldoen aan de in de artikelen 7.50 tot en met 7.53 gestelde eisen.

De remmen moeten rechtstreeks werken op met de wielen verbonden rem-schijven of remtrommels zonder tussenkomst van tandwielen.

Het remvloeistofreservoir van het hydraulische remsysteem moet op een behoorlijk toegankelijke plaats zijn aangebracht en de vloeistofvoorraad moet op eenvoudige wijze kunnen worden gecontroleerd.

De reminrichting van driewielige motorrijtuigen met een toegestane maximum massa van meer dan 1000 kg, in gebruik genomen na 31 maart 1990 doch vóór 1 april 1995, moet voldoen aan de eisen van de bijlagen I tot en met VIII van richtlijn 71/320/EEG, zoals gewijzigd bij de richtlijnen 75/524/EEG en 79/489/EEG.

De reminrichting van driewielige motorrijtuigen met een toegestane maximum massa van niet meer dan 1000 kg, in gebruik genomen na 31 maart 1990 doch vóór 1 april 1995, moet voldoen aan de in de artikelen 7.56 tot en met 7.61 gestelde eisen.

De reminrichting moet bestaan uit een bedrijfsrem, en een parkeerrem.

De bedrijfsrem moet:

De parkeerrem moet:

De parkeerrem moet het driewielig motorrijtuig op een helling van 16% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, en een kracht op de hefboom van de parkeerrem van niet meer dan 400 N, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, ten minste 1,2 m/s² bedraagt en de rem ook in achterwaartse richting functioneert.

De reminrichting van driewielige motorrijtuigen met een ledige massa van niet meer dan 400 kg en een toegestane maximum massa van meer dan 1000 kg, in gebruik genomen na 31 december 1982 doch vóór 1 april 1990, moet voldoen aan de eisen opgenomen in richtlijn 71/320 ten aanzien van voertuigen met een maximum massa van ten hoogste 3500 kg, bestemd voor het vervoer van goederen, in de richtlijn aangeduid als categorie N1, met uitzondering van punt 1.4 van bijlage II.

De reminrichting van driewielige motorrijtuigen met

moet voldoen aan de in de artikelen 7.64 tot en met 7.66 gestelde eisen.

De reminrichting moet bestaan uit twee remmen en moet voldoen aan de volgende eisen:

De remvertraging moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, bij een uitgeoefende kracht van niet meer dan 200 N bij gebruik van een remhandel dan wel bij een pedaalkracht van niet meer dan 500 N:

De reminrichting van driewielige motorrijtuigen met een ledige massa van niet meer dan 400 kg, in gebruik genomen vóór 27 november 1975, moet bestaan uit twee remmen en moet voldoen aan de volgende eisen:

De reminrichting van driewielige motorrijtuigen met een ledige massa van meer dan 400 kg, in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 april 1990, moet voldoen aan de in de artikelen 7.69 tot en met 7.77 gestelde eisen.

De reminrichting moet bestaan uit een bedrijfsrem, een parkeerrem, alsmede een hulprem (noodrem).

De bedrijfsrem moet:

De remvertraging van de bedrijfsrem van een driewielig motorrijtuig moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s² bedragen bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N

De parkeerrem moet:

De parkeerrem moet het driewielig motorrijtuig op een helling van 16% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, en een kracht op de hefboom van de parkeerem van niet meer dan 400 N, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, ten minste 1,2 m/s² bedraagt en de rem ook in achterwaartse richting functioneert.

De bedrijfsrem, de parkeerrem en de hulprem mogen delen gemeenschappelijk hebben, mits:

De reminrichting van driewielige motorrijtuigen, in gebruik genomen vóór 1 juli 1967, moet voldoen aan de in de artikelen 7.79 tot en met 7.84 gestelde eisen.

De reminrichting moet bestaan uit een bedrijfsrem en een parkeerrem.

De bedrijfsrem moet:

Het remvloeistofreservoir van het hydraulische remsysteem moet op een behoorlijk toegankelijke plaats zijn aangebracht en de vloeistofvoorraad moet op eenvoudige wijze kunnen worden gecontroleerd.

De remvertraging van de bedrijfsrem moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s² bedragen.

De parkeerrem moet:

De remvertraging van de parkeerrem moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,0 m/s² bedragen.

De reminrichting van aanhangwagens, in gebruik genomen na 31 maart 1990 doch vóór 1 januari 1995, moet voldoen aan de eisen van de bijlagen I tot en met VIII van richtlijn 71/320/EEG, zoals gewijzigd bij de richtlijnen 75/524/EEG en 79/489/EEG.

De reminrichting van aanhangwagens, in gebruik genomen na 31 december 1982 doch vóór 1 april 1990, moet voldoen aan de eisen van de bijlagen I tot en met VIII van richtlijn 71/320/EEG, zoals gewijzigd bij de richtlijnen 75/524/EEG en 79/489/EEG, met uitzondering van de punten 1.4 en 1.5 van bijlage II.

De reminrichting van aanhangwagens, in gebruik genomen na 30 september 1978 doch vóór 1 januari 1983, moet voldoen aan de eisen van de bijlagen I tot en met VIII van richtlijn 71/320/EEG zoals gewijzigd bij de richtlijn 75/524/EEG, met uitzondering van de punten 1.4 en 1.5 van bijlage II.

De reminrichting van aanhangwagens, in gebruik genomen na 30 september 1975 doch vóór 1 oktober 1978, moet voldoen aan de eisen van de bijlagen I tot en met VIII van richtlijn 71/320/EEG, met uitzondering van de punten 1.4 en 1.5 van bijlage II.

De reminrichting van aanhangwagens, in gebruik genomen na 30 september 1971 doch vóór 1 oktober 1975, moet voldoen aan de in de artikelen 7.90 tot en met 7.99 gestelde eisen.

De reminrichting moet bestaan uit een bedrijfsrem, een losbreekrem (noodrem), alsmede een vastzetinrichting.

De bedrijfsrem moet:

De remvertraging van de bedrijfsrem moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s² bedragen.

Aanhangwagens met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, mogen zijn voorzien van een oplooprem die voldoet aan de volgende eisen:

De bedrijfsrem, de losbreekrem en de vastzetinrichting mogen gemeenschappelijke delen hebben waarbij de werking van de reminrichtingen oordeelkundig over de assen en wielen is verdeeld.

De reminrichting van aanhangwagens, in gebruik genomen vóór 1 oktober 1971, moet voldoen aan de in de artikelen 7.101 tot en met 7.106 gestelde eisen.

De reminrichting moet rechtstreeks werken op ten minste twee wielen waarbij de beremde wielen zich symmetrisch aan weerszijden van het voertuig moeten bevinden, en zodanig dat de kans op slippen zo gering mogelijk is.

De reminrichting moet in werking treden hetzij door bediening van de bedrijfsrem van het trekkende voertuig, hetzij als gevolg daarvan tijdens het rijden, en wel zodanig dat de wielen van de aanhangwagen nagenoeg gelijktijdig en in gelijke mate met de wielen van het trekkende voertuig worden geremd.

Bij opleggers en aanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg moet de rem, eventueel aangebracht op het trekkende voertuig, zijn voorzien van een inrichting waarmee de remkracht aan de beladingstoestand kan worden aangepast.

De kunststof remleidingen en de daarbij behorende aansluitingen, van bedrijfsauto's en aanhangwagens moeten voldoen aan de volgende eisen:

De plaats van de bestuurderszitplaats en de inrichting en bouw van het koetswerk moeten zodanig zijn dat het gezichtsveld van de bestuurder aan de in artikel 8.2 tot en met 8.7 gestelde eisen voldoet.

De afmetingen van het bestuurderscompartiment moeten voldoen aan de afmetingen zoals deze zijn aangegeven in figuur 1.

maten in mm

Figuur 1
figuur 3figuur 4figuur 5

Bussen in gebruik genomen vóór 1 juli 1985 moeten ten aanzien van het gezichtsveld tevens voldoen aan de volgende eisen:

Indien de voorruit is voorzien van een goedkeuringsmerk overeenkomstig de volgende modellen, waarbij de letters en cijfers kunnen variëren, voldoet het materiaal van de ruit aan de in artikel 8.10 gestelde eisen:

De in artikel 3.5.32 van het Voertuigreglement voorgeschreven spiegels voor driewielige motorrijtuigen moeten voldoen aan de in artikel 8.13 tot en met artikel 8.19 gestelde eisen.

De spiegels moeten zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding de vereiste gezichtsvelden, zoals bepaald in artikel 8.15 tot en met 8.17, kan overzien.

Figuur 6

De linkerbuitenspiegel van driewielige motorrijtuigen moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder vanaf een punt gelegen op 10,00 m afstand achter de oogpunten van de bestuurder tot aan de horizon, ten minste een vlak en horizontaal weggedeelte met een breedte van 2,50 m kan overzien. Dit gedeelte wordt rechts begrensd door het aan de lengte-as van het voertuig evenwijdige verticale vlak door het meest linkse punt van het voertuig, zoals weergegeven in figuur 7.

figuur 7
Figuur 8

Bij het bepalen van de in artikel 8.16 en 8.17 genoemde gezichtsvelden worden belemmeringen die worden veroorzaakt door onder meer portierkrukken, zijlichten, richtingaanwijzers, uiteinden van achterbumpers en delen voor reiniging van de spiegeloppervlakken alsmede belemmeringen die het gevolg zijn van de carrosserieconstructie en overeenkomst vertonen met die belemmeringen, welke door vorengenoemde onderdelen worden veroorzaakt, buiten beschouwing gelaten.

De in de artikelen 3.2.32 en 3.3.32 van het Voertuigreglement genoemde spiegels van personenauto's en bedrijfsauto's in gebruik genomen vóór 1 januari 1995, moeten voldoen aan de in de artikelen 8.21 tot en met 8.29 gestelde eisen.

De spiegels moeten zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding de vereiste gezichtsvelden, zoals omschreven in artikel 8.23 tot en met 8.27, kan overzien.

figuur 9

De linkerbuitenspiegel van personenauto's en bedrijfsauto's moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder vanaf een punt gelegen op 10,00 m afstand achter de oogpunten van de bestuurder tot aan de horizon, ten minste een vlak en horizontaal weggedeelte met een breedte van 2,50 m kan overzien. Dit gedeelte wordt rechts begrensd door het aan de lengte-as van het voertuig evenwijdige verticale vlak door het meest linkse punt van het voertuig, zoals weergegeven in figuur 10.

figuur 10
figuur 11figuur 12

De trottoirspiegel moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder ten minste een vlak en horizontaal weggedeelte met een breedte van 1,00 m kan overzien, dat zich vanaf de oogpunten van de bestuurder naar achteren over een afstand van 1,25 m uitstrekt en naar voren tot de uiterste voorzijde van het voertuig, doch niet verder dan over een afstand van 1,00 m. Dit gedeelte wordt links begrensd door het aan de lengte-as van het voertuig evenwijdige verticale vlak op een afstand van 0,20 m buiten het meest rechtse punt van de buitenzijde van dat gedeelte van het voertuig, waarin de bestuurder zich bevindt, zoals weergegeven in figuur 13.

figuur 13

De breedtespiegel moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder ten minste een vlak en horizontaal weggedeelte met een breedte van 12,50 m kan overzien, dat zich uitstrekt van een punt gelegen op 15,00 m tot een punt gelegen op ten minste 25,00 m achter de oogpunten van de bestuurder. Dit gedeelte wordt links begrensd door het aan de lengte-as van het voertuig evenwijdige verticale vlak door het meest rechtse punt van het voertuig. Tevens moet een weggedeelte over een breedte van 2,50 m vanaf een punt gelegen op 3,00 m achter vorenbedoelde oogpunten oplopend tot een breedte van 12,50 m gelegen op een afstand van 15,00 m achter meerbedoelde oogpunten, zichtbaar zijn, zoals weergegeven in figuur 14.

figuur 14

Bij het bepalen van de in artikel 8.24 tot en met artikel 8.27 genoemde gezichtsvelden worden belemmeringen die worden veroorzaakt door onder meer portierkrukken, zijlichten, richtingaanwijzers, uiteinden van achterbumpers en delen voor reiniging van de spiegeloppervlakken alsmede belemmeringen, die het gevolg zijn van de carrosserieconstructie en overeenkomst vertonen met die belemmeringen, welke door vorengenoemde onderdelen worden veroorzaakt, buiten beschouwing gelaten.

De breedtespiegel is zodanig geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld heeft, zoals weergegeven in figuur 14a, waarbij de bestuurder zicht heeft op:

De bevestigingspunten voor autogordels van personenauto's, driewielige motorrijtuigen die ingericht zijn voor het vervoer van personen alsmede bedrijfsauto's en driewielige motorrijtuigen die beurtelings voor het vervoer van personen of goederen kunnen worden ingericht, allen in gebruik genomen na 1 januari 1971 doch vóór 1 januari 1995 moeten voldoen aan de in artikel 8.32 gestelde eisen.

Autogordels van personenauto's, driewielige motorrijtuigen die ingericht zijn voor het vervoer van personen alsmede bedrijfsauto's en driewielige motorrijtuigen die beurtelings voor het vervoer van personen of goederen kunnen worden ingericht; allen in gebruik genomen na 1 januari 1971 doch vóór 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van een aanduiding of goedkeuringsmerk dat overeenkomt met één van de in artikel 8.34 tot en met 8.37 weergegeven modellen.

Een goedkeuringsmerk dat bestaat uit de letters NL in een cirkel met een toelatingsnummer, met daarbij een door het Instituut voor Wegtransportmiddelen TNO (IW TNO) afgegeven merkteken van rechthoekige vorm en oranje van kleur, waarop ten minste de woorden: “Goedgekeurde autogordel” zijn vermeld, alsmede de naam IW TNO en een registratienummer.

(de cijfers en bijschriften kunnen variëren)

Autogordels goedgekeurd volgens:

Bedrijfsauto's alsmede aanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 750 kg in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 januari 1995 en waarvan de achterzijde van het voertuig zich bevindt op meer dan 1,00 m achter het hart van de achterste as moeten ten aanzien van de beschermingsinrichting aan de achterzijde voldoen aan de artikelen 8.39 tot en met 8.43.

Figuur 15 Gebied
Figuur 16 Minimale breedte en hoogte stootbalkFiguur 17 Bovenaanzicht maximale vrije uitsteek stootbalk

De in artikel 8.41, tweede lid, genoemde stootbalk moet over de in artikel 8.42, onderdeel a of b, genoemde breedte ononderbroken zijn tenzij het voertuig is voorzien van een laadklep aan de achterzijde, in dit geval mag de stootbalk op twee plaatsen zijn onderbroken, waarbij:

Figuur 18 Stootbalk t.b.v. laadklep

Bedrijfsauto's en aanhangwagens, middenasaanhangwagens daaronder begrepen, in gebruik genomen na 31 december 1994, moeten ten aanzien van zijdelingse afscherming met betrekking tot het gebied achter de voorste achteras voldoen aan het bepaalde in de artikelen 8.46 tot en met 8.54: dit geldt tevens voor middenasaanhangwagens in gebruik genomen na 31 december 1994 met betrekking tot het gebied vóór de voorste as.

De volgende gebieden aan weerszijden van het voertuig moeten zijn beveiligd:

Figuur 19 Tussen de wielen
Figuur 20 Breedte-afname na breedste punt

Indien het voertuig aan beide zijden is voorzien van een afzonderlijk doorlopend spatbord over alle wielen van het samenstel van assen, waarvan de onderzijde zich niet meer dan 1,30 m boven het wegdek bevindt, is ter plaatse van het samenstel voldaan aan de eis inzake zijdelingse afscherming.

Een middenasaanhangwagen die is voorzien van een resteel dat meer dan 0,10 m buiten de overige delen van het chassis of de carrosserie uitsteekt, moet aan de voorzijde van de resteel zijn voorzien van een afscherming, met een afschuining van ten hoogste 45° ten opzichte van het mediaanlangsvlak van het voertuig.

Een voertuig met een zijdelings uitstekend deel achter de achterste achteras, zoals een lichtbak, stootbalk of steun, moet zijn voorzien van een zijdelingse afscherming, zoals bedoeld in artikel 8.47, indien het desbetreffende deel geheel of gedeeltelijk in het gearceerde gebied valt, zoals weergegeven in figuur 21, welk gebied wordt bepaald door het langsraakvlak van het voertuig en het raakvlak onder een hoek α, waarbij tan α = 0,2.

Figuur 21 Uitstekend deel

Indien het voertuig aan de zijkant zodanig is geconstrueerd of uitgerust dat voertuigdelen op grond van vorm en eigenschappen kunnen worden beschouwd als delen ter vervanging van de zijdelingse afscherming, zoals het randprofiel, of de carrosserie van een bus, en de onderzijde van deze voertuigdelen of constructie bevindt zich niet meer dan 1,30 m boven het wegdek, wordt voldaan aan artikel 8.47 tot en met 8.50.

Bedrijfsauto's en aanhangwagens in gebruik genomen na 31 december 1969 doch vóór 1 januari 1995 moeten ten aanzien van de zijdelingse afscherming voldoen aan de artikelen 8.57 tot en met 8.65.

De volgende gebieden aan weerszijden van het voertuig moeten zijn beveiligd:

Figuur 22 Tussen de wielen
Figuur 23 Breedte-afname na breedste punt

Indien het voertuig aan beide zijden is voorzien van een afzonderlijk doorlopend spatbord over alle wielen van het samenstel van assen, waarvan de onderzijde zich niet meer dan 1,30 m boven het wegdek bevindt, wordt ter plaatse van het samenstel voldaan aan de eis inzake zijdelingse afscherming.

Een voertuig dat is voorzien van een resteel dat meer dan 0,10 m buiten de overige delen van het chassis of de carrosserie uitsteekt, moet aan de voorzijde van de resteel zijn voorzien van een afscherming, zoals weergegeven in figuur 24.

Figuur 24 Resteel

Een voertuig met een zijdelings uitstekend deel achter de achterste achteras, zoals een lichtbak, stootbalk of steun, moet zijn voorzien van een zijdelingse afscherming, zoals bedoeld in artikel 8.58, indien het desbetreffende deel geheel of gedeeltelijk in het gearceerde gebied valt, zoals weergegeven in figuur 25, welk gebied wordt bepaald door het langsraakvlak van het voertuig en het raakvlak onder een hoek α, waarbij tan α = 0,2.

Figuur 25 Uitstekend deel

Bedrijfsauto's en aanhangwagens moeten ten aanzien van de wielafscherming voldoen aan de artikelen 8.68 tot en met 8.72.

Indien het voertuig voldoet aan het gestelde in richtlijn 91/226/EEG, is tevens voldaan aan het gestelde in de artikelen 8.69 tot en met 8.72.

Figuur 26 WielafschermingFiguur 27 Wielafscherming middenasaanhangwagen ≤ 3500 kg
Figuur 28 Scharnierende wielafscherming

Personenauto's in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 januari 1995, moeten voldoen aan de in de artikelen 9.2 tot en met 9.7 gestelde eisen.

Het voertuig moet zijn voorzien van:

figuur 1figuur 2

Het voertuig mag zijn voorzien van de in artikel 5.2.57 van het Voertuigreglement genoemde lichten en retroreflecterende voorzieningen, mits voldaan wordt aan de in de artikelen 5.2.59 en 5.2.61 van het Voertuigreglement gestelde eisen.

Personenauto's in gebruik genomen vóór 1 juli 1967, moeten voldoen aan de in de artikelen 9.9 tot en met 9.14 gestelde eisen.

Het voertuig moet zijn voorzien van:

Het voertuig mag zijn voorzien van de in artikel 5.2.57 van het Voertuigreglement genoemde lichten en retroreflecterende voorzieningen, mits voldaan wordt aan de in de artikelen 5.2.59 en 5.2.61 van het Voertuigreglement gestelde eisen.

De in artikel 2.10.9. van de Regeling permanente eisen genoemde voertuigen behoeven niet te zijn voorzien van een markering aan de achterzijde.

Bedrijfsauto's in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 januari 1995, moeten voldoen aan de in de artikelen 9.16 tot en met 9.21 gestelde eisen.

Het voertuig moet zijn voorzien van:

Het voertuig mag zijn voorzien van de in artikel 5.3.57 van het Voertuigreglement genoemde lichten en retroreflecterende voorzieningen, mits voldaan wordt aan de in de artikelen 5.3.59 en 5.3.61 van het Voertuigreglement gestelde eisen.

Bedrijfsauto's in gebruik genomen vóór 1 juli 1967, moeten voldoen aan de in de artikelen 9.23 tot en met 9.28 gestelde eisen.

Het voertuig moet zijn voorzien van:

Het voertuig mag zijn voorzien van de in artikel 5.3.57 van het Voertuigreglement genoemde lichten en retroreflecterende voorzieningen, mits voldaan wordt aan de in de artikelen 5.3.59 en 5.3.61 van het Voertuigreglement gestelde eisen.

Motorfietsen in gebruik genomen na 26 november 1975 doch vóór 1 januari 1995, moeten voldoen aan de in de artikelen 9.30 tot en met 9.36 gestelde eisen.

Het voertuig moet zijn voorzien van:

Zijspanwagens, verbonden aan een motorfiets, moeten zijn voorzien van:

Het voertuig mag zijn voorzien van de in de artikelen 5.4.57 en 5.4.59 van het Voertuigreglement genoemde lichten en retroreflecterende voorzieningen, mits voldaan wordt aan de in artikel 5.4.59 van het Voertuigreglement gestelde eisen.

Motorfietsen in gebruik genomen vóór 27 november 1975, moeten voldoen aan de in de artikelen 9.38 tot en met 9.44 gestelde eisen.

Zijspanwagens, verbonden aan een motorfiets, moeten zijn voorzien van:

Het voertuig mag zijn voorzien van de in de artikelen 5.4.57 en 5.4.58 van het Voertuigreglement genoemde lichten en retroreflecterende voorzieningen, mits voldaan wordt aan de in artikel 5.4.59 van het Voertuigreglement gestelde eisen.

Driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 januari 1995, moeten voldoen aan de in de artikelen 9.46 tot en met 9.51 gestelde eisen.

Het voertuig mag zijn voorzien van de in artikel 5.5.57 van het Voertuigreglement genoemde lichten en retroreflecterende voorzieningen, mits voldaan wordt aan de in de in de artikelen 5.5.59 en 5.5.61 van het Voertuigreglement gestelde eisen.

Driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen vóór 1 juli 1967, moeten voldoen aan de in de artikelen 9.53 tot en met 9.58 gestelde eisen.

Het voertuig mag zijn voorzien van de in artikel 5.5.57 van het Voertuigreglement genoemde lichten en retroreflecterende voorzieningen, mits wordt voldaan aan het gestelde in de artikelen 5.5.59 en 5.5.61 van het Voertuigreglement.

De in artikel 2.10.9. van de Regeling permanente eisen genoemde voertuigen behoeven niet te zijn voorzien van een markering aan de achterzijde.

Aanhangwagens, in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 januari 1995, moeten voldoen aan de in de artikelen 9.60 tot en met 9.65 gestelde eisen.

Het voertuig moet zijn voorzien van:

Het voertuig mag zijn voorzien van de in artikel 5.12.57 van het Voertuigreglement genoemde lichten en retroreflecterende voorzieningen, mits voldaan wordt aan de in de artikelen 5.12.59 en 5.12.61 van het Voertuigreglement gestelde eisen.

Aanhangwagens in gebruik genomen vóór 1 juli 1967, moeten voldoen aan de in de artikelen 9.67 tot en met 9.72 gestelde eisen.

Het voertuig moet zijn voorzien van:

Het voertuig mag zijn voorzien van de in artikel 5.12.57 van het Voertuigreglement genoemde lichten en retroreflecterende voorzieningen, mits voldaan wordt aan de in de artikelen 5.12.59 en 5.12.61 van het Voertuigreglement gestelde eisen.

De markeringsborden aan de achterzijde van personenauto's, bedrijfsauto's en aanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg moeten voldoen aan ECE-Reglement 70.

Model 1Model 2Model 3Model 4Model 5Model 6
Figuur 1

In deze afdeling wordt onder een kortkoppelsysteem verstaan: een bijzondere koppelconstructie die het mogelijk maakt de afstand tussen een trekkend voertuig en een aanhangwagen in de rechtuit stand zo klein mogelijk te maken en deze afstand automatisch aan te passen gedurende hoekverdraaiingen.

Het kortkoppelsysteem moet zodanig zijn uitgevoerd dat een samenstel van bedrijfsauto en aanhangwagen dat is voorzien van een kortkoppelsysteem voldoet aan de eisen gesteld in de artikelen 10.5 tot en met 10.11.

Het kortkoppelsysteem moet de volgende afzonderlijke bewegingshoeken tussen de koppelingsdelen van de desbetreffende voertuigen mogelijk maken:

Bij het inrijden en vervolgens doorrijden van een cirkel met een straal van 12,50 m, waarbij het inrijden van de cirkel geschiedt met de buitenzijde van het samenstel van voertuigen langs de binnenzijde van de raaklijn aan de cirkel, en het doorrijden van de cirkel geschiedt over een hoek van 360° met de voorzijde van het samenstel langs de binnenzijde van de cirkel, mag de uitscheermaat van een samenstel van bedrijfsauto en aanhangwagen niet meer dan 0,80 m bedragen en mag de bestreken baan niet meer dan 7,20 m bedragen.

figuur 2
figuur 3

Het samenstel van bedrijfsauto en aanhangwagen moet worden beproefd volgens het bepaalde in richtlijn 70/311/EEG, bijlage I, punt 5.3.

Stuurwiggen van opleggers moeten zijn bevestigd zoals weergegeven in figuur 4, waarbij:

Figuur 4

Op mechanische koppelinrichtingen voor het koppelen van een aanhangwagen aan een driewielig motorrijtuig zijn de eisen van richtlijn 94/20/EG van overeenkomstige toepassing.

De geluidssterkte van hoorns van personenauto's, bedrijfsauto's, motorfietsen en driewielige motorrijtuigen moet worden gemeten met gebruikmaking van de in de artikel 11.2 genoemde meetapparatuur, waarbij de in artikel 11.3 genoemde meetcondities in acht moeten worden genomen.

De geluidsniveaumeter moet ten minste voldoen aan het bepaalde in Publicatie nr. 651, eerste editie 1979, Geluidsniveaumeters, van de Internationale Electrotechnische Commissie (IEC) voor geluidsniveaumeters met de nauwkeurigheidsklasse Type 1.

Hoorns die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/388/EEG (PbEG 10 augustus 1970, L 176) dan wel aan het bepaalde in ECE-Reglement nr. 28, mogen een geluid voortbrengen waarvan de sterkte meer bedraagt dan 104 decibel.

Met de in deze regeling vastgestelde technische normen of technische eisen worden gelijkgesteld daaraan gelijkwaardige technische normen of technische eisen, vastgesteld door of vanwege een andere lid-staat van de Europese Unie dan wel door of vanwege een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.

Met de in deze regeling geëiste onderzoeken worden gelijkgesteld daaraan gelijkwaardige onderzoeken, geëist door of vanwege een andere lid-staat van de Europese Unie dan wel door of vanwege een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.

De regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 12 december 1994, nr. RV 188321, houdende vaststelling toelatingseisen voertuigen op basis van hoofdstuk 3 van het Voertuigreglement (Supplement bij Stcrt. 251), wordt ingetrokken.

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling toelatingseisen.

1

Het goedkeuringsmerk ingevolge ECE-Reglement nr.67-01 ziet er als volgt uit:

waarbij de volgende codes de daarbij vermelde betekenis hebben:

4:

aanduiding van het land dat goedkeuring heeft verleend ('4' is Nederland);

67R:

vast gegeven (aanduiding goedkeuring volgens ECE-Reglement nr. 67);

01:

goedkeuring volgens de aanpassingen van de versie 01 '01 series of amendments';

2439:

nummer en aantal posities kan variëren: dit is het goedkeuringsnummer specifiek voor het merk en type van het onderdeel.

CLASS #:

1, 2, 2A of 3. Dit is een classificatie van LPG-onderdelen.

2

Het goedkeuringsmerk ingevolge ECE-Reglement nr. 110 ziet er als volgt uit:

waarbij de volgende codes de daarbij vermelde betekenis hebben:

4:

aanduiding van het land dat goedkeuring heeft verleend ('4' is Nederland);

110R:

vast gegeven (aanduiding goedkeuring volgens ECE-Reglement nr. 110;

00:

goedkeuring volgens de originele niet geamendeerde versie van het Reglement;

2439:

nummer en aantal posities kan variëren: dit is het goedkeuringsnummer specifiek voor het merk en type van het onderdeel.

Het herkenningsteken moet bestaan uit een weersbestendige sticker.

De kleur en afmetingen moeten zijn:

De tekst 'FOR SERVICE PURPOSES ONLY' moet gecentreerd staan in het midden van de sticker.

Model herkenningsteken aanwezigheid LPG-installatie in een bus.

Het herkenningsteken moet bestaan uit een sticker die weersbestendig is en de hierboven aangegeven parallelvormen weergeeft. De aanduiding “LPG” moet onuitwisbaar en duidelijk leesbaar in het midden van de sticker zijn aangebracht.

De kleur en afmetingen moeten zijn:

Model herkenningsteken aanwezigheid CNG-installatie in een bus.

Het herkenningsteken bestaat uit een sticker die weersbestendig is en de hierboven aangegeven parallelvormen weergeeft. De aanduiding “CNG” moet onuitwisbaar en duidelijk leesbaar in het midden van de sticker zijn aangebracht.

De kleur en afmetingen moeten zijn: