Ministeriële regeling · BWBR0009127

IJkregeling gasmeters

Wijzigingen Officiële bron
IJkregeling gasmetersIJkregeling gasmetersDe Minister van Economische Zaken,

Gelet op de artikelen 13, vierde lid, en 28 van de IJkwet en artikel 2, tweede lid, van het IJkreglement:

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage12 december 1997De Minister van Economische Zaken, G.J.Wijers

In deze regeling wordt verstaan onder:

a.wet:

de IJkwet;

b.bijlage:

de bijlage, behorende bij de EEG-IJkregeling gasmeters;

c.gasmeters:

de balgen-, rotor- en schoepenradgasmeters, bedoeld in de punten II.1, III.1.1 en III.1.2 van de bijlage;

d.onderzoek tot toelating van een model:

het onderzoek, bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de wet;

e.keuring:

de keuring, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de wet;

f.herkeuring:

de herhaalde keuring, bedoeld in artikel 11, vierde lid, van de wet;

g.toezicht:

het onderzoek, bedoeld in artikel 5:18 van de Algemene wet bestuursrecht;

h.verklaring van toelating:

de verklaring, bedoeld in artikel 11a, tweede lid, van de wet;

i.ijkmerk:

het ijkmerk, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet;

j.debiet of Q:

het volume gas, dat per tijdseenheid door de gasmeter stroomt;

k.maximale meetvermogen of Qmax :

het grootste debiet, waarvoor een gasmeter in verband met zijn samenstelling is bestemd;

l.minimale meetvermogen of Qmin:

het debiet, beneden hetwelk de fouten in de aanwijzing van een gasmeter de daarvoor vastgestelde maximaal toelaatbare waarden kunnen overschrijden;

m.meetcondities:

condities van het gas, waarvan de gasmeter het volume meet, op de plaats van de meting;

n.referentiecondities:

condities, behorende bij het volume waarnaar het volume onder meetcondities wordt herleid;

o.volumeherleidingsinstrument:

een op een gasmeter aangesloten instrument, dat het door een gasmeter aangewezen volume van een door die meter gestroomde hoeveelheid gas herleidt tot het daarmede bij een bepaalde referentiedruk of -temperatuur, dan wel een combinatie daarvan, overeenkomende volume en dit herleide volume aanwijst;

p.normale omgevingscondities:

een omgevingstemperatuur tussen -10 °C en +40 °C of tussen -25 °C en +55 °C, zoals aangegeven door de fabrikant;

q.referentie-omgevingscondities:

een omgevingstemperatuur tussen +15 °C en +25 °C;

r.storingstelwerk:

een aanwijsinrichting, die de functie van een gewone aanwijsinrichting overneemt nadat een storing is opgetreden.

Met de gasmeters, die de in artikel 10, eerste lid, van de wet, bedoelde keuring hebben ondergaan, worden gelijkgesteld gasmeters, die in een andere lid-staat van de Europese Unie dan wel in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte rechtmatig zijn geproduceerd of in de handel gebracht en die door een gelijkwaardige, door die andere staat erkende instantie zijn gekeurd, mits bij die keuringen aan gelijkwaardige eisen is voldaan.

Onverminderd hetgeen overigens in deze regeling is bepaald, is, tenzij in deze regeling uitdrukkelijk anders is bepaald, op gasmeters de bijlage, met uitzondering van hoofdstuk IV, van toepassing, met dien verstande dat telkens wordt gelezen voor:

EEG-modelgoedkeuring:

toelating van een model;

eerste EEG-ijk:

keuring;

EEG-ijkmerk onderscheidenlijk ijkmerk van eerste EEG-ijk:

ijkmerk;

EEG-zegelmerk:

eerste deel van het ijkmerk.

Een gasmeter moet voorzien zijn van een aanwijsinrichting die het volume onder meetcondities aanwijst.

Indien een gasmeter is voorzien van een aanwijsinrichting die niet langs mechanische weg wordt aangedreven, moet er voorzien zijn in een bewaking van de signaaloverdracht, zodat gesignaleerd kan worden of de signaaloverdracht verbroken is of is geweest.

In aanvulling op punt I.B.3.1 van de bijlage geldt dat gasmeters mogen zijn voorzien van volumeherleidingsinstrumenten.

In aanvulling op onderscheidenlijk in afwijking van punt I.B.4.1 van de bijlage geldt dat:

In plaats van punt I.B.6.2 van de bijlage geldt dat:

Indien de gasmeter is uitgerust met de mogelijkheid tot het geven van foutmeldingen, moeten deze tot gevolg hebben dat:

Punt I.B.9.1 van de bijlage is niet van toepassing.

Punt I.B.10.2 van de bijlage is niet van toepassing.

In deze paragraaf wordt verstaan onder een elektronische inrichting: een gasmeter of een deel van een gasmeter dat afzonderlijk kan worden getoetst aan de voorschriften van deze paragraaf, voorzien van elektronische componenten.

Deze paragraaf is slechts van toepassing op elektronische inrichtingen.

Bij het onderzoek tot toelating van een model wordt een elektronische inrichting blootgesteld aan de in de artikelen 24 tot en met 26 bedoelde omgevingscondities.

Uitsluitend voor elektronische inrichtingen in gebruiksomstandigheden overeenkomstig klasse F bestaat de blootstelling aan omgevingscondities voorts uit:

Deze paragraaf is slechts van toepassing op gasmeters, voor zover deze zijn voorzien van een elektrische voeding.

Bij het onderzoek tot toelating van een model mag de fout in de aanwijzing van een gasmeter tijdens blootstelling aan de omgevingscondities, bedoeld in de artikelen 30 en 31, niet meer veranderen dan de helft van de absolute waarde van de maximaal toelaatbare fout, of moet een grotere fout op adequate wijze worden gesignaleerd.

De blootstelling aan omgevingscondities bestaat uit:

Indien een gasmeter is voorzien van een elektrische voeding, welke is aangesloten op het openbare elektriciteitsnet, bestaat de blootstelling aan omgevingscondities voorts uit:

Indien de elektrische voeding van de gasmeter plaatsvindt via een systeem ter bewaking en eventueel overname van de netvoeding, wordt dit systeem beschouwd als onderdeel van de gasmeter.

Door batterijen gevoede gasmeters moeten zijn voorzien van:

Deze paragraaf is slechts van toepassing op de balgengasmeters, bedoeld in punt II.1 van de bijlage.

In afwijking van punt II.3.2 van de bijlage geldt dat punt van toepassing is op alle balgengasmeters.

In aanvulling op artikel 5 geldt dat gasmeters, voorzien van een volumeherleidingsinstrument waarin de herleiding plaatsvindt uitsluitend op basis van de gastemperatuur, een aanwijsinrichting mogen hebben die het gemeten volume, herleid naar referentietemperatuur, aanwijst, in welk geval de referentietemperatuur op de gasmeter moet zijn vermeld, in de vorm:

tn = ... °C.

In aanvulling op punt I.B.6.1 van de bijlage geldt dat bij gasmeters als bedoeld in artikel 39 het volume dat werkelijk door de meter is gestroomd moet worden herleid naar een volume onder de op de gasmeter vermelde referentietemperatuur.

In aanvulling op punt II.4.1 van de bijlage geldt dat het controle-element de laatste decimaal van de aanwijzing mag zijn.

In aanvulling op punt II.4.2 van de bijlage geldt dat, indien het controle-element bestaat uit de laatste decade van een aanwijzing, de afleeseenheid van die laatste decimaal ten hoogste gelijk mag zijn aan de in dat punt genoemde maximumwaarde van het schaaldeel.

Punt II.4.3 van de bijlage geldt tevens, indien het controle-element bestaat uit de laatste decimaal van de aanwijzing.

In plaats van de tabel van punt II.5.1.1 van de bijlage geldt de volgende tabel:

(a) bij de keuring en de herkeuring na een herstelling, na schending van de ijkmerken of na verbreking van de verzegeling;

(b) bij de herkeuring van een gasmeter met ongeschonden ijkmerken en niet verbroken verzegeling, bij het onderzoek, bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de wet, en bij het toezicht.

In plaats van punt II.5.1.2 van de bijlage geldt dat bij de keuring en bij de herkeuring na een herstelling of na verbreking van de verzegeling van een meter de fouten bij debieten Q gelegen tussen 2 Qmin en Qmax voor gasmeters van nauwkeurigheidsklasse II en tussen 0,1 Qmax en Qmax voor gasmeters van nauwkeurigheidsklasse I, indien die fouten alle hetzelfde teken hebben, niet alle groter mogen zijn dan 1%.

In aanvulling op punt II.5.1.1 van de bijlage en de artikelen 44 en 45 geldt dat bij gasmeters, bestemd voor een werkdruk hoger dan 0,1 MPa, de maximaal toelaatbare fout bij de debieten 0,5 Qmax en Qmax bedraagt:

Punt II.6.1 van de bijlage is niet van toepassing op:

Punt II.6.2 van de bijlage is niet van toepassing.

In plaats van punt II.7.2.4.1 van de bijlage geldt dat de tijdsduur van de duurbeproeving voor meters G 1,6 tot en met G 10 2000 uur bedraagt en dat een proef die is onderbroken binnen 100 dagen moet zijn beëindigd.

In plaats van punt II.7.2.4.2 van de bijlage geldt dat de tijdsduur van de duurbeproeving voor meters G 16 tot en met G 650 2000 uur bedraagt en dat een proef die is onderbroken binnen 180 dagen moet zijn beëindigd.

Punt II.7.2.5 van de bijlage is niet van toepassing.

Punt II.8.1 van de bijlage is niet van toepassing bij het onderzoek tot toelating van een model.

Deze paragraaf is slechts van toepassing op de rotor- en schoepengasmeters, bedoeld in de punten III.1.1 en III.1.2 van de bijlage.

In plaats van punt III.2.1 van de bijlage gelden de toegestane minimale waarden voor het maximale meetvermogen Qmax en de bijbehorende maximale waarden voor het minimale meetvermogen Qmin , aangegeven in onderstaande tabel:

en decimale veelvouden van de laatste vijf reeksen.

Ten aanzien van de tabel van punt III.5.1.1 van de bijlage geldt dat daarin:

In plaats van punt III.5.2.1 van de bijlage geldt dat bij belasting van de aandrijfassen met de maximale draaimomenten, die ingevolge de punten I.B.3.2.1 en I.B.3.2.2 van de bijlage op de gasmeter zijn aangegeven, de aanwijzing van de gasmeter, bij doorvoering van lucht met een volumieke massa van 1,2 kg/m³ bij Qmin maximaal met de in onderstaande tabel aangegeven waarden mag veranderen:

Punt III.6.1 van de bijlage is niet van toepassing.

In afwijking van punt III.6.2.2.2, onder a, van de bijlage geldt dat de daarin genoemde afwijking niet meer dan 0,5% mag bedragen.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

meetwaarde-opnemer: een instrument dat een signaal afgeeft, dat een vast functioneel verband heeft met een fysische grootheid;

drukopnemer: een meetwaarde-opnemer voor het meten van de absolute druk van het gas of van de overdruk van het gas ten opzichte van de druk van de buitenlucht;

temperatuuropnemer: een meetwaarde-opnemer voor het meten van de temperatuur van het gas;

dichtheidopnemer: een meetwaarde-opnemer voor het meten van de volumieke massa van het gas.

Indien het volumeherleidingsinstrument herleidt naar massa, wordt in dit hoofdstuk voor ’het herleide volume’ gelezen: de massa.

Het volumeherleidingsinstrument moet van een zodanige kwaliteit zijn, dat het onder normale bedrijfscondities blijft functioneren binnen de in de bepalingen van dit hoofdstuk gestelde grenzen.

Een volumeherleidingsinstrument moet zodanig zijn ingericht, dat het onderzoek, ook ter plaatse van opstelling van de gasmeter, met voldoende nauwkeurigheid kan plaatsvinden.

Een volumeherleidingsinstrument moet zodanig zijn geïnstalleerd, dat de aanwijzing niet wordt beïnvloed door de wijze waarop het instrument is opgesteld en dat, indien toegepast:

Een volumeherleidingsinstrument mag de juiste werking van de gasmeter waarop het is aangesloten niet schaden.

Op een volumeherleidingsinstrument moeten zijn vermeld:

Artikel 79 is tevens van toepassing op de aanwijsinrichting, die het niet herleide volume aanwijst, met dien verstande dat het op of in de nabijheid van de aanwijsinrichting te vermelden opschrift in dat geval luidt: niet herleid volume.

De aanwijsinrichting voor het niet herleide volume moet zijn uitgevoerd als:

Aanwijzingen behoeven niet voortdurend zichtbaar te zijn, doch moeten met een eenvoudige handeling opgeroepen kunnen worden.

Artikel 13, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op aanwijsinrichtingen van volumeherleidingsinstrumenten.

De in artikel 82 bedoelde aanwijsinrichtingen en de eventueel aanwezige storingstelwerken mogen niet door middel van een normale bedieningshandeling terugstelbaar zijn.

Indien zich in het volumeherleidingsinstrument nog andere voortdurend zichtbare aanwijzingen bevinden, moet hun functie op een zodanige wijze worden aangeduid, dat deze aanduiding geen aanleiding kan geven tot misleiding of misvatting.

Voor meetwaarde-opnemers als bedoeld in artikel 78, eerste lid, gelden de maximaal toelaatbare fouten, vermeld in onderstaande tabel:

a1: bij het onderzoek tot toelating van een model en de keuring onder referentie-omgevingscondities

a2: bij het onderzoek tot toelating van een model en de keuring binnen de normale omgevingscondities, niet zijnde referentie-omgevingscondities

b1: bij de herkeuring, het onderzoek, bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de wet en het toezicht onder referentie-omgevingscondities

b2: bij de herkeuring, het onderzoek, bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de wet en het toezicht binnen de normale omgevingscondities, niet zijnde referentie-omgevingscondities

In afwijking van het bepaalde in de hoofdstukken 2 en 3 geldt dat gasmeters, die

Na de inwerkingtreding van deze regeling berusten de krachtens de IJkregeling gasmeters (Stcrt. 1989, 81) vastgestelde besluiten op deze regeling.

De IJkregeling gasmeters (Stcrt. 1989, 81) wordt ingetrokken.

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling kan worden aangehaald als: IJkregeling gasmeters.