Ministeriële regeling · BWBR0009204

Regeling vaststelling klasse-indeling onderhoudsspecie

Wijzigingen Officiële bron
Regeling vaststelling klasse-indeling onderhoudsspecieRegeling vaststelling klasse-indeling onderhoudsspecieDe Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Gelet op artikel 1 van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen (Stb. 1997, 664);

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage18 december 1997 De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Margaretha deBoer

In deze regeling wordt verstaan onder:

NVN:

door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven voornorm;

NEN:

door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven norm;

NPR:

door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven praktijkrichtlijn;

standaardbodem:

bodem met een organisch stofgehalte van 10% en een lutumgehalte van 25%.

Analyses worden uitgevoerd door een onderzoekslaboratorium dat voor deze analyses is erkend door de Raad voor Accreditatie (STERLAB) of door een andere Europese laboratoriumaccreditatie-instelling, op basis van de Europese norm (NEN)-EN 45001.

De Regeling vaststelling klasse-indeling onderhoudsspecie (Stcrt. 1993, 246) wordt ingetrokken.

Na inwerkingtreding van deze regeling worden de met toepassing van de Regeling vaststelling klasse-indeling onderhoudsspecie (Stcrt. 1993, 246) vastgestelde besluiten aangemerkt als besluiten, vastgesteld met toepassing van deze regeling.

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaststelling klasse-indeling onderhoudsspecie.

3.1. Voor elk afzonderlijk compartiment van de waterbodem waarvan een mengmonster is genomen wordt de klasse-indeling van de te verwijderen onderhoudsspecie bepaald aan de hand van onderstaande methode.

3.2. De gemeten gehalten in het monster worden omgerekend naar de gehalten in standaardbodem. Deze omrekening wordt uitgevoerd met behulp van de volgende formule.

waarin:

Gst = gehalte van de betreffende stof, omgerekend naar standaardbodem [mg/kg of μg/kg];

Gg = gemeten gehalte van de betreffende stof [mg/kg of μg/kg];

% lutum gemeten of berekend percentage lutum [% d.s.];

% org. stof gemeten of berekend percentage organische stof [% d.s.];

A, B en C stofafhankelijke constanten zoals opgenomen in tabel 1.

Ten behoeve van de vaststelling van Gst voor organische parameters worden voor bodems met een gemeten/berekend organisch stofgehalte van meer dan 30% respectievelijk minder dan 2% organische stofgehalten van respectievelijk 30% en 2% aangehouden. Met dien verstande dat bij de berekening van de streefwaarde, grenswaarde, toetsingswaarde en interventiewaarde van ∑ 10 PAK in plaats van 2% 10% wordt aangehouden.

Tabel 1 Stofafhankelijke constanten ten behoeve van de berekening gecorrigeerde stofgehalten in een baggerspeciemonster

Per parameter wordt het met behulp van bovenstaande formule het berekende gecorrigeerde gehalte vergeleken met de streef-, grens- en toetsingswaarden voor de standaardbodem zoals die zijn opgenomen in de bijlage bij het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen.

3.3. Op basis van deze vergelijking wordt voor elk van de geanalyseerde parameters bepaald in welke klasse het monster zich voor de betreffende parameter bevindt.

3.4. EOX is een trigger voor de eventuele aanwezigheid van gechloreerde en andere halogeen verbindingen. Overschrijding van de streefwaarde of toetsingswaarde van EOX leidt niet automatisch tot de conclusie dat niet voldaan wordt aan de streef- of toetsingswaarde. Bij overschrijding van de streef- of toetsingswaarde moet aanvullend (historisch of analytisch) onderzoek worden gedaan naar de aanwezigheid van gechloreerde (en andere halogeen) verbindingen. Indien deze parameters aanwezig zijn, worden ze meegenomen bij de klasse-indeling.

Wanneer voor één of meer van de parameters de interventiewaarde, als aangegeven in tabel 2, wordt overschreden, wordt het mengmonster ingedeeld in klasse 4.

In de overige gevallen wordt het mengmonster als geheel ingedeeld in de hoogste van de klassen waarin het monster zich voor de afzonderlijke parameters bevindt.

Uitgezonderd zijn:

Tabel 2 Overzicht interventiewaarden voor een standaardbodem, uitgaande van 25% lutum en 10% humus (in mg/kg d.s. tenzij anders vermeld)

3.5. De te verwijderen onderhoudsspecie in het waterbodemcompartiment waaruit het mengmonster is verkregen wordt ingedeeld in de klasse die op bovenstaande wijze is vastgesteld voor het mengmonster.

Bij de bemonstering wordt van de gehele te baggeren laag een monster genomen volgens NEN 5742.

De bemonstering wordt uitgevoerd met behulp van een deugdelijk bemonsteringsapparaat.

Bij het baggeren van oppervlaktewateren als bedoeld in artikel 3, eerste en tweede lid, wordt, per compartiment van 500 meter of het gedeelte daarvan dat wordt gebaggerd, één mengmonster samengesteld uit ten minste 10 steekmonsters (bemonsteringswijze A).

Bij het baggeren van oppervlaktewateren waarbij het voornemen bestaat om de specie te verspreiden als zijnde onderhoudsspecie klasse 0 onderscheidenlijk klasse 1, wordt per compartiment van 2,5 kilometer of het gedeelte daarvan dat wordt gebaggerd, één mengmonster samengesteld uit ten minste 10 steekmonsters (bemonsteringswijze B).

Dit leidt tot de in onderstaand schema weergegeven wijze van bemonsteren.

De steekmonsters worden zigzag over de watergang genomen om de representativiteit zo goed mogelijk te waarborgen.

De mengmonsters worden in het laboratorium samengesteld uit gelijke hoeveelheden uit elk van de gehomogeniseerde individuele steekmonsters.

Voor monsterconservering (materiaal en bewaartemperatuur) wordt rekening gehouden met de aanwijzingen van ontwerp NEN 5719 (1995).

De volgende parameters worden ten minste onderzocht:

Indien verontreiniging wordt vermoed met polychloorbifenylen (PCB’s), organochloorbestrijdingsmiddelen of een andere verontreiniging wordt daar ook op geanalyseerd.

Voor deze analyses worden, indien aanwezig, de genormaliseerde meetvoorschriften van het Nederlands Normalisatie-Instituut (NNI) gebruikt.

De volgende NEN- en NVN-normen zijn thans beschikbaar:

Organisch stofgehalte

Indien mogelijk wordt het percentage organische stof bepaald door berekening uit de hoeveelheid organisch koolstof bepaald door toepassing van de elementair koolstofmethode. Het percentage organische stof wordt dan berekend met de formule

% organische stof = 1.724 x % organisch koolstof.

In situaties waar de elementair-koolstof analyse niet beschikbaar is, wordt de berekening van de organische stof afgeleid uit de gloeirest bepaald bij 600 ºC volgens NEN 6620. Dit gebeurt met de formule

% organische stof = (100% - % gloeirest) x 0.90.

Lutum

De bepaling van lutum (minerale delen kleiner dan 2 mm) vindt plaats volgens NEN 5753.

Bij minder dan 20% deeltjes < 2 μm dient berekening van het percentage plaats te vinden op basis van de bepaling van de minerale deeltjes < 16 μm. De minerale delen kleiner dan 16 mm worden hierbij bepaald volgens NEN 5753 (pipet methode).

Het percentage lutum wordt in die gevallen als volgt vastgesteld: % lutum = 0.63 x % minerale delen < 16 μm.

De bepaling van het percentage deeltjes < 16 μm is betrouwbaar tot een gehalte van 5%. Dit komt overeen met 3% lutum.

Zware metalen en arseen

De monsterontsluiting voor de analyse op zware metalen en arseen wordt uitgevoerd op een deel van het analysemonster dat door proportionering van het laboratoriummonster is verkregen. De ontsluiting en monsteranalyse op zware metalen, met uitzondering van kwik, en arseen wordt uitgevoerd volgens ontwerp NEN 5772 (1992). De monsteranalyse van kwik wordt uitgevoerd volgens ontwerp NEN 5764.

PAK's en PCB's

De analyse van PAK’s vindt plaats volgens 2e ontwerp NEN 5771 (1994).

De analyse van PCB’s vindt plaats volgens ontwerp NEN 5718.

Gelijkwaardige bepalingsmethoden

In plaats van de hierboven voorgeschreven meet- en bepalingsmethoden mag gebruik worden gemaakt van meet- en bepalingsmethoden die door Raad voor Accreditatie (STERLAB) of door een andere Europese laboratoriumaccreditatie-instelling, op basis van de Europese norm (NEN) EN 45001 als gelijkwaardig aan de voorgeschreven werkwijze zijn aangemerkt.