U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 14-05-2004.

Ministeriële regeling · BWBR0009237

Voorschriften meetmiddelen 1997

Wijzigingen Officiële bron
Voorschriften meetmiddelen 1997Voorschriften meetmiddelen 1997De Minister van Verkeer en Waterstaat,

Handelende in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke ordening en Milieubeheer;

Gelet op de artikelen 84 en 101 van de Wegenverkeerswet 1994;

Besluit:

Deze regeling zal in een bijlage bij de Staatscourant worden geplaatst. Van deze plaatsing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.

De Minister van Verkeer en Waterstaat, A.Jorritsma-Lebbink

In deze regeling wordt verstaan onder:

Onder de vermelding in deze regeling van een EG-richtlijn wordt verstaan hetgeen daaronder wordt begrepen in artikel 1.1a van het Voertuigreglement, met inbegrip van de ingevolge artikel 1.7, eerste lid, van het Voertuigreglement bekendgemaakte wijzigingen. Artikel 1.7, tweede lid, van het Voertuigreglement is van overeenkomstige toepassing.

Een typekeuringscertificaat is niet langer geldig indien:

De in artikel 1.2 genoemde meetmiddelen moeten, tenzij anders bepaald in hoofdstuk 3, voldoen aan de in deze paragraaf gestelde eisen.

Elektronische meetmiddelen genoemd in artikel 1.2 moeten, tenzij anders bepaald in hoofdstuk 3, voldoen aan de in deze paragraaf gestelde eisen.

De eisen met betrekking tot de maximale fout hebben betrekking op het gehele gebied van praktisch voorkomende voedingspanningen. Aan de eis met betrekking tot de maximale fout wordt voldaan indien het instrument voldoet aan artikel 1.18, onderdeel a.

Het meetmiddel moet voor wat betreft storingsgevoeligheid voldoen aan de volgende eisen:

De metrologisch relevante programmatuur van het meetmiddel moet voldoen aan de volgende eisen:

Een onderneming of instelling kan door een keuringsinstelling als onderzoeksgerechtigde worden erkend ten aanzien van een bepaalde categorie in gebruik zijnde meetmiddelen als genoemd in artikel 1.2, indien wordt voldaan aan de in artikel 2.3 tot en met 2.5 gestelde eisen, hetgeen na een onderzoek van de onderneming of instelling door de keuringsinstelling is vastgesteld.

De onderneming of instelling moet voor wat betreft organisatie, personeel en materieel zodanig zijn ingericht, en moet beschikken over zodanige documentatie, dat zij in staat is met een voldoende mate van zekerheid vast te stellen dat voldaan wordt aan de in paragraaf 3 van hoofdstuk 1 en de in hoofdstuk 3 ten aanzien van het desbetreffende meetmiddel gestelde eisen.

De standaarden die de onderneming of instelling bij het onderzoek zal gebruiken dienen afgeleid te zijn van nationale standaarden van meeteenheden of van standaarden van meeteenheden die worden beheerd of verwezenlijkt met inachtneming van hetgeen ter zake door de bevoegde organen op grond van het op 20 mei 1875 te Parijs gesloten Verdrag ter verzekering van de internationale eenheid en volmaking van het metriek stelsel is bepaald dan wel in overeenstemming te zijn met door de Raad of Commissie van de Europese Gemeenschappen ingevolge het op 25 maart 1957 te Rome gesloten Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap genomen bindende besluiten.

Op een onderneming of instelling die als onderzoeksgerechtigde is erkend rusten de volgende verplichtingen:

Een onderneming of instelling die als onderzoeksgerechtigde is erkend, is verplicht voorafgaand aan de herkeuring van een niet-mechanisch meetmiddel aan de hand van de documentatie, behorende bij de voor dat meetmiddel geldende typegoedkeuring, vast te stellen dat het betrokken meetmiddel niet op zodanige wijze is aangepast dat niet meer verondersteld mag worden dat het meetmiddel overeenstemt met het goedgekeurde type.

Ter bestrijding van de kosten, verbonden aan het toezicht op de naleving door de keuringsinstelling is de onderzoeksgerechtigde aan de keuringsinstelling een bedrag verschuldigd, berekend volgens de door de keuringsinstelling vastgestelde tarieven.

De in artikel 2.6, eerste lid en artikel 2.9 bedoelde tarieven behoeven goedkeuring van de Minister van Verkeer en Waterstaat.

Een onderneming of instelling kan door een keuringsinstelling als inrichting voor het certificeren van kalibratiegas worden erkend indien wordt voldaan aan de in artikel 2.12 gestelde eisen, hetgeen na een onderzoek van de onderneming of instelling door de keuringsinstelling is vastgesteld.

De onderneming of instelling moet voldoen aan de volgende eisen:

Op de tot het certificeren van kalibratiegas erkende inrichting rusten de volgende verplichtingen:

De onderneming of instelling die voor de datum van inwerkingtreding van deze regeling op grond van paragraaf 4 van de Regeling Meetmiddelen Voertuigreglement is toegelaten als onderzoeksgerechtigde voor bepaalde in gebruikzijnde meetmiddelen wordt aangemerkt als te zijn erkend als onderzoeksgerechtigde terzake van deze meetmiddelen op grond van hoofdstuk 2, paragraaf 2, van deze regeling.

De onderneming of instelling die voor de datum van inwerkingtreding van deze regeling op grond van artikel 4 van het Meetbesluit CO/roet motorrijtuigen is erkend tot het afgeven van verklaringen voor in gebruik zijnde koolmonoxidemeters, wordt aangemerkt als te zijn erkend als onderzoeksgerechtigde voor koolmonoxidemeters op grond van hoofdstuk 2, paragraaf 2, van deze regeling.

De onderneming of instelling die voor de datum van inwerkingtreding van deze regeling is erkend voor het certificeren van kalibratiegas op grond van bijlage V van het Meetbesluit CO/roet motorrijtuigen, wordt aangemerkt als te zijn erkend op grond van hoofdstuk 2, paragraaf 3, van deze regeling.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

In de handleiding behorende bij de roetmeter moet naast de informatie genoemd in artikel 1.15 het volgende zijn opgenomen:

De roetmeter moet zijn voorzien van:

Het optisch systeem moet voldoen aan de volgende eisen:

De roetmeter moet zijn voorzien van een analoge of digitale aanwijsinrichting die ten minste de volgende aanwijzingen presenteert:

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

In de handleiding behorende bij de toerenteller moet naast de informatie genoemd in artikel 1.15 het volgende zijn opgenomen:

Indien het een geïntegreerde toerenteller betreft, mag de handleiding onderdeel uitmaken van de handleiding van het betreffende meetmiddel.

De maximale fout voor toerentellers bedraagt 10 min-1 voor toerentallen kleiner dan 1000 min-1 en 1% voor toerentallen gelijk aan of groter dan 1000 min-1.

Niet-geïntegreerde toerentellers die worden gebruikt in combinatie met een ander meetmiddel, moeten zijn voorzien van een signaaluitgang door middel waarvan het gemeten toerental kan worden overgedragen naar dat andere meetmiddel, voor zover koppeling verplicht is volgens de voorgeschreven meetmethode.

Toerentellers in gebruik genomen vóór inwerkingtreding van deze regeling, welke niet worden gebruikt voor de roetmeting of de uitlaatgasmeting met lambda-bepaling, als bedoeld in artikel 5.2.11, negende en elfde lid dan wel artikel 5.3.11, achtste en tiende lid van het Voertuigreglement moeten in afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1 voldoen aan de volgende eisen:

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

In de handleiding behorende bij de olietemperatuurmeter moet naast de informatie genoemd in artikel 1.15 het volgende zijn opgenomen:

Indien het een geïntegreerde olietemperatuurmeter betreft, mag de handleiding onderdeel uitmaken van de handleiding van het betreffende meetmiddel.

De maximale fout voor olietemperatuurmeters bedraagt 5 °C voor het temperatuurgebied van 60 °C tot 90 °C. Voor het aanwijsbereik buiten het meettraject van 60 °C tot 90 °C is de maximale fout van de olietemperatuurmeter 8 °C

De opnemer moet een zodanige lengte hebben en zodanig flexibel zijn dat het temperatuurgevoelige deel op een eenvoudige en bedrijfszekere wijze in de olie kan worden ondergedompeld die zich in het carter van de te onderzoeken voertuigmotor bevindt.

Niet-geïntegreerde olietemperatuurmeters die worden gebruikt in combinatie met een ander meetmiddel, moeten zijn voorzien van een signaaluitgang door middel waarvan het gemeten olietemperatuur kan worden overgedragen naar dat andere meetmiddel, voor zover koppeling verplicht is volgens de voorgeschreven meetmethode.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

In afwijking van het bepaalde in artikel 1.15 is een handleiding voor de manometer niet vereist.

De manometer moet voldoen aan de volgende eisen:

Manometers in gebruik genomen vóór 1 juli 1998:

De pedaalkrachtmeter moet voldoen aan de volgende eisen:

Pedaalkrachtmeters in gebruik genomen vóór 1 juli 1998:

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

In de handleiding behorende bij de remvertragingsmeter moet naast de informatie genoemd in artikel 1.15 de wijze van opstelling van de remvertragingsmeter worden opgenomen waarbij het volgende nader moet worden belicht:

De remvertragingsmeter mag zijn voorzien van een justeerinrichting indien voldaan wordt aan de volgende eisen:

De remvertragingsmeter mag zijn voorzien van een standcorrectie-inrichting indien voldaan wordt aan de volgende eisen:

De remvertragingsmeter mag zijn voorzien van een geïntegreerde pedaalkrachtmeter of manometer.

De remvertragingsmeter mag zijn voorzien van meerdere aanwijsbereiken. Zij moeten in elk geval één aanwijsbereik hebben dat tenminste het gebied van 0 tot 9,81 m/s2 omvat.

De remvertragingsmeter moet een ononderbroken meetduur hebben van ten minste 5 seconden.

De remvertragingsmeter moet zijn voorzien van een registratie-inrichting, waarmee het verloop van de remvertraging als functie van de tijd wordt vastgelegd.

Een resulterende meetwaarde is representatief voor de gemeten remvertraging, indien:

Remvertragingsmeters waarvoor in het jaar voorafgaand aan 1 mei 2003 een certificaat van eerste of herkeuring is afgegeven op basis van de eisen die op het moment van eerste keuring van kracht waren, mogen bij een algemene periodieke keuring gebruikt worden tot de dag waarop het certificaat zijn geldigheid verliest.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

In de handleiding behorende bij de rollenremtestbank is opgenomen:

In aanvulling op artikel 1.9, tweede lid, onder a, wordt een verzegeling eveneens aangebracht tussen de rollenremtestbank en zijn fundering.

De rollenremtestbank moet een voorziening hebben waarmee op een betrouwbare en veilige wijze door het aanbrengen van een kracht inwerkend op de krachtopnemers een statische remkracht kan worden gesimuleerd.

Een geïntegreerde manometer of pedaalkrachtmeter moet voldoen aan de eisen gesteld in paragraaf 4 respectievelijk 5 van dit hoofdstuk.

Bij meting van de remkracht van de wielen van een as mag, bij gelijke remkracht, het verschil in aanwijzing voor beide wielen niet groter zijn dan de helft van de maximale fouten bedoeld in artikel 3.7.7.

Bij een rollenremtestbank voorzien van een extrapolatie-inrichting, is het maximale verschil tussen de gepresenteerde extrapolatiewaarde en de waarde berekend door middel van lineaire extrapolatie van de werkelijke waarden van de remkracht bij een ingestuurde druk van 1 bar en bij een ingestuurde druk 0,2 bar beneden de hoogste waarde, gebruikt bij de remtest van een voertuig, gelijk aan 2,5 maal de waarde genoemd in artikel 3.7.7, tweede lid.

De maximale fout in de resulterende meetwaarde bedraagt 2,5% van de aangewezen waarde indien deze uitsluitend veroorzaakt wordt door dynamische effecten in de meetsignalen.

Indien een rollenremtestbank voorzien is van een geïntegreerde pedaalkrachtmeter of manometer voor de ingestuurde druk, zijn de gestelde eisen aan remkracht bedoeld in de paragrafen 7.2.4 tot en met 7.2.6 van overeenkomstige toepassing.

Rollenremtestbanken voorzien van een extrapolatie-inrichting, moeten zijn voorzien van een geïntegreerde manometer voor de ingestuurde druk.

De rolweerstand moet altijd als remkracht worden gepresenteerd.

Op de rollenremtestbank kunnen gelijktijdig voor het linker- en rechterwiel van een gemeten as ten minste de volgende waarden worden vastgesteld:

De analoge aanwijzing moet zodanig van opbouw zijn dat de momentele waarde van een fluctuerende remkracht kan worden geschat en de voor de beoordeling van het onderzochte remsysteem relevante fluctuaties alsmede het verschil in remkracht aan het linker- en rechtwiel in de momentele waarde zichtbaar zijn.

Indien de rollenremtestbank van een analoge aanwijzing en een digitale aanwijzing is voorzien:

Indien de rollenremtestbank van een analoge aanwijzing is voorzien moet de onnauwkeurigheid in de resulterende meetwaarde en in het verschil in remkracht aan het linker- en rechterwiel, uitsluitend als gevolg van de beperkte afleesnauwkeurigheid niet meer bedragen dan 1/5 van de maximale fout voor statische metingen, geldend voor het betreffende meetresultaat.

Een digitale aanwijzing moet zodanig zijn dat:

Een niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde reageert als volgt op testsignalen:

Een rolleremtestbank voorzien van een extrapolatie-inrichting moet:

Onregelmatigheden in de remkrachthelling voor waarden van de ingestuurde druk kleiner dan 1 bar mogen niet leiden tot verschillende extrapolatiewaarden.

Na beëindiging van de remtest mag naast de berekende extrapolatiewaarde tevens een gemeten waarde voor de remkracht en de bijbehorende ingestuurde druk worden gepresenteerd. Deze gemeten waarden moeten overeenkomen met de voor het extrapolatieproces gebruikte hoogste waarden voor de gemiddelde remkracht per rotatieperiode en de bijbehorende ingestuurde druk, gemiddeld over dezelfde periode. Deze waarde moet voldoen aan de eisen gesteld in paragraaf 7.2.6. met uitzondering van artikel 3.7.26, onder b.

Klasse II rollenremtestbanken en klasse I/II rollenremtestbanken, voor wat betreft het klasse II-bereik, voorzien van hydraulische of pneumatische krachtopnemers, waarvoor in de 12 maanden voorafgaande aan 1 februari 2004 een certificaat van eerste of herkeuring is afgegeven op basis van de eisen die op het moment van de eerste keuring van kracht waren, mogen tot uiterlijk drie jaar na de datum van afgifte, zoals deze staat vermeld op het certificaat, worden gebruikt bij een algemene periodieke keuring.

Vervallen

De platenremtestbank moet voldoen aan de volgende eisen:

Platenremtestbanken in gebruik genomen vóór 1 juli 1984:

In de handleiding behorende bij de koolmonoxidemeter moet naast de informatie genoemd in artikel 1.15 het volgende zijn opgenomen:

Indien het een geïntegreerde koolmonoxidemeter betreft, mag de handleiding onderdeel uitmaken van de handleiding van het betreffende meetmiddel.

De koolmonoxidemeter moet voldoen aan de technische en metrologische eisen opgenomen in respectievelijk paragraaf 9.2.1 en 9.2.4 onder de in paragraaf 9.2.2 en 9.2.3 genoemde omstandigheden.

De koolmonoxidemeter moet:

De koolmonoxidemeter moet in uitgeschakelde toestand kunnen worden vervoerd, en zowel in uit- als in ingeschakelde toestand kunnen worden verplaatst.

De delen van de koolmonoxidemeter die met de uitlaatgassen in aanraking komen moeten zijn vervaardigd uit materialen die de nauwkeurigheid van de meting niet kunnen beïnvloeden.

De koolmonoxidemeter moet zijn voorzien van een filtersysteem en een condensaatafscheider, die doeltreffend en gemakkelijk bereikbaar zijn. De onderdelen van deze inrichtingen moeten een goede werking van de koolmonoxidemeter mogelijk maken.

De inrichtingen voor nulstelling en justering dienen goed bereikbaar te zijn, maar doelmatig beschermd tegen ongewilde ontregeling. De toegang tot de overige instelinrichtingen moet kunnen worden verhinderd. Daartoe moeten mogelijkheden tot verzegeling aanwezig zijn.

De koolmonoxidemeter moet zijn voorzien van een doelmatige nulstelinrichting.

De koolmonoxidemeter moet zijn voorzien van:

De omgevingstemperatuur mag variëren tussen 0°C en +40°C; de instelwaarde van de nominale temperatuur ligt tussen +17°C en +23°C; de werkelijke waarde mag niet meer dan 2°C in plus en min van de ingestelde nominale waarde afwijken.

De relatieve vochtigheid van de omgevingslucht mag variëren tussen 10% en 90%. De instelwaarde van de nominale relatieve vochtigheid ligt tussen 50% en 60%; de werkelijke waarde mag niet meer dan 10% van de ingestelde waarde afwijken.

De spanning van de elektrische voeding mag variëren van –15% tot +10% ten opzichte van de nominale spanning.

De concentraties van kooldioxyde CO2, waterdamp H2O, waterstof H2 en koolwaterstoffen CxHy in de uitlaatgassen mogen variëren tussen:

De druk van de uitlaatgassen in de meetcel mag ten opzichte van de nominale druk variëren tussen 800 mbar en 1100 mbar; de nominale druk is gelijk aan de heersende atmosferische druk.

Op het net worden tijdelijke overspanningen van beide polariteiten aangelegd in willekeurig verschoven fasen. Deze overgangen worden zowel in fasen als in serie opgewekt uitgaande van een impedantie van 50 ohm. Amplitude, stijgtijd, duur en herhalingsfrequentie zijn in tabel 1 nader aangegeven.

Tabel 1

Tenzij anders vermeld, gelden de metrologische voorschriften in de artikelen 3.9.27 tot en met 3.9.31 bij nominale omstandigheden.

De responsietijd bij de typekeuring voor een aanwijzing die ten hoogste 10% verschilt van de definitieve aanwijzing van de gemeten grootheid mag niet meer dan 20 seconden bedragen; bij het bepalen van de responsietijd wordt gebruik gemaakt van een gas, waarvan het koolmonoxidegehalte gedurende de meettijd niet meer dan 2% varieert.

Bij nominale temperatuur mag bij de typekeuring het resultaat van een meting die wordt verricht met een gas waarvan het koolmonoxidegehalte gedurende de meettijd niet meer dan 2% varieert, in een periode van 4 uur na de opwarming van het toestel niet meer dan 0,2% vol CO bedragen.

De maximale afwijking bij de typekeuring tussen 5 onmiddellijk op elkaar volgende metingen van het koolmonoxidegehalte van een gas waarvan het koolmonoxidegehalte gedurende de meettijd niet meer dan 2% varieert mag niet meer dan 0,2% vol CO bedragen.

Gecertificeerd kalibratiegas moet voldoen aan de volgende eisen:

De certificatie geschiedt:

Kalibratiegas gecertificeerd vóór inwerkingtreding van deze regeling mag, in afwijking van het bepaalde in artikel 3.9.33, zijn voorzien van het certificaat als bedoeld in Bijlage VII bij het Meetbesluit CO/roet motorrijtuigen.

Het koplamptestapparaat moet voldoen aan de volgende eisen:

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Uitlaatgastesters uitsluitend ingericht voor het meten van koolmonoxide die in gebruik zijn genomen na 31 december 1997 moeten voldoen aan de in deze paragraaf gestelde eisen met uitzondering van de eisen ten aanzien van de meting van CO2, HC, O2 en lambda.

In de handleiding behorende bij de uitlaatgastester moet naast de informatie genoemd in artikel 1.15, het volgende zijn opgenomen:

Ten behoeve van controles moet het instrument zijn uitgevoerd met een mogelijkheid om negatieve waarden tot ten minste 1% en ten hoogste 5% van het meetbereik weer te geven.

De meetbereiken voor elk der componenten moeten ten minste de volgende waarden hebben:

De maximale fout in de aanwijzing van de uitlaatgastester bij typekeuring, onder referentie-omstandigheden, en bij eerste keuring en herkeuring, onder gebruiksomstandigheden, bedraagt:

Uitlaatgastesters mogen zijn voorzien van een geïntegreerde toerenteller mits deze voldoet aan de eisen gesteld in paragraaf 2 van dit hoofdstuk.

De nominale waarde mag ten hoogste 15% afwijken van de genoemde concentraties. De maximale relatieve fout in de opgegeven concentraties bedraagt 2% voor de concentratie van C₃H₈ in mengsel 2 en 1% voor de overige concentraties.

Uitlaatgastesters in gebruik genomen vóór 1 januari 1998:

doch waarvan niet door middel van een aanvullend onderzoek is vastgesteld dat het desbetreffende type voldoet aan de in deze paragraaf gestelde eisen, mogen na 30 juni 1998 nog slechts worden gebruikt voor voertuigen welke niet zijn voorzien van een katalysator en lambdasonde. Deze uitlaatgastesters moeten blijven voldoen aan de in paragraaf 9 van dit hoofdstuk gestelde eisen.

De regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 september 1996, nr. HW/RV 225467, Hoofddirectie van de Waterstaat, houdende voorschriften gesteld aan meetmiddelen gebruikt ten behoeve van de controle van de in hoofdstuk 5 van het Voertuigreglement gestelde eisen (Voorschriften meetmiddelen 1996) (Stcrt. 200), wordt ingetrokken.

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij worden geplaatst.

Deze regeling wordt aangehaald als: Voorschriften meetmiddelen 1997.

Model gecertificeerd kalibratiegas